Peak Doom Voorbij

Dit oudere artikel heb ik oorspronkelijk gepost op mijn vorige blog Book Liberation Movement. Het verscheen in licht gewijzigde vorm op BackCover.be. Het boek van Phillips is wat mij betreft nog steeds een must-read voor iemand die groen en links ter harte neemt.

* * *

“De klimaatsverandering is een te grote en te serieuze uitdaging om over te laten aan de groene politieke partijen.” Het is niet de eerste keer dat een dergelijke slagzin in een publicatie over ecologie en milieu opduikt. De filosoof Roger Scruton gebruikte een variant in zijn boek Groene filosofie (2012) en breide er een uitgesproken conservatief  tegenverhaal aan vast.

Voor Leigh Phillips, journalist voor onder meer Nature en The Guardian, is de boutade een startschot om het traditionele groene gedachtegoed te tackelen, maar dan vanaf de linkerzijde.

Peak Oil, Peak Phosphate, Peak Water. Volgens de paniekerige supportersschare van de Club van Rome hebben we deze keer echt wel de grenzen aan de groei bereikt, en dat ondertussen al zo’n 35 jaar lang. Ondanks Thomas Robert Malthus en Paul Ehrlich zijn er te veel mensen op deze planeet en we groeien, produceren en consumeren onszelf en het milieu kapot. We gaan er allemaal aan en technologie noch wetenschap kunnen ons redden. Integendeel, volgens heel wat mensen zijn zij net de hoofdverantwoordelijken voor de aanstormende ecologische apocalyps. Grootschaligheid is schadelijk, economische groei nefast. We moeten het kapitalisme en zijn nog gemenere neefje, het neoliberalisme, achter ons laten en teruggaan naar de knusse natuur, leven in kleine gemeenschappen die zichzelf kunnen voorzien in de geneugten van een eenvoudig, natuurlijk leven.

Phillips, zelf een rode rakker, maar dan van de traditioneel socialistische stempel, is ook
getroebleerd door de uitwassen van het kapitalisme en het neoliberalisme en dus door de afbraak van de staat en de publieke sector. Verder beseft hij ten volle dat de situatie op deze aardkloot precair aan het worden is. Zijn boek is een onverholen oproep om iets doen aan de ecologische puinhoop en de globale klimaatsverandering, en snel een beetje. Maar op berichten van hel en verdoemenis, van inkrimping en degrowth, van antiwetenschap en antitechnologie heeft hij het evenmin begrepen.

Leigh Phillips richt zijn pijlen op twee, drie schijnbare uitersten van eenzelfde
tegenbeweging, verschillende polen die elkaar aanvullen en aanzwengelen eerder dan
tegenspreken: de liefhebbers van wat hij donkergroene apocalypsporno noemt, militante voorstanders (en uitvoerders) van ecoterreur en de meestal iets minder proto-genocidaal geïnspireerde degrowth-menigte. Die laatste groep is het ruimst vertegenwoordigd, maar hun gedachtegoed wordt evenzeer gevoed door deep ecology denkers en de Deep Green Resistance-beweging, genre Derrick Jensen, en donkergroene anarchisten als een John Zerzan, elk met hun weinig menslievend wereldbeeld. Een van de meest populaire vertegenwoordigers van de degrowth-massa
is de ogenschijnlijk gematigdere Naomi Klein, die in Phillips’ boek dan ook een hoofdrol krijgt.

Om een ruw idee te geven van wat hier bedoeld wordt met antitechnologische en
antiwetenschappelijke denkbeelden: voor Derrick Jensen is het enige technologisch
aanvaardbare niveau dat van het stenen tijdperk, voor John Zerzan is de neolithische
landbouw de ground zero van het menselijke verval. Voor Zerzan was de ontwikkeling van het menselijk taalvermogen enkele tienduizenden jaren eerder al een veeg teken aan de grotwand dat het nooit zou goed komen met de Homo sapiens sapiens.

Naomi Klein daarentegen is dan weer iets gevarieerder, of rekbaarder zo u wil, wat het niveau betreft waarnaar degrowth ons moet brengen. Daalt u even mee af naar de krochten van de menselijke geschiedenis: in This Changes Everything (2014) wijst ze de jaren 1970 aan, de periode vóór de consumptiegekte van de jaren 1980. In hetzelfde boek wordt dat plots 1776, want vanaf dan hield de mensheid op met het volgen van “het natuurlijke ritme van het waterrad” ten voordele van steenkool. Eerder schreef ze dat de Wetenschappelijke Revolutie in de 17 eeuw onze erfzonde was, dat we moeten teruggaan naar het niveau van de middeleeuwen, of naar een mythisch Arcadia van voor de Judeo-Christelijke invloeden. Kort samengevat: de periode waarnaar we volgens Klein moeten degroeien, is het moment waarop het rabbit hole een emmer vol snot wordt, en een verwonderd meisje een gladde paling.

Maar volgens Phillips hebben de au fond anti-humanistische onheilsberichten van de Club van Malthus, Ehrlich, Rome, Jensen, Zerzan, Klein en ondertussen ook de Ploeg van ‘t Vaticaan geen plaats meer in de toekomst. Hij pleit ervoor om zowel de nuttige analyses en kritieken uit hun verhalen te halen, maar evenzeer moeten we beseffen dat het hoog tijd wordt om Peak Doom achter ons te laten. Phillips voert aan dat we dringend op een positieve, constructieve en democratische manier moeten leren om gaan met het tijdvak dat voor ons ligt, het antropoceen.

“De terugnaardenatuurdoctrine, overladen met waarden en emoties, religieus met een
neiging tot mystiek, zorgt af en toe voor mooie poëzie, maar wetenschap is het zeker
niet”, stelt Phillips. En volgens hem hebben we nu net meer wetenschap en technologie
nodig, en minder wollige feel good, om steeds meer mensen een bestaan te kunnen
verzekeren dat menswaardig is. Het gedachtegoed van de antitechnologische fractie
binnen de zogenaamde progressieve linksgroene beweging noemt hij een koekoeksei in het linkse nest.

Ook de doemgedachte van Malthus, de Britse pastor-econoom (er zijn te veel mensen
voor te weinig bronnen en middelen), veegt hij van de kaart en niet alleen met een
welgekozen citaatje van Friedrich Engels: “there still remains a third element which,
admittedly, never means anything to the economist [Malthus] – science – whose progress is as unlimited and at least as rapid as that of population”. Phillips vecht de idee aan dat er geen oneindige groei kan zijn op een eindige planeet. Decoupling (steeds minder grondstoffen per geproduceerde eenheid door technologisch ingrijpen) op zich kan leiden tot meer productie en meer vervuiling, althans in een kapitalistisch kader. In een democratisch geplande economie daarentegen, waarbij meer belang wordt gehecht aan de waarde die een product heeft voor de maatschappij, eerder dan voor de zelfvalorisatie van het kapitaal, is decoupling wél een waardevolle strategie.

Naomi Kleins degrowth-beweging verwijt hij gebrekkige ambities. Een socialist
daarentegen stopt volgens Phillips nooit met meer te eisen voor iedereen. Het mag dan
ook niet verbazen dat voor hem de idee van grenzen aan de groei een kenmerk is van een beperkende ideologie die zich uiteindelijk tegen mensen zal keren. Economische groei heeft het overgrote deel van de westerse bevolking uit het slop van een rits duistere tijdsvakken gehaald. En nu is niet de moment om te vergeten of te negeren dat er nog steeds miljarden mensen uitkijken naar een grotere materiële welstand. De-groei
is voor hen geen optie. Phillips maakt het ons bovendien heel duidelijk wie de eersten zijn die kunnen profiteren (of moet ik schrijven op adem komen) van een economische groei. Wasmachine, gasleidingen, stromend water en al die andere, schijnbaar triviale
huishoudtechnologieën hebben vrouwen in staat gesteld om de arbeidsmarkt te betreden en geld te verdienen, financieel onafhankelijk te worden. Wat dan weer geleid heeft tot kleinere gezinnen waar alle kinderen meer kansen krijgen, dus ook de meisjes.

De voorstellen van Phillips zijn van weinig waarde indien de staat niet sterker en
democratischer wordt. Voor hem hangt dit samen met een economisch systeem dat moet gezuiverd worden van de kapitalistische en neoliberale uitwassen, of zelfs maar
invloeden. De publieke sector is de drijvende kracht achter innovatie en implementatie van technologie, niet de kapitalistische roofbaronnen. Enkel een staat kan en wil grootse projecten opstarten die hele bevolkingsgroepen ten goede kunnen komen. En ook hier ziet hij de degrowth-beweging van Naomi Klein c.s. als een obstakel eerder dan als een bondgenoot. Hij verwijt hen zelfs gevangenen te zijn van het zogenaamde kapitalistisch-realisme, de idee dat er maar een werkelijk en mogelijk systeem is en dat een leefbaar alternatief onmogelijk is. De antipromethiaanse ideeën van links wordt eerder gekenmerkt door een melancholie naar verloren emancipatie dan door de wil om voor die emancipatie (terug) op te komen. Wat ons wordt opgedrongen, aldus Phillips, is een tegenstelling tussen technologisch roofkapitalisme enerzijds en een organisch, wollig primitivisme anderzijds. Phillips gaat nog een stap verder: de groen antimoderniteit bedreigt het neoliberalisme niet, het is er een uiting van! Het protest van Klein is een manifestatie van wat zij meent te bekampen. Volgens de auteur moet er dringend werk worden gemaakt van een modern, hoogtechnologisch antikapitalisme.

“Let’s take over the machine”. Niet de rem erop of de machine stilleggen. Overnemen,
bedachtzaam en doordacht, in de volle overtuiging dat vooruit de enige optie is voor
gezondere mensen op een gezondere planeet.

Leigh Phillips: Austerity ecology & the collapsporn addicts. A defence of growth,
progress, industry and stuff (2015)

John Zerzan: Against civilization

Andermaal een ouder artikel (maart 2016) uit de archieven van Book Liberation Movement, mijn vorige blog over vergeten en te vergeten boeken. Deze recensie verscheen ook op backcover.be.

* * *

Voorbije zaterdag (26 maart) was het weer zover: de @lternatieve (lees: anarchistische)
boekenbeurs in Gent. Het evenement gaat door in een gebouw dat onderhouden wordt
door de stad Gent en de Vlaamse Gemeenschap. Ergens zit daar genoeg materiaal in voor een, toegegeven, goedkope oprisping of twee.

Maar genoeg gelachen, er zijn namelijk zaken waar wij écht het zuur van krijgen. Van Against Civilization, bijvoorbeeld, een boekje dat ik daar tijdens een vorige aflevering gekocht heb. Weggegooid geld, aangezien het ook op de excellente website archive.org terug te vinden is. Against Civilization is een anthologie van wat samensteller en überanarchist John Zerzan beschouwt als primaire en primordiale, anarchistische, primitivistische, antirationalistische teksten.

Vier thema’s snijdt Zerzan aan om te illustreren dat de nobele, edele, anarchistische, natuurlijke en taalloze wilde gesmoord is geworden door de Beschaving, met hoofdletter. De titels van de thema’s spreken voor zich: “Outside Civilization”, “The coming of Civilization”, “The nature of Civilization” en “The pathology of Civilization”. Die vier thema’s vult Zerzan met een nogal disparate mengeling aan teksten van kleppers als Theodor Adorno, Sigmund Freud, Peter Sloterdijk, Jean-Jacques Rousseau, én van de knaller Theodore Kaczynski, beter bekend als de Unabomber. In de jaren 90 haakte Zerzan trouwens zijn wagentje aan de Unabomber en bereikte zo de status van semibekende Amerikaan. Een stelletje mindere anarchogoden zorgt voor de bladvulling.

Volgens Zerzan is rationeel, wetenschappelijk denken op zich al een aanslag op de primitieve, van oorsprong scharrelende mens. Civilisatie is een infantilisatieproces, wat Zerzan evenwel niet belet om de vrij kinderlijke en doorzichtige notie van de Gouden Tijd, de epoche van de nietgedomesticeerde én nietdomesticerende oermens, naar voor te schuiven (o.a. in “Elements of refusal”). En hier wordt dan ook heel duidelijk waarom hij wetenschappelijkheid zo laag inschat: feiten lopen nogal eens in de weg van dogmatisch geponeerde ideologie van de Gouden Tijd. Dat de ongeciviliseerde “wilde” niet zo nobel was en lichtjes bloeddorstiger dan de gemiddelde auteur in Against civilization wil laten uitschijnen, dat leest men maar even na in Steven Pinkers bloedstollende brik The better angels of our nature. The decline in violence in history and its causes (2011).

Mens en natuur is nog zo’n onderwerp waarbij nogal licht wordt omgesprongen met de innige, maar me dunkt weinig harmonieuze relatie tussen een vrolijk fluitende anarchistische gastheer of dame en pakweg een stel spoelwormen of aarsmaden. Voor die laatsten moeten het wel écht Gouden Tijden zijn geweest. Sla er eens de eerste hoofdstukken van Broos’ Over geneeskundigen en geneeskunst. De evolutie van het medisch denken door de eeuwen heen (2011) of Lindebooms Inleiding tot de geschiedenis der geneeskunde (1979) op na.

De combinatie feiten en ideologie, het resulteert zelden in een geslaagd huwelijk.

Soupe à l’iranienne

Een ouder artikel (rond 2014) dat ik opgeduikeld heb uit de archieven van mijn vorige blog “Book Liberation Movement. Over vergeten en te vergeten boeken”.

* * *

Teheran. Je kan er boeken kopen die je hier zelden vindt. Je kan er langs de grachten lopen. Maar met je haar los in de wind riskeer je er evenwel opgepakt te worden door de basij, de lokale zedenpolitie. Voor een man is lang, los haar te westers. Voor een vrouw is lang en los haar laakbaar, afkeurenswaardig, schadelijk, schandelijk, boosaardig, satanisch en demonisch. En ook wel te westers. En mocht u er ooit aan getwijfeld hebben, het is de medeoorzaak van menige aardbeving. Teheraanse hoeren is trouwens een kreet die niet door de Iraanse politie bestreden wordt, maar gebezigd én aangemoedigd.

* * *

Mortsel. Wanneer de Goddelijke Voorzienigheid ook het boekje Citaten van Ayatollah Khomeiny (1979) een tweede leven aanbiedt in de kringloopwinkel Opnieuw&Co, dan betaal ik daar met plezier een kwart euro voor. Zelfs als ik in het achterhoofd hou dat het een Nederlandse vertaling is van een Franse vertaling van teksten in het Arabisch, de tweede taal van Ruhollah Mostafavi Musavi Khomeini en gepubliceerd werd in tempo suspecto. Anderzijds was 1979 het jaar waarin hij door Time Magazine verkozen werd tot man van het jaar.

De achterflap belooft een sappige, spetterende inhoud, met antwoorden op “voor Westerlingen beklemmende vragen: bijvoorbeeld wat moet men doen als een bladzijde van de Koran in het toilet gevallen is en wat moet er gebeuren met een kameel waarmee een man aan zijn gerief is gekomen”. Urine en fecaliën, zweet en snot, met zaad-en andere lozingen, in of uit welke lichaamsopening dan ook, het zijn de onderwerpen van een schier eindeloze reeks voorschriften. En het dient gezegd: de weinig jolige regelneef Khomeini weet er raad mee. Schijnbaar moeiteloos schudt hij een pedante mix van religieuze en pseudo-hygiënische regels uit zijn mouw, waarbij hij de grens tussen obsessief en pathologisch obsessief vlotjes overstijgt.

Ik ben geneigd te geloven dat fascinatie met pissen, kakken en poepen van alle tijden is. Toch lijken mij dat nu niet echt de vragen zijn geweest die het Westen bezig hield de avond na het verdrijven van hun bondgenoot sjah Mohammad Reza Pahlavi, tevens de avond voor de oorlog tussen Iran en Irak van 1980-1988.

Gelukkig gaat het boekje ook over zaken die politiek gezien iets pertinenter zijn dan wat men zoal in een papieren zakdoekje kan doen. Hier en daar toont het enig inzicht in wat de Voogdij van de Islamitische Jurist, de Vilayate Faqih, inhoudt. Helaas, er zijn weinig redenen om vrolijk te worden van Khomeini’s politieke opvattingen, die even voorspelbaar zijn als gevaarlijk en geretardeerd. En daarbij zijn ze nog eens gelardeerd met verbluffend doorzichtige en goedkope newspeak.

Een islamitische staat kan niet totalitair of despotisch zijn, maar alleen constitutioneel en democratisch. In die democratie komen wetten echter niet uit de wil van het volk voort, doch uitsluitend uit de Koran en de Soenna. […] Hierin ligt het wezenlijke onderscheid tussen een islamitische staat en de verschillende koninkrijken en republieken, waarin de gekozenen, de vertegenwoordigers van het volk of van de staat, wetten voorstellen en aannemen, terwijl in de Islam het enig bevoegde Gezag de Almachtige en Zijn goddelijke wil is.

Totalitair, despotisch, islamitisch, democratisch: wat hoort volgens dit citaat eigenlijk niet in het rijtje thuis?

Blijkbaar is de Almachtige ook niet almachtig genoeg en moet Hij het stellen met een plaatsvervanger op aarde, de Twaalfde Imam. Maar ook die vertegenwoordiger heeft een probleem: hij is namelijk spoorloos verdwenen. Weg. En net zoals God is hij nergens te vinden. Maar echt nergens. En zolang de Twaalfde, de mehdi, niet terugkomt, wordt hij afgevaardigd door de ayatollah. Die ayatollah, Khomeini dus, machtigt nu zichzelf om via “islamitische” rechtbanken doodvonnissen te kunnen uitspreken tegen mensen die al te veel problemen hebben met God, de twaalfde Imam en diens ne’ib, vertegenwoordiger, Khomeini dus. De minst almachtige van de drie wordt zo plots de meest machtige, de meest gevaarlijke, en door huizenhoge portretten én paramilitaire bendes van hyperreligieuze baardapen zoals de basiji, de echte alomtegenwoordige. Nog een verschil: van de drie is (of was) hij de meest bestaande.

Politiek-religieus lijkt er weinig te zijn veranderd in het huidige Iran van Khamenei, op een letter of wat na. Hoewel, waar Khomeini nog stelde dat het leger “van een geestelijke moet afhankelijk zijn, wil het slagvaardig en nuttig zijn”, leek op het hoogtepunt van president Ahmadinejads macht even alsof de militaire fractie de geestelijke in zijn greep had of toch minstens een poging daartoe deed.

Op het gebied van de haat jegens Israël in de eerste plaats, jegens alle niet-moslims in de tweede en laatste plaats lijkt er au fond ook niet veel te zijn veranderd. Er zijn nog steeds imperialisten, verraderlijke en tirannieke heersers, vermaledijde gezanten van Satan, westerse missionarissen, christenen of atheïsten, oriëntalisten, Ba’ath ideologen (waarschijnlijk alleen de Iraakse†, niet de Syrische!). Verder nog afvalligen, autocraten, coloradokevers, ectoplasma’s, en … euh, nee, toch niet, da’s kapitein Haddock. Hoe dan ook, Khomeini’s waanideeën, samenzweringstheorieën en de scheldkanonnades zijn nog steeds courant in het alledaagse, of beter gezegd, in het vrijdagse parlando.

Maar toch wordt de ashe jow ook nu weer niet zo heet gegeten als-ie werd opgediend. Zelfs het rabiate antizionisme heeft een deukje gekregen, getuige de berichten van mei 2012 over de samenwerking tussen Turkse, Iraanse, Arabisch en Israëlische wetenschappers met betrekking tot een deeltjesversneller in Jordanië. Het zou domweg naïef zijn om dit nieuws te beschouwen als het bewijs dat de Wetenschap slaagt waar de politiek faalt, maar het gaat wel in tegen Khomeini’s idee dat samenwerking met zionisten absoluut uitgesloten is. En dat is op zich al een kort, zeer kort vreugdedansje waard.

Verder was het volgens Alt Med-Khomeini bewezen dat de westerse dokters “op het gebied van de beenderleer volstrekt onwetend zijn, terwijl er in de bazaars van Iran met succes operaties werden uitgevoerd”. Want, zoals we allemaal weten, was en is een overdekte markt de plaats bij uitstek om vorderingen in de theoretische beenderleer te vertalen naar de praktijk. Ouwe zot. Ook aan de sneer van de ayatollah naar de Europese geneeskunde, die de vorige “leiders zo bekoord heeft dat ze onze overgeërfde geneeskunst hebben vergeten”, is weinig gehoor gegeven. De Iraanse medische diensten, zeker in de stedelijke gebieden, en de universitaire faculteiten zijn van een zeer hoog niveau.

Naar de wetenschap “en haar wetten” ging eveneens weinig sympathie vanwege onze bebaarde vriend uit:

Wij hebben er niets op tegen dat er mensen over de maan lopen en dat er kerncentrales worden gebouwd. Maar ook wij hebben een opdracht: wij moeten de Islam dienen…

… en ondertussen ook kerncentrales bouwen en ruimteprogramma’s ontwikkelen, moet men gedacht hebben in post-Khomeinitijden. Laat er geen misverstand over bestaan: hedendaags Iran is op wetenschappelijk-technologisch gebied een zéér grote speler. De opvolgers van Khomeini hebben ook dit deel van de voorschriften onder het Perzisch carpet geschoffeld.

* * *

Als uitsmijter nog enkele uitspraken met betrekking tot filosofie. Van iemand die de Westerse denken ideeënwereld zo hard bekritiseert en fel bevecht, zou men toch een ietsje meer feitelijke kennis verwachten over die denk- en ideeënwereld. Pythagoras’ voorliefde voor wiskunde vat hij, maar wat de opperhadj ook beweert, de oude Griek leefde niet in de tijd van de legendarische(?) koning Salomon (conventioneel rond 950 v.o.t.).

Ook Khomeini’s uitleg over Socrates is aan de eerder bizarre kant:

Groot theoloog. Hij leerde filosofie van Pythagoras en legde zich geheel op theologie en ethiek. Hij gaf aardse genoegens op en trok zich terug in een berggrot, waar hij zich geheel aan de enige God wijdde. Hij trachtte zijn tijdgenoten ervan te overtuigen dat ze geen andere goden moesten aanbidden dan de ware God. Naar aanleiding van die woorden drong het volk er bij de Sultan (Koning) op aan Socrates ter dood te brengen. De Sultan werd hiertoe gedwongen en vergiftigde hem…

Theologie? De grot van Socrates? De immer discussiërende stadsmus Socrates in de bergen, ver weg van zijn kwetterende medeburgers? Nah, hiermee gaat de brave borst op een doorsnee examen geschiedenis van de Westerse wijsbegeerte teleurstellend weinig punten scoren, me dunkt.

Ook zijn ideeën over Aristoteles en Descartes lijken mij eerder troebel en beneveld dan klaar en distinct:

Avicenna heeft gezegd dat niemand ooit de stellingen van Aristoteles heeft kunnen weerleggen, maar de Fransman Descartes meende later dat hij er de gebreken in had ontdekt. Deskundigen kunnen echter gemakkelijk inzien hoe ongegrond en kinderlijk de pretenties van Descartes op het gebied van filosofie en theologie zijn! Wee ons, moslims, die zo door het Westen zijn verblind, dat wij een lage dunk hebben van onze eigen wetenschap, waaraan die westerlingen in geen duizend jaar zullen toekomen!

Citaten van Ayatollah Khomeiny. Over politieke, levensbeschouwelijke, sociale en godsdienstige vragen. Keuze citaten, inleiding en noten Jean-Marie Xavière. Prisma, 1979.

Y. Hettema: Natuurgeneeskundige toepassingen thuis

Een boekje uit 1931 over natuurgeneeskundige toepassingen voor 25 hedendaagse
eurocenten. Netjes uitgegeven, met interessante foto’s en in goede staat (op de typische penetrante geur na). Dat maakt mij blij.

Het boek begint op een klassieke manier. De neovitalistische idee indachtig wordt de levenskracht aanroepen:

Met de moderne filosofen — neovitalisten — nemen wij aan, dat in ons aanwezig is een “levenskracht” (entelechie van Hans Driesch), welk vermogen ons in staat stelt onze levenstaak — de instandhouding der soort en van het individu — te vervullen. Een onderdeel van deze kracht is het natuurlijk genezend vermogen — de vis medicatrix naturae der Grieken — dat tracht ziekelijke storingen te overwinnen.

En uiteraard wordt ook de natuurgeneeskundige (men zou nu zeggen “holistische”)
zienswijze vergeleken met een karikatuur van de “schoolgeneeswijze” van de
(reductionistische) specialisten.

Als wij de natuurlijke geneeskracht aansprakelijk stellen voor het optreden van ziekelijke storingen, dan volgt daaruit dat er geen plaatselijke ziekten zijn, doch dat alle zich plaatselijk uitende aandoeningen gevolgen zijn van het in eenig opzicht tekort schieten van de natuurlijke  geneeskracht: een algemeene, de geheele mensch rakende storing. Het begrip “gestel”, “constitutie” wordt voor ons van belang. We kennen geen ziekten, doch slechts zieken.

In 90 pagina’s behandelt de auteur wat hij noemt de “fysische therapie”. “Dieettherapie”,
“kruidengeneeswijze” en “geestelijke geneeswijze” samen krijgen een drietal pagina’s
toebedeeld. Homeopathie vermeldt hij slechts, aangezien het “in uitvoering zeer
eenvoudig” is.

En die “fysische therapie”, ach, dat valt allemaal wel mee. Zo raadt hij zonlicht aan (met
de waarschuwing dat men daar zeer voorzichtig mee moet zijn), hete luchtbaden (opnieuw met een zinnige caveat). Bij de waterbehandelingen zitten al meer buitenissige voorbeelden, maar al bij al gaat het over een klets koud dan wel warm water zonder al te veel of al te exuberante medische claims. Verder heeft hij het over “afwasschingen”, “afsponzingen” en “afwrijvingen”.

Geen idee of het de gezondheidsbeloftes waarmaakt die Hettema eraan verbindt, maar
schrobben kan deugd doen én de foto’s zijn wel leuk. Ook de foto’s van de volle
vrouwenkonten. En dat meld ik niet lacherig omwille van een blote vrouwenkont an sich,
maar wel omwille van een blote vrouwenkont als verwijzing naar het naturisme, dat
opkwam in Nederland tijdens diezelfde jaren dertig.

Al bij al weinig of niets waarbij een mens kan denken “probeer dit vooral niet thuis”. Op het stuk “Behandeling met electriciteit” na, misschien. Maar ook hier geeft de schrijver
expliciet het advies om vooral niet zelf beginnen te experimenteren. Bij de darmspoeling
ofte clysma — het stuk waar wij hem traditioneel beginnen te knijpen — geeft hij
eveneens enkele strenge waarschuwingen mee. Lavementen met tabakwater raadt hij ten stelligste af wegens gevaar op een acute nicotinevergiftiging.

Het “filosofische” kader hangt uit de haak en de meeste behandelingswijzen lijken me
eerder kwak, maar er zijn exuberantere vormen van alt med.

* * *

Dan maar de auteur door de zoekmolen van Google: Hettema, met Y van IJsbrand. Arts te Hilversum. Voor een beperkt lijstje met publicaties moet ik zowaar mijn toevlucht nemen tot Google Books. Maar het geeft wel een beter idee van de al dan niet pseudomedische bekommernissen van Hettema: Ons voedsel als ziekteoorzaak
en Schadelijke voedings- en genotmiddelen (beide boeken schreef hij samen met de Zwitserse arts Maximilian Oskar Bircher-Benner), Vivisectie (i.s.m. de Nederlandse Bond ter Bestrijding der Vivisectie), Het geheimer gezondheid: medische encyclopedie (in de infame reeks “Universiteit voor zelfstudie”), etc.

Een volgende reeks Googlehits betreft de plannen voor een ander “natuurgeneeskundig
centrum” in Lelystad, maar deze keer door de zoon van IJsbrand Hettema, namelijk Felix Ragnar Hettema (1981) en de opening ervan (in 1982). Merkwaardig genoeg vind ik deze informatie op Digibron, Kenniscentrum Gereformeerde Gezindte, anders gezegd, in het archief van het Reformatorisch Dagblad.

Wat het Reformatorisch Dagblad niet vermeldt, en het Actieblad Tegen de Kwakzalverij
van 1983 wél, is het oorlogsverleden van IJsbrand Hettema (p. 7).

DE HETTEMAKLINIEK
De Hilversumse Dr. Hettemakliniek draagt de naam van een SS-arts. De kliniek is gevestigd aan het Wandelpad te Hilversum. De Gooien Eemlander die dit bericht bracht voegde er aan toe dat de zoon, de natuurgenezer die dit “natuurkundig gezondheidscentrum” met “alles d’r op en d’r an” (natuurgeneeswijze, homeopathie, acupunctuur, moderne voedingstherapie) oprichtte, de naam zal handhaven. Dokter IJsbrand Hettema had vroeger een praktijk voor natuurgeneeswijze aan de Taludweg te Hilversum. Tijdens de oorlog sloot hij zich aan bij de SS en vertrok naar het Oostfront. In 1949 werd hij gearresteerd. Hij werd tot zeven jaar gevangenisstraf veroordeeld. Na vragen in de Hilversumse gemeenteraad is de naam van de kliniek tóch gewijzigd.

Op zich heeft dat uiteraard niets te meer maken met de medische kennis van de dokter en de therapeutische waarde van zijn natuurgeneeskundige toepassingen. Maar van
een alternatief doktersromannetje wordt het plots wel een oorlogsthriller.

Het laatste stapje voert ons via een het proefschrift Het dierloze gerecht. Een
vegetarische geschiedenis van Nederland, door A.D.J. Verdonk naar “de onvermijdelijke Felix Ortt” medeoprichter van de Nederlandsche Vereeniging tot Natuurgeneeswijze.

Deze Felix Ortt was een van de belangrijkste theoretici van het christenanarchisme in Nederland, aldus mijn eerste bron, Wikipedia. Ik ga ook gewoon een snelle copy-paste
doen. Mijn bedoeling was een stukje te schrijven over natuurgeneeskundige toepassingen en volle konten. Hoewel razend interessant, deze wending gaat (voorlopig) mijn petje te boven.

Als propagandist voor vegetarisme en geheelonthouding komt Ortt in contact met de radicale jonge vleugel van de moderne richting in de Nederlandse Hervormde Kerk, die georganiseerd was in de Nederlandse Protestantenbond met als orgaan De Hervorming. Deze jongerenstroming stond sterk onder invloed van het godsdienstig-maatschappelijk denken van de Russische schrijver Lev Tolstoj, dat door volgelingen werd omschreven als christen-anarchistisch. Tolstoj zag de Bergrede als de kern van de evangeliën, en hierin was weer de weerloosheid en het afwijzen van ieder geweld het belangrijkste principe. In 1897 scheidden deze jongeren zich af en gingen zij het blad Vrede uitgeven. Ortt schreef in hetzelfde jaar Christelijk anarchisme, later in 1897 herdrukt onder de titel Het beginsel der liefde.

* * *

Dit artikel is enkel het resultaat van een gelukkige vondst en een avondje googlen en
lezen. Ik hoop ergens dat ik ooit nog stoot op een uitgebreidere biografie van Hettema, of op een geschiedenis van de alternatieve geneeskunde in de Lage Landen, meer informatie over nationaalsocialisme en de blijkbaar niet ongebruikelijke relatie met alternatief-esoterische denkers. Tips, beste lezers, zijn meer dan welkom! Ik vermoed dat informatie over het christen-anarchisme makkelijker te vinden is.

Hoe dan ook, lang geleden dat ik nog zoveel plezier heb gehad voor €0,25!

Het citaat:

Terwijl dus eenerzijds de “schoolgeneeswijze” een leger van specialisten heeft doen ontstaan, waarvan ieder slechts één orgaan behandelt, van de rest van de patient weinig notitie neemt, of wanneer hij storingen buiten zijn gebied vermoedt, de zieke naar een andere specialist verwijst, die eveneens een orgaan behandelt, ziet de natuurgeneeswijze de mensch als een psychisch-fysisch geheel, dat niet gebaat is door orgaan-specialistische behandeling, doch waarbij de oorzaak van het tekortschieten van het natuurlijk genezend vermogen gezocht en weggenomen moet worden.

Y. Hettema, Natuurgeneeskundige toepassingen thuis. Practische handleiding voor
leeken. N.V. Uitgevers Maatschappij “Kosmos”, 1931.

Erich von Däniken: Waren de goden kosmonauten?

Andermaal eentje uit het teruggevonden archief van mijn vorige blog “Book Liberation Movement. Over vergeten en te vergeten boeken”.

* * *

Het moet 30 jaar geleden zijn dat ik het boek van Erich von Däniken Waren de goden kosmonauten? voor het eerst gelezen heb. En dat dient gevierd!

Nu ja, echt zeker ben ik niet. Mogelijk is het een valse herinnering of een telfout. Maar goed, al bij al is onze jaartelling ook gebaseerd op verzonnen herinneringen en/of telfouten en daar maken we ons ook niet te druk over terwijl we champagne nippend onze vingers afschieten met illegaal vuurwerk. Hoe dan ook, vijftien, zestien jaar moet ik geweest zijn, de ideale leeftijd voor dit soort fantastische verhalen.

Ik was dus blij, laatst, toen ik von Dänikens boek voor een euro of wat op de kop kon tikken in de kringloopwinkel Opnieuw&Co, tegenwoordig mijn geliefkoosde boekhandel én mijn belangrijkste bron van goedkoop esoterisch, paranormaal en pseudowetenschappelijk drukwerk. Met het nodige geluk heb ik daar al boeken van Velikovsky, Geller, Tenhaeff, Berlitz, Baigent, Weverberg en andere absoluut te lezen fantasten op de kop kunnen tikken. De verplichte klassiekers aan dumpingprijzen.

Het boek Waren de goden kosmonauten? (Erinnerungen an die Zukunft) verscheen in bloemenjaar 1969. Maar von Däniken was niet de eerste die ongegeneerd speculeerde en fabuleerde over de buitenaardse bezoekers met goddelijke kwaliteiten. Een van de eerste auteurs die enige bekendheid verwierf met zijn schrijfselen rond vermeende goddelijke bezoekers was Morris K. Jessup, master in de astronomie, verkoper van auto-onderdelen, zelfverklaarde ufologist en een van de sleutelfiguren in de hoax rond het zogenaamde Philadelphia experiment. Reeds in 1956 schreef hij UFO and the Bible waarin hij wilde aantonen dat “(1) there is a causal common denomiantor for many of the Biblical wonders” en “(2) this common cause is related to the phenomena of the UFO, both directly and indirectly”.

In 1960 speculeerden Louis Pauwels en Jacques Bergier Le matin de magiciens over “visiteurs venus du Dehors”, “visiteurs interplanétaires avaient installé un réseau sur la Terre” en “astronautes venus du Cosmos” in prehistorische tijden. Het boek bevat verder een mikmak aan thema’s die in de jaren 70 verder zouden geëxploreerd (of geëxploiteerd, zo u wil) worden door tal van auteurs en uitgeverijen: paranormale verschijnselen, verborgen krachten van de menselijke geest, verdwenen beschavingen, etc. Maar u kan het rustig zelf nalezen: de hele “introduction au réalisme fantastique” kan u hier integraal downloaden.

Ook Robert Charroux (pseudoniem van Robert Joseph Grugeau) was von Däniken voorafgegaan met Histoire inconnue des hommes depuis cent mille ans. Dat boek werd gepubliceerd in 1963, maar kende aanvankelijk geen overdonderend succes. Toch werd het vertaald in het Engels en het Duits. Histoire inconnue werd opnieuw uitgegeven in 1970 naar aanleiding van von Dänikens werk. In het Nederlands verscheen het datzelfde jaar als Onbekend verleden. Geheimen uit 100 eeuwen bij Kluwer in de reeks Ankh. In diezelfde periode zouden beide auteurs nog een paar boeken produceren waarin ze verder borduurden op hetzelfde thema: o.a. Terug naar de sterren (Zurück zu den Sternen, 1970) en Vergeten werelden (Le livre des mondes oubliés, 1971).

Maar het was von Däniken die de kosmische loterij won: het waren zijn boeken die insloegen als een bom. Het waren zijn schrijfselen die een enorme impact hadden. Ook een economische: 60 miljoen verkochte exemplaren wereldwijd is niet niks. De website van Ankh Hermes, een van de belangrijkste Nederlandstalige uitgevers van boeken over esoterische en paranormale onderwerpen, lijkt zelfs te suggereren dat het boek er (mede) voor zorgde dat de firma zich kon bestendigen na de breuk met de grote Kluweruitgeverij en zich dus voluit kon concentreren op de productie van gedrukte esoterica. Hoe dan ook, 10 drukken alleen al in 1969, het blijft indrukwekkend.

En bijna 30 jaar lang werd het boek herdrukt en bleef von Däniken het onderwerp recycleren, met onder andere Terug naar de sterren (1969), Mijn visie in woord en beeld (1973), De dag dat de goden kwamen (1984), De terugkeer van de goden (1992), De goden wáren astronauten (2001).

In 1971 vond Kluwer het toch nodig om Pieter Colls Hebben zij gelijk? (Geschäfte mit der Phantasie) uit te geven. En dat boek is “geen spitsvondige, wetenschappelijk uiteenzetting”, verzekert de voorflap ons, “maar een nuchtere beschouwing”. “Een aanval op von Däniken, Charroux e.a.”, stelt de cover eerder lapidair. Afbeeldingen van kosmonauten met bolvormige helmen worden plots jagers met een capuchon, buitenaardse astronomische kennis wordt herleid tot zijn ware, menselijke proporties, Egyptische beelden en stenen kunnen ook zonder goddelijke kosmokrachten verplaatst worden. Het boek van Colls bevat dan zelf weer enkele zeer dubieuze theorieën, maar dat is materiaal voor een ander artikel.

Terug naar het boek van von Däniken, en naar twee, drie punten die mij nu, een kwarteeuw later, wél opvallen: het voorwoord en de opbouw van de argumenten in het boek. Het voorwoord is geschreven door prof. dr. Fred L. Polak, een toch wel notoir futuroloog. En zelden heb ik zo’n vernietigende prelude gelezen. De zin “Om zijn ideeën te steunen wordt eenvoudig van alles en nog wat er door hem met de haren bijgesleept” is niet echt een lofbetuiging. Ook maakt Polak met de hoofdstelling van von Däniken gelijk komaf. Het is niet meer dan “louter fantasie”, “sciencefiction, “ja, complete nonsens”. En we zijn nog geen 2 pagina’s ver.

Maar dan draait ook de goede professor gedeeltelijk bij: von Däniken heeft enkele interessante vondsten gedaan en misschien kunnen die interessante vondsten wel iets betekenen in de ontwikkeling der wetenschap. Wat die interessante vondsten nu precies zijn, daarover laat prof. dr. Polak ons in het ongewisse.

Dat nu net von Dänikens boeken aansloegen is verwonderlijk. ’s Mans schrijfstijl is bijna even bot en primitief als zijn manier van argumenteren. Het procedé dat hij volgt is niet alleen onderontwikkeld en grof, maar ook en vooral vervelend en eentonig. Met zoveel denkfouten per pagina was de lectuur van Waren de goden kosmonauten? anno nu geen makkie. Meermaals is de moed mij in de schoenen gezonken, meermaals heb ik het boek wild vloekend dichtgeklapt. Geduldig kritisch denken? Me ouwe hoela!

Hij begint met een speculatie en alleen al het vermelden van die speculatie is genoeg om daar een feit van te maken waarop verder gebouwd kan worden met een nieuwe speculatie. Buitenaards leven is mogelijk — plaats genoeg, het universum is tenslotte vrij groot — dus, concludeert von Däniken, er ís buitenaards leven. Het is denkbaar dat enkele vormen van buitenaards leven mensachtig zijn, dus, er ís een ras van mensachtige aliens. Het is denkbaar dat deze wezens technologisch geavanceerd zijn, dus zíjn ze dat, etc. En zo bouwt-ie zijn intellectueel oneerlijk kaartenhuisje op, ad nauseam, met hier en daar een erkertje: wat hij niet kent, verklaart hij toch vanuit zijn gefantaseerde theorie. En neen, voor onze Zwitser is onwetendheid geen obstakel.

Cultureel heeft het boek, of beter, het hele idee, zeker wél zijn waarde en het blíjft een fantastisch verhaal, groots maar verzonnen. Hoewel de idee ruimtevaarders = goden niet meer springlevend is (denk maar aan de laatste, zij het licht comateuze Indiana Jones) is het toch een meme dat blijft plakken. En met veel plezier verwijs ik naar bijvoorbeeld de mensen van MonsterTalk, meer bepaald naar de episode Ancient Alien Astronauts.

Gedreven door jeugdsentiment herlees ik zelf graag Rosinski’s en Van Hammes stripreeks Thorgal, over een vermetele Viking annex gestrand Sterrenkind, en vooral dan de cyclus over de laatste der pseudogoddelijke ruimtereizigers ergens in zuidelijk Amerika (album 9 t.e.m. 13). In deze cyclus wordt niet alleen uitgebreid verwezen naar de ideeën van Von Däniken en Zecharia Sitchin, maar ook naar die van een Jim Woodmann (luchtballonnen annex schepen in zuidelijk Amerika).

Leuk, degelijk entertainment en met een beetje geluk vindt u ze in een kringloopwinkel.

Het citaat:

Zonder twijfel was de Ark des Verbonds elektrisch geladen! Indien men namelijk de door Mozes overgeleverde aanwijzingen thans reconstrueert, ontstaat er een spanning van vele honderden volts. De condensator werd door de gouden platen gevormd, waarvan de ene een positieve en de andere een negatieve lading had. Zou een der beide cherubijnen op het verzoendeksel nu ook nog gewerkt hebben als een magneet, dan zou de luidspreker — wellicht zelfs een soort ‘langeafstandsgesprekinstallatie’ tussen Mozes en het ruimteschip — volmaakt zijn geweest.

 

Erich von Däniken, Waren de goden kosmonauten? Onopgeloste raadsels uit het verleden. Uitgeverij N. Kluwer, 1970.

Jos Van Limbergen (1902-1975)

Oude wetenschappelijke publicaties, toevallige vondsten in de n-de handse
boekenwinkel, ik blijf er een zwak voor hebben. En soms denk ik zelfs dat er een onderwerp voor een blog in zit. Ach ja.

Met een beetje chance duikt Schönfelds Historiese grammatika van het Nederlands uit
1932 op, waarin vol enthousiasme de vondst wordt aangekondigd van wat toen de oudste Nederlandse zin beschouwd werd, u weet wel, “Hebben olla vogola…”. Dat decennia later blijkt dat het waarschijnlijk eerder Engels-Kentse zin is dan een Nederlandse, dat mag de pret niet drukken. Of verschijnt er een uitgave van Natuurwetenschappelijk Tijdschrift (14 jaargang, 1932) in de rommelbakken, waarin de eerste stappen worden gezet naar het “phonetisch onderzoek van het stridulatiegeluid der mieren” en “den oorsprong der genocyten bij Werveldieren en inzonderheid der oerkiemcel bij de Zoogdieren” uit de doeken wordt gedaan. Dank u, Gentse boekentoren!

Even toevallig stootte ik op twee jongere volumes van Natuurwereld. Jaarboek gewijd aan natuurkennis en wetenschap, uit 1965 en 1968. Natuurwereld werd vanaf 1934 uitgegeven door Biokosmos, de “Vrije Vereniging voor Natuuronderzoekers en Wetenschappelijke Publicisten op idealistische grondslag”. Algemeen redacteur was Jos van Limbergen (19021975), die ook de meeste artikels voor zijn rekening nam. Als Benjamin Gorvels schreef hij over biologie, onder zijn echte naam wijdde hij zich vooral aan stukken over astronomie en de toen zeer prille ruimtevaart.

Strijdend Vlaams-katholieke reactionairen en oerconservatieven, zulke auteurs
schoffelen wij in de rubriek Book Liberation Movement normaal gezien een beetje verder naar achteren op de boekenplank, terwijl we terloops controleren of de ketting nog strak genoeg zit. Maar voor Jos Van Limbergen maken we, weliswaar zéér schoorvoetend, een uitzondering. “Nobody’s perfect” mompelen we dan maar.

Al bij al is Jos Van Limbergen een boeiende en zeker niet onbelangrijke figuur: zijn eerste publicatie, Van wondere dingen: wetenschappelijke praatjes, verscheen reeds in 1929, het eerste van een bewonderenswaardige stroom aan populariserende wetenschappelijke boekwerken. Hij zette zich in voor volwassenenvorming en onderwijs, voor de volksverheffing. Education proletaire, proletarische opvoeding, quoi, moest hij geen rabiate communistenvreter geweest zijn. In de jaren zestig, getuige verschillende artikels in het jaarboek van 1968, probeerde hij op zijn typische, bezielende manier het grote publiek te overtuigen van het belang van natuurbescherming. En als amateurastronoom richtte hij, samen met de pastoor Hendrik Van Gaal, de volkssterrenwacht Urania (te Hove) op.

Het citaat:

De geestelijke vermogens van de vrouw zijn niet geringer dan die van de man. Maar in het verleden kregen de vrouwen zelden of nooit gelegenheid om zich praktisch met de wetenschappen in te laten. Nu reeds zijn vrouwen in allerlei wetenschappelijke laboratoria de gelijken van hun mannelijke kollega’s. In de toekomst zal het aantal
vrouwelijke geleerden snel toenemen. Dit jaarboek heeft nagenoeg evenveel lezeressen als lezers.

Vrouwen praten meer dan mannen (en andere taalmythes)

Dit was mijn eerste artikeltje voor Wonder en is gheen Wonder, het ledentijdschrift van SKEPP. Het verscheen in het lentenummer 2016.

* * *

Zolang niet hetzelfde geldt voor een doorsnee boekenrek, kan een steeds uitdijend heelal me niet echt boeien. Wegens plaatsgebrek heb ik de laatste dagen drommen boeken afgevoerd naar 2dehands.be. Daar wordt een mens niet vrolijk van. Gelukkig stootte ik tijdens dit hartverscheurende werk op Language Myths, een van mijn meest geliefkoosde bundeltjes bedrukt papier.

Dat vrouwen veel meer praten dan mannen bijvoorbeeld. Of dat primitieve volkeren zoals Aboriginals of Bosjesmannen even primitieve – lees: kinderlijk eenvoudige – talen spreken. Mensen die taal- of spelfouten maken, zijn dom. En de media, ach meneer, die ruïneren onze taal. Dat soort mythes dus. De bijdragen werden geschreven door het kruim der Angelsaksische linguïstiek en uitgegeven door theoretisch taalkundige Laurie Bauer en sociolinguïst Peter Trudgill.

“The meaning of words should not be allowed to change”

Deze eerste mythe werd onlangs nog geïllustreerd toen Google Dictionary met het volgende kwam aanzetten:

lit·er·al·ly /´litərəlē/
1. In a literal manner or sense; exactly: “the driver took it literally when asked to go straight over the traffic circle”.
2. Used to acknowledge that something is not literally true but is used for emphasis or to express strong feeling.

De storm die hierdoor opstak was even voorspelbaar als hevig. “How language is literally losing its meaning”, fulmineerde John Sutherland in de Britse krant The Guardian. Maar als je anno 2016 iemand ‘nice’ noemt, dan bedoel je daar niet ‘dom’ of ‘onwetend’ mee, zoals het Latijnse etymon ‘ne-scius’ suggereert. Evenmin bedoel je ‘arm’, ‘behoeftig’, ‘zwak’ of ‘timide’. Nochtans heeft ‘nice’ in de loop der tijden al deze betekenissen gehad. Taal verandert. Betekenissen van woorden zijn niet in steen gebeiteld.

“English spelling is Kattastroffik”

Nog zo’n klassieker. En ach, dat valt wel mee. Enerzijds kiest men in het Engelse taalgebied nog steeds voor wat wij in het Nederlands het etymologische principe noemen, maar dan in overdrive: de geschiedenis van een woord bepaalt de schrijfwijze en verandering zit er momenteel niet in. Anderzijds heeft het Engels, net zomin als het Nederlands, geen paradijselijke spelling waarbij één unieke klank weergegeven wordt door één unieke letter.

“Italian is beautiful, German is ugly”

Deze mythe kennen we in de Lage Landen ook. “That’s amore”, zingt Dean Martin, eerder dan “that is Liebe”. Toegegeven, hij had Italiaanse roots, maar u begrijpt vast mijn punt. Het is niet moeilijk om een cultureel-historische reden te geven: de bijnaam van The History Channel is The Hitler Channel eerder dan TV Benito.

Hetzelfde geldt trouwens voor de perceptie van andere talen en regiolecten: er zijn geen inherente redenen waarom een bepaalde taal of regionale taalvariant mooier of verhevener zou zijn dan de andere. Het Atheense stadsdialect mag in Griekenland dan wel een hoger aanzien hebben dan één of ander Beotisch boerentaaltje, voor mensen die geen Grieks spreken en aan wie de culturele en historische achtergronden voorbij gaan, maakt het weinig verschil.

Van myth buster tot skepticus

In 2000 kwam Language Myths voor mij net op tijd. Het kleine beetje germanist dat toen nog in mij zat, was niet zozeer verbaasd door de taalmythes, maar wel door het feit dat ze nog steeds de ronde deden. Op de prille interwebs zorgden deze mythes er dan ook voor dat in tal van toenmalige Yahoo-groups taalkunde al snel verzandde in ergerlijke pseudotaalkunde.

In die periode begon ik, eveneens dankzij het internet, kennis te maken met enkele skeptische medemensen, die later mijn stepping stones werden naar skeptische organisaties. Vooral de Engelse taalkundige Mark Newbrook, die in de periode 1998-2006 artikelen schreef over pseudotaalkunde voor het Australische blad The Skeptic, speelde daarbij een hoofdrol. In 2013 schreef hij het boek Strange Linguistics. A skeptical linguist looks at non-mainstream ideas about language.

Zestien jaar later ben ik nog steeds kennis aan het maken, maar het verbaast me hoegenaamd niet meer dat diezelfde taal- en andere mythes nog altijd de kop opsteken.

De openingszin van Language Myths — en ook het afsluitend citaat — is er eentje om in te kaderen, ook door wetenschappers in andere disciplines. Dat de publieke opinie wel zal volgen eens een wetenschappelijke consensus onder specialisten bereikt is, is immers nog zo’n hardnekkige mythe.

The main reason for this book is that we believe that, on the whole, linguists have not been good about informing the general public about language.

Bauer, L. en Trudgill P. (red.), Language Myths. Londen, 1998.

René Goscinny en Albert Uderzo: Asterix en de Ziener

In deel 19 van deze vulgariserende geschiedkundige reeks over een klein Gallisch dorp dat moedig weerstand blijft bieden aan de Romeinse overweldigers, leiden de auteurs ons doorheen de wereld van vogelwichelaars, ingewandenlezers en auguren.

Na een korte vergelijkende studie waarin gewezen wordt op de gelijkenissen en de verschillen tussen Gallische en Romeinse tradities op het gebied van de clairvoyance, focussen de schrijvers op de ziener Xynix.

Vooral zijn invloed op de goedgelovige bevolking van het Gallische dorp wordt belicht, alsmede zijn omgang met een van de eerste gedocumenteerde Gallisch-Franse vrijdenkers (p. 8, 14). Deze laatste laat de dorpsbewoners op basis van een subtiel vroeg-Russelliaans skepticisme en een streepje force brute zien dat de paranormale positie van de ziener onhoudbaar is. Als gevolg hiervan komen de latente spanningen tussen het Romeinse heir en de Gallische bevolking enerzijds, en de Gallische druïde en de ziener anderzijds, aan de oppervlakte.

Een punt van kritiek: geheel onverwacht en volledig los van het eigenlijke onderwerp van deze studie wordt op het einde van dit boek ingezoomd op de culinaire tradities in het Gallische dorp.

Het citaat:

Xynyx: Maar ik zou ook die hond kunnen nemen … Ik lees heel goed in honden.
Idefix: Kaiiiii!
Obelix: DE EERSTE DIE IDEFIX AANRAAKT KRIJGT EEN DREUN!
Asterix: Pas maar op, de voorspellingen van Obelix komen meestal uit.

 

René Goscinny en Albert Uderzo: Asterix en de Ziener. Dargaud, 1972.

Dag van Desiderius Erasmus

In de nacht van 27 en 28 oktober, nu toch al enige tijd geleden, werd Desiderius Erasmus geboren, ergens in Nederland. Het precieze annus domini is onbekend maar er zijn genoeg redenen om drie jaartallen voor te stellen, 1466, 1467 of 1469. En ook wel om aan alle drie te twijfelen.

Meer dan waarschijnlijk zag hij in Rotterdam het levenslicht, heel misschien in Gouda. Eén bron vermeldt Goudæ conceptus, Roterodami natus, met andere woorden: verwekt in Gouda (als buitenechtelijk kind van een priester en zijn huishoudster), geboren in Rotterdam. Waar men wél zekerheid over heeft: Erasmus stierf en meer bepaald in Bazel, op 12 juli 1536.

Desiderius Erasmus, priester, docent, schrijver, enzovoort was één van de grootste
humanisten van de renaissance en met verve speelde hij de rol van sparring partner van o.a. Maarten Luther. Toch is hij in onze contreien vooral bekend vanwege het
tussendoortje Lof der Zotheid. Of, aangezien Erasmus geen letter in het Nederlands heeft geschreven, Laus Stultitiae (1509, gedrukt in 1511).

Erasmus was steeds kritisch, messcherp zelfs, voor zijn kerkelijke werkgevers en zijn
professie, maar hij profileerde zich steeds als katholiek. Tijdgenoten verweten hem
daardoor een wegbereider te zijn van de Reformatie die hij bestreed. En des te meer nadat Maarten Luther zijn 95 stellingen aan de de kerkdeur van de slotkerk te Wittenberg had genageld in 1517 (of niet). Toch was zijn kritiek op de katholieke kerk ongenadig, waarbij hij zich niet zelden baseerde op nieuwe tekstuitgaven, eigen vertalingen uit het Grieks naar het Latijn. Anders gezegd, Erasmus liet zich in zijn Bijbelexegese leiden door zijn eigen baanbrekend filologisch werk en niet door de vastgeroeste leerstellingen van de Rooms-Katholieke Kerk.

Kortom, best een boeiende mens, die Desiderius. Ik verwijs u dan ook graag door naar
de directe aanleiding van dit artikel: de hoorcolleges over Erasmus door Prof dr. Hans
Trapman, emeritus bijzonder hoogleraar cultuurgeschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. De hoorcolleges verschenen bij Home Academy in 2013 en liggen op u te wachten in elke grotere bib.

En als u helemaal de smaak te pakken krijgt: Lof der Zotheid vindt u hier in een relatief
moderne hertaling van 1952 terug op de voortreffelijke website van De Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, waar u ook enkele andere werken van Erasmus aantreft. Heeft u ‘t zot goed te pakken, dan kan u hier de Latijnse tekst raadplegen. Uw academische neigingen, tot slot, kan u de vrije teugel laten in de Erasmus Online Database van het Rotterdamse Erasmuscenter.

Achter de schermen van ons denken

Dit artikel verscheen in het herstnummer 2016 van Wonder en is gheen Wonder.

* * *

Als een mens sterft, kan hij dan weer levend worden? Mocht Job het niet in boek 14 vers 14 aan God gevraagd hebben, maar in de vroege 20ste eeuw aan een spiritistisch medium, dan was het antwoord waarschijnlijk gematigd positief geweest. In die periode was het  spiritualisme en de idee dat de doden willen en kunnen communiceren met nabestaanden ongemeen populair.(1) Dat de overledenen er schijnbaar de voorkeur aan gaven om dat te doen via een te betalen tussenpersoon, heeft dan toch weer te maken met plat opportunisme, eerder dan met verheven gedachten.

De mediums professionaliseerden snel en om hun succes te garanderen bouwden
enkelen een geavanceerde trukendoos uit die vaak de vorm aannam van een donkere kamer met extra geheime luiken, elektronische en andere snufjes waarin de seances konden plaatsvinden. Gelukkig kregen ze tegengas van andere beroepsleugenaars. “Vanaf het moment dat het mediumschap een beroep werd, kregen de beoefenaars het aan de stok met goochelaars. Dit mag geen verrassing zijn, het is een al te natuurlijk duel”, aldus goochelaar en medium buster Joseph Dunninger, wiens boek Inside The Medium’s Cabinet uit 1935 aanschurkt tegen de beschrijving van een Dawkinsiaanse evolutionaire wapenwedloop.

Een van de meest tot de verbeelding sprekende goochelaars die zich heeft beziggehouden met het onderzoeken en debunken van mediums en spiritisten was Dunningers leermeester, de grote Harry Houdini. Maar over hem gaat het hier niet.(2) Wel over de Amerikaan David Abbott (1836-1934). Als amateurgoochelaar
ontwierp hij verschillende trucs die hij demonstreerde in zijn privétheater en doorverkocht aan professionele goochelaars. Eveneens in zijn vrije tijd schreef hij het nog steeds zeer leesbare Behind the scenes with the mediums (1907).

Zoals vele van zijn voorgangers en zijn navolgers ging Abbott incognito op bezoek bij tal van zelfverklaarde paranormaal begaafden om hun opvoeringen te bestuderen en te analyseren. In Behind the scenes with the mediums doet hij met verve hun trucs uit de doeken: van zogenaamde cold readings (suggestieve vraaggesprekken) en exploten met geschreven berichten in (dubbele) enveloppen van de rondzwervende mediums, tot spectaculaire seances met zwevende tafels, vliegende geesten en verborgen valluiken van de meer huiselijk ingestelde oplichters. Vaak bespreekt hij een alternatief, soms vermeldt hij met trots en plezier een verbetering. Met zijn technischer boek The spirit portrait mystery uit 1913 zou hij trouwens definitief een einde maken aan de carrière van de beruchte Bangs Sisters, die in de jaren van de sepiakleurige fotografie schatrijk werden met hun spectaculaire seances.

De waarde van Behind the scenes ligt niet zozeer in de uitleg van de achterhaalde
trucs, hoewel de basisprincipes interessant zijn en waarschijnlijk tijdloos. Het zijn vooral de alinea’s tussen de “mediumistische” exposities die boeien: de wereld van de Amerikaanse mediums van rond de eeuwwisseling, hun handlangers en hun slachtoffers. Met milde humor vertelt Abbott over de goedgelovige klanten, steevast gegoede burgers met grote besognes en nog grotere portemonnees. Interessant is dat
hij één van de bevriende mediums laat opmerken dat niet de gewone mensen de beste
klanten [zijn],

maar dokters, advocaten, zakenmannen, leraars, kortom, de intelligentere klasse van mensen. Hij zei dat wetenschappelijk denkende personen de beste zitters zijn, omdat zij ernstig zijn en de meeste aandacht schenken. En dat feit is zowat van het allergrootste belang voor het slagen van welke truc ook.

Hij is ook niet al te scherp voor de mediums, wiens drijfveer uiteraard geld is, steeds meer geld. Die beweegreden kon Abbott waarschijnlijk nog best pruimen ook; zelf was hij een professionele woekeraar. Trouwens, onder zijn afnemers van goocheltrucs waren verschillende praktiserende mediums.

Abbott beschrijft mooi een dubbele dynamiek die door de scene ging. Enerzijds werden door de jaren heen de sessies uitgebreider en spectaculairder. Anderzijds groeiden de verhalen over mediums door de mond-tot-mondreclame zo spectaculair dat de hoofdrolspelers zélf de feiten niet meer herkenden. Hij weet verder te melden dat de meeste mediums waar hij contacten mee onderhield, helemaal niet tuk waren op de immer groter wordende seances voor spiritistische clubjes van verveelde bourgeois, spektakel-journalisten en de occasionele medium buster die hen vaak gebruikten om zichzelf in de kijker te plaatsen. Ze vroegen te veel voorbereidend werk en dus een grote investering. Bovendien was de controle tijdens de seance vaak al te streng. Liever deden de meeste mediums privésessies met individuele klanten omdat zij zonder kritische of veeleisende bijzitters makkelijker te manipuleren waren. Het valt trouwens op dat de meeste mediums die in het boek ter sprake komen, geloofden in de eigen capaciteiten van het cold reading en dus in de goedgelovigheid van hun klanten, en vervolgens in die van de leveranciers van nieuwe trucs.

Maar ook over de wereld van de Abbotts en de Houdini’s en van de groots opgezette seances tjokvol spectaculaire trucs viel uiteindelijk het doek. De klopgeesten werden terug in de kast gezet en de ectoplasma’s gladgestreken. De mediums, die bleven, immer op zoek naar rouwenden die snakten naar duurbetaalde woordjes van een dierbare uit het Jenseits. Het onderzoek naar de strapatsen van mediums en andere paranormaal begaafden werd in de volgende decennia professioneler, maar in eerste instantie zeker niet wetenschappelijker, als ik Rob Nanninga’s boek Parariteiten. Een kritische blijk op het paranormale erop nasla.

Meer nog, het is schrijnend dat de kemels en problemen die Abbott en andere goochelende mediumjagers steeds opnieuw meldden, ruim een halve eeuw later dunnetjes werden overgedaan door de moderne onderzoekers. Zo lieten onderzoekers zich net als de klanten uit Abbotts verhaal inpakken door het uiterlijk van de vermeend paranormale, of het nu om een meelijwekkend halfblind, kreupel medium uit de belle époque ging of een charmante Israëli met kromme lepels uit de jaren 1970. In beide omstandigheden weigerden zij de zogenaamd paranormalen te beschouwen als potentiële bedriegers. Andere academici waagden zich aan een onderzoek maar wisten niet hoe of zelfs maar wat te observeren en gaven zo het goochelende testsubject de vrije hand. Vaak ontbrak hen het besef dat ze daarvoor helemaal niet opgeleid waren, een schoolvoorbeeld van het Kruger-Dunningeffect.

Zelfoverschatting was een ander euvel. Beroemd is het verhaal van James Randi’s Project Alpha, waarbij hij enerzijds twee jonge goochelaars en anderzijds een waslijst aan caveats naar een nietsvermoedende psi-onderzoeker stuurde. De zelfzekere academicus negeerde Randi’s waarschuwingen en liet zich wekenlang bedotten door de twee jonge snaken.

De idee dat hoogopgeleiden tot de groep van betere slachtoffers behoren, wordt ook aangehaald in W.L. Greshams biografie van Houdini uit 1959.(3) De auteur doet er nog een schepje cognitieve dissonantie bovenop, al dan niet geïnspireerd door het onderzoek van ene Leon Festinger(4) uit diezelfde periode. Bijna dezelfde verhaallijn vinden we meermaals terug bij Nanninga. Houdini beleefde er het grootste plezier aan, wanneer de een of andere hoge mijnheer met een serie titels achter zijn naam met zijn petje niet bij de wonderen van de ontsnappingskoning kon en tenslotte de uitleg ervan maar zocht in bovennatuurlijke krachten.

Waarschijnlijk is het schier onvermijdelijk dat mensen dezelfde fouten maken als onze voorgangers. En persoonlijk vind ik dat niet erg. Mijn foutgerichte aandacht en onnozele post-hocrationalisaties stellen mij telkens weer in staat om te genieten van de kunsten van een Gili en eenTayson Peeters, twee mentalisten die ik graag een illusie op mijn mouw laat spelden.

* * *

  1. Spiritualisme gebruik ik hier als een overkoepelende term voor tal van aanverwante levensbeschouwingen. Strikt genomen is spiritisme een van de vele bewegingen binnen het spiritualisme. Ik ga het hier niet te scherp slijpen en gebruik de termen op een lossere manier. Hoe dan ook, het artikel “THREE FORMS OF THOUGHT; M.M. Mangassarian Addresses the Society for Ethical Culture at Carnegie Music Hall” uit de New York Times van 29 november 1897 vermeldt dat het toen zo’n acht miljoen volgelingen zou hebben in de Verenigde Staten en Europa. Raadpleegbaar via http://query.nytimes.com/ mem/archive-free/pdf?res=9B05E0DF1638E433A2575AC2A9679D94669ED7CF.
  2. Pieter Peyskens, “Houdini, goochelaar onder de geesten. Over het leven en skepticisme van Harry Houdini.” Wonder en is gheen wonder, nr. 4, 2009. Raadpleegbaar via http://skepp.be/nl/levensbeschouwing-evolutie/skeptisch-kritischdenken/houdini-goochelaar-onder-de-geesten
  3. W.L. Gresham, Houdini, de man die door muren liep. Amsterdam, Elsevier, 1964. Het originele werk verscheen in 1959. Heel leuk en niet volledig naast de kwestie: in een van de eindnoten wordt de lof bezongen van een nieuw talent, namelijk de Wonderlijke James Randi, die later o.a. de pseudoparanormale kwast Uri Geller het leven zuur zou maken.
  4. Leon Festinger, A Theory of Cognitive Dissonance. Stanford, Stanford University Press, 1985.