Jos Van Limbergen (1902-1975)

Oude wetenschappelijke publicaties, toevallige vondsten in de n-de handse
boekenwinkel, ik blijf er een zwak voor hebben. En soms denk ik zelfs dat er een onderwerp voor een blog in zit. Ach ja.

Met een beetje chance duikt Schönfelds Historiese grammatika van het Nederlands uit
1932 op, waarin vol enthousiasme de vondst wordt aangekondigd van wat toen de oudste Nederlandse zin beschouwd werd, u weet wel, “Hebben olla vogola…”. Dat decennia later blijkt dat het waarschijnlijk eerder Engels-Kentse zin is dan een Nederlandse, dat mag de pret niet drukken. Of verschijnt er een uitgave van Natuurwetenschappelijk Tijdschrift (14 jaargang, 1932) in de rommelbakken, waarin de eerste stappen worden gezet naar het “phonetisch onderzoek van het stridulatiegeluid der mieren” en “den oorsprong der genocyten bij Werveldieren en inzonderheid der oerkiemcel bij de Zoogdieren” uit de doeken wordt gedaan. Dank u, Gentse boekentoren!

Even toevallig stootte ik op twee jongere volumes van Natuurwereld. Jaarboek gewijd aan natuurkennis en wetenschap, uit 1965 en 1968. Natuurwereld werd vanaf 1934 uitgegeven door Biokosmos, de “Vrije Vereniging voor Natuuronderzoekers en Wetenschappelijke Publicisten op idealistische grondslag”. Algemeen redacteur was Jos van Limbergen (19021975), die ook de meeste artikels voor zijn rekening nam. Als Benjamin Gorvels schreef hij over biologie, onder zijn echte naam wijdde hij zich vooral aan stukken over astronomie en de toen zeer prille ruimtevaart.

Strijdend Vlaams-katholieke reactionairen en oerconservatieven, zulke auteurs
schoffelen wij in de rubriek Book Liberation Movement normaal gezien een beetje verder naar achteren op de boekenplank, terwijl we terloops controleren of de ketting nog strak genoeg zit. Maar voor Jos Van Limbergen maken we, weliswaar zéér schoorvoetend, een uitzondering. “Nobody’s perfect” mompelen we dan maar.

Al bij al is Jos Van Limbergen een boeiende en zeker niet onbelangrijke figuur: zijn eerste publicatie, Van wondere dingen: wetenschappelijke praatjes, verscheen reeds in 1929, het eerste van een bewonderenswaardige stroom aan populariserende wetenschappelijke boekwerken. Hij zette zich in voor volwassenenvorming en onderwijs, voor de volksverheffing. Education proletaire, proletarische opvoeding, quoi, moest hij geen rabiate communistenvreter geweest zijn. In de jaren zestig, getuige verschillende artikels in het jaarboek van 1968, probeerde hij op zijn typische, bezielende manier het grote publiek te overtuigen van het belang van natuurbescherming. En als amateurastronoom richtte hij, samen met de pastoor Hendrik Van Gaal, de volkssterrenwacht Urania (te Hove) op.

Het citaat:

De geestelijke vermogens van de vrouw zijn niet geringer dan die van de man. Maar in het verleden kregen de vrouwen zelden of nooit gelegenheid om zich praktisch met de wetenschappen in te laten. Nu reeds zijn vrouwen in allerlei wetenschappelijke laboratoria de gelijken van hun mannelijke kollega’s. In de toekomst zal het aantal
vrouwelijke geleerden snel toenemen. Dit jaarboek heeft nagenoeg evenveel lezeressen als lezers.

Vrouwen praten meer dan mannen (en andere taalmythes)

Dit was mijn eerste artikeltje voor Wonder en is gheen Wonder, het ledentijdschrift van SKEPP. Het verscheen in het lentenummer 2016.

* * *

Zolang niet hetzelfde geldt voor een doorsnee boekenrek, kan een steeds uitdijend heelal me niet echt boeien. Wegens plaatsgebrek heb ik de laatste dagen drommen boeken afgevoerd naar 2dehands.be. Daar wordt een mens niet vrolijk van. Gelukkig stootte ik tijdens dit hartverscheurende werk op Language Myths, een van mijn meest geliefkoosde bundeltjes bedrukt papier.

Dat vrouwen veel meer praten dan mannen bijvoorbeeld. Of dat primitieve volkeren zoals Aboriginals of Bosjesmannen even primitieve – lees: kinderlijk eenvoudige – talen spreken. Mensen die taal- of spelfouten maken, zijn dom. En de media, ach meneer, die ruïneren onze taal. Dat soort mythes dus. De bijdragen werden geschreven door het kruim der Angelsaksische linguïstiek en uitgegeven door theoretisch taalkundige Laurie Bauer en sociolinguïst Peter Trudgill.

“The meaning of words should not be allowed to change”

Deze eerste mythe werd onlangs nog geïllustreerd toen Google Dictionary met het volgende kwam aanzetten:

lit·er·al·ly /´litərəlē/
1. In a literal manner or sense; exactly: “the driver took it literally when asked to go straight over the traffic circle”.
2. Used to acknowledge that something is not literally true but is used for emphasis or to express strong feeling.

De storm die hierdoor opstak was even voorspelbaar als hevig. “How language is literally losing its meaning”, fulmineerde John Sutherland in de Britse krant The Guardian. Maar als je anno 2016 iemand ‘nice’ noemt, dan bedoel je daar niet ‘dom’ of ‘onwetend’ mee, zoals het Latijnse etymon ‘ne-scius’ suggereert. Evenmin bedoel je ‘arm’, ‘behoeftig’, ‘zwak’ of ‘timide’. Nochtans heeft ‘nice’ in de loop der tijden al deze betekenissen gehad. Taal verandert. Betekenissen van woorden zijn niet in steen gebeiteld.

“English spelling is Kattastroffik”

Nog zo’n klassieker. En ach, dat valt wel mee. Enerzijds kiest men in het Engelse taalgebied nog steeds voor wat wij in het Nederlands het etymologische principe noemen, maar dan in overdrive: de geschiedenis van een woord bepaalt de schrijfwijze en verandering zit er momenteel niet in. Anderzijds heeft het Engels, net zomin als het Nederlands, geen paradijselijke spelling waarbij één unieke klank weergegeven wordt door één unieke letter.

“Italian is beautiful, German is ugly”

Deze mythe kennen we in de Lage Landen ook. “That’s amore”, zingt Dean Martin, eerder dan “that is Liebe”. Toegegeven, hij had Italiaanse roots, maar u begrijpt vast mijn punt. Het is niet moeilijk om een cultureel-historische reden te geven: de bijnaam van The History Channel is The Hitler Channel eerder dan TV Benito.

Hetzelfde geldt trouwens voor de perceptie van andere talen en regiolecten: er zijn geen inherente redenen waarom een bepaalde taal of regionale taalvariant mooier of verhevener zou zijn dan de andere. Het Atheense stadsdialect mag in Griekenland dan wel een hoger aanzien hebben dan één of ander Beotisch boerentaaltje, voor mensen die geen Grieks spreken en aan wie de culturele en historische achtergronden voorbij gaan, maakt het weinig verschil.

Van myth buster tot skepticus

In 2000 kwam Language Myths voor mij net op tijd. Het kleine beetje germanist dat toen nog in mij zat, was niet zozeer verbaasd door de taalmythes, maar wel door het feit dat ze nog steeds de ronde deden. Op de prille interwebs zorgden deze mythes er dan ook voor dat in tal van toenmalige Yahoo-groups taalkunde al snel verzandde in ergerlijke pseudotaalkunde.

In die periode begon ik, eveneens dankzij het internet, kennis te maken met enkele skeptische medemensen, die later mijn stepping stones werden naar skeptische organisaties. Vooral de Engelse taalkundige Mark Newbrook, die in de periode 1998-2006 artikelen schreef over pseudotaalkunde voor het Australische blad The Skeptic, speelde daarbij een hoofdrol. In 2013 schreef hij het boek Strange Linguistics. A skeptical linguist looks at non-mainstream ideas about language.

Zestien jaar later ben ik nog steeds kennis aan het maken, maar het verbaast me hoegenaamd niet meer dat diezelfde taal- en andere mythes nog altijd de kop opsteken.

De openingszin van Language Myths — en ook het afsluitend citaat — is er eentje om in te kaderen, ook door wetenschappers in andere disciplines. Dat de publieke opinie wel zal volgen eens een wetenschappelijke consensus onder specialisten bereikt is, is immers nog zo’n hardnekkige mythe.

The main reason for this book is that we believe that, on the whole, linguists have not been good about informing the general public about language.

Bauer, L. en Trudgill P. (red.), Language Myths. Londen, 1998.

René Goscinny en Albert Uderzo: Asterix en de Ziener

In deel 19 van deze vulgariserende geschiedkundige reeks over een klein Gallisch dorp dat moedig weerstand blijft bieden aan de Romeinse overweldigers, leiden de auteurs ons doorheen de wereld van vogelwichelaars, ingewandenlezers en auguren.

Na een korte vergelijkende studie waarin gewezen wordt op de gelijkenissen en de verschillen tussen Gallische en Romeinse tradities op het gebied van de clairvoyance, focussen de schrijvers op de ziener Xynix.

Vooral zijn invloed op de goedgelovige bevolking van het Gallische dorp wordt belicht, alsmede zijn omgang met een van de eerste gedocumenteerde Gallisch-Franse vrijdenkers (p. 8, 14). Deze laatste laat de dorpsbewoners op basis van een subtiel vroeg-Russelliaans skepticisme en een streepje force brute zien dat de paranormale positie van de ziener onhoudbaar is. Als gevolg hiervan komen de latente spanningen tussen het Romeinse heir en de Gallische bevolking enerzijds, en de Gallische druïde en de ziener anderzijds, aan de oppervlakte.

Een punt van kritiek: geheel onverwacht en volledig los van het eigenlijke onderwerp van deze studie wordt op het einde van dit boek ingezoomd op de culinaire tradities in het Gallische dorp.

Het citaat:

Xynyx: Maar ik zou ook die hond kunnen nemen … Ik lees heel goed in honden.
Idefix: Kaiiiii!
Obelix: DE EERSTE DIE IDEFIX AANRAAKT KRIJGT EEN DREUN!
Asterix: Pas maar op, de voorspellingen van Obelix komen meestal uit.

 

René Goscinny en Albert Uderzo: Asterix en de Ziener. Dargaud, 1972.

Dag van Desiderius Erasmus

In de nacht van 27 en 28 oktober, nu toch al enige tijd geleden, werd Desiderius Erasmus geboren, ergens in Nederland. Het precieze annus domini is onbekend maar er zijn genoeg redenen om drie jaartallen voor te stellen, 1466, 1467 of 1469. En ook wel om aan alle drie te twijfelen.

Meer dan waarschijnlijk zag hij in Rotterdam het levenslicht, heel misschien in Gouda. Eén bron vermeldt Goudæ conceptus, Roterodami natus, met andere woorden: verwekt in Gouda (als buitenechtelijk kind van een priester en zijn huishoudster), geboren in Rotterdam. Waar men wél zekerheid over heeft: Erasmus stierf en meer bepaald in Bazel, op 12 juli 1536.

Desiderius Erasmus, priester, docent, schrijver, enzovoort was één van de grootste
humanisten van de renaissance en met verve speelde hij de rol van sparring partner van o.a. Maarten Luther. Toch is hij in onze contreien vooral bekend vanwege het
tussendoortje Lof der Zotheid. Of, aangezien Erasmus geen letter in het Nederlands heeft geschreven, Laus Stultitiae (1509, gedrukt in 1511).

Erasmus was steeds kritisch, messcherp zelfs, voor zijn kerkelijke werkgevers en zijn
professie, maar hij profileerde zich steeds als katholiek. Tijdgenoten verweten hem
daardoor een wegbereider te zijn van de Reformatie die hij bestreed. En des te meer nadat Maarten Luther zijn 95 stellingen aan de de kerkdeur van de slotkerk te Wittenberg had genageld in 1517 (of niet). Toch was zijn kritiek op de katholieke kerk ongenadig, waarbij hij zich niet zelden baseerde op nieuwe tekstuitgaven, eigen vertalingen uit het Grieks naar het Latijn. Anders gezegd, Erasmus liet zich in zijn Bijbelexegese leiden door zijn eigen baanbrekend filologisch werk en niet door de vastgeroeste leerstellingen van de Rooms-Katholieke Kerk.

Kortom, best een boeiende mens, die Desiderius. Ik verwijs u dan ook graag door naar
de directe aanleiding van dit artikel: de hoorcolleges over Erasmus door Prof dr. Hans
Trapman, emeritus bijzonder hoogleraar cultuurgeschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. De hoorcolleges verschenen bij Home Academy in 2013 en liggen op u te wachten in elke grotere bib.

En als u helemaal de smaak te pakken krijgt: Lof der Zotheid vindt u hier in een relatief
moderne hertaling van 1952 terug op de voortreffelijke website van De Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, waar u ook enkele andere werken van Erasmus aantreft. Heeft u ‘t zot goed te pakken, dan kan u hier de Latijnse tekst raadplegen. Uw academische neigingen, tot slot, kan u de vrije teugel laten in de Erasmus Online Database van het Rotterdamse Erasmuscenter.

Achter de schermen van ons denken

Dit artikel verscheen in het herstnummer 2016 van Wonder en is gheen Wonder.

* * *

Als een mens sterft, kan hij dan weer levend worden? Mocht Job het niet in boek 14 vers 14 aan God gevraagd hebben, maar in de vroege 20ste eeuw aan een spiritistisch medium, dan was het antwoord waarschijnlijk gematigd positief geweest. In die periode was het  spiritualisme en de idee dat de doden willen en kunnen communiceren met nabestaanden ongemeen populair.(1) Dat de overledenen er schijnbaar de voorkeur aan gaven om dat te doen via een te betalen tussenpersoon, heeft dan toch weer te maken met plat opportunisme, eerder dan met verheven gedachten.

De mediums professionaliseerden snel en om hun succes te garanderen bouwden
enkelen een geavanceerde trukendoos uit die vaak de vorm aannam van een donkere kamer met extra geheime luiken, elektronische en andere snufjes waarin de seances konden plaatsvinden. Gelukkig kregen ze tegengas van andere beroepsleugenaars. “Vanaf het moment dat het mediumschap een beroep werd, kregen de beoefenaars het aan de stok met goochelaars. Dit mag geen verrassing zijn, het is een al te natuurlijk duel”, aldus goochelaar en medium buster Joseph Dunninger, wiens boek Inside The Medium’s Cabinet uit 1935 aanschurkt tegen de beschrijving van een Dawkinsiaanse evolutionaire wapenwedloop.

Een van de meest tot de verbeelding sprekende goochelaars die zich heeft beziggehouden met het onderzoeken en debunken van mediums en spiritisten was Dunningers leermeester, de grote Harry Houdini. Maar over hem gaat het hier niet.(2) Wel over de Amerikaan David Abbott (1836-1934). Als amateurgoochelaar
ontwierp hij verschillende trucs die hij demonstreerde in zijn privétheater en doorverkocht aan professionele goochelaars. Eveneens in zijn vrije tijd schreef hij het nog steeds zeer leesbare Behind the scenes with the mediums (1907).

Zoals vele van zijn voorgangers en zijn navolgers ging Abbott incognito op bezoek bij tal van zelfverklaarde paranormaal begaafden om hun opvoeringen te bestuderen en te analyseren. In Behind the scenes with the mediums doet hij met verve hun trucs uit de doeken: van zogenaamde cold readings (suggestieve vraaggesprekken) en exploten met geschreven berichten in (dubbele) enveloppen van de rondzwervende mediums, tot spectaculaire seances met zwevende tafels, vliegende geesten en verborgen valluiken van de meer huiselijk ingestelde oplichters. Vaak bespreekt hij een alternatief, soms vermeldt hij met trots en plezier een verbetering. Met zijn technischer boek The spirit portrait mystery uit 1913 zou hij trouwens definitief een einde maken aan de carrière van de beruchte Bangs Sisters, die in de jaren van de sepiakleurige fotografie schatrijk werden met hun spectaculaire seances.

De waarde van Behind the scenes ligt niet zozeer in de uitleg van de achterhaalde
trucs, hoewel de basisprincipes interessant zijn en waarschijnlijk tijdloos. Het zijn vooral de alinea’s tussen de “mediumistische” exposities die boeien: de wereld van de Amerikaanse mediums van rond de eeuwwisseling, hun handlangers en hun slachtoffers. Met milde humor vertelt Abbott over de goedgelovige klanten, steevast gegoede burgers met grote besognes en nog grotere portemonnees. Interessant is dat
hij één van de bevriende mediums laat opmerken dat niet de gewone mensen de beste
klanten [zijn],

maar dokters, advocaten, zakenmannen, leraars, kortom, de intelligentere klasse van mensen. Hij zei dat wetenschappelijk denkende personen de beste zitters zijn, omdat zij ernstig zijn en de meeste aandacht schenken. En dat feit is zowat van het allergrootste belang voor het slagen van welke truc ook.

Hij is ook niet al te scherp voor de mediums, wiens drijfveer uiteraard geld is, steeds meer geld. Die beweegreden kon Abbott waarschijnlijk nog best pruimen ook; zelf was hij een professionele woekeraar. Trouwens, onder zijn afnemers van goocheltrucs waren verschillende praktiserende mediums.

Abbott beschrijft mooi een dubbele dynamiek die door de scene ging. Enerzijds werden door de jaren heen de sessies uitgebreider en spectaculairder. Anderzijds groeiden de verhalen over mediums door de mond-tot-mondreclame zo spectaculair dat de hoofdrolspelers zélf de feiten niet meer herkenden. Hij weet verder te melden dat de meeste mediums waar hij contacten mee onderhield, helemaal niet tuk waren op de immer groter wordende seances voor spiritistische clubjes van verveelde bourgeois, spektakel-journalisten en de occasionele medium buster die hen vaak gebruikten om zichzelf in de kijker te plaatsen. Ze vroegen te veel voorbereidend werk en dus een grote investering. Bovendien was de controle tijdens de seance vaak al te streng. Liever deden de meeste mediums privésessies met individuele klanten omdat zij zonder kritische of veeleisende bijzitters makkelijker te manipuleren waren. Het valt trouwens op dat de meeste mediums die in het boek ter sprake komen, geloofden in de eigen capaciteiten van het cold reading en dus in de goedgelovigheid van hun klanten, en vervolgens in die van de leveranciers van nieuwe trucs.

Maar ook over de wereld van de Abbotts en de Houdini’s en van de groots opgezette seances tjokvol spectaculaire trucs viel uiteindelijk het doek. De klopgeesten werden terug in de kast gezet en de ectoplasma’s gladgestreken. De mediums, die bleven, immer op zoek naar rouwenden die snakten naar duurbetaalde woordjes van een dierbare uit het Jenseits. Het onderzoek naar de strapatsen van mediums en andere paranormaal begaafden werd in de volgende decennia professioneler, maar in eerste instantie zeker niet wetenschappelijker, als ik Rob Nanninga’s boek Parariteiten. Een kritische blijk op het paranormale erop nasla.

Meer nog, het is schrijnend dat de kemels en problemen die Abbott en andere goochelende mediumjagers steeds opnieuw meldden, ruim een halve eeuw later dunnetjes werden overgedaan door de moderne onderzoekers. Zo lieten onderzoekers zich net als de klanten uit Abbotts verhaal inpakken door het uiterlijk van de vermeend paranormale, of het nu om een meelijwekkend halfblind, kreupel medium uit de belle époque ging of een charmante Israëli met kromme lepels uit de jaren 1970. In beide omstandigheden weigerden zij de zogenaamd paranormalen te beschouwen als potentiële bedriegers. Andere academici waagden zich aan een onderzoek maar wisten niet hoe of zelfs maar wat te observeren en gaven zo het goochelende testsubject de vrije hand. Vaak ontbrak hen het besef dat ze daarvoor helemaal niet opgeleid waren, een schoolvoorbeeld van het Kruger-Dunningeffect.

Zelfoverschatting was een ander euvel. Beroemd is het verhaal van James Randi’s Project Alpha, waarbij hij enerzijds twee jonge goochelaars en anderzijds een waslijst aan caveats naar een nietsvermoedende psi-onderzoeker stuurde. De zelfzekere academicus negeerde Randi’s waarschuwingen en liet zich wekenlang bedotten door de twee jonge snaken.

De idee dat hoogopgeleiden tot de groep van betere slachtoffers behoren, wordt ook aangehaald in W.L. Greshams biografie van Houdini uit 1959.(3) De auteur doet er nog een schepje cognitieve dissonantie bovenop, al dan niet geïnspireerd door het onderzoek van ene Leon Festinger(4) uit diezelfde periode. Bijna dezelfde verhaallijn vinden we meermaals terug bij Nanninga. Houdini beleefde er het grootste plezier aan, wanneer de een of andere hoge mijnheer met een serie titels achter zijn naam met zijn petje niet bij de wonderen van de ontsnappingskoning kon en tenslotte de uitleg ervan maar zocht in bovennatuurlijke krachten.

Waarschijnlijk is het schier onvermijdelijk dat mensen dezelfde fouten maken als onze voorgangers. En persoonlijk vind ik dat niet erg. Mijn foutgerichte aandacht en onnozele post-hocrationalisaties stellen mij telkens weer in staat om te genieten van de kunsten van een Gili en eenTayson Peeters, twee mentalisten die ik graag een illusie op mijn mouw laat spelden.

* * *

  1. Spiritualisme gebruik ik hier als een overkoepelende term voor tal van aanverwante levensbeschouwingen. Strikt genomen is spiritisme een van de vele bewegingen binnen het spiritualisme. Ik ga het hier niet te scherp slijpen en gebruik de termen op een lossere manier. Hoe dan ook, het artikel “THREE FORMS OF THOUGHT; M.M. Mangassarian Addresses the Society for Ethical Culture at Carnegie Music Hall” uit de New York Times van 29 november 1897 vermeldt dat het toen zo’n acht miljoen volgelingen zou hebben in de Verenigde Staten en Europa. Raadpleegbaar via http://query.nytimes.com/ mem/archive-free/pdf?res=9B05E0DF1638E433A2575AC2A9679D94669ED7CF.
  2. Pieter Peyskens, “Houdini, goochelaar onder de geesten. Over het leven en skepticisme van Harry Houdini.” Wonder en is gheen wonder, nr. 4, 2009. Raadpleegbaar via http://skepp.be/nl/levensbeschouwing-evolutie/skeptisch-kritischdenken/houdini-goochelaar-onder-de-geesten
  3. W.L. Gresham, Houdini, de man die door muren liep. Amsterdam, Elsevier, 1964. Het originele werk verscheen in 1959. Heel leuk en niet volledig naast de kwestie: in een van de eindnoten wordt de lof bezongen van een nieuw talent, namelijk de Wonderlijke James Randi, die later o.a. de pseudoparanormale kwast Uri Geller het leven zuur zou maken.
  4. Leon Festinger, A Theory of Cognitive Dissonance. Stanford, Stanford University Press, 1985.

Dag van Joseph Plateau

Een wiskundig probleem, een natuurkundig wet, een voormalige prestigieuze filmprijs, een straat en een gebouw in de universiteitsbuurt van Gent en een baggerboot van Jan De Nuls bedrijf. Alle vijf dragen ze de naam Joseph Plateau, de ontdekker van de oppervlaktespanning én, weliswaar met enige fantasie, een voorvader van de tekenfilm.

Op 14 oktober 1801 werd Joseph Antoine Ferdinand Plateau geboren in Brussel. Zijn vader was een kunstschilder, zijn moeder wordt niet vermeld in de biografie van Van der Mensbrugghe, zijn schoonzoon, Notice sur Joseph Antoine Ferdinand Plateau (1885) en evenmin in het artikel van Kristel Wautier e.a. The Life and Work of Joseph Plateau: Father of Film and Discoverer of Surface Tension, dat verborgen zit achter een 30 euro dikke betaalmuur. Het biografisch artikel van Het Museum voor de Geschiedenis van de Wetenschappen weet te melden dat hij reeds jong een wees was en dat hij werd opgevoed door zijn oom, een bekende advocaat. Over zijn tante heb ik geen woord teruggevonden.

Zo heb ik u meteen de drie belangrijkste bronnen gegeven voor dit blogartikeltje. En hoewel het niet de bedoeling is van de rubriek “Dag van”, kan ik het niet laten om een korte bio te distilleren uit deze drie teksten, wegens te aanstekelijk en te inspirerend.

Al op zeer jonge leeftijd was Plateau lichtjes geniaal en uitermate gefascineerd door de natuurwetenschappen en hij werd daarin gesteund door zijn Brusselse leraar en latere mentor Adolphe Quetelet (1796-1874), o.a. de oprichter van het tijdschrift Correspondance mathématique et physique. Zijn universitaire opleiding begon hij aan de faculteit Letteren en Wijsbegeerte te Luik, waar hij tegelijkertijd ook Rechten studeerde. Zijn interesse in wiskunde, natuurkunde en chemie bleken echter te sterk en hij schakelde over naar de Faculteit Natuurwetenschappen, maar niet voordat hij eerst zijn gezondheid ernstige en blijvende schade had toegebracht door chlorinedampen, bijproduct van de vele chemische proeven die hij op zijn kot hield.

Zijn doctoraatstheis, Dissertation sur quelques propriétés des impressions produites par la lumière sur l’organe de la vue (1829, zie lager) valt op door de beknoptheid (slechts 27 pagina’s) en, aldus kenners, door zijn meesterschap. Ook aardig om weten: het is de eerste wetenschappelijk-wiskundige dissertatie die in het Frans werd geschreven en niet in het Latijn, althans aan de universiteit van Luik.

Op aanraden van zijn leermeester en mentor Quetelet solliciteerde Plateau bij de universiteit van Gent, waar hij in 1835 werd aangenomen en indruk maakte. Door zijn enthousiasme en inspanningen wist hij een groot aantal studenten aan te trekken. De notities van student Paul Voituron bij de cursus fysica dateren uit deze periode. In 1843 werd hij echter blind en een jaar later moest hij zijn functie als docent aan de universiteit opgeven. Over de oorzaken van zijn blindheid is weinig bekend, maar ze werd zo goed als zeker niet veroorzaakt door een experiment waarbij hij een halve minuut in de zon staarde. In 1847 kreeg hij evenwel de toelating om thuis les te geven. In 1871 werd hij tot het emeritaat toegelaten.

Phenakistiscoopschijf

Hoewel Plateau’s werk zeer ruim van aard was, beperk ik mij hier tot twee aspecten, of beter zelfs, tot twee toestellen: de anorthoscoop en de phenakistiscoop. Ik verwijs heel graag naar de webpagina van de webpagina Museum voor de Geschiedenis van de Wetenschappen waar uitleg wordt gegeven over zijn volledige werk op het gebied van irridatie, hydrostatica en vloeistofvliezen.

Plateau hield zich aanvankelijk bezig met de manier waarop bewegende krommen zich tot één stilstaand beeld lieten samensmelten, wat hij “een geheel nieuwe soort anamorfose” noemt. Zelfs in moderne papers wordt zijn artikel ”Notice sur l’anorthoscope” (1836) nog aangehaald als eenhistorische bron. Op de webpagina Museum voor de Geschiedenis van de Wetenschappen van kan u zo’n anorthoscoop in werking zien.

Met zijn phenakistiscoop gaat Plateau een stap verder: hij laat 16 maal een beeld schilderen op een schijf die net iets verschillend zijn. Door de zogenaamde nawerking van het beeld op het netvlies lijkt het beeld te bewegen. Het Museum voor de Geschiedenis van de Wetenschappen bezit verschillende exemplaren, maar mijn favoriet is het hoofd van een monnik dat ‘transformeert’ in een duivelskop en vice versa.

Plateau stierf op 15 september 1883. Hij werd begraven te Mariakerke. Heel zijn leven was hij een overtuigd christen, met een groot hart voor de wetenschap, zolang deze niet gebruikt werd om materialistische of antigodsdienstige doctrines naar voor te schuiven.

Werken van Joseph Plateau

Online zijn er toch wel een mooi aantal boeken, artikels, werken van en over Joseph Plateau terug te vinden. Ik heb hier enkel de werken vermeld die zowel online als gratis raadpleegbaar zijn. Het artikel van Kristel Wautier e.a. vormt hierop een uitzondering, helaas, maar het is toch een aardige referentie.

Over Joseph Plateau

Henri van Praag: Leerboek der psychologie

Andermaal eentje uit de bijna verloren gegane archieven van mijn vorige blog “Book Liberation Movement”.

* * *

“Psychologisch zijn horloges (bromtollen, muziekdozen) symbolen voor moeders, die kinderen dragen”, lees ik in Henri van Praags Leerboek der psychologie. Daar kijk ik van op. Zelfs na het lezen van Filip Buekens’ Jacques Lacan: proefvlucht in het luchtledige en Maarten Boudry’s De naakte Keizers van de Psychoanalyse: De Immunisatiestrategieën van een Pseudowetenschap, waarin o.a. dit soort gehannes ruimschoots aan bod komt én gefileerd wordt. Beide publicaties en een streepje nieuwsgierigheid waren trouwens de aanleiding om dat Leerboek der psychologie aan te schaffen. Gewoon, om eens te kijken wat de übereducatieve uitgeverij Wolters-Noordhoff in de late jaren 60 zoal uitgaf aan handboeken psychologie.(1) En voor één euro, de standaardprijs voor een boek bij Opnieuw&Co, kan men niet sukkelen.

De pagina’s met de Romeinse getallen, de Verantwoording, zijn gelardeerd met erudiete filosofische referenties, met verwijzingen naar de natuurwetenschappen, religie en de schijnbaar toch obligate Freud en Jung. Met plezier verwijst Van Praag eveneens naar de duizenden jaren oude wijsheid en psychologische inzichten van de Indiërs en Chinezen. En ook in de Inleiding zijn er een paar zaken die ik in een leerboek psychologie een beetje misplaatst vind, niveau tang+varken. Van Praags uitweidingen over het Woord Gods zijn ronduit ongepast. De indeling van de werkelijkheid in “niveaus”, met als hoogste het absolute, wat door de wetenschap genaamd theologie bestudeerd moet worden, hebben me even achteruit doen leunen op mijn stoel. Uiteraard ben ik geen expert, maar het gebruik van “ziel” en “zielsbegrip” in een handboek psychologie lijkt mij op zijn zachtst gezegd ook eigenaardig.

In de psychologie is het minder gebruikelijk van ziel i.p.v. psyche te spreken, al bestaat er geen bezwaar om psychisch leven te vervangen door zieleleven. […] Toch is het goed te beseffen, dat de psyche der psychologen en de ziel der theologen in wezen gelijk zijn.

Dan maar naar het register. Via trefwoord “Avesta” kom ik op pagina 126 terecht in een discussie over Griekse Muzen, (religieuze) openbaringen en inspiratie, inclusief Bijbelverzen. “Extrasensory perception” brengt me dan weer naar het hoofdstuk “Kenprocessen”, en meer bepaald bij helderziendheid, telepathie en voorspellende dromen, wat, aldus de auteur “zeer veel psychologen erkennen” (p. 93). Een bladzijde verder lees ik:

De helderziendheid, telepathie enz. worden niet behandeld in de gebruikelijke leerboeken der psychologie, maar in de leerboeken der parapsychologie. Het ligt echter geheel in de lijn der verwachtingen, dat ook deze niet-zintuigelijke [sic] processen in een nabije toekomst binnen de psychologie zullen besproken worden.

En ja, dit handboek werd effectief gebruikt in kweekscholen, sociale academies en universitaire faculteiten (getuige de inleiding én de studentikoze aantekeningen in mijn exemplaar) en Wolters-Noordhoff was ook toen al een uitgever van academisch materiaal.

Volgens Henri van Praag zijn helderziendheid en prognostisch zien, evenals helderhorendheid en prognostisch horen “echter buiten redelijke twijfel vastgesteld” (p. 101). En in de Nabeschouwing, op pagina’s 346 en 347, verliest-ie helemaal de pedalen:

Voor zover in het gedrag van de mens reeds het nieuwe menszijn zichtbaar wordt, krijgt het gedrag een paranormaal aspect. Het paranormale loopt dus vooruit op de evolutie. […] Paranormaal psychisch leven wijst dus op evolutionaire integratie.

Tussen het lezen over onbekende fenomenen, waarbij we trouwens volledig zijn overgeleverd aan de rapporteur, en het concluderen dat die fenomenen, anekdotes eigenlijk, van paranormale ofte parapsychologische aard zijn, gaapt een enorm gat. En de auteur slaagt er niet in dat op een overtuigende manier te dichten. In de 364 bladzijden die het leerboek vervelend is, wordt er geen schijntje van een bewijs gegeven.

Ook in zijn andere, meer gespecialiseerde werken lees ik veel beweringen, tal van anekdotes en handenvol schimmige verhaaltjes. Maar niets wat ook maar in de buurt komt van een bewijs: Inleiding tot de Parapsychologie (De stand van het parapsychologisch onderzoek), Telepathie en Telekinese (Parapsychologie en parafysica), Paranormale manifestaties (Apporten, duplicaten, magische afstandswerking, cultusobjecten, vliegende schotels) en Reïncarnatie in het licht van wetenschap en geloof. Lectuur, tussen haakjes, waar men niet echt vrolijker van wordt.

Voor het boeiende leven van de licht geniale auteur Naphthali ben Levi (Henri) van Praag, verwijs ik naar het artikel op Wikipedia (een beetje aan de hagiografische kant, maar de man was dan ook een halve heilige). Kort: zoon van een joods diamantslijper, ondergedoken in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Medeoprichter van de Anna Frank Stichting, steeds ijverend voor een wereld van vrede en harmonie. Interessant is ook dat hij vanaf 1966 wetenschappelijk hoofdmedewerker van Teleac, tot 1977. In 1978 volgde hij professor Wilhelm Tenhaeff op als bijzonder hoogleraar parapsychologie aan de Universiteit van Utrecht, een positie die hij bekleedde tot 1986 (en het onderwerp voor een later blogartikel).

Het citaat:

De filosofie heeft zich overal ontwikkeld (geëmancipeerd) uit de religie, zoals later de wetenschap zich weer ontwikkelde (emancipeerde) uit de filosofie. Mens stelt dit evolutieproces wel voor door een symbool, de boom der kennis, waarvan de wortel de religie, de stam de filosofie en de takken de wetenschappen voorstellen. In plaats van religie, filosofie en wetenschappen, spreekt men ook wel van heilige waarheid, wijze waarheid en juiste waarheid.

Henri van Praag, Leerboek der psychologie. Wolters-Noordhoff, [ca. 1970?]

(1) Naar ik vermoed. Mijn exemplaar is een ongedateerde tweede druk (waaraan gesleuteld is, aldus het voorwoord). Hoe dan ook, de eerste druk van het Leerboek der psychologie dateert van 1964.

Dag van Denis Diderot

Op 5 oktober 1713 knipperde Denis Diderot voor het eerst met zijn ogen. 35 jaar later knipperde Frankrijk en omstreken met de ogen bij het lezen van Les Bijoux indiscrets (1748), waarin Sultan Mangogul van Congo (voor de goede verstaander: de Franse koning Louis XV) een magische ring krijgt waardoor hij kan spreken met de bijoux van de madammen. Inderdaad, met hun flamoezen. Het zal u weinig verbazen dat zijn werkje anoniem werd uitgegeven.

Twee jaar later maakte Diderot zich echter op voor het grote werk. Toen drukker, boekenhandelaar en vrijmetselaar André Le Breton hem vroeg om de Cyclopaedia, or Universal Dictionary of Arts and Sciences te vertalen, begon Diderot samen met Jean Le Rond d’Alembert aan het project, maar met een zeer eigen invulling, wat uiteindelijk resulteerde in de Encyclopédie ou Dictionnaire raisonné des sciences, des arts et des métiers. De cijfers de Encyclopédie (1751-1772) zijn ronduit indrukwekkend: uiteindelijk schreven 134 auteurs 20.736.912 woorden bij elkaar op zo’n 18.000 bladzijden, uitgegeven in 17 volumes. Goed voor 76.242 onderwerpen, waaronder 44.632 lemmata, 28.366 subartikels.

Ondanks de initiële toelatingen waren eerst de religieuze en later de wereldlijke machthebbers niet bepaald opgezet met het (zeer voorlopige) resultaat. Al na de publicatie van het tweede deel werden, op aanraden van de jezuïeten, de koninklijke vergunningen ingetrokken en werd de Encyclopédie onderworpen aan een kerkelijke en koninklijke censuur.

Bij de eerste groep schoot onder meer de oproep tot (godsdienstige) tolerantie in het
verkeerde keelgat. Ook in andere werken liet Diderot steeds minder aan de verbeelding
over en al snel sloeg zijn deïsme om in atheïsme en een consequent materialisme. Zijn Pensées philosophiques (1746) liet hij dan ook beginnen met de waarschuwing:

J’écris de Dieu; je compte sur peu de lecteurs, et n’aspire qu’à quelques suffrages. Si ces Pensées ne plaisent à personne, elles pourront n’être que mauvaises; mais je les tiens pour détestables, si elles plaisent à tout le monde.

Om dan een pagina of wat later uit te halen:

Le déiste seul peut faire tête à l’athée. Le superstitieux n’est pas de sa force. Son Dieu n’est qu’un être d’imagination. Outre les difficultés de la matière, il est exposé à toutes celles qui résultent de la fausseté de ses notions.

Even vermelden dat hij in 1749, naar aanleiding van Lettre sur les aveugles à l’usage de ceux qui voient, al de binnenkant van een gevangenis had gezien. Maar terug naar
de Encyclopédie. Diderot en d’Alembert werden strak in het oog gehouden: het kritisch (en dus goddeloze, toch?) karakter was ook paus Clemens XIII niet ontgaan en in 1759
trakteerde Zijne Heiligheid hen op de encycliek Damnatio, et prohibitio, waarna de reeks op de Index Librorum Prohibitorum werd gezet. In 1948 stond-ie er nog op.

De tweede groep, de edelen van geboorte, was al niet veel gelukkiger. Men kreeg plots
het gevoel dat iemand de poten van onder de tronen aan het zagen was, zoals in dit citaat uit het lemma “Autorité”:

Aucun homme n’a recu de la nature le droit de commander aux autres. La liberté est un présent du ciel, et chaque individu de la meme espèce a le droit d’en jouir aussitòt qu’il jouit de la raison.

De vriendenkring van Diderot, of toch minstens de groep van mensen waarmee hij in
nauw contact stond, leest als een who’s who van de tweede helft van de 18de eeuw: Johann Wolfgang von Goethe kon Diderots Essais sur la peinture best smaken. Via Jean-Jacques Rousseau leerde hij de Duitse filoloog Friedrich Melchior, Baron von
Grimm kennen, die een intieme vriend zou worden.

Het boek dat even zeer overeind blijft staan als zijn standbeeld in Langres is Jacques le
fataliste et son maître. De weg die het manuscript aflegde, was bijna even grillig als de
reis van de naamloze meester en zijn knecht Jacques. Geschreven in de periode 1765-1780, deels door Goethe vertaald naar het Duits in 1785, wat dan weer hervertaald werd naar het Frans in 1793. De volledige vertaling in het Duits (1792) verscheen ook eerder dan de eerste volledige Franse editie (1796, postuum).

Denis Diderot stierf op 31 juli 1784. Zijn bibliotheek werd opgestuurd naar Catherina II
van Rusland. Zij was jarenlang zijn mecenas, maar elkaar ontmoeten deden ze pas in
1773. De collectie van Diderot werd opgenomen in de Keizerlijke, nu Nationale Bibliotheek van Rusland.

Over Denis Diderot

De mooie en verzorgde website denisdiderot.com is helaas een beetje kort van stof, al bij al niet gedetailleerder of beter uitgewerkt dan het Franstalige artikel op
Wikipedia.

Werken van Denis Diderot

Een ecomodernistisch manifest

Samen met Bart Coenen, hoofdredacteur van BackCover.be en van Wonder en is gheen Wonder, vertaalde ik An Ecomodernist Manifesto, een manifest geschreven door het Breakthrough Institute. Onze vertaling verscheen op de website ecomodernism.org en later, in gewijzigde vorm, in het boek Ecomodernisme. Het nieuwe denken over groen en groei (Nieuw Amsterdam, 2017).

* * *

De uitspraak dat de Aarde een menselijke planeet is, wordt elke dag een beetje meer waar. Mensen zijn gemaakt van de Aarde en de Aarde is herschapen door mensenhanden. Wetenschappers stellen dat de Aarde een nieuw geologisch tijdvak heeft betreden: het Antropoceen, het Tijdperk van de Mens.

Wij academici, wetenschappers, campagnevoerders en burgers schrijven dit manifest in de overtuiging dat verstandig toegepaste kennis en technologie kunnen zorgen voor een goed en zelfs een groots Antropoceen. In een goed Antropoceen gebruikt de mens zijn groeiende sociale, economische en technologische vaardigheden om het leven beter te maken, het klimaat te stabiliseren en de natuur te beschermen.

Hierbij onderschrijven wij een oud ideaal, namelijk het idee dat de mensheid haar impact op het milieu moet verkleinen om plaats te maken voor natuur. Maar tegelijk verwerpen we het idee dat menselijke samenlevingen in harmonie moeten leven met de natuur om zo een economische en ecologische ineenstorting te vermijden.

Deze twee idealen zijn niet langer verzoenbaar. Natuurlijke systemen kunnen niet beschermd of verbeterd worden wanneer de mens er voor zijn levensonderhoud en welzijn in toenemende mate van afhangt.

Het intensiveren van tal van menselijke activiteiten (zoals landbouw, energiewinning, bosbouw en stadsontwikkeling) met als doel minder land te gebruiken en de impact op het milieu te verminderen, is de sleutel tot het loskoppelen van menselijke ontwikkeling en natuur. Deze socio-economische en technologische processen staan centraal in de economische modernisering en de milieubescherming. Samen zullen zij ons in staat stellen om de klimaatverandering binnen de perken te houden en armoede te verlichten.

Hoewel wij in het verleden onafhankelijk van elkaar schreven, worden onze visies en ideeën steeds meer als een geheel bediscussieerd. We noemen onszelf ecopragmatici en ecomodernisten. Wij schreven dit manifest om onze ideeën te verduidelijken en om toe te lichten hoe we de buitengewone krachten van de mensheid in dienst van een goed Antropoceen kunnen stellen.

1.

De laatste twee eeuwen floreert de mensheid. De gemiddelde levensverwachting steeg van 30 tot 70 jaar. Dat resulteerde in een grote en groeiende bevolking die kan overleven in zeer verschillende omgevingen. De mensheid heeft een buitengewone vooruitgang geboekt in het terugdringen van besmettelijke ziekten en hun gevolgen. Mensen zijn ook weerbaarder geworden tegenover extreme weersomstandigheden en natuurrampen.

Geweld nam in al haar vormen aanzienlijk af en is waarschijnlijk op haar laagste punt ooit, ondanks de verschrikkingen van de 20ste eeuw en het huidige terrorisme. Globaal gezien schoven mensen op van autocratische regeervormen naar de liberale democratie, gekenmerkt door de rechtsstaat en een groeiende vrijheid.

Persoonlijke, economische en politieke vrijheden verspreidden zich wereldwijd en worden vandaag ruim geaccepteerd als universele waarden. Modernisering bevrijdt vrouwen van traditionele rolpatronen, terwijl zij zelf steeds meer zeggenschap krijgen over de eigen vruchtbaarheid. Een historisch hoog aantal mensen – zowel in percentage als in absolute cijfers – is bevrijd van onzekerheid, schaarste en uitbuiting.

Tegelijkertijd heeft het menselijk succes een ernstige tol geëist van de natuurlijke, nietmenselijke omgeving en van de wilde dieren. Mensen hebben ongeveer de helft van het ijsvrije land in gebruik genomen. Vooral voor begrazing, het telen van gewassen en de productie van hout. 20 percent van het land dat ooit bebost was, is nu omgezet voor menselijk gebruik. Alleen al de laatste 40 jaar namen de populaties van vele zoogdieren, amfibieën en vogels met de helft af. Meer dan 100 soorten van deze klassen zijn uitgestorven in de 20ste eeuw en ongeveer 785 soorten sinds 1500. Terwijl we dit schrijven blijven nog maar vier noordelijke witte neushoorns over.

Omdat mensen volledig afhankelijk zijn van de levende biosfeer, moeten we ons afvragen hoe het mogelijk is dat ze zo veel schade aanrichten aan natuursystemen zonder zichzelf schade toe te brengen.

De rol van technologie in het reduceren van de menselijke afhankelijkheid van de natuur verklaart deze paradox. Menselijke technologieën – van degene die landbouw in staat stelden het jagen en verzamelen te vervangen tot de technologieën die de huidige geglobaliseerde economie voortstuwen – hebben ervoor gezorgd dat mensen minder afhankelijk zijn van de vele ecosystemen die hen ooit helemaal onderhielden, zelfs wanneer diezelfde ecosystemen daardoor zwaar beschadigd werden.

Ondanks de vaak gehoorde bewering sinds de jaren 1970 dat er fundamentele “grenzen aan de groei” zouden zijn, zijn er tot nu toe opvallend weinig bewijzen dat in de nabije toekomst de menselijke bevolking en de economische expansie de capaciteit om voedsel te verbouwen of om levensnoodzakelijke materialen te produceren zou overvleugelen.

Als er al fysieke grenzen aan menselijke consumptie zijn, dan zijn deze zo theoretisch dat ze functioneel irrelevant worden. De hoeveelheid zonnestralen die op de aarde botst bijvoorbeeld, is uiteindelijk wel eindig, maar op zich legt dit geen beperking op aan menselijke ondernemingen. De menselijke beschaving kan gedurende eeuwen en zelfs millennia draaien op energie die opgewekt wordt door kernsplitsing in uranium- of thoriumreactoren of door kernfusie (waterstof deuteriumfusie). Een goed beleid kan ervoor zorgen dat mensen niet het risico lopen op een gebrek aan landbouwgrond. Met genoeg land en ongelimiteerde energie is het mogelijk om alternatieven te zoeken voor andere materialen die nodig zijn voor het menselijk welzijn en die schaars en duur dreigen te worden.

Er zijn echter ernstige milieudreigingen die op de lange termijn het menselijk welzijn kunnen schaden, zoals antropogene klimaatverandering, de verarming van de ozonlaag in de stratosfeer en oceaanverzuring. Hoewel het moeilijk is om deze risico’s te becijferen, is er genoeg bewijs dat ze een wezenlijk risico op een globale catastrofale impact op leefgemeenschappen en ecosystemen inhouden. Zelfs graduele, niet-catastrofale gevolgen die geassocieerd kunnen worden met deze bedreigingen, zullen waarschijnlijk uitmonden in aanzienlijke menselijke en economische kosten en in stijgende ecologische verliezen.

Grote delen van de wereldbevolking lijden echter onder meer directe lokale milieu- en gezondheidsrisico’s. Luchtverontreiniging, zowel binnenshuis als buitenshuis, veroorzaakt jaarlijks nog steeds heel wat ziekte en de voortijdige dood van miljoenen mensen. Watervervuiling en ziekten die ontstaan in verontreinigde en gedegradeerde stroomgebieden veroorzaken gelijkaardig lijden.

2.

Hoewel de menselijke impact op het milieu in zijn totaal blijft stijgen, is er een waaier aan trends die op lange termijn voor een substantiële ontkoppeling van menselijk welzijn en milieu-impact kunnen zorgen.

Ontkoppeling manifesteert zich zowel in relatieve als in absolute termen. Relatieve ontkoppeling houdt in dat de menselijke impact op het milieu trager stijgt dan de gehele economische groei. Met andere woorden, voor elke eenheid van economische output is er minder impact op het milieu (bijvoorbeeld ontbossing, vervuiling of verlies aan dieren). De globale impact kan nog wel groter worden, maar verloopt trager dan anders het geval zou zijn. We spreken over absolute ontkoppeling wanneer de totale geaccumuleerde milieuimpact piekt en daarna afneemt, zelfs wanneer de economie verder blijft groeien.

Ontkoppeling kan gestimuleerd worden door technologische en demografische trends. Meestal is het een resultaat van een combinatie van beide.

De groeisnelheid van de menselijke bevolking heeft zijn hoogtepunt al bereikt. De huidige groei bedraagt één percent per jaar, lager dan de 2,1 percent in de jaren 1970. De vruchtbaarheidscijfers in landen die samen meer dan de helft van de wereldbevolking uitmaken, liggen lager dan het vervangingsniveau. De huidige bevolkingsgroei kan voornamelijk toegeschreven worden aan een langere levensduur en een daling van de kindersterfte; niet aan stijgende vruchtbaarheidscijfers. Gezien de huidige trends is het best mogelijk dat de omvang van de menselijke bevolking deze eeuw een hoogtepunt bereikt en dan begint af te nemen.

Trends in bevolkingsaantallen zijn onlosmakelijk verbonden met andere demografische en economische dynamieken. Het is de eerste keer in de geschiedenis van de mensheid dat meer dan de helft van de wereldbevolking in steden woont. Men verwacht dat tegen 2050 70 percent in steden zal wonen, een aantal dat waarschijnlijk stijgt tot 80 percent of meer tegen het einde van de eeuw. Steden kennen zowel een hoge bevolkingsdichtheid als lage vruchtbaarheidscijfers.

Steden beslaan slechts 1 à 3 percent van het aardoppervlak en toch bieden zij plaats aan bijna 4 miljard mensen. Zo stimuleren en symboliseren ze de menselijke loskoppeling van de natuur. Steden voorzien ook veel efficiënter dan plattelandseconomieën in onze materiële behoeften en ze verminderen onze impact op het milieu.

De groei van steden en de economische en ecologische voordelen die daar het gevolg van zijn, zijn onlosmakelijk verbonden aan verbeteringen in de landbouwproductiviteit. Omdat in de landbouw efficiënter gebruik wordt maakt van land en arbeid, ruilde landelijke bevolking het platteland in voor de stad. In 1880 werkte ruw genomen de helft van de bevolking van de Verenigde Staten op het land, vandaag is dat minder dan twee percent.

Verlost van hard labeur in de landbouw kwam een enorm menselijk potentieel vrij voor andere ondernemingen. De steden van vandaag zouden niet bestaan zonder de radicale vernieuwingen in delandbouw. Modernisering daarentegen, is niet mogelijk in een op zelfvoorziening gebaseerde landbouw.

Deze verbeteringen in de landbouwsector zorgden niet alleen voor een vermindering van de vereiste arbeid per eenheid geproduceerde output, maar ook voor een vermindering van het nodige land. Dit is geen nieuwe trend: stijgende opbrengsten zorgen al duizenden jaren voor een reductie van het land dat nodig is om de mens te voeden. Het gemiddelde landgebruik per hoofd ligt een pak lager dan 5000 jaar geleden, ondanks het feit dat de moderne mens een veel rijker dieet heeft. Dankzij technologische verbeteringen in de landbouw sinds 1960 halveerde de gemiddelde hoeveelheid land dat nodig is om gewassen te telen en om dieren te voederen.

Intensivering van de landbouw en het afnemend gebruik van hout als brandstof, heft gezorgd voor een netto herbebossing in vele delen van de wereld. Ongeveer 80 percent van New England is vandaag bebost, tegenover ongeveer 50 percent aan het einde van de 19de eeuw. Gedurende de laatste 20 jaar is de hoeveelheid land voor bosbouw en houtproductie met 50 miljoen hectare afgenomen, een gebied zo groot als Frankrijk. De “bostransitie” – van netto ontbossing tot netto bebossing – lijkt even kenmerkend voor ontwikkeling als de demografische transitie (waarbij het geboortecijfer vermindert) kenmerkend is voor de afname van armoede.

Ons gebruik van andere hulpbronnen kwam op een gelijkaardige manier tot een hoogtepunt. De hoeveelheid water nodig voor een gemiddeld dieet nam met bijna 25 percent af gedurende de laatste halve eeuw. Stikstofvervuiling blijft verantwoordelijk voor eutrofiëring en grote dode zones in bijvoorbeeld de Golf van Mexico. Terwijl de totale hoeveelheid vervuiling door stikstof toeneemt, neemt het gebruik per productie-eenheid aantoonbaar af in de ontwikkelde landen.

In tegenstelling tot de vaak geuite angst dat een eindeloze groei zal botsen met een eindige planeet, kan de vraag naar tal van goederen verzadigd geraken wanneer gemeenschappen rijker worden. Vleesconsumptie bijvoorbeeld, is over haar hoogtepunt heen in vele rijke landen en verschuift van rundvlees naar proteïnebronnen waarvoor minder land nodig is.

Eens aan de vraag naar goederen voldaan is, dan zien we in ontwikkelde economieën hogere uitgaven voor diensten en kennissectoren. Die vereisen minder materiaalgebruik en staan in voor een groeiend aandeel in de economische activiteit. Deze dynamiek is mogelijk nog sterker in de opkomende economieën. Zij kunnen hun voordeel doen bij het feit dat ze meteen kunnen gebruikmaken van grondstof-efficiënte technologieën.

Neemt men al deze trends samen, dan betekent dit dat de totale menselijke impact op de omgeving, inclusief het landgebruik, overexploitatie en vervuiling, deze eeuw kan pieken en vervolgens afnemen. Door deze opkomende processen te begrijpen en te bevorderen kunnen we de Aarde vergroenen en tal van wilde dieren herintroduceren. Zelfs wanneer de ontwikkelingslanden moderne levensstandaarden bereiken en wanneer er wereldwijd een einde komt aan materiële armoede.

3.

Het proces van ontkoppeling zoals we het hierboven beschreven, vecht het idee aan dat vroegere menselijke leefgemeenschappen minder wogen op het land dan moderne samenlevingen. Als oudere gemeenschappen al minder impact hadden op hun omgeving, dan was dat louter en alleen omdat deze gemeenschappen beduidend kleinere populaties moesten onderhouden.

Populaties met minder geavanceerde technologieën hadden zelfs een veel grotere individuele ecologische voetafdruk dan gemeenschappen nu. Laat ons niet vergeten dat een bevolking van niet meer dan een à twee miljoen Noord-Amerikanen in het late Pleistoceen de grote zoogdieren bejaagden en uitroeiden. Tegelijk kapten ze over heel het continent bossen of brandden deze plat. De mens bleef de omgeving ingrijpend veranderen doorheen het Holoceen, in die mate dat drie vierde van de ontbossing wereldwijd plaatsvond vóór de Industriële Revolutie.

De technologie die onze voorouders gebruikten om aan hun behoeften te voldoen, ondersteunde veel lagere levensstandaarden met een veel hogere impact op het milieu per hoofd. Wars van massale menselijk sterfte zou elke poging om menselijke gemeenschappen met behulp van deze technologieën terug te koppelen aan de natuur een regelrechte ecologische en menselijke catastrofe tot gevolg hebben.

Over heel de wereld worden ecosystemen bedreigd omdat mensen er overdreven veel op steunen. Mensen die afhangen van brandhout en houtskool als brandstof, kappen en vernielen bossen. Mensen die bushmeat eten, bejagen zoogdieren tot op de rand van uitsterven. Of het nu de inheemse bevolking is die ervan profiteert of een buitenlands bedrijf, de nog steeds voortdurende menselijke afhankelijkheid van de natuurlijke omgeving vormt het hoofdprobleem voor de natuurbescherming.

Anderzijds bieden moderne technologieën die efficiënter gebruik maken van natuurlijke ecosysteemdiensten een echte kans om onze impact op de biosfeer te reduceren. Het omarmen van deze technologieën is een weg die kan leiden naar een goed Antropoceen.

Uiteraard hebben de moderniseringsprocessen die de mensheid steeds meer losmaakten van de natuur een negatieve kant aangezien ze ook de natuurlijke omgeving aantastten. Fossiele brandstoffen, mechanisatie en fabricage, kunstmeststoffen en pesticiden, elektrificatie, modern transport en communicatietechnologieën hebben in de eerste plaats een grotere bevolkingsgroei en meer consumptie mogelijk gemaakt. Als de technologieënsinds de Donkere Middeleeuwen niet verbeterd waren, dan was de menselijke bevolking zonder twijfel ook niet sterk gegroeid.

Het is ook waar dat grote aantallen van steeds welvarender stedelingen een groter beroep doen op ver afgelegen ecosystemen. De ontginning van natuurlijke hulpbronnen is immers geglobaliseerd. Anderzijds kregen mensen toegang tot voedsel, beschutting, warmte, licht en mobiliteit via technologieën die veel efficiënter zijn qua bron- en landgebruik dan eender wanneer in de menselijke geschiedenis.

Het menselijk welzijn loskoppelen van de vernieling van de natuur vereist een bewuste versnelling van opkomende ontkoppelingsprocessen. In sommige gevallen is het doel de ontwikkeling van technologische substituten. Bijvoorbeeld: om de ontbossing en luchtvervuiling binnenshuis tegen te gaan is er een substitutie (vervanging) nodig van hout en houtskool door moderne energiebronnen.

In andere gevallen zou de mensheid hulpbronnen productiever moeten gebruiken. Zo kan verhoging van de oogst de omzetting van bos tot grasland en landbouwgrond tegengaan. Mensen moeten manieren vinden om de natuur los te maken van de economie.

Verstedelijking, intensivering van de landbouw, kernenergie, aquacultuur en ontzilting zijn allemaal processen met een aangetoond potentieel om de menselijke druk op het milieu te verkleinen en zo meer ruimte te creëren voor niet-menselijke soorten. De ontwikkeling van voorsteden, landbouw met een lage opbrengst en vele vormen van hernieuwbare energie vragen daarentegen over het algemeen meer land en hulpbronnen en laten minder ruimte over voor natuur.

Deze patronen suggereren dat mensen even geneigd zijn natuur te sparen omdat ze niet nodig is om hun noden te vervullen, als dat ze natuur willen sparen om esthetische en spirituele redenen. De delen van de planeet die mensen nog niet ingrijpend veranderden, bleven meestal gespaard omdat mensen er nog geen economisch nuttig gebruik voor vonden – namelijk bergen, woestijnen, boreale wouden en andere “marginale” regio’s.

Ontkoppeling verhoogt de mogelijkheid dat de impact van de mens een piek bereikt zonder dat hij nog meer relatief ongerepte gebieden binnendringt. Ongebruikte natuur is gespaarde natuur.

4.

Een ruime toegang tot moderne energiebronnen is een essentiële vereiste voor menselijke ontwikkeling en voor de loskoppeling van menselijke ontwikkeling en natuur. De beschikbaarheid van goedkope energie laat arme mensen in de hele wereld toe om te stoppen met bossen te gebruiken als energiebron. Het stelt mensen in staat om meer voedsel te verbouwen op minder land, dankzij energie-intensieve input van meststoffen en tractoren. Energie laat mensen toe afvalwater te recycleren en zeewater te ontzilten om zo rivieren en bronnen te sparen. Het laat mensen toe om metaal en plastic op een goedkopere manier te recycleren in plaats van nieuwe minerale bronnen te ontginnen, verwerken en raffineren. Als we vooruit kijken, dan kan moderne energie stikstof uit de atmosfeer capteren om zo de hoeveelheid geaccumuleerde stikstof (die de klimaatverandering aandrijft), te verminderen.

De laatste drie eeuwen loopt de groeiende energieproductie wereldwijd gelijk met stijgende CO2-concentraties in de atmosfeer. In diezelfde periode werkten verschillende landen aan het koolstofarmer maken van hun economieën. Maar het tempo waarop ze dat gedaan hebben, lag niet hoog genoeg om ervoor te zorgen dat de cumulatieve koolstofemissies laag genoeg blijven om onder het internationaal vastgestelde doel van minder dan 2°C opwarming uit te komen. Een noodzakelijke beperking van de gevolgen van de klimaatverandering vereist dan ook dat mensen de bestaande processen voor het koolstofarmer maken sterk moeten versnellen.

Er heerst echter nog veel verwarring over hoe we dit kunnen verwezenlijken. In ontwikkelingslanden is de stijgende energieconsumptie nauw verbonden aan stijgende inkomens en hogere levensstandaarden. Hoewel het gebruik van vele andere materialen zoals stikstof, hout en land naar een hoogtepunt groeit, suggereert het centrale belang van energie in de menselijke ontwikkeling en haar vele toepassingen als een substituut voor materiële en menselijke middelen dat de energieconsumptie zal blijven stijgen doorheen een groot stuk van de 21ste eeuw en waarschijnlijk zelfs tot het einde ervan.

Vandaar dat elk conflict tussen klimaatmitigatie en de ontwikkelingsprocessen (via dewelke miljarden mensen wereldwijd moderne levensstandaarden bereiken) zal beslecht worden in voordeel van die ontwikkeling.

Klimaatverandering en andere ecologische uitdagingen zijn niet de meest belangrijke of meest onmiddellijke zorg voor het merendeel van de wereldbevolking. Dat zouden ze ook niet mogen zijn. Een nieuwe kolencentrale in Bangladesh kan dan wel luchtvervuiling en stijgende co2-emissies met zich meebrengen, ze zal ook mensenlevens redden. Voor miljoenen mensen die leven zonder licht en die niet anders kunnen dan mest te verbranden om hun voedsel te bereiden, bieden elektriciteit en moderne brandstoffen een weg naar een beter leven. Wat de precieze oorsprong ervan ook moge zijn en zelfs als die energiebronnen tegelijkertijd nieuwe ecologische uitdagingen met zich meebrengen.

Een betekenisvolle beperking van de klimaatverandering is in de grond een technologische uitdaging. Hiermee bedoelen we dat zelfs drastische, wereldwijde consumptiebeperking onvoldoende zou zijn om tot een aanzienlijke klimaatmitigatie te komen. Zonder fundamentele technologische veranderingen is er geen geloofwaardige weg naar een klimaatmitigatie van betekenis. Men is het niet eens over welke technologiemix de beste is en wij hebben alleen weet van gekwantificeerde klimaatmitigatiescenario’s waarbij technologische veranderingen verantwoordelijk zijn voor het overgrote deel van de uitstootreducties.

De specifieke technologische keuzes die we kunnen maken met het oog op klimaatmitigatie, blijven het onderwerp van verhitte discussies. Theoretische scenario’s reflecteren gewoonlijk de technologische voorkeur en analytische aannames van hun bedenkers. Al te vaak vergeten deze om de kosten, de tijd en de schaal in te calculeren die nodig zijn om koolstofarme energietechnologieën te implementeren.

De geschiedenis van energietransities suggereert dat er altijd al consistente patronen waren in de wegen die samenlevingen namen richting schonere energiebronnen. Zowat alle gemeenschappen die hun koolstofuitstoot verminderden deden dat door brandstoffen van lagere kwaliteit (i.e. meer koolstofintensief en met een lagere energiedichtheid) te vervangen door brandstoffen met een hogere kwaliteit (i.e. minder koolstofintensief en met een hogere energiedichtheid). Dit toont de weg naar een versnelde vermindering in de toekomst. De transitie naar een wereld die aangedreven wordt door koolstofvrije energiebronnen vereist technologieën met een hoge energiedichtheid die opgeschaald kunnen worden tot in de tientallen terawatt om de groeiende economie te doen draaien.

Met de meeste vormen van hernieuwbare energie is dit helaas niet haalbaar. Biobrandstoffen en vele andere hernieuwbare energiebronnen zouden te veel land nodig hebben en een dusdanige milieu-impact dat wij betwijfelen of ze wel een weg kunnen vormen naar een koolstofvrije toekomst met een kleine voetafdruk.

Efficiënte zonnecellen gemaakt van veelvoorkomende materialen zijn hierop een uitzondering. Ze hebben de mogelijkheid om vele tientallen terawatts te produceren op een paar procent van het aardoppervlak. Hedendaagse technieken op het gebied van zonneenergie vereisen fundamentele innovaties om aan deze standaard te voldoen en vereisen de ontwikkeling van goedkope opslagtechnologieën die in staat zijn om op grote schaal een erg variabele energieproductie te ondervangen.

Kernsplijting is vandaag de dag de enige koolstofvrije technologie die effectief beantwoordt aan de meeste of zelfs aan alle energievereisten die een moderne economie stelt. En toch maakt een waaier aan sociale, economische en institutionele uitdagingen de inzet van hedendaagse nucleaire technologieën – op een schaal die nodig is om een significante beperking van de gevolgen van de klimaatverandering te verwezenlijken – onwaarschijnlijk. Een nieuwe generatie van nucleaire technologieën die veiliger en goedkoper zijn, blijkt nodig om kernenergie te brengen tot een punt waarop het zijn potentieel vervult als klimaatmatigende technologie.

Op lange termijn vertegenwoordigen zonne-energie (van de volgende generatie), geavanceerde kernsplijting en kernfusie de meest plausibele manieren om aan de gezamenlijke doelstellingen van klimaatstabilisatie en de radicale loskoppeling van mens en natuur te voldoen. Als de geschiedenis van energietransities een leidraad is, dan zal de overgang evenwel tijd vragen. Tijdens die transitie kunnen andere energiebronnen belangrijke sociale en ecologische voordelen bieden. Zo kunnen bijvoorbeeld waterkrachtcentrales een goedkope bron zijn van koolstofarme energie voor arme landen, zelfs als hun ecologische voetafdruk qua land- en watergebruik relatief groot is. Fossiele brandstoffen in combinatie met koolstofafvang en -opslag kunnen op een gelijkaardige manier voordelen bieden ten opzichte van fossiele brandstoffen of energie gewonnen uit biomassa.

Het ethische en pragmatische pad naar een eerlijke en duurzame globale energie-economie vraagt dat mensen zo snel mogelijk overschakelen op bronnen die goedkoop, proper, energiedicht en overvloedig aanwezig zijn. Zo’n weg heeft blijvende publieke steun nodig voor de ontwikkeling en toepassing van propere energietechnologieën. In een breder kader is deze publieke steun nodig voor wereldwijde modernisering en ontwikkeling.

5.

We schrijven dit document vanuit een warme liefde voor natuur en vanuit een nauwe emotionele band met de natuur. De natuur waarderen, ontdekken, proberen te begrijpen en te cultiveren is voor velen overweldigd. Zo leggen ze contact met hun diepere evolutionaire geschiedenis. Zelfs wanneer mensen de wilde natuur nooit direct ervaren, noemen ze het bestaan ervan belangrijk voor hun psychologisch en spiritueel welzijn.

Mensen zullen tot op zekere hoogte altijd materieel afhankelijk zijn van de natuur. Zelfs als een volledig synthetische wereld mogelijk zou blijken, dan nog zouden velen onder ons verkiezen om meer gekoppeld aan de natuur te leven dan dit technologich en voor hun levensonderhoud strikt noodzakelijk zou zijn. Ontkoppeling maakt echter wel mogelijk dat de menselijke materiële afhankelijkheid van de natuur minder destructief wordt.

Het pleidooi voor een actievere, bewustere en versnelde ontkoppeling is daarom meer gebaseerd op spirituele en esthetische motieven dan op materialistische of utilitaire. Huidige en toekomstige generaties zouden voorspoedig kunnen overleven met veel minder biodiversiteit en minder wilde natuur. Maar dat is niet een wereld die we willen, of een wereld die we moeten accepteren als mensen het ontkoppelingsproces omarmen.

Wat we hier natuur noemen, of zelfs wilde natuur, omvat landschappen, zeegezichten, biomen en ecosystemen die gedurende eeuwen en millennia regelmatig (en eerder wel dan niet) door menselijke invloeden veranderd werden. Wetenschappen gericht op natuurbehoud en de concepten van natuurbehoud, complexiteit en oorspronkelijkheid zijn nuttig, maar kunnen op zich niet bepalen welke landschappen te bewaren en hoe dit te doen.

In de meeste gevallen is er geen een enkel beginpunt van voor de periode van de menselijke veranderingen naar waar de natuur zou kunnen terugkeren. Pogingen om landschappen te herstellen naar een vroegere staat (van “oorspronkelijkheid”) kunnen de verwijdering inhouden van recent gearriveerde soorten (“invasieven”). Dat kan een netto reductie van de lokale biodiversiteit betekenen. In andere gevallen kunnen gemeenschappen beslissen om de oorspronkelijkheid op te offeren voor iets nieuws en voor biodiversiteit.

Uitdrukkelijke pogingen om landschappen te bewaren voor hun niet-utilitaire waarde zijn onvermijdelijk antropogene keuzes. En daarom zijn alle inspanningen tot instandhouding fundamenteel antropogeen. Het beschermen van de natuur is niet meer of minder een menselijke keuze in dienst van menselijke voorkeuren dan het platwalsen van die natuur. Mensen zullen wilde streken en landschappen beschermen door hun medeburgers ervan te overtuigen dat die plaatsen en de wezens die er rondwaren die bescherming waard zijn. Mensen kunnen kiezen voor enkele ecodiensten (zoals waterzuivering en bescherming tegen overstromingen) die voorzien worden door natuurlijke systemen (zoals bosrijke waterscheidingen, riffen, moerassen en watergebieden), zelfs wanneer die natuurlijke systemen duurder zijn dan de bouw van waterzuiveringsstations, zeeweringen en dijken. Maar eenvormige pasklare oplossingen zijn er niet.

Verschillende lokale, historische en culturele voorkeuren zullen de omgeving vormgeven. Terwijl we geloven dat het intensiveren van landbouw om land uit te sparen belangrijk is voor de natuurbescherming, erkennen we dat tal van gemeenschapen zullen blijven kiezen voor een “gedeeld” landgebruik om zo fauna en flora te beschermen binnen de landbouw eerder dan de gronden terug te geven aan de wilde natuur in de vorm van grasland, struikgewas of bos. Waar ontkoppeling de druk op landschappen en ecosystemen doet afnemen om tegemoet te komen aan menselijke basisbehoeften, moeten landeigenaars, gemeenschappen en regeringen nog steeds beslissen voor welke esthetisch of economisch doel ze het land willen gebruiken.

Versnelde ontkoppeling op zich zal niet genoeg zijn om voor meer wilde natuur te zorgen. Er moet nog steeds een beleid zijn voor de bescherming ervan en een natuurbeweging die meer wilde natuur eist om esthetische en spirituele redenen. Tegelijk met het ontkoppelen van de menselijke materiële behoeften vraagt een blijvend engagement om de wildernis, de biodiversiteit en een mozaïek aan mooie landschappen te beschermen de ontwikkeling van een diepere emotionele band ermee.

6.

Er is nood aan en een menselijke capaciteit voor een versnelde, actieve en bewuste ontkoppeling. Technologische vooruitgang is niet onvermijdelijk. De ontkoppeling van milieu-impact en economische output komt niet vanzelf tot stand uit marktgestuurde vernieuwing of een efficiënt antwoord op schaarste. De lange reeks menselijke aanpassingen aan de natuurlijke omgeving met behulp van technologie begon lang voor er iets bestond dat enige gelijkenis vertoonde met een markt of een prijssignaal. Door stijgende vraag, schaarste, inspiratie en serendipiteit zijn mensen de wereld al millennia lang aan het herschapen.

Technologische oplossingen voor milieuproblemen moeten ook binnen een bredere sociale, economische en politieke context beschouwd worden. We denken dat het onproductief is dat landen zoals Duitsland en Japan en staten zoals Californië installaties voor kernenergie sluiten. Zo maken ze hun energiesectoren terug koolstofrijker en koppelen ze hun economie opnieuw aan fossiele brandstoffen en biomassa. Anderzijds tonen deze voorbeelden duidelijk aan dat technologische keuzes niet bepaald worden door verre internationale organen, maar eerder door nationale en lokale instituten en cultuur.

Al te vaak wordt modernisering vereenzelvigd met kapitalisme, machtige bedrijven en laissez-faire-economie, zowel door de verdedigers als door de critici ervan. Wij verwerpen zulke vereenvoudigingen. Wat wij bedoelen met modernisering is de lange-termijnevolutie van sociale, economische, politieke en technologische maatregelen in menselijke gemeenschappen die het materiële welzijn, de volksgezondheid, de productiviteit van hulpbronnen, economische integratie, gedeelde infrastructuur en persoonlijke vrijheid fundamenteel verbeteren.

Modernisering bevrijdde steeds meer mensen van een leven vol armoede en harde labeur in de landbouw, bevrijdde vrouwen van een onderworpen positie, kinderen en etnische minderheden van onderdrukking en gemeenschappen van een grillig en willekeurig bestuur. Grotere productiviteit van hulpbronnen geassocieerd met moderne socio-technologische systemen bood leefgemeenschappen de mogelijkheid om aan menselijke noden tegemoet te komen met minder input van hulpbronnen en met minder impact op de natuur. Productievere economieën zijn rijkere economieën die beter in staat zijn om menselijke noden te ledigen. Grotere delen van hun economische surplus kunnen besteed worden aan niet-economische voorzieningen, zoals een betere menselijke gezondheid, grotere menselijke vrijheden en kansen, kunsten, cultuur en de bescherming van de natuur.

Moderniseringsprocessen zijn verre van volledig, zelfs in geavanceerde en hoogontwikkelde economieën. De consumptie van materiaal heeft nog maar net een hoogtepunt bereikt in de rijkste samenlevingen. Het ontkoppelen van menselijk welzijn en milieu-impact vereist een doorgedreven engagement voor technologische vooruitgang en de voortdurende evolutie van sociale, economische en politieke instituten.

Versnelde technologische vooruitgang vergt een actieve, assertieve en agressieve deelname van privéondernemers, de markten, de civiele samenleving en de staat. We verwerpen de misvatting van de planeconomie van de jaren 1950 maar geloven in een sterke rol voor de overheid voor de aanpak van milieuproblemen en voor de versnelling van technologische innovatie. Ook zien we een sterke overheidsrol bij onderzoek naar betere technologieën, subsidies en andere maatregelen om deze innovaties op de markt te krijgen en voor de ontwikkeling van regelgeving om gevaren voor het milieu te beperken. Verder is een internationale samenwerking bij technologische innovatie en technologieoverdracht essentieel in de landbouw- en energiesector.

7.

Wij bieden dit manifest aan in de overtuiging dat menselijke voorspoed én een ecologisch bruisende planeet niet alleen mogelijk zijn, maar dat ze ook onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Wij geloven dat zo’n toekomst mogelijk is door ons te verbinden aan reële processen die al gestart zijn met het loskoppelen van menselijk welzijn en de vernieling van het milieu. Wij omarmen dan ook een optimistische visie op het menselijk kunnen en de toekomst.

Wij hopen dat dit document zal bijdragen aan een verbetering van de kwaliteit en de teneur van de dialoog over milieubescherming in de 21ste eeuw. Al te vaak worden discussies over het milieu gedomineerd door extremen en geplaagd door dogmatisme. Zij werken onverdraagzaamheid in de hand. Wij hechten een grote waarde aan de liberale principes van democratie, verdraagzaamheid en pluralisme en beschouwen deze principes als sleutelelementen in het bereiken van een groots Antropoceen. We hopen dat deze verklaring een stap vooruit is in de dialoog over hoe we universele menselijke waardigheid kunnen bereiken op een biodiverse en bruisende planeet.

 

Vertaald door Frank Verhoft en Bart Coenen.

I <3 spirituele beurzen (Earth & Beyond IV)

Dit artikel verscheen in Wonder en is gheen wonder (herfst 2017) en is een herwerking van enkele blogartikels die hier eerder verschenen.

* * *

Ik hartje spirituele beurzen. Je moet er kritisch nadenken en je kan er heel wat mensen ontmoeten, meer dan tijdens een skeptisch congres. En het is uiteraard een primaire bron van informatie voor een skepticus. Hoewel ik hen misschien iets te graag bekritiseer, ben ik nog niet zo goed thuis in de wereld van de kleinhandelaars in het esoterische en het paranormale. Anderzijds wil ik op de hoogte blijven van nieuwe alternatief-spiritueel-medische hulpmiddelen en van plotwendingen in het steeds uitdijende parallelle universum der samenzweringstheorieën, die onlosmakelijk met de esoterisch-paranormale belevingswereld verbonden lijken te zijn.

Het leek mij dan ook een goed idee om op zaterdag 17 juni heel vroeg de trein te nemen richting Houten, bij Utrecht, waar de spirituele beurs Earth & Beyond IV zou plaatsvinden. Het evenement gaat over “bewustzijn, buitenaards contact, wetenschap en spiritualiteit, transformatie, archeologische (on) waarheden, financiële zaken, dimensies en (inter)dimensioneel contact, ufo’s, het universum en over gezondheid en genezing. Aardse en hemelse zaken dus!”, aldus de website. De agenda van de beurs belooft tal van lezingen, seminars en standen waar het kruim van de Nederlandse alternatieve scène het beste van zichzelf zou geven.(1) Mijn agenda vermeldt daarnaast ook nog een ontmoeting met enkele zeer fijne heerschappen van de Nederlandse Stichting Skepsis.

Een drietal stationskoffies verder vraag ik me geeuwend af waarom zulke groots opgezette paranormale beurzen wel in Nederland gehouden worden en niet in Vlaanderen. De laatste jaren wordt ons landje overspoeld door kleinere beurzen voor liefhebbers van het paranormale en esoterische, steevast georganiseerd door het Vlaamse bedrijf Para-Astro. En hoe universeel en kosmisch de claims van sommige aanwezige mediums en standhouders ook zijn, deze beurzen blinken vooral uit in kleinschaligheid én benepenheid.

Van stargates tot spirituele happy endings

Mijn trein- en busrit eindigen nabij een weinig inspirerend congresgebouw in een grijze kmo-zone. Eenmaal de typische cafetariageuren voorbij, zijn het reukkaarsen en wierrookstokjes die mijn sinussen prikkelen. De eerste beursruimte staat tjokvol tafels en banners en overal liggen luxueuze folders in vierkleurendruk. Het publiek is ondanks het vroege uur vrij talrijk aanwezig en er heerst een gezellige drukte. Harpmuziek vult de zaal.

Onder de koopwaar zie ik zeer mooie kristallen, veel boeken en hier een daar een tafel waar druk op gereiki’d wordt. Ik merk ook een koperen constructie op. Het blijkt te gaan om een Stargate, “één van de meest geavanceerde technieken in deze tijd om een snelle en grote groei in het bewustzijn van de mensheid te bewerkstelligen”. Verder ook heel veel informatie over cursussen die zich vooral ergens beyond lijken te situeren, eerder dan op earth. De tweede, kleinere ruimte fungeert dan weer als paranormale peeskamer waarin klanten worden gelezen met pendel, tarotkaarten of stralende elektronica en naar een spirituele happy ending worden gevoerd.

De drijvende kracht achter Earth & Beyond is Frans Heslinga. Op enkele jaren tijd is hij erin geslaagd om zijn paranormale beurs uit te bouwen tot Nederlands grootste, met een zestigtal standhouders in de lobby’s en tientallen lezingen en workshops in vijf conferentiezalen. Heslinga heb ik vorig jaar uitgebreid geportretteerd naar aanleiding van de European Flat Earth Conference.(2) Ook deze keer haalde hij in zijn openingstoespraak aan dat alles wat ons is aangeleerd, fout en vals blijkt te zijn. De Nieuwe Wereldorde, geholpen door grootbankiers, reductionistische wetenschappers, schimmige vrijmetselaars en de onvermijdbare joden, heeft er baat bij ons te misleiden. Vandaar zijn oproep, nog maar eens, om vooral zelf op onderzoek uit te gaan en spiritueel te evolueren van lichtwerkers naar energiewezens.

“Dat zijn de feiten, als we ze even aannemen en zo”

De eerste lezing die ik bezoek, wordt verzorgd door Gerard Aartsen (1957). Hij stelt zichzelf voor als een onderzoeker en docent uit Amsterdam die al zijn hele leven de leringen van de Oude Wijsheid bestudeert. Met zijn sessie “Buitenaardsen. Wat doen ze hier?” wil Aartsen zijn toehoorders inzage bieden in hoe hij informatie over ufo’s en aliens kritisch benadert. Voor Aartsen zijn twee zaken echter niet bediscussieerbaar: (1) er zijn positieve contacten met buitenaardsen en (2) machtige organisaties proberen de aliens en hun bedoelingen in een kwaad daglicht te stellen. Meteen al een serieuze domper op die beloofde kritische houding.

Aartsen beschouwt de informatie over contacten met ufo’s en buitenaardsen uit de vroege jaren 1950 als de meest authentieke. Auteurs als Desmond Leslie en George Adamski worden door hem op handen gedragen omdat ze puur zijn nog niet bezoedeld door de sensatiepers of door de negatieve invloeden vanwege de regeringen die de ufo-verhalen proberen te verbergen of te manipuleren.(3,4) Tijdgenoten beschouwden Leslie en Adamski dan weer als bedriegers.(5) In hun boeken tekenden zij verhalen op van buitenaardsen die zich zorgen beginnen te maken over het menselijk gedrag op aarde. Niet alleen het gebruik van kernenergie en atoomwapens, maar ook de wereldwijde vervuiling, het menselijke egoïsme en de staatsinrichtingen gebaseerd op hebzucht houden de gemiddelde E.T. uit zijn kosmische slaap. “Dat zijn de feiten, als we ze even aannemen en zo”, aldus Aartsen.

“Bemint elkander”

Net als zijn grote voorbeelden uit de jaren 1950 lardeert Aartsen zijn discours met referenties naar (theosofische) “wijsheidsleringen” van onder andere H.P. Blavatsky en Alice Bailey. Hij vermeldt ook nog “rationele wetenschappers” à la Semyon Kirlian en Rupert Sheldrake. De eerste is gekend omwille van zijn pseudowetenschappelijke aurafotografie en Sheldrake is de annalen van de wetenschap uit- en die van de pseudowetenschap ingegaan als bedenker van morfogenetische velden.

Aartsen loopt onmiskenbaar over van de goede bedoelingen, maar helaas levert zijn lezing weinig meer op dan de kinderlijk naïeve boodschap op het einde van De Snorrende Snor, een album in de reeks Suske en Wiske, waarin een ufo en geheimzinnige robots de hoofdrol spelen: “Bemint elkander”. Zijn uitleg blijft steken bij een goedmenende E.T. en bij de dogmatische trekjes van een stel theosofen met vermeende kennis van het “fijnstoffige”. Hij beschrijft niet meer dan een vlucht in het etherische, ver weg van de dagdagelijkse politieke werkelijkheid met zijn scherpe randjes en pragmatische compromissen. En zijn hoop dat een spirituele evolutie de mensheid zou kunnen veranderen, lijkt mij louter een vorm van dilettantisch escapisme.

De vierde en vijfde dimensie

De tweede op het lijstje is medium Jaco Elken. Hij introduceert zichzelf als de oprichter van De Spirituele & Intuïtieve Academie en vertelt dat hij zich gespecialiseerd heeft in Paramedisch en Psychosociaal Mediumschap®. “Een hele mondvol”, zegt hij. “Ik heb het zelf verzonnen.” Zelf-relativerende humor, het is zeldzaam op een spirituele beurs.

Maak u evenwel geen illusies, veel ruimte voor optimisme is er niet. Al snel wordt duidelijk dat ook hier het komende uur de gebruikelijke paranormale en esoterische woordenbrij zal geserveerd worden. Maar het dient gezegd, Elken brengt het met een enthousiasmerende schwung.

Dankzij het mediumschap maakte hij kennis met een vierde en een vijfde dimensie, namelijk tijd en ruimte, en in die nieuwe dimensies ving hij raad, hulp en adviezen op van allerlei gidsen. Doorheen de lezing zal min of meer duidelijk worden dat de eerste drie dimensies (3D) voor hem gelijkstaan aan het gewone, materialistische, niet-spirituele leven van de doorsnee sheeple en non-believer.

We leven in een waanzinnige tijd waarin mensen steeds zieker worden, zeker in vergelijking met 100 jaar geleden, weet Elken. Dat mensen nu langer leven dan 100 jaar geleden, is een detail dat niet in het plaatje past en dat hij dus vrolijk negeert. Wat hij niet negeert is het lichaam, de geest en de ziel. De verbindingen daartussen zijn gebroken en we moeten ons deze drie-eenheid dringend weer eigen maken, opnieuw helen. Ons lichaam geeft signalen, maar we vangen ze niet altijd op. Verder bevat het aura of de geest restanten van een vorig leven en soms is het nuttig om ook die te raadplegen. Maar daarvoor is gespecialiseerde hulp nodig. Enter medium Jaco.

“Slijm is snot en snot is gestolde emotie”

De trilling is hoger dan vroeger, zodat er meer energieën vrijkomen. Over welke trilling of energie het precies gaat, is mij – als paranormale leek – niet meteen duidelijk. Maar energie betekent warmte, liefde, straling. Jaco Elken ziet het als zijn taak om die energieën aan te wenden om mensen te helpen genezen. Hij wil iedereen leren om de innerlijke zintuigen aan te wenden en zo ‘in-zicht’ te krijgen in de intuïties en in zowaar alle ziektes. Jawel, allemaal. Naast de energetische medische basiskennis van het lichaam is er ook zoiets als de psychosociale betekenis van de organen, gewrichten, klieren en andere lichaamsdelen, zo lees ik dan weer op de website. Elken voert een “[d]irecte communicatie met de ziel, het Hoger Zelf, het lichaamsbewustzijn en met ziektes en organen”, gebruikt “symbolistische taal […] van de betreffende ziektebeelden” en zet dat om in “bruikbare en begrijpbare taal”.

Elken vervolgt zijn sessie en put daarbij uit jarenlange ervaring. Astma, weet hij, is het gevolg van opgroeien in een te klein huis. De longen staan voor ruimte en die hebben dus danig geleden onder het plaatsgebrek. Een slijmbeursontsteking is, zoals de naam het al aangeeft, een probleem met slijm. Nu, slijm is snot en snot is gestolde emotie, en dus moeten de emotionele problemen eerst aangepakt worden. Problemen met de gal? Dan moet de patiënt gewoon zijn gal spuwen. Last van de schouders betekent, wel, u raadt het al – samen met de kirrende aanwezigen in de zaal die of zijn woordspelletjes doorhebben of enkele duurbetaalde lessen op zijn school hebben gevolgd – dat de patiënt een te grote last op zijn schouders draagt. Dit is dus het resultaat van “symbolistische taal” omzetten in “bruikbare en begrijpbare taal”. De germanist in mij wordt hier heel stil van.

De lijst van aandoeningen die hij claimt te kunnen genezen of bezweren, doet waarschijnlijk menig dokter met negen plus jaren opleiding achter de rug gillen: De diepere paramedische en psychosociale betekenis (te geven) van ziektebeelden, als: gewrichtspijnen, artritis en reuma. Astma en bronchitis. Gewrichtspijnen en de zin en onzin van chronische ziektebeelden. Hart, long, lever, gal en milt verstoringen [sic]. Kankers en tumoren. Huidziekten en andere allergieën. Hoofdpijnen en migraine. Ontstekingen, spierziekten, stress gerelateerde problematieken. Depressies en vermoeidheid. Stemmingswisselingen, borderline en schizofrenie. etcetra [sic].(6)

De ratelende Elken geeft een pracht van een show weg: hij is grappig en rad van tong. Ik kan hier niet weergeven hoe hij zijn publiek charmeert, hoe hij in cirkels rond het onderwerp lijkt te draaien, grollend en grappend, om dan op het juiste moment met ‘ernstige’ uitspraken tot de kern van de zaak te komen. Tot zover de verpakking. Wat de inhoud betreft: die stinkt. Zijn boodschap is – zoals die van de meeste kwakzalvers – rot, hufterig en antisociaal. Het is onbegrijpelijk dat zulk een woordenpatser zijn alternatief-medische praktijken kan uitvoeren én dat hij ze mag aanleren in een eigen school, met steun van de Nederlandse belastingbetaler. In het kaderstuk “Het paard zegt sorry” beschrijf ik enkele korte sessies waarin hij mensen met klachten en aandoeningen benaderde als medium.

Tussen deze sessies door, strooit Elken de obligate alt-med canards rond als waren het snoepjes: we worden vergiftigd door metalen in deodoranten, shampoos en vaccinaties, we krijgen huidkanker door zonnecrèmes, die dan weer gemaakt zijn door de kankerindustrie. De grens tussen alt-med en complotdenken is ook hier héél dun.

“Het gaat over mijn waarheid”

Over de lezing van Han Peeters (1959) kunnen we kort zijn. Peeters zegt dat hij geen literatuur schrijft, maar faction, fictie gebaseerd op speculaties gebaseerd op feiten. Tijdens Earth & Beyond presenteerde hij zijn dertiende boek in acht jaar tijd: Planet X. De boekvoorstelling begon met het eerste hoofdstuk van zijn audioversie en meteen verliet een kwart van het publiek de zaal. Neen, Han Peeters schrijft geen literatuur. Het eerste hoofdstuk is een aaneenrijging van houterige dialogen en pedante uitweidingen die evenveel literaire humpf hebben als een doorsnee tekst van de Druivelaar.

De man doet een amechtige poging om sprookjesverhalen à la Zecharia Sitchin over een destructieve Planeet X te verbinden met zowat elke complottheorie die we de laatste 10 jaar gehoord hebben. En dat stelt hem dan weer in staat om van apocalypspornografie over te schakelen naar saaie complotfantasieën.

Wél vermeldenswaardig was zijn uitleg over de ontsnapping van Marc Dutroux in 1998 en zijn vlucht naar een domein beheerd door chemiereus Solvay, die, geheel tussen haakjes, gigantische hoeveelheden zoutzuur produceren, “wat heel handig is als je vijanden wil laten verdwijnen”. Tot zover Han Peeters en zijn geheel overbodige waarheid.

“Wat daarboven gebeurt, weerspiegelt wat er in mijn hoofd gebeurt”

“Men wil tekorten creëren.” “Monsanto heeft zaden ontwikkeld voor aluminiumrijke grond.” “Ze trekken onze energie naar beneden.” Aan het woord zijn Miranda Slob en Kees van de Water van ilovechemtrails.org, reïncarnatietherapeut Cor van der Horst, maker van chembusters Monique Calis en Gijs Verbeek van wearechange.nl. We zitten in een conferentiezaal en kunnen aan dit panel van experten alle vragen en opmerkingen kwijt over chemtrails, de witte sporen achter een vliegtuig die volgens heel wat complotdenkers vol zitten met giftige metalen zoals barium, aluminium en cadmium. Ook organisch materiaal, vooral ziekteverwekkers, of actieve nanopartikels zouden ermee uitgestrooid worden over nietsvermoedende burgers.

De gevolgen van de chemtrails zijn volgens hen niet min: vergiftiging, dementie, alzheimer, sinusinfecties, verschillende kankers, metaalsmaak in de mond, brandende longen, brainfog, ph-verandering en morgellons. Dat laatste is een ingebeelde huidaandoening waarbij men ervan overtuigd is dat er zich (parasitaire) vezels nestelen in wonden. Het is verder ook niet toevallig dat de chemtrails op ons worden losgelaten bij zonsopgang en zonsondergang. Dat zijn namelijk de beste momenten om aan sun-gazing te doen, aldus Gijs Verbeek, die er duidelijk zin in heeft. In de spiritueel-alternatieve folklore is staren naar de zon heilzaam.

Van Gijs, ex-leraar biologie die momenteel onderwijzers opleidt aan een hogeschool, leer ik verder dat het sproeien ook gebeurt via additieven in de brandstof van gewone, civiele lijnvliegtuigen. En omdat luchtvaartmaatschappijen betaald worden om met zo’n gepimpte brandstof te vliegen, kunnen ze de prijzen voor hun klanten laag houden. Het begrip ‘moordende concurrentie’ krijgt zo plots een heel andere betekenis. Wat ik niet leer van hem is hoe hij weet dat ook ufo’s ingezet worden.

“De vijand is zo machtig en de middelen zo perfide, dat we ervoor gekozen hebben om dit alles met liefde te benaderen, de situatie met liefde te aanvaarden én met liefde te overwinnen.” Aan het woord zijn Miranda Slob en Kees van de Water van ilovechemtrails.org. Maar totdat het zover is, legt Kees strijdlustig uit dat HAARP mee in de cabal zit en dat de actieve nanobots in combinatie met de nog te implementeren 5G en het Internet of Things voor een volledige mindcontrol zullen zorgen. “Wat daarboven gebeurt”, zegt Kees van de Water gewichtig, “weerspiegelt wat er in mijn hoofd gebeurt.” Wie ben ik om dat tegen te spreken? Hun informatie is trouwens gebaseerd op het denkwerk van Peter Vereecke, Vlaanderens meest vooraanstaande complotdenker.

De farmaceutische industrie en het even machtige Monsanto scheppen bak-ken poen met de aanmaak en verspreiding van chemtrails, maar gelukkig kunnen wij ons ertegen beschermen met chembusters, aldus Monique Calis, ontwerpster en verkoopster van chembusters. Prompt tovert ze twee verschillende modellen tevoorschijn, eentje in zakformaat en een tafelmodel. Het kleintje is handig en “je kan hem altijd meenemen. Ik heb ‘em altijd bij me”. Met haar werktuigen gaat ze in het verweer tegen chemtrails. Soms met succes, soms zonder. Hoe het werkt, begrijpt ze niet helemaal, maar ze is wel een fan van Tesla en het heeft iets te maken met vrije energie. De vakterm ‘energietikkeling’ moet maar volstaan.

Ondertussen begint er ook damp uit mijn oren te komen. Gelukkig heb ik dan al de mensen van Stichting Skepsis gevonden. Zonder hen zou ik het congresgebouw verlaten hebben. Hun relativerende humor en hun geduld geven me terug zin om langer te blijven rondhangen en nog een lezing of wat te ondergaan. Ik vond het bewonderenswaardig hoe zij hun cool wél konden bewaren en af en toe leukweg aan de discussies deelnamen. Via hen verneem ik tal van details die ik als Belg ver van huis nooit zou kunnen achterhalen. Hun sappige verslagen van overlappende lezingen doen mij vermoeden dat ik behalve heel wat halfbakken spirituele en paranormale nonsens, niets belangrijks gemist heb.

De Blije B en de Lijpe J

Op naar het volgende dus, iets over geld en de haaien van de bankwereld. “We moeten een beweging vormen. We moeten elkaar weer durven te omarmen”, zegt de wervende stem in het reclamefilmpje. Ronald Bernard mocht tijdens de beurs zijn Blije B voorstellen, “een burgerinitiatief van professionals, die een duurzame coöperatieve fair-trade pro-life volreserve spaar- en investeringsbank oprichten”, en ik spiek hier even op de website. Het is een burgerbeweging, een bank “in oprichting”: Door mee te doen, realiseren wij een rechtvaardige samenleving gebaseerd op welvaart. Voor ons, voor onze kinderen en de toekomst van de aarde. Wij zijn zelf de verandering. Doe jij mee?

Voor u meedoet met deze beweging, toch nog even dit. Tijdens zijn lezing projecteerde Ronald B Blij, zoals hij zich voorstelt op Facebook, een dia waarin hij de precaire situatie in de (bank) wereld verklaart met een overduidelijke verwijzing naar De Protocollen van de Wijzen van Sion. Het zou ondertussen toch algemeen geweten mogen zijn dat dit een verachtelijk werkje is dat uit de koker komt van een bende Jodenhaters die het gebruikten om hun antisemitische ideeën te verantwoorden. Reeds in 1921 werd afdoende aangetoond dat dit schrijfsel, naast plagiaat, ook nog eens een verzinsel was, en nee, geen verslag van een samenkomst waarbij enkele Joodse Ouderen een nieuwe wereldorde bedisselden. Grootindustrieel en notoire antisemiet Henri Ford liet het boekje vertalen en verspreidde zo’n half miljoen kopieën van het gedrocht. In nazi-Duitsland werd het eveneens gebruikt als propagandamiddel vanaf 1933. Voor Adolf Hitler, die het al besprak in Mein Kampf, waren de Protocollen een deel van de rechtvaardiging voor de Jodenvervolging.

Dat het topos van de lijpe Joodse bankier in de Facebookgroep van de Blije B af en toe opgerakeld wordt, daar kan de Blije B strikt genomen niet veel aan doen. En ja, ik ben héél mild: uiteraard kan de paginabeheerder dat soort racistische idioterieën van de wall verwijderen. Maar dat de oprichter zélf nog wat antisemitische kolen op het vuur gooit tijdens een lezing op een spirituele beurs, maakt dat de Blije B een ranzig kantje krijgt. Een beweging vormen? Door ons en voor ons? Met deze antisemitische prietpraat als reden waarom het zo slecht gaat in de (bank)wereld? Of gaan we voor het Blije Bełżec? Ik ben trouwens benieuwd wat het kernbestuur en de Raad van Aanbeveling van de Blije B vinden van dit soort antisemitisch geraaskal.

En hier eindigde voor mij de vierde Earth & Beyond, het grootste bewustzijnsevenement boven de Grote Rivieren. Ik vraag aan de Nederlandse skeptici hoe het zou komen dat zulke groots opgezette beurzen in Nederland gehouden worden en niet in Vlaanderen. We verzinnen een paar ad-hocantwoorden, maar terug thuis lees ik dat het al bij al een kwestie van seizoenen blijkt te zijn. In september organiseert het Vlaamse Para-Astro namelijk een groots evenement in hartje Kempen. Mijn ticket is al besteld.

Met heel veel dank aan Jan, Rob, Ron en Maarten van de Stichting Skepsis. En aan Mathijs, misschien geen Skepsis-lid in hart en nieren, maar zeker wel in de lachspieren. Bedankt voor de leuke dag!

 

(1) Elders op mijn blog heb ik de verschillende lezingen in groter detail beschreven.

(2) Zie “Plat of hol? Een scepticus bezoekt een internationale platte-aardeconferentie” in Wonder en is gheen Wonder, herfstnummer 2016.

(3) Hun boek Flying Saucers Have Landed (1953) kan gedownload worden via http://www.universepeople.com/english/svetelna_knihovna/en_flying_saucers_have_landed.htm.

(4) In vorige Wonder en is gheen Wonder, zomernummer 2017, verscheen het artikel “Bizarre buitenaardse bezoekers Geschiedenis van de buitenaardse ufohypothese” van Tim Trachet waarin de aanname van Aartsen meteen neergehaald wordt.

(5) Stefan Ketelaar schreef het vermakelijke artikel “Gezant van Venus. Koninklijke ontvangt voor een fantast”, een verslag van Adamski’s bezoek aan koningin Juliana in 1959. In Skepter 17.3 (2003), elektronisch raadpleegbaar via https://skepsis.nl/adamski/.

(6) Paramedisch & Psychosociaal Mediumschap, http://www.despiritueleacademie.nl/index.php/2013-11-09-11-36-24/paramedisch-psychosociaalmediumschap.html. Geraadpleegd op 9 juli 2017.