Filip Van Beurden: 200 jaar homeopathie

Leuk nieuws: van skeptische buddy Filip Van Beurden verschijnt vandaag 200 jaar homeopathie. Een onverdund kritische bespreking. Het is ondertussen nummer vier in de skeptische reeks van inleidende, kritische boeken, een samenwerking tussen SKEPP en Academic and Scientific Publishers (ASP), gecoördineerd door Johan Braeckman.

Auteur Filip Van Beurden (geb. 1968) is ingenieur elektromechanica, heeft een grote interesse in organische chemie en is reeds jaren actief lid van SKEPP. Samen schuimen we al eens een spirituele beurs af, op zoek naar genezende kristallen, heilzaam engelenwater en vlotpratende mediums.

In een luttel aantal bladzijden weet Filip Van Beurden op een vrij objectieve maar kritische wijze homeopathie uit de doeken te doen, waarbij hij ook de populaire misverstanden over deze vorm van alternatieve geneeskunde haarfijn uitlegt, inclusief misverstanden die vaak net door fervente aanhangers worden gedebiteerd. Van Beurden bespreekt verder de geschiedenis, de basisprincipes en de huidige homeopathische industrie en stelt daar de huidige stand van de wetenschap tegenover. Ook de Europese regelgeving wordt onder de loep gehouden.

200 jaar homeopathie is een vlotgeschreven boekje dat net omwille van zijn compactheid niet mag ontbreken in de bibliotheek van een kritische denker. Van Beurden wil niet zozeer de confrontatie aangaan, dan wel zo correct mogelijke, verifieerbare informatie aanreiken. En dat maakt het eveneens tot een uitstekend cadeau voor liefhebbers van homeopathie.

Studiedag: de magie van het kritische denken (29 september 2018)

Interessante studiedag over kritisch denken.

* * *

Inhoud en opzet

Hoewel de menselijke soort onbetwistbaar intelligent is, valt evenmin te ontkennen dat we bijzonder kwetsbaar zijn voor irrationalisme. Ook in de 21ste eeuw, ondanks de aantoonbare betrouwbaarheid van de wetenschappelijke methodes, blijven talloos veel mensen geloof hechten aan pseudowetenschap, bijgeloof, complottheorieën en dergelijke meer. De voorbije jaren verschenen diverse publicaties waarin wordt uiteengezet hoe we ons kritisch denken, of onze cognitieve weerbaarheid tegen irrationalisme, kunnen verbeteren.

Deze studiedag wil hiertoe haar steentje bijdragen, vanuit de invalshoek van de goochelkunst, het illusionisme en mentalisme. Goochelaars en illusionisten slagen er dankzij diverse technieken in om ons te misleiden, zelfs om de indruk te wekken dat er bovennatuurlijke krachten aan het werk zijn. Al te vaak gaan ook intelligente, zelfs wetenschappelijk geschoolde mensen verklaringen zoeken voor de performances van illusionisten of mentalisten die volkomen onkritisch zijn. Goochelaars weten onze cognitief kwetsbare plekken te vinden. Ze kennen de zwaktes van onze zintuigen en ons geheugen, en ze weten op welke diverse manieren ze onze zoektocht naar verklaringen de mist kunnen insturen. Tijdens de studiedag wordt dit alles zowel theoretisch als praktisch geïllustreerd, op wetenschappelijk verantwoorde maar ook entertainende wijze.

Programma

09.30 u: ontvangst met koffie
10.00 u: lezing door Johan Braeckman: Illusionisme en kritisch denken: een natuurlijk verbond
10.45 u: lezing door Filip Van Beurden: Illusionisme als wetsteen voor het denken
11.30 u: lezing door Thomas Weynants: Over magische media
12.15 u: lunch & optreden mentalist Tayson Peeters
13.30 u: lezing door Het Illuseum: Psychologie achter de truc
14.30 u: koffie
15.00 u: lezing door Dirk Minnebo: Geloof je eigen oren (niet). Over akoestische illusies
16.00 u: slotwoord door Jan De Maeyer
16.15 u: receptie

Praktisch

Deze studiedag wordt u aangeboden tegen de prijs van 50 euro. Stort dit bedrag op het nummer BE54 0017 5343 9997 van ZOMERSCHOOL KD met vermelding: ‘magie + uw e-mailadres’. Na storting van het bedrag is u ingeschreven. In de prijs is begrepen de inschrijving en het bijwonen van de studiedag, koffie en lunch.

Locatie

De Corridor Wetteren
Olmenlaan (ter hoogte van de Massemsesteenweg 19, Wetteren).

Organisatie

De Corridor en Denkpalet i.s.m. SKEPP en de humanistische denktank Kwintessens.

Reserveer uw plaats

Deze studiedag wordt u aangeboden tegen de prijs van 50 euro. Stort dit bedrag op het nummer

BE54 0017 5343 9997
van ZOMERSCHOOL KD

met vermelding: ‘magie + uw e-mailadres’ Na storting van het bedrag is u ingeschreven.

In de prijs is begrepen de inschrijving en het bijwonen van de studiedag, koffie en lunch.
Het aantal deelnemers is beperkt tot vijftig.

De reden waarom u uw e-mailadres dient te vermelden is dat wij u moeten kunnen contacteren indien u inschrijft en niet behoort tot de eerste 50 ingeschrevenen. We plaatsen u dan eerst op een reservelijst (in volgorde van storting) en laten u tijdig weten bij eventuele afzegging van één of meerdere eerste 50-ingeschrevenen dat u alsnog kan deelnemen. Na betaling krijgt u via mail een bevestiging dat u ingeschreven bent en ook dat u betaald hebt.

Complotten, doofpotten en een handvol luidruchtige zotten: Vermeeren vs. Boudry over 9/11

Volgend artikel van Brecht Decoene en mij verscheen in De Geus van mei 2018, het blad van de vrijzinnig humanisten van Gent en omstreken.

* * *

Op woensdag 20 maart 2018 vond in in de gebouwen van de Ugent een debat over de aanslagen van 11 september 2001 plaats tussen wetenschapsfilosoof Maarten Boudry en de Nederlandse ingenieur Coen Vermeeren. De organisatie was in handen van Peter Vereecke, ex-CD&V-burgemeester van Evergem en Vlaanderens bekendste complotdenker. Moderator van dienst, nu ja, was Rob Vanoudenhoven.

Maarten Boudry was tot voor kort verbonden aan de Ugent en is momenteel zelfstandig filosoof-schrijver. Samen met Johan Braeckman schreef hij De ongelovige Thomas heeft een punt. Een handleiding voor kritisch denken (2011) waarin ze onder meer op zoek gingen naar mogelijke verklaringen voor het immer populairder wordende complotdenken. Coen Vermeeren was tot 2012 docent Materialen, Productietechnieken en Constructies aan de Technische Universiteit van Delft en later hoofd van de Studium Generale aldaar. In 2017 verliet hij Delft en verkaste naar Breda. Vermeeren schreef het boek 9/11 is gewoon een complot (2016) en lijkt zich de laatste jaren aan steeds woestere complottheorieën te wagen. Hoogstwaarschijnlijk maakte dat zijn positie aan de TU Delft onhoudbaar.

De keuze om al dan niet een inhoudelijke confrontatie aan te gaan met complotdenkers, of creationisten, negationisten, aanhangers van alternatieve geneeskunde en aanverwanten, mondt hoe dan ook uit in een dilemma. Enerzijds zou een weigering om in discussie te treden aantonen dat bepaalde afwijkende ideeën te gevaarlijk of te bedreigend zouden zijn voor de academische wereld, voor de gevestigde orde. De vrije meningsuiting zou beknot worden en men lijkt de (waan)gedachte te bevestigen dat er iets te verbergen valt. Indien men daarentegen toch de handschoen opneemt, verleent men voorstanders van pseudowetenschappen een vorm van geloofwaardigheid waarnaar ze zo hard snakken.

En dat besefte de organisator van het 9/11-debat zeer goed: de grote winnaar van het debat was niet “de waarheid”, zoals een al te pompeuze Peter Vereecke zichzelf en zijn publiek probeerde wijs te maken, maar Peter Vereecke zelf. Hij heeft er per slot van rekening voor gezorgd dat “de moeder aller aanslagen” werd “besproken door twee universitaire experts”, zoals hij triomfantelijk meldde in zijn nieuwsbrieven voor en na. En dat voor een zo goed als eigen publiek in de universiteitsgebouwen: double whammy. Dat u en ik morgen ook een debat kunnen laten doorgaan in diezelfde gebouwen over het seksleven van tuinkabouters, het geheugen van water of bijna eender welk onderwerp naar keuze is een detail dat in deze context gemakshalve achterwege wordt gelaten. De huur van een universiteitsaula is een logistieke aangelegenheid, geen academische. De inhoud van het evenement wordt principieel zo weinig mogelijk beoordeeld door de Ugent.

Maarten Boudry besefte wel degelijk de hieraan verbonden nadelen en daarom kwam hij af met een beter idee. Als er niet veel te winnen valt in een debat met een complotdenker, omdat deze toch eerder via retorische trucs op de emoties van het publiek inspeelt dan op wetenschappelijke bevindingen, dan moet de winst op een ander gebied gezocht worden. Boudry vroeg aan de organisator een dubbele gage en stortte dat meteen door naar een goed doel, namelijk Against Malaria Foundation, een organisatie die binnen de Effective Altruism-beweging als één van de meest efficiënte in zijn soort wordt beschouwd. Op die manier worden honderden kinderen geholpen.

Coen Vermeeren koos eveneens een goed doel uit: de Studium Generale Breda, opgericht door een stichting die voorgezeten wordt door Vermeeren zelf. Dat men naar aanleiding van een lezing of debat een gage vraagt, is niet meer dan normaal. Sprekers mogen, moeten verloond worden. Dat men zichzelf daarvoor in een goed doel vermomt als een SG met opnieuw heel wat complotdenkers op het programma, dat is deugnieterij.

Over de eerste ronde van de avond, de m presentaties, kunnen we kort zijn: Boudry gaf eerst een lezing Over 9/11 Truthers en andere complotdenkers. De begeleidende PowerPoint-presentatie zette hij online. We onthielden vooral zijn recept om zelf een complottheorie te ontwikkelen en de drie voorspellingen waarmee hij zijn lezing samenvatte. Ten eerste zou zijn tegenstander die avond zich beperken tot het zeer selectief uitkiezen van echte en schijnbare eigenaardigheden, ten tweede zou Vermeeren zich verbergen achter zogezegd kritische vragen en tot slot zou hij het nalaten een valabele tegentheorie te formuleren, ondanks het feit dat we ondertussen zeventien jaar verder zijn en dat er duizenden zelfverklaarde “onafhankelijke onderzoekers” actief zijn in de beweging van de zogenaamde 9/11 Truthers.

Vermeeren van zijn kant toonde zich in zijn presentatie erg kritisch tegenover de officiële versie, pikte anomalieën uit de rapporten, stelde kritische vragen, en – u raadt het – slaagde er niet in om een stevige theorie neer te poten die zou kunnen concurreren met de officiële.

Vermeeren biechtte bij aanvang op dat dit zijn eerste debat was, aangezien niemand het aandurft. Volgens hem was Maarten dus heel moedig. Deze vreemde en stoere opening ging gepaard met een licht bevende stem. Ook op andere momenten gaf de gewoonlijk lichtjes arrogante Coen een tamelijk nerveuze indruk. Hoewel, na het prijzen van Maarten volgde enkel nog misprijzen. “Dit zijn dingen die ze niet begrijpen als ze geen ingenieur zijn. Dat kan ik ze niet kwalijk nemen.” Of “Wat er die dag gebeurde, is vreemd. Nogmaals, je kan heel moeilijk met wetenschapsfilosofen over instortende gebouwen praten.” Wanneer Maarten zijn redenering aan het opbouwen is: “Hoe lang moeten we hier nog naar luisteren? Zijn punt is al duidelijk.” Waarom ingaan op de uitnodiging van Peter Vereecke, maar dit denigrerend inzetten als argument tegen Maarten Boudry? Dat ontglipt ons.

Boudry eindigde zijn betoog met de vraag welk mogelijk bewijs Vermeeren zou kunnen overtuigen van zijn ongelijk, een verwijzing naar het inzicht van wetenschapsfilosoof Karl Popper die stelde dat elke (wetenschappelijke) overtuiging open moet staan voor mogelijke weerleggingen. Met andere woorden, men zou zélf voorwaarden kunnen aangeven of een situatie bedenken waarbij de eigen overtuiging onder vuur komt te liggen of zelfs opgegeven dient te worden. Een theorie die hier niet kan aan voldoen, die dus niet falsifieerbaar is, is dan juist noch fout. Anders gezegd, men kan er geen zinnige uitspraken over doen.

Boudry gaf zelf enkele voorbeelden. Zo zou hij ernstig overwegen dat er iets grondig fout zit, indien een groot aantal mensen en terroristen die in die vliegtuigen hadden moeten zitten, plots te voorschijn zouden komen. Of indien iemand van de legerleiding met een stapel officiële verslagen komt aandraven die een weergave geven van wat er besproken werd tijdens de bijeenkomsten. Of stukken bedrading van het ontstekingsmechanisme van de controlled demolition. Maar wat zou Coen Vermeeren van gedachten kunnen doen veranderen? Hij bleef de zaal een afdoend antwoord schuldig.

Het eigenlijke debat nadien werd gevoerd aan de hand van vragen uit het talrijk opgekomen publiek, dat voor het grootste deel bestond uit supporters van Team Vereecke/Vermeeren en dat zich opmerkelijk rumoerig en zelfs ronduit agressief gedroeg wanneer Maarten Boudry aan het woord was. Onder de vele zogenaamde waarheidszoekers en supporters van Vermeeren leek de gedachte dat 9/11 wel eens geen inside job zou zijn geweest ondenkbaar én onverdraaglijk. Hun korte lontjes dreigden meermaals het debat op te blazen. Ongecontroleerd. De moderator leek het ondertussen nodig te vinden om zijn tergend gebrek aan ervaring te moeten compenseren met tooghumor, onderbroekenlol en absurde oneliners waarmee hij schijnbaar op het debat inpikte. Hij kreeg er de reeds luidruchtige lachers mee op de hand, dat wel, maar zijn schamele tussenkomsten waren niet bepaald een meerwaarde en kalmeerden de zaal veel te weinig.

Hoewel Coen Vermeeren in het begin van het debat Maarten Boudry bedankte om met hem discussiëren, liet Vermeeren meermaals vallen dat hij liever met een vakgenoot, een ingenieur dus, van gedachten zou wisselen en dat een wetenschapsfilosoof hem te min was, met al “die psychologie en zo”. Als we de giftige angel uit zijn sneer halen, dan kunnen we ons inderdaad afvragen waarom organisator Vereecke geen technisch gekwalificeerde tegenstander heeft uitgenodigd, een architect of een ingenieur met expertise in onder andere hoogbouw, wat Vermeeren trouwens ook niet heeft. Ons lijkt het eerder een zeer evidente kwestie van naamsbekendheid: de naam Boudry lokt waarschijnlijk meer mensen naar een universiteitsaula dan eender welke bouwkundige. Misschien een gemiste kans.

Coen Vermeeren daarentegen haalde maar al te graag aan dat er bijna 3000 ingenieurs zijn, broeders en zusters in de bouwkunde, die het officiële verhaal betwisten, de zogenaamde Architects & Engineers for 9/11 Truth. Maar dat lijkt ons een populistische drogreden: niet het schijnbaar grote aantal experts op zich is voldoende om het eigen en dus grote gelijk aan te tonen. Belangrijker dan de kwantiteit is de kwaliteit van de bewijsvoering en de argumentatie. Zo stelde Maarten Boudry dat men op het wereldwijde web met het grootste gemak 3000 biologen kan vinden die de evolutietheorie in twijfel trekken of 3000 al dan niet zelfverklaarde experts die hetzelfde doen op het gebied van de klimaatverandering.

Hoewel het argument van de 3000 experts niet echt geldig was, kunnen we evenwel niet onvermeld laten dat er zich in die groep van bouwkundige experts, die Vermeeren zo gretig naar voren bracht, onder meer theologen bevinden (met expertise in de bouwkundige aspecten van de vernietiging van die toren te Babel?), docenten religieuze studies (o.a. ene Graeme MacQueen) en landschapsarchitecten (zoals Sarah Chaplin, die zich bezighoudt met feministische visuele cultuur). Een grondige screening van de groep Architects & Engineers for 9/11 Truth, eveneens dankzij het internet, toont aan dat slechts een vijftigtal mensen voldoende deskundigheid hebben. Dat is één zestigste van 3000 en dus andere koek. Het mogelijke tegenargument dat er honderdduizenden ingenieurs zijn die het officiële verhaal wél bevestigen, heeft op zich eveneens geen meerwaarde. Het toont enkel aan dat zulke populistische schijnargumenten geen plaats verdienen in een ernstig debat.

Maar ons leek dat er al bij al niet heel veel bouwkundige uitleg nodig was om Vermeerens argumenten, of beter, “kritische vragen”, te pareren. Met andere woorden, Boudry was voldoende op de hoogte van de gebruikelijke literatuur en stond meer dan zijn mannetje in de technische discussies. Zijn “psychologie en zo” gaf de broodnodige meerwaarde aan de hele discussieavond.

Op de vraag uit het publiek of Vermeeren twijfelt aan de integriteit van collega’s die de officiële versie wél aanhangen, voerde hij ontwijkend aan dat er heel veel vakgenoten zijn die zich niet verdiept hebben in de materie, of niet voldoende. Anderzijds zijn het gekwalificeerde ingenieurs en architecten die het duizenden pagina’s tellende (en grotendeels in gerenommeerde vaktijdschriften gepeerreviewde) officiële NIST-rapport hebben samengesteld, bijna-vakgenoten van Vermeeren dus. En het is net onder meer met dit rapport dat Vermeeren problemen heeft.

Toch leek deze vraag en het non-antwoord van Vermeeren aan te tonen dat er een punt was waar ze zich min of meer akkoord konden verklaren. Beiden vonden, zij het om heel uiteenlopende redenen, dat er niet genoeg wetenschappelijk onderlegde experts zijn die zich willen bezighouden met dit soort controversiële onderwerpen. Voor Boudry was dit een aanleiding om een oproep te doen naar de academische wereld, en niet alleen naar ingenieurs en architecten in het geval van 9/11, om zich meer te werpen op pseudo- en randwetenschappen.

Andere, misschien wel belangrijkere debatten over gezondheid (onder andere vaccinatie, zogenaamde alternatieve geneeskunde), landbouw, voedselveiligheid en voeding (onder andere ggo’s, biologische producten, dieetrages en voedselhypes) hebben meer nood aan wetenschappelijk onderlegde experts die zich doen gelden op het publieke forum. Ook de enige en niet alleen daarom dierbare skeptische organisatie in Vlaanderen zou zich iets actiever en vooral eloquenter mogen mengen in heel wat meer (pseudocontroversiële) debatten, voegen wij daar aan toe. Rand- en pseudowetenschappen, die steeds meer hand in hand lijken te gaan met complotdenken, zijn niet weg te denken in onze maatschappij, ook niet weg te roepen. Maar voorstanders van dat soort ongein mogen wel op tijd en stond, en liefst vaker, van een wetenschappelijk en doordacht weerwoord gediend worden.

En dat deed wetenschapsfilosoof Maarten Boudry in de universiteitsaula van de Ugent.

Met verve.

Ole Dammegård: gebrek aan bewijs bewijst complot (2)

Op zondag 8 april 2018 vond de lezing van Ole Dammegård over “The latest False Flags in the world” plaats in de Sacramentskerk van Breda. Dit is het tweede deel van het verslag.

* * *

Crisisacteurs

Eindeloos wansmakelijker dan gesmak en gebabbel van het al te rumoerige complotpubliek is de reactie uit de zaal bij foto’s van de slachtoffers. Zo zelfvoldaan is de gemiddelde complotdenker dat hij of zij er niet aan twijfelt: foto’s van slachtoffers zijn fake. En dus mag, moet er gespot worden met de slachtoffers op die foto’s, een hoorbaar teken dat men de botte overtuigingen van de stam deelt.

Het iconische beeld van de twee vrouwen net na de aanslag op Zaventem, de stewardess onder het stof, met verscheurd geel jasje, blik op een oneindig zwart gat, de andere aan de telefoon, is voor de wreedaardige bende het sein om deze slachtoffers smalend uit te lachen: de kans dat deze foto echt is, dat deze twee vrouwen net een dramatische aanslag hebben overleefd, is in het hoofd van een complotdenker nihil.

Crisis actors is het oordeel. Acteurs. Nep, fake, vals. Geen bloed, enkel ketchup en theatermake-up. Geen doden of gewonden, afgerukte ledematen of geplette lichaamsdelen. Niets wat de makers van een onnozel reclamespotje niet kunnen simuleren. En die acteurs, volgens de Deens-Zweedse complotkok, moeten enkel maar dood of doods kunnen kijken. En zelfs dat kunnen ze niet, verzekert hij ons. De vrouw op de foto van Zaventem kan haar lach niet inhouden, sneert Dammegård. Zo reageert men niet na een aanslag, weet hij.

De twee vrouwen zijn in de eerste plaats het bewijs van de zoveelste fake aanslag, dat “inzien” is dan weer het bewijs is van de eigen schranderheid. Nee, niemand moet de complotdenker nog iets wijsmaken. Er is geen geweten, geen erbarmen en zeker geen bescheidenheid of zelfreflectie, enkel maar het blinde, grote gelijk van deze wreedaardige bende complotverslaafden.

Crisisacteurs zijn slechte acteurs, tweederangs, derderangs, vervolgt hij. Échte acteurs hebben allemaal de rol in een film, een serie of zelfs maar een reclamespot. Het is de overschot die mag opdraven bij een aanslag, zij mogen slachtoffer spelen in het macabere spel van de elite. Trouwens, verschillende van die crisisacteurs worden net gekozen omdat ze al een arm of been missen!

Hij toont ondertussen klassiek geworden reeksen van foto’s die voor complotdenkers het bewijs vormen dat bepaalde acteurs drie, vier keer sterven. Bij één zo’n foto, van iemand met de naam Alex Israel, komt ook heel even een andere aap uit de mouw: “they hide it in plain sight”. Normaal gezien is een goede complotchef in staat om elke mogelijke code in elke stukje informatie dat hijzelf aandraagt, te “ontcijferen”, te decoderen. Maar hier moet men zelfs geen moeite doen: af en toe toont de steeds arroganter wordende elite, de zionisten van Israël dus (wat had u gedacht?) openlijk een stuk duidelijke informatie.

Mijn indruk is dat de personen op deze foto van Zaventem, een captatie van een honderdste of wat van een seconde, niet lijken te voldoen aan het clichébeeld van getraumatiseerde slachtoffers na een ramp. Zelf hebben weinigen onder ons zo’n ramp meegemaakt, kunnen weinigen onder ons inschatten in hoever de gefotografeerde realiteit verschilt van de gespeelde “realiteit” geportretteerd in een doorsnee Hollywoodfilm en hoe dat beide verschilt van de rauwe realiteit na een bomontploffing en een schietpartij tout court. Anderzijds, wanneer Dammegård foto’s toont van slachtoffers die duidelijk in paniek of shock lijken te zijn, of erger, zegt hij laconiek dat ze overdrijven en slecht acteren.

Als er dan al sprake is van medelijden met de mensen op de foto’s, dan gaat het over de dodelijke contracten die deze niet al te intelligente crisisacteurs hebben ondertekend. Ze willen enerzijds wel beroemd worden, maar het ontbreekt hen aan talent. Vandaar dat ze zich laten verleiden om in dit soort evenementen op te draven. Een beetje eigen schuld, dikke bult dus. Anderzijds worden ze bedreigd en gedwongen hun verschrikkelijk geheim te bewaren, aldus Dammegård.

Reclame

Alles wordt in scene gezet, gaat hij verder, alles is fake. De locaties van de aanslagen, die in realiteit niet zo groots en spectaculair lijken als op het scherm, worden zorgvuldig gekozen. Veelal maken de regisseurs vooraf al foto’s en bewegende beelden, weet Dammegård. Trouwens, de hoofdkwartieren van de hoofdverantwoordelijken van zulke false flag operations zijn op de meeste foto’s verborgen, althans voor de leek. Een echte complotdenker draait er zijn hand niet voor om een openbare bibliotheek of een theater te bestempelen als zo’n coördinatiecentrum.

De mallemolen draait verder: een van de terror templates is de pose met het geweer. Deze cliché, de zogenaamde terrorist met een wapen, gaat volgens hem terug op een beroemde foto van Lee Harvey Oswald, die geheel terzijde, gepoogd heeft om tegen beter weten in de aanslag op John F. Kennedy te verhinderen. “I salute him”, roept de malle Scandinaaf vooraan in de zaal. Ondertussen komt in mij een complotindigestie op. Het lukt mij steeds minder goed om tijdens dit soort bijeenkomsten rustig te blijven en mij gedeisd te houden. Ik moet dringend op zoek naar een andere hobby.

Ole verliest steeds meer de pedalen, een zoveelste dieptepunt nadert: een foto van een Londense bus met reclame voor Coca Cola, van een Stockholmse truck van de brouwerij die Kall Öl produceert? Een smartphone die een kogel zou hebben tegengehouden, een bijna doorzeefde laptop, de Toyota’s van ISIS? Niet meer of niet minder dan bewijzen van product placement. Platte reclame van grote bedrijven die bij een grote aanslag de mogelijkheid krijgen om hun product in de kijker te zetten. De man wordt niet met zachte dwang van het podium gehaald, mensen rondom mij knikken. In de wereld van complotdenkers kan deze man niet anders dan gelijk hebben, wat hij ook zegt.

Codes, overal codes

Zoals eerder vermeld, behoort Ole Dammegård tot het soort complotdenkers dat overal codes meent te moeten ontwaren. Het decoderen is andermaal een bewijs van zowel het complot als van de eigen bovengemiddelde schranderheid. Veelal steken de echte regisseurs deze codes heel bewust in hun activiteiten. Doorwinterde complotdenkers menen dat de hoogst intelligente daders van false flag operations enkel met de allerslimsten, enkel met allerontwaaksten communiceren. Met hen dus. “If they show us clues and we don’t see them, then they think we deserve it [the attatck] for not seeing the clues.”

Aanslagen worden dikwijls op de 22ste van de maand uitgevoerd, dat is een code, dat is een deel van de operatie. Een foto na de aanslag in de Parijse concertzaal Bataclan zou alle slachtoffers tonen in een cirkel, een macabere verwijzing naar het logo van Brussels Airport. Charlie Hebdo, want “Je suis Charlie” betekent eigenlijk “ik ben een idioot”. Ik heb eerlijk gezegd geen idee waarover hij het heeft. Charlie Hebdo, dat bevat het woordje Charlie, wat kennen we van Checkpoint Charlie, probeert hij nog. Deze poging tot zingeving is volgens mij ook geen blijvertje in de complotlore.

Slachtoffers en daders

De slachtoffers van de aanslagen komen steeds uit zeer vele landen, en ook dat is ten zeerste verdacht. Ik heb me al vragen gesteld van Dammegårds perceptie van het moderne leven grootsteden, met zijn alomtegenwoordige autobussen, suspecte witte vans en schijnheilige hulpdiensten. Opnieuw stel ik me vragen bij de luiheid van zijn denken. Men kan niet aanvoeren dat de aanslagen plaatsvinden bij belangrijke monumenten in ’s werelds belangrijkste steden, die veelal ook toeristische trekpleisters zijn én in internationale luchthavens, om zich vervolgens een uur later naïef af te vragen of de diversiteit van de nationaliteiten van de slachtoffers geen indicatie is van een false flag operation. Volgens Dammegård is dit een middel om de emotionele respons zo internationaal, zo wereldwijd mogelijk te maken.

Over de echte daders, of beter, de uiteindelijke opdrachtgevers blijft hij vaag. In het begin van de lezing vermeldt hij 1000 personen die tot de heersende elite zouden behoren, die deze aardkloot zouden bestieren. Het topje van de machtspiramide. Elders liet hij vallen dat de Zionisten deel zouden uitmaken van die elite. Een samenzwering zonder joden concipiëren is schier onmogelijk, zo blijkt nog maar eens. Tegen het einde van de lezing laat hij nog een hint vallen: de ooggetuigen (de boodschappers) en de al dan niet echte slachtoffers komen overwegend uit een van de NAVO-landen, volgens Dammegård. Mij lijkt dat een heel eigenaardige vaststelling voor een zelfverklaarde expert in aanslagen, maar dat terzijde. De NAVO is een instrument gericht tegen Poetins Rusland. Ergo? Ook op deze vraag is er maar één juist antwoord: “Mmmh, juist ja”.

De opdrachtgevers compartimentaliseren de aanslagen, aldus Dammegård. De verschillende groepjes betrokkenen kennen elkaar niet, hebben vaak geen weet van elkaars bestaan. Maar dat belet de eerste de best complotzot met een internetverbinding niet om deze verbanden, waarvan het bestaan niet in twijfel wordt getrokken, te zien. Het kluwen van het internationale terrorisme wordt door iemand van het niveau zatte nonkel feilloos ontrafelt. Nu, echt hoeft het ons niet te verbazen: uiteindelijk zijn het toch gewoon maar de joden.

Het flinterdunne verhaaltje van Ole Dammegård, de indomme uitleg van iemand die overal schijnbare anomalieën blootlegt, of beter, alles gemakshalve beschouwt als een anomalie, is ronduit stuitend. Hoewel de competitie zeer sterk is, lijkt Ole Dammegård van alle complotdenkers die ik de laatste jaren heb bezig gehoord, mij degene met de meest banale en doorzichtige uitleg. En toch weet ook deze kwiet zijn verhaal te verkopen. Anderzijds, welk verhaal zou men een stelletje complotverslaafden niet kunnen wijsmaken, zolang het maar niet strookt met de officiële versie?

Zelden heb ik een luiere denker gehoord, iemand die in de verste verte niet gehinderd wordt door zelfreflectie of reflectie op het eigen denken. Deze man zit onwrikbaar vast in zijn geloof, in het eigen grote gelijk en hij geniet daar zichtbaar van. Twee, drie uur lang raffelt deze man zijn complottheorietjes af. En dat tot groot jolijt van zo’n 200 gelijkgestemden die naar het reeds lang gekende verhaal kwamen luisteren.

Uiteindelijk werden hier slechts twee boodschappen verkondigd of versterkt: elke aanslag is een false flag operation en wij weten dat want wij zijn ontwaakt. Want wij weten beter, wij zijn beter. Vooral dat laatste. Amen.

Ole Dammegård: gebrek aan bewijs bewijst complot (1)

Het eerste dat me opvalt is de knoert van een zendmast op de Sacramentskerk, eerder nog dan het kruis. Onder dit dak vinden op zondag 8 april 2018 twee lezingen plaats: Ole Dammegård komt praten over “The latest False Flags in the world”, Ronald Bernard stelt zijn project B of Joy voor. In dit artikel bespreek ik enkel de eerste lezing van de Deense Zweed Dammegård.

De organisatie van het dubbelevenement “Fake News – Echte Waarheid” was in handen van DVM-TV, organisatie van Irma Schiffers, handelaar in complotten (zie Over Hans (dj) en Irma (complotdenkster) en Kim (keyboard warrior)) en Studium Generale Breda. Dit is een organisatie die, evenals de oprichter Coen Vermeeren, niet verbonden is aan welke academische instelling dan ook.

Ole Dammegård in de Sacramentskerk te Breda (c) onbekend

Wanneer ik arriveer, spuugt het kerkgebouw net zijn godsgelovigen uit en bereidt het zich voor op de inname van een verse kudde die komt luisteren naar hun herders met andermaal zéér dringende en belangrijke boodschappen. De soberheid van de nochtans katholieke kerk wordt tenietgedaan door een fresco en een even kitscherige boog van roos licht. Het podium staat te hoog en te ver van het publiek, de galm in het gebouw maakt de geluidstechnicus met de minuut zenuwachtiger en de lezingen schier onbeluisterbaar. Deze ruimte is niet geschikt voor lezingen; 25 euro om te luisteren naar sprekers in dit auditief hellegat is schandalig veel! Na enkele uren is barstende hoofdpijn mij deel. Geen idee of dit veroorzaakt werd door de galmende kerk, de inhoud van de lezingen of de straling van de zendmast. Volgende keer toch mijn aluhoedje meebrengen. Dat van die straling is een grapje.

Een 200-tal zitjes worden bezet door een vrij divers publiek: er zij net zo goed groepjes vriendinnen, dertigers en veertigers, als enkele jonge kameraden en oudere koppels. Toch overweegt grijs op een achtergrond van beginnend kaal: de obligate blanke man van post-middelbare leeftijd met verbeten trek die aangeeft hoe groot het eigen gelijk precies is. Ook de Vlaamse complotpaus Peter Vereecke waart hier rond.

Aanslag = false flag operation = psy-op = aanslag

Ole Dammegård begroet zijn publiek in het Engels en met een licht Scandinaafs accent. Meteen heeft hij de lachers op de hand door ook op de mogelijk aanwezigheid van agenten van inlichtingendiensten te wijzen, instrumenten van de machthebbers die spelletjes spelen tegen de mensheid. Ook bij dit zogenaamde hyperkritische publiek werkt het doorzichtige en banale trucje. Het zal een lange lezing worden, waarschuwt de man, maar het publiek is er klaar voor. Mannen en de lengte van hun lezing, ik zal het nooit begrijpen. De titel “Terror Templates for Dummies” is uiteraard niet zonder ironie: de zaal zit vol met doorwinterde complotconsumenten, connaisseurs van de veile wegen der elite. Vanaf het begin wordt duidelijk dat zijn belangrijkste bewijsmateriaal bestaat uit foto’s gemarkeerd met pijlen en cirkels in fel complotrood.

Reeds 30 jaar bestudeert Dammegård wat in het complotjargon false flag operations genoemd wordt: gewelddaden uitgevoerd door andere (groepen) mensen dan dat de verantwoordelijken van die aanslagen willen laten uitschijnen. Een voorbeeld: de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo in 2015 werd niet uitgevoerd door mensen gelieerd aan Al-Qaeda zoals de officiële versie gaat. De complotversie stelt dat de aanval gepleegd werd door agenten van de elite die ons, het publiek, willen laten geloven dat achter de moordaanslag moslimterroristen met deze of gene affiliatie zouden zitten.

Al snel wordt duidelijk dat letterlijk elke aanslag zulk een false flag operation is. Met zijn lezingen en onderzoek wil Dammegård de wakkere, kritische burgers instrumenten geven om zulke false flag operations nóg sneller te ontmaskeren. Tussen haakjes, op die zwarte woensdag, 7 januari 2015, vernam ik het verschrikkelijke nieuws enkele uren na de aanslag via berichten op Facebook die verschillende reeds opgedoken complottheorieën probeerden te ontkrachten. Twintig minuten na de aanvallen in de luchthaven van Zaventem en in Brussel op 22 maart 2016, waren er in gespecialiseerde Facebook-groepen al mensen die met schijnbaar grote zekerheid rondtoeterden dat ook dit false flag operations moesten zijn. Voor heel veel complotdenkers is false flag operation geen conclusie die men bereikt na een onderzoek, maar een grondhouding, een uitgangspunt voor het verdere onderzoek dat ze dan kritisch noemen.

Achter deze aanvallen wereldwijd zit volgens Dammegård een op absolute macht beluste elite van een paar 1000 mensen die psychologische spelletjes speelt, niet alleen met het grote (nieuws)publiek, maar met de ganse wereldbevolking. Deze toplaag voert zogenaamde psy-ops uit, aanslagen en terreuraanvallen onder valse vlag, waarop steevast een uitbarsting van emotionele reacties volgt. En dat geeft diezelfde elite dan weer extra redenen om zo mogelijk nog meer controle uit te oefenen door middel van straatcamera’s, krijgswetten en militairen op straat. In al die tijd heeft Ole gezocht naar terroristen, maar hij heeft er nog nooit één gevonden, zegt hij. Geen enkele aanslag die door de officiële media bestempeld wordt als een terreurdaad, werd door een “klassieke” terrorist uitgevoerd. In het publiek wordt instemmend geknikt: Dammegård bevestigt wat ook de luisteraars reeds lang wisten.

Pizza

Hoe de elite dat doet maakt Dammegård duidelijk aan de hand van onderstaande YouTube-video, een oude reclamestunt die trouwens in verschillende landen werd opgevoerd en gefilmd. Het scenario is gekend: één druk op de rode knop op straat zet een hele resem activiteiten in gang die steeds spannender en gewelddadiger worden. Dat is hoe ze het doen, rondt Dammegård dit stuk af, deze clip volgt dezelfde blauwdruk als echte aanslagen. Ik ben een van de weinigen die in de lach schiet bij zoveel onnozelheid.

Elke aanslag is zoals een pizza, verzekert hij ons: de vorm kan al eens afwijken, de ingrediënten zijn niet steeds hetzelfde, soms liggen er pepers op, soms stukjes ananas, maar uiteindelijk is het wel een pizza, wel een aanslag. Een false flag operation. Deze beeldende metafoor stelt hem op een merkwaardige manier in staat om te zeggen dat ook het gebrek aan bewijs op zich een bewijs is van een false flag operation.

De doelen van de aanslagen zijn steeds iconische plaatsen, genre World Trade Center, die heel wat emotionele reacties kunnen genereren. Vervolgens noemt hij enerzijds zowat elke plaats met een bekend monument op waar recentelijk een aanslag werd gepleegd en anderzijds enkele wereldberoemde monumenten, waarvan enkele niet het decor vormden van een (recente) aanslag. Doodleuk gaat hij verder met het opsommen van plaatsten die bezwaarlijk iconisch genoemd kunnen worden, genre supermarkt of busstations. Voor hem is dat doodleuk een bewijs dat “they are running out of targets”.

Anomaly hunting & cherry picking

Dit is zowat de ondertoon van zijn lezing: hij noemt enkele kenmerken op die voor hem het bewijs zijn van een false flag operation. Maar ook het ontbreken van die kenmerken toont aan dat het om een operatie onder valse vlag gaat. Het ontbreken van een bepaald ingrediënt wordt plots een bewijs dat de pizza echt wel bestaat.

Een soortgelijke redenering zet hij op in verband met oefeningen van veiligheids- en reddingsdiensten. Zulke oefeningen kondigen veelal een aanslag aan, behalve wanneer ze het niet aankondigen. Driloefeningen noemt hij een dekmantel, maar “not every drill is a set-up. Some are, some aren’t. It’s a business, a game”. En wie voorziet ons in die bescherming, of beter, wie verkoopt die bescherming? Op deze retorische vraag past enkel het antwoord “Mmmh, juist, ja”.

Hij dramt nog even door over die veiligheidsdiensten: de hulpdiensten voeren eigenlijk de explosieven, de “slachtoffers” en de “daders” aan en ze gebruiken het eigen rijdend materieel om die aanvoer voor het publiek te verbergen. Op heel wat foto’s die hij toont staat centraal een grote truck van de brandweer of een ambulance. Op latere foto’s zijn er dan weer geen grote wagens te zien die ons het zicht zouden belemmeren. En dat is een tweede truc die hij enkele keren zal opvoeren. Hij vertelt over kenmerken A, B, C, toont foto’s met A, B en C. Latere foto’s gemaakt tijdens soortgelijke gebeurtenissen moeten dan weer iets anders aantonen, pakweg kenmerken D, E en F, maar de eerder genoemde typische kenmerken A, B, C zijn in de verste verte niet te bespeuren. En vice versa.

Ook bussen verschijnen volgens hem verdacht veel op foto’s en ze worden bewust “achtergelaten” om het zicht van pottenkijkers te beperken, althans dat vertelt hij bij het tonen van een beeld waarbij de fotograaf er blijkbaar voor gekozen heeft om op de bus te focussen. Dat kan niet, dat is onmogelijk, onlogisch, fulmineert hij. Wat er zo onlogisch is aan bussen in een Europese grootstad, vermeldt hij niet! Dat die bussen achtergelaten worden bij rampen vindt hij blijkbaar ook verdacht. Dat chauffeurs bizar lijkende manoeuvre uithalen direct na een aanslag, of wanneer het verkeer in de knoop zit door een aanval, kan helemaal niet.

Idem dito voor de witte bestelwagens: zij zouden de regisseur en de mensen van de special effects vervoeren naar het hartje van de aanval. Opnieuw een paar foto’s van witte camionettes net na een aanslag. Opnieuw niet verbazingwekkend in een moderne Europese grootstad. Een fotoreeks of wat later: geen witte bestelwagen meer te bespeuren. Van de meeste van die foto’s zal hij later trouwens zeggen dat de kwaliteit opvallend (en dus onlogisch en dus verdacht) goed is, opnieuw een bewijs dat het hier om een complot gaat (en niet om foto’s van, ik zeg maar wat, professionele fotografen of mensen met een goed toestel en een dosis fotografisch geluk bij een reusachtig ongeluk).

Ondertussen merk ik dat ik geprangd zit tussen twee soorten mensen: de ene vindt het nodig om luidkrakende plastic doosjes te open en zijn druifjes op te smikkelen, de andere laat zijn buren in de wijde omtrek ongevraagd weten dat ook hij op de hoogte is van heel wat false flag operations en fake aanslagen. In een zaal waar de akoestiek erbarmelijk is, kan dit soort extra achtergrondlawaai gemist worden. Het valt me steeds meer op hoe onbeschoft en luidruchtig het publiek is tijdens dit soort evenementen. Meer nog dan om te komen luisteren, lijken ze te komen om het eigen complotgebroebel uit de spreekwoordelijke onderbuik op de eerste de beste toehoorder los te laten.

Wordt vervolgd.

Creationisme en Wetenschap (5): the easiest person to fool

Op zaterdag 7 april ging het eerste congres van het Logos Instituut in Vlaanderen door onder de naam “Bijbel en wetenschap. Scheppingsgeloof onder vuur”. Locatie: de kerk van de Vrije Evangelische Gemeente Antwerpen. In het vijfde en voorlopig laatste deel van mijn verslag bespreek ik de lezing van Johan Vanbrabant.

* * *

Direct na de lezing van Vanbrabant vraag ik me af of de termen fundamentalistisch en fundamenteel oneerlijk synoniem zijn. Een week later denk ik dat mijn vraag fout is. De dag was begonnen met twee gedistingeerde heren professoren, ging verder met moderne, dynamische jongeren wiens evangelische drift bijna zo sterk was als hun Studio 100-achtige, mercantiele neigingen, om te eindigen met Johan Vanbrabant, een man waarvan mijn grootvader zou gezegd hebben dat hij “een ras op z’n eigen” is.

Vlot pratend en volleerd podiumbeest, dat wel, maar niet gespeend van al te platte humor of geheel overbodige knipogen naar die Nederlanders die dit of ’t geen niet volledig zouden begrijpen. Vlaemsch-‘Ollandse taalgrapjes anno 2018? Naah, hoeft echt niet. Mocht ik deze man om iets over drie aan de toog bezig horen, ik zou me minder verbazen dan nu, iets over drie vooraan in een kerk. Ergens in mijn nota’s vind ik terug dat deze woordenpatser spreekt in (hoge)scholen en zelfs universiteiten.

Net zoals de meeste sprekers die dag is ook Vanbrabant hoogopgeleid; zijn professionele bezigheden ogen indrukwekkend. De beroepskennis van deze intelligente mensen noopt tot bescheidenheid. Laat er geen twijfel over bestaan, de meeste sprekers die dag zijn meer dan bovengemiddeld verstandig, de andere mocht het ronselpraatje houden.

Helaas hebben mensen, intelligent of niet, al eens de neiging om zichzelf voor gek te zetten. Hoogopgeleiden kunnen zichzelf vergalopperen, vooral maar niet uitsluitend in vakgebieden waarin ze niet gespecialiseerd zijn. En dat ondanks het feit dat ze zich ook daarin een expert wanen. Vaak lijken dan de worden van Richard Feynman te gelden: “The first principle is that you must not fool yourself — and you are the easiest person to fool”. Terwijl dit geldt voor zo ongeveer iedereen, voegde filosoof Johan Braeckman, en met hem vele anderen, eraan toe dat vooral intelligente mensen er zeer goed in slagen om zichzelf op een al dan niet quasi-rationele manier, en meestal zeer eloquent, te immuniseren tegen kritiek van derden op hun (waan)gedachten.

Net zoals de meeste sprekers die dag is Johan Vanbrabant een expert in wat ik nu maar even voor het gemak de evangelische geïnspireerde ideologische kritiek op wetenschap, evolutietheorie en geologie zal noemen. Net zoals bij de andere sprekers wordt het helemaal niet duidelijk wat hij nu precies weet omtrent de wetenschappelijke gebieden die hij meent te moeten bekritiseren. Laat hij zich niet hinderen door een gebrek aan kennis of kent hij het vakgebied wél en laat hij zich niet hinderen door een gebrek aan eerlijkheid? Een volgende vraag is dan meteen: maakt dat uit voor een ideoloog, maakt dat uit voor een fundamentalist? Ik denk dat iemand met zo’n ideologisch geladen, fundamentalistische boodschap niet meer stilstaat bij een eventueel gebrek aan kennis of eerlijkheid. Zelfreflectie en bescheidenheid zijn volgens mij al lang geleden vervangen door een immunisatieproces dat de spreker ver boven dit soort triviale vragen verheft.

Zijn praatje begon met een overbodige uitleg over wat wetenschap nu is, waarbij hij al goochelend woorden als feiten, kennis en informatie in een nietszeggend schema probeerde te duwen dat verder geen enkele functie vervulde. Interessanter was dat ook hij de canard aanhaalde die Van Heugten eerder de dag had vermeld: wij mensen kijken sowieso met een gekleurde bril naar de realiteit. Met andere woorden, wetenschap kan niet objectief zijn. De Bijbel daarentegen is voor hem het meest coherente verhaal, is voor hem wél wetenschappelijk verantwoord. Lees de twee vorige zinnen gerust nog een keer als het u niet direct opvalt hoe Vanbrabant hier in zijn eigen staart bijt.

Opnieuw zitten we in deel 1 van deze reeks, Laat ons bidden: de Bijbel en niets anders dan de Bijbel. De rest is opvulsel, piepschuim. En eigenlijk wordt dit mooi (maar waarschijnlijk ongewild) geïllustreerd door de aankondiging van het tweede congres dat het Logos Instituut zal organiseren in Antwerpen later dit jaar. We kunnen er nú al voor inschrijven, hoewel er momenteel (14 april 2018) nog geen namen van sprekers of onderwerpen van de lezingen bekend zijn. Maar au fond dat is ook niet zo belangrijk, het zijn toch slechts voetnoten bij het Bijbelse verhaal. Oh ja, één lezing is al wel ingevuld, die van Jan van Meerten, de ronselaar van het Instituut, de handelaar in de tempel. Zijn kassa staat al klaar, nu de rest nog.

Terug naar de lezing. Het zou naïef geweest zijn te denken dat er tijdens een congres voor en door fundamentalistische christenen over wetenschap en creationisme een poging zou ondernomen worden om het hele bedrijf van dé wetenschap, wat daarmee ook bedoeld wordt, op een eerlijke manier af te schilderen.

Toch begin ik met een positieve noot: Vanbrabants kritiek op de tekortkomingen van de wetenschap maakt ongemakkelijk, maar is meer dan terecht. Hij voert aan dat het wetenschapsbedrijf niet zonder fouten, kemels en zelfs hemeltergend bedrog is. Foute woordkeuze: goede wetenschap is voor deze gelovigen in een God van Gebakken Lucht hemeltergend, maar u begrijpt wat ik bedoel. Meestal zijn het dan andere wetenschappers die de fouten, kemels én het bedrog naar boven spitten (zie bij wijze van voorbeeld Retraction Watch), maar dat neemt het bedrog niet weg.

Hij heeft dus zeker een punt met zijn kritiek, maar hij weegt het niet af tegen de voordelen van datzelfde wetenschappelijk bedrijf, en daarin toont hij zich dus zeer onevenwichtig, om niet te zeggen oneerlijk. Nochtans waarschuwt Vanbrabant ook zijn broeders en zusters in het ware geloof: zij moeten integerder omgaan met hun geloof dan de wetenschappers met hun onderzoekjes, en dat is niet altijd het geval, roept hij triomfantelijk.

Vanbrabant gaat nog enkele stappen verder: het geheel van wetenschappelijke onderzoeken, de valse, bij elkaar gelogen artikelen kosten de gemeenschap handen vol geld en het dient alleen maar om de gehechtheid aan een bepaald socio-politiek-wetenschappelijk systeem te bestendigen. En hier schakelt hij knarsend, niet zozeer naar een hogere, wel naar een andere versnelling.

Hij vraagt zich al te luid af waar dat evolutionistisch gedachtegoed goed voor is. Alvast niet voor de bescherming van (zwakke) dieren, want dat druist in tegen het recht van de sterkste. Ook ziekenhuizen en de verzorging van zieken en zwakken gaan volgens Vanbrabant in tegen het evolutionair denken. Ik kan mijn oren niet geloven en vraag me af of de zaal wel groot genoeg is voor de stropop die hij probeert op te trekken. Iemand die de natuur beschermt, gaat hij verder, is niet “evolutionair bezig”. Waarom zouden mensen dieren, planten of ecosystemen willen redden die tóch verloren zullen gaan omwille van de “evolutionaire druk”. Evolutionair staat voor hem gelijk aan stinkende fabrieken, kapotte natuur. De wereld gaat ten onder aan het evolutionaire denken. En na al de uren te hebben geluisterd naar dit soort gejengel, begin ik het dan toch stilaan op mijn sijsjes te krijgen.

Vanbrabant voert aan dat men als niet-christen niet consequent de natuur kan willen redden. Invasieve planten, aldus de spreker, “da’s evolutie, hé”. Ik vraag me ondertussen af of twee handen genoeg zijn voor een facepalm. Mensen die problemen hebben met invasieve planten en dieren, gaan in tegen evolutie. In mijn nota’s staat op dit punt “hoe idioot kan een mens zijn?”, terwijl ik me eigenlijk had moeten afvragen of hij er zich van bewust zou zijn of zijn uitleg één gigantische stropopargument is, of hij er zich van bewust is dat hij nonsens vertelt. Groot was dan ook mijn verbazing, zelfs na een volledige dag onder creationisten, dat één van de reacties door een geestesgenoot op een vorig artikel diezelfde van de pot gerukte manier van denken volgt.

De rest van de lezing gaat aan mij een beetje voorbij. Ik verneem weinig boeiende zaken, ben moe, ben het beu en wil naar vrouw en kind. Ik hoor nog hoe Vanbrabant dna vergelijkt met een computerprogramma. Verandert men een 1 of een 0 aan een computerprogramma (sic), dan werkt het niet meer, dan loopt het vast. Gebeurt er één verandering in het dna, één mutatie, dan stopt ook dat biologische programma. Dna kan alleen maar 100 procent gekopieerd worden of niet, zegt deze vader van vijf kinderen. Alles moet passen, het is een kwestie van niet-reduceerbare complexe systemen. Behalve zijn uitleg, die slaat nergens op. Hij denkt zelfs dat op enkele geanimeerde gifs individuele atomen te zien zijn.

Een deel van mijn suf hoofd denkt dat met deze term de imaginaire creationistische bingokaart vol is, een ander deel probeert in te schatten hoe hard mijn ongelovige partner, wetenschapslerares die de evolutietheorie niet uit de weg gaat, die opgeleid is als milieuwetenschapster en serieuze biotechnologische inclinaties heeft, die elk schooljaar uitleg geeft over dna, die gewonde vogels naar het dierenasiel brengt, die vegetarisch eet omwille van redenen die te maken hebben met milieu- en dierenwelzijn, met de uitleg van deze onnozele hals gaat lachen.

Even later toch protest uit de zaal. Om een reden die ik gemist heb wegens sufgeluld, begint Vanbrabant plots over de bekende Sokal-affaire. Even opfrissen: in 1996 stuurde de natuurkundige Alan Sokal een nepartikel tsjokvol wetenschappelijk jargon naar het academische tijdschrift Social Text, dat het prompt publiceerde. Ik heb deze affaire heel kort beschreven in het artikel Genereer uw eígen nonsens. Volgens Vanbrabant toont de Sokal-affaire nog maar eens aan hoe je wetenschappers alles kan wijsmaken, hoe wetenschappers zonder nadenken, zonder overleg, zonder kennis van zaken, zonder verstand wetenschappelijk aandoende nonsens accepteren en publiceren.

Iedereen die een klein beetje vertrouwd is met deze affaire, weet echter dat Sokal deze tekst schreef om aan te klagen hoe bepaalde, vooral postmodernistisch geïnspireerde praatjesmakers zich wetenschappelijk jargon en stellingen verkeerdelijk toe-eigenden, fout voorstelden en misbruikten om hun eigen ideeën te pushen. Of Vanbrabant weet dit niet en heeft de tekst, het latere boek Intellectueel Bedrog (samen met de Belg Jean Bricmont) of de naweeën van deze kleine bom in Pomoland nooit gelezen en dan is hij oneerlijk. Of hij kent de affaire wél en liegt omwille van de goede, evangelische zaak. Hoe dan ook, de ironie is verschroeiend.

Terwijl ik luister naar de proteststem uit het publiek, die inderdaad probeert uit te leggen dat Vanbrabant hier (andermaal) de grens van het welvoeglijke overtreden heeft door de aard en de intentie van Sokals artikel totaal verkeerd voor te stellen, dat hij dus andermaal liegt en zeer oneerlijk is, begint het me te dagen dat ik het ben die zo tekeer gaat. Waarmee ik mijn zelfopgelegde regel tijdens dit soort samenkomsten, namelijk geen interactie, schend. Ik kom om te observeren, niet om te discussiëren.

Na de lezing pak ik mijn boeltje samen waarin genoeg notities zitten voor een artikel of twee en vertrek. Het is echter dankzij de aanmoedigingen van Jan van Meerten van het Logos Instituut en de reclame die hij maakt voor mijn blog, dat ik naarmate de week vordert, toch beslis om er meerdere delen aan te wijden. Ik moet deze man écht wel bedanken voor het verkeer op mijn website dat hij gegenereerd heeft. Jan, merci, gast ;-). Hij heeft mij ondertussen ook bedacht met een tegenartikeltje en vraagt zich af wanneer ik daarop ga reageren. First things first, Jan, ik heb nog een lezing van een complotdenker in Breda te bespreken, en nee Jan, een moddergevecht met een varken dat zijn modderpoel kent, daarin heb ik geen zin. Er is ook weinig reden om mijn artikel te veranderen of te verantwoorden. Misschien later, Jan.

Als cultureel katholiek maar levenslang atheïst voldeed ik vrij goed aan beschrijving van Maarten Boudry van de moderne seculier die niet zo vertrouwd (meer) is met gelovigen die zeer weinig water in hun goddelijke wijn willen doen. Vóór het congres en enkel op basis van de teksten die ik ter voorbereiding had gelezen, kon ik me moeilijk inbeelden hoe fundamentalistisch fundamentalistische christenen zijn, hoe sterk zij vasthouden aan hun letterlijke lezing van de Bijbel (nu ja, zolang het hen uitkomt tenminste), hoe bereid zij zijn hun ideologie te laten primeren op eerlijkheid. Dat is bij deze bijgesteld.

Tot slot: de aanwezigheid van een ex-inspecteur van het protestants evangelisch onderwijs in Nederland en Vlaanderen en een lesgever uit Limburg, maakt mijn verbazing over deze dag enkel maar groter. Als ik terugdenk aan de hardcore anti-seculiere en dus anti-democratische nonsens die ik tijdens de lezingen heb mogen aanhoren, dan kan ik enkel vaststellen dat het verschil met de lieflijk opgestelde leerplannen van bijvoorbeeld het Protestants Evangelisch Godsdienstonderwijs in België zeer groot is. Ik hoop dat deze leerplannen niet louter de aardige façade zijn waarachter leugenachtige stukjes à la congres worden opgevoerd.

Creationisme en Wetenschap (4): brildragers onder elkaar

Op zaterdag 7 april ging het eerste congres van het Logos Instituut in Vlaanderen door onder de naam “Bijbel en wetenschap. Scheppingsgeloof onder vuur”. Locatie: de kerk van de Vrije Evangelische Gemeente Antwerpen. In het vierde deel van mijn verslag bespreek ik de minder geslaagde lezingen van Gert-Jan van Heugten en Jos Philippaerts. Ik zal ook de steeds zenuwachtiger wordende woordvoerder van het Logos Instituut een beetje ter wille zijn: hij vindt nu al dat ik te veel aandacht heb besteed aan het congres. Een korte bespreking dus; enkel de hoogtepunten, quoi.

* * *

De lezing van chemisch ingenieur Gert-Jan van Heugten was niet bijster interessant. Eerst en vooral kwam ook deze handelaar zijn “eigen bedrijfje” voorstellen in de tempel, waaromschepping.nl. Er moet blijkbaar heel wat verkocht worden op zo’n creationistische congres.

Vervolgens warmde hij enkele oude theorieën op die zouden aantonen dat dino’s en mensen tegelijkertijd leefden, onder meer gebaseerd op archeologische afbeeldingen waarop dino’s zouden staan (genre palet van Narmer, de Ta Prohm tempel in Cambodja) en de obligate voetafdrukken van dino’s en mensen naast elkaar. Oude kost, reeds genoeg besproken en ontkracht, maar dus nog steeds zeer populair onder creationisten. Hiervoor heb ik echt geen tijd.

Of toch eentje, wat mij betreft het komische hoogtepunt van de dag. Fossielen van vissen zijn een feit, Van Heugten heeft zelfs een fraai voorbeeld bij dat hij met zichtbare trots toont. Nee, dat soort aanstekelijk enthousiasme faket men niet. Leuk om zien: de man houdt werkelijk van zijn fossielen.

Maar hoe ontstaat nu een fossiel van een vis? Een scherp denkende Van Heugten merkt op dat een gemiddelde vis in een viskom niet zinkt, maar boven drijft. Voor een creationist is de stap tussen viskom en oceaan snel gezet. Hij is trouwens niet de eerste die zo’n banale vergelijkingen maakt die dag. Zondvloedgeoloog Heerema had al eerder verwezen naar het graven van een greppeltje aan de ene kant van een voetbalveld, waarna door middel van een snok aan de losgekomen grasmat de doelpalen aan de andere kant van het terrein verschuiven. Dat vergeleek hij met een traditionele verklaring van een of ander geologisch fenomeen. Met dit soort koekenbakkers moesten we het dus stellen, die zaterdagnamiddag. Het contrast met de oudere, academisch opgeleide intellectuelen die de twee ochtendlezingen voor hun rekening namen, is groot. Blijkbaar is er een evolutie in de verschillende generaties creationisten: minder waardigheid, meer platte commercie, simplistischere vergelijkingen en kinderachtigere voorbeelden. Zou het creationisme aan het verkindsen zijn onder impuls van het Logos Instituut?

Terug naar onze vis. Deze kan dus niet sterven en vervolgens op de bodem fossiliseren, er moet minstens iets als een modderlaag zijn die met heel veel kracht de nog levende, zwemmende vis bedekt. En dat is enkel mogelijk in omstandigheden die gewelddadig en catastrofaal te noemen zijn. Pakweg een wereldwijde zondvloed zoals beschreven in de Bijbel. Kiest u zelf maar tussen “Tadaaa!” en “Tja!”.

Boeiender was het inkijkje dat de joviale Nederlander ons opnieuw bood in de gedachtegang van een fundamentalistische creationist. Voor hem zijn evolutionair denken en creationistisch denken gewoon twee brillen die men kan opzetten, niet meer, niet minder; op het eerste zicht dus inwisselbaar en schijnbaar evenwaardig. Een halve zin verder blijkt dat de evolutionaire bril volgens hem de foute focus heeft, wat had u gedacht? Verder gaat hij er ook van uit dat “als het meest onwaarschijnlijke deel van de Bijbel waar is, dan zal de rest ook wel waar zijn”. Dat het waarheidsgehalte van de Bijbel vooral aangetoond wordt omdat het in de Bijbel staat, is een circulaire gedachte die hij niet uitspreekt. En nee, verwijzingen naar pseudowetenschappelijke theorieën, bieden geen soelaas.

Op naar Jos Philippaerts, voorzitter van CreaBel, die zich toelegt op kosmologie, meer bepaald op plasmakosmologie. Niet echt mijn ding, dus ik ga me hier iets meer op de vlakte houden. Wat ik begrepen heb is dat hij het model van Newton niet volgt, dat hij betwijfelt of (Newtoniaanse) zwaartekracht wel overal op dezelfde manier speelt.

De revolutie in de kosmologie die werd ingezet door de waarnemingen van Edwin Hubble en werd uitgewerkt door onder meer Georges Lemaître en Albert Einstein, is volgens hem te veel gebaseerd op rekenwerk. Verder doet hij de moderne kosmologie, met “zwarte energie”, “zwarte materie”, “hyperruimte” af als een sprookje, als een slechte episode uit de Star Wars-reeks. “Je moet eigenlijk een hele dag bezig zijn om die kosmologie te begrijpen”, is zijn vernietigend oordeel.

Volgens hem is de zwaartekracht veel te zwak (waarvoor-ie te zwak is, wordt niet geheel duidelijk) en kijkt hij naar sterkere krachten, naar elektriciteit en magnetisme. Op naar de plasmakosmologie, het onderwerp van zijn praatje. Enfin, dat had ik gedacht; slechts hier en daar begrijp ik een zin van een lezing die, naarmate ze vordert, steeds incoherenter wordt. Ik zit nochtans als leek in het publiek om bij te leren. Het lukt mij evenwel niet om deze man te volgen. Ik zie in mijn notities alleen nog “onze zon is een bolbliksem” en “Velikovsky”. Dit laatste maakt me terug iets wakkerder en alerter.

Velikovsky beschreef in een van zijn bekendste boeken Werelden in botsing hoe een brok materie werd losgeslagen uit Jupiter en hoe die ruimteklomp die wij nu Venus noemen, zich een weg baande naar haar huidige plaats, maar niet zonder eerst gebotst te hebben met Mars. Dit traject zou volgens Velikovsky beschreven worden in tal van oude bronnen. Wat deze man nu met het eigenlijke onderwerp te maken heeft, wordt niet uitgelegd (of heb ik gemist).

Wat eveneens niet duidelijk wordt tijdens de lezing (ik vind het nu toevallig terug in het Wikipedia-artikel over Velikovsky), is de connectie tussen hem en David Rohl, een “onafhankelijke onderzoeker” die dr. Dirkzwager eerder die dag aanhaalde in zijn lezing waarin hij de Egyptische chronologie zo masseerde dat ze overeenkwam met de Bijbelse chronologie. De link tussen mensen als Velikovsky, Rohl en andere “onafhankelijke onderzoekers” die de consensus in hun vakgebieden afwijzen, is best interessant en vraagt misschien meer leeswerk mijnentwege.

Verder legde Philippaerts uit dat de Egyptische piramides gebouwd werden om bescherming te bieden tegen het kosmische geweld en dat de elites door de eeuwen heen tunnels en ondergrondse steden hebben uitgegraven met hetzelfde doel. Jammer genoeg moet hij met deze hints naar grootse complotten de lezing afsluiten.

Al bij al gaf Philippaerts een vrij onduidelijke lezing, voer voor mensen die zich op zijn niveau bevonden. Voor hemzelf dus.

Creationisme en Wetenschap (3): Tips & tricks

Op zaterdag 7 april ging het eerste congres van het Logos Instituut in Vlaanderen door onder de naam “Bijbel en wetenschap. Scheppingsgeloof onder vuur”. Locatie: de kerk van de Vrije Evangelische Gemeente Antwerpen. In het derde deel van mijn verslag wil ik enkele tips & tricks geven omtrent het behandelen van al dan niet wetenschappelijke bronnen, artikelen en boeken tijdens een presentatie.

* * *

T&T 1: verwijs niet naar vaag “wetenschappelijk” of “archeologisch onderzoek”, geef referenties

Tijdens een lezing voor een lekenpubliek is het zelden een goed idee om vaagweg te verwijzen naar “wetenschappelijk onderzoek”, of naar onbestemde “onderzoekers” die misschien wel eens “hebben aangetoond dat…”. Dat is een beetje flauw. Het publiek heeft er weinig aan, maar al bij al gelooft men meestal de spreker op haar of zijn woord. De toehoorders gaan er mijn inziens van uit dat de spreker (1) eerlijk is en (2) zich terdege heeft voorbereid. Trouwens, niemand wil tijdens de lezing rap rap dat onbestemde onderzoek snel even googelen en nog minder mensen willen dat doen na de lezing.

Toch mag men rekening houden met mensen die wél geïnteresseerd zijn in het onderwerp, die wél verbaasd zijn door wat mogelijk nieuw en baanbrekend onderzoek zou kunnen zijn. Een referentie (al dan niet in de hand-out of op een dia) is dus meer dan welkom, al is de kans groot dat één artikel weinig zegt over de consensus.

Een voorbeeld: zowel Prof. dr. Sieberma als Dr. Arie Dirkzwager (“Uittocht, doortocht en intocht. De exodus van Israël en de archeologie”) vermeldden dat “archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat de Israëlieten die Egypte verlaten hebben tijdens de exodus, het alfabet hebben uitgevonden” en door hen hebben wij ons schrift verworven. Iemand die de vakliteratuur niet kent, gaat dit misschien nog voor waar aannemen. Het wordt per slot van rekening gezegd door twee geleerde specialisten. Iemand die de vakliteratuur een klein beetje volgt en de consensus kent, fronst hierbij de wenkbrauwen en gaat nieuwsgierig maar in dit geval tevergeefs op zoek naar wetenschappelijke literatuur die dat nieuwe idee ondersteunt.

De consensus luidt dat het Hebreeuws schrift een afgeleide is van het Fenicisch schrift. Een preciezere term voor deze schriftsoorten is abjad, waarbij in de pure vorm enkel de medeklinkers worden geschreven als een apart letterteken. Waarschijnlijk waren het de Grieken die op basis van het Fenicische schrift de stap hebben gezet om alle klanken, dus ook alle klinkers, te schrijven. Egypte komt niet voor in dit verhaal.

Een van de weinige correcte bronvermeldingen betrof de vertaling van de Bijbel die in deze gemeenschap gehanteerd wordt: de Nieuwe Bijbelvertaling uit 2004. En dat is mager in het kader van een lezingenreeks over creationisme en wetenschap.

T&T 2: als je verwijst naar een specifiek boek of artikel, stel de inhoud dan op een eerlijke manier voor

Van iemand die een lezing geeft, mag eerlijkheid en oprechtheid verwacht worden. Wat niet automatisch wil zeggen dat men akkoord hoeft te gaan met de inhoud, of beter, met de conclusies van de lezing. Wanneer de spreker een zeer specifieke bron aanhaalt en de inhoud daarvan bespreekt, dan mag men een zekere graad van correctheid verwachten bij het voorstellen van de inhoud van die bron.

Opnieuw, niemand in het publiek kan tijdens de lezing die bron controleren, weinig mensen doen dat achteraf. Al bij al is dat een kwestie van vertrouwen. Kritisch of niet, ik denk dat een toehoorder meestal in grote mate bereid is om de spreker te vertrouwen wanneer deze (controleerbare) feiten voorlegt.

Een voorbeeld: Jan van Meerten slaagde erin dat vertrouwen te beschamen bij zijn bespreking, of beter, bij zijn smalende opmerkingen over Stefan Blanckes boekje De Schepping na Darwin. Over modern creationisme en intelligent design. Sympathie heeft Van Meerten wel voor de auteur, maar hij kan het niet laten om een onooglijk detail te “corrigeren” en daarmee diens geloofwaardigheid als onderzoeker in twijfel te trekken. Want dat doe je natuurlijk ten opzichte van mensen voor wie je sympathie hebt.

Volgens de man van het Logos Instituut vermeldt Blancke dat het (georganiseerde) creationisme een relatief recente stroming is. Blancke zou verwijzen naar een (niet nader genoemd) boek uit 1923. Van Meerten zelf heeft zowaar ooit een (eveneens niet nader genoemd) boek op een rommelmarkt gevonden uit – hij kan zijn lach niet inhouden – 1910. Dertien jaar ernaast dus. Checkmate, atheists!

Of toch niet.

Eerste detail: Blancke kent de literatuur, kent de geschiedenis van de stroming. Enkel bij wijze van voorbeeld: één van de gezaghebbende auteurs over dit onderwerp, Ronald L. Numbers, heeft het voorwoord geschreven van Blanckes andere boek, Creationism in Europe. Trouwens, het boek van Numbers The Creationists. From Scientific Creationism to Intelligent Design is een aanrader (en wordt vermeld in de beperkte literatuurlijst achteraan Blanckes boek, een aanrader trouwens).

Tweede detail: het boekje De Schepping na Darwin pretendeert niet meer dan een inleiding te zijn (het telt zo’n 80 pagina’s tekst) en Blancke heeft ervoor gekozen om bepaalde uitspraken in zijn verhaal niet te overladen met details of datums. In het stuk “Het eerste verzet tegen evolutie” (p. 23) schrijft hij dat in het “eerste kwart van de 20e eeuw in de Verenigde Staten het verzet groeide tegen de evolutietheorie”. Eerste kwart, daaronder versta ik de periode 1900-1925. Vervolgens verwijst Blancke op diezelfde pagina naar de Fundamentals, en dat is een reeks van publicaties die liep van 1910 tot 1915 (p. 23 én 24). En laat 1910 nu net het jaartal zijn dat Van Meerten gebruikte als clou van zijn smalende opmerking. Blancke vermeldt 1923 als jaartal waarop Oklahoma een wet goedkeurde “die ervoor zorgde dat kinderen uit de lagere school gratis handboeken kregen, maar enkel als die niets over evolutie vermeldden.”

Met andere woorden, Van Meertens “correctie” van een “fout” die niet in het boek staat, bestaat uit de informatie die eigenlijk wél in het boek van Blancke te vinden is. Hoe zou u dit omschrijven, Jan? Als jokken? Het lijkt me iets te geëlaboreerd om dit af te doen als “oepsie, foutjeuh”.

Hoe dan ook, dit voorvalletje was een minuscuul detail in een al bij al vrij overbodige lezing van iemand die geld en leden kwam ronselen. De veel belangrijkere, tenenkrullende leugens, namelijk de schrijnende misrepresentatie van de Sokal-hoax door Johan Vanbrabant later die dag, zal ik in een ander artikel uit de deken doen.

T&T 3: woorden hebben een betekenis; idiosyncratische betekenissen toegekend aan woorden dienen verduidelijkt te worden

Er zijn tijdschriften, populair-wetenschappelijke tijdschriften en gepeerreviewd wetenschappelijke tijdschriften. Men moet al over heel veel fantasie beschikken om het tijdschrift WeetMagazine voor te stellen als een populair-wetenschappelijk tijdschrift:

Geïnteresseerd in de wereld om je heen? Verwonderd over Gods schepping? Nieuwsgierig hoe onverklaarbare, maar ook alledaagse dingen, in elkaar steken? Dan maken we Weet Magazine voor jou! We schrijven over opmerkelijk wetenschappelijk onderzoek, leuke weetjes, unieke invalshoeken en dat alles vanuit Bijbels perspectief. (mijn nadruk)

Het Logos Instituut was zo genereus om exemplaren van dit mooi en verzorgd uitgegeven magazine uit te delen. Een bespreking van het laatste nummer volgt.

Maar alles kan beter: ingenieur Stef. J. Heerema zal tijdens zij lezing “Geologie en de zondvloed” uitpakken met de verwijzing naar een eigen artikel verschenen in het gepeerreviewde tijdschrift Journal of Creation. In zijn lezing beweerde hij dat zoutgesteenten overal ter wereld worden aangetroffen, dat zoutgesteenten enkel kon verspreid worden in opgeloste vorm, dus in een waterige omgeving, ergo de (wereldwijde) zondvloed is hiermee voldoende aangetoond (én het staat ook nog eens in de Bijbel).

Eigenlijk is het heel bizar dat een groep mensen die zo’n afkeer hebben van alles waar wetenschap voor staat, toch de formele (maar niet meer dan de formele) kenmerken, waaronder de labels van die wetenschap, overnemen. Feynmaniaanse cargo cult science pur sang. Iemand als een Heerema gaat er blijkbaar vanuit dat het opplakken van de labels ‘peerreview’ en ‘wetenschappelijk tijdschrift’ een vodje zoals Journal of Creation effectief een gepeerreviewd tijdschrift is.

Gert-Jan van Heugten, scheikundig ingenieur en dino-fanaat, ging zelfs nóg een stap verder: zijn amechtige poging om wetenschap te definiëren hield in dat alle kennis begint bij ontzag voor de Heer. Met andere woorden, goede wetenschap begint bij de Bijbel. En we zitten weer bij het eerste artikel van deze reeks, bij de lezing van de eerste verzen van Genesis, en zijn we heel ver verwijderd van wat wetenschap nu precies voor academici, onderzoekers, leken en enthousiastelingen, of beter, voor niet-fundamentalisten die ene term kapen en parasiteren, betekent. Gert-Jan van Heugten probeer ik later te bespreken, en meer bepaald in een artikel over mijn verbazing hoe hopeloos achterhaalde en ontkrachte verhaaltjes à la von Däniken, Velikovsky c.s. geacapereerd lijken te worden door hedendaagse creationisten, waaronder ook het opperhoofd van CreaBel, Jos Philippaerts.

T&T 4: goede seculiere wetenschap: slecht; slechte seculiere wetenschap: goed

Verwerp de meeste vormen van wetenschap, wetenschappelijke inzichten zijn ook niet nodig aangezien er iets bestaat als de Bijbel. Als men dan toch wetenschappelijk onderzoek aanhaalt, dan zijn er twee mogelijkheden.

  1. Het is mij verschillende keren opgevallen dat van bepaalde onderzoekers wiens bevindingen wél in het fundamentalistisch kraampje passen, zéér expliciet gezegd worden dat ze atheïsten zijn, ongeacht de wetenschappelijke status van die onderzoeker. David Rohl, een blijkbaar ongelovige auteur die zich heeft laten beïnvloeden door o.a. Velikovsky, wordt op handen gedragen. De onderliggende boodschap is hier “als zelfs een atheïst het al zegt, dan moet het wel waar zijn”.
  2. David Rohl en Immanuel Velikovsky zijn twee een mooie voorbeelden van de tweede optie. Beider theorieën worden niet aanvaard (en zelfs genegeerd) door de wetenschappelijke gemeenschap. De theorieën zijn ondanks hun spektakelgehalte vrij banaal, makkelijk te ontkrachten en worden enkel nog verspreid via tweede- en derdehandsboekenwinkels waar de oude Ankh-Hermes-boekdelen uit de late jaren zestig en zevenentig vechten tegen schimmels en verzuring, en blijkbaar dus ook via creationistische lezingen.

Creationisme en Wetenschap (2): Taal, oergeschiedenis en fabeltjes

Op zaterdag 7 april ging het eerste congres van het Logos Instituut in Vlaanderen door onder de naam “Bijbel en wetenschap. Scheppingsgeloof onder vuur”. Locatie: de kerk van de Vrije Evangelische Gemeente Antwerpen. Dit is het tweede deel van mijn verslag.

* * *

De tweede spreker van de dag is Prof. dr. Siebesma en hij heeft het over “Genesis: mythe of oergeschiedenis”, waarbij hij zich wil beperken tot hoofdstukken 1 tot en met 11 (ruwweg de Schepping, de Zondvloed, de Toren van Babel). Met mijn kort verslag probeer ik de belangrijkste gedachten van de professor zo precies mogelijk te reconstrueren om die vervolgens te becommentariëren, wat inhoudt dat ik de volgorde van de onderwerpen zoals behandeld in de soms meanderende lezing niet steeds respecteer en dat ik verschillende delen van de lezing niet vermeld. Ik ben blij dat de mensen van het Logos Instituut meelezen en hoop dat zij inhoudelijke correcties aanbrengen, mocht ik mij vergist hebben bij de weergave van de woorden van de professor.
Maar mijn conclusies, dierbare gelovigen, die trek ik zelf wel.

Een mythe definieert Prof. dr. Siebesma als een verhaal dat vele mensen kennen, maar niet werkelijk is gebeurd. Mythes van onder meer andere volkeren in het oude Midden-Oosten staan vaak in verband met de schepping van de wereld, ze geven verklaringen van natuurverschijnselen, bevatten zeer veel bovennatuurlijke elementen en werden geschreven in dichtvorm, of preciezer, in een poëtische taal. Oergeschiedenis is daarentegen iets dat effectief gebeurd is in het verre verleden. Middels geschiedschrijving kan die oergeschiedenis schriftelijk weergegeven, bewaard en herinnerd worden.

Afhankelijk van de bedoeling van de tekst hanteerden de Hebreeuwse auteurs van het Oude Testament een andere stijl of een andere taalvariant, bijvoorbeeld een beschrijving van een stuk geschiedenis versus een ode aan de grootsheid van God. Hierbij resulteerden grammaticale verschillen in zeer markante stijlverschillen. Volgens Prof. dr. Siebesma is het zelfs verdedigbaar te spreken over twee verschillende grammatica’s, een voor (eerder prozaïsche) teksten over geschiedenis, een voor de meer lyrische beschrijvingen. De kleine letterkundige in mij begrijpt dit nog, de wenkbrauwen van de nog kleinere taalkundige trekken zich verbaasd samen.

Een voorbeeld: wat in Psalmen wordt geschreven, hoeft inhoudelijk niet overeen te komen met wat in Genesis staat, niet alleen omdat het ene poëzie is en het andere geschiedschrijving, maar ook net omdat het ene een grammatica hanteert die typisch is voor poëzie, de andere een grammatica voor geschiedschrijving. En hier zet hij de wetenschappelijke deur op een kier. Hij dekt zich ook al leep in tegen inconsequenties die zouden kunnen voortkomen uit een letterlijke lezing van het Boek.

Dat zijn overwegend boeiende lezing interessante taalkundige informatie bevat over de taal (Oud Hebreeuws), de stijl- en taalregisters van Genesis, hoeft niet te verbazen. Prof. dr. Siebesma studeerde Semitische talen en letterkunde te Leiden en promoveerde op een onderwerp over de grammatica van het Bijbels Hebreeuws. De man is laaiend over het gesofisticeerde letter- en taalkundige niveau dat de oude schrijvers bereikt hadden. Literatuur op wereldniveau, en wie zijn wij om hem daarin tegen te spreken? In vertaling heeft de Bijbel zijn grootse momenten, ik durf amper te bevroeden hoe veel grootser die stukken in de originele taal klinken. Passie gebaseerd op kennis en expertise, het zet mij aan om verder op zoek te gaan naar informatie omtrent het Oud Hebreeuws.

Maar net zoals de professor realiseer ik me op tijd waar ik me bevind. Niet in de aula van een verstofte universiteit, maar in een Evangelische kerk in Antwerpen. De lezing verzandt en nadert een reeds lang aangekondigd kantelpunt. De wetenschappelijk-taalkundige uitleg pretendeert het stevige fundament te zijn voor religieuze stellingen en gevolgtrekkingen, maar eigenlijk ruilt de professor stilaan het wetenschappelijk denken in voor theologische speculatie.

Een eerste aanwijzing was reeds te horen tijdens zijn uitleg over mythes. De verhalen uit het tweede deel van Genesis (Boek 12-50) over de Bijbelse Aartsvaders kunnen geen mythes zijn omdat ze geen monsters, goden of godinnen bevatten en er worden géén bovennatuurlijke zaken beschreven, behalve dan de wonderen van God. Maar die zijn waar want ze worden beschreven in de Bijbel. Laat ons niet vergeten dat één van de Aartsvaders Abraham is, de vader die bereid was zoonlief te offeren maar uiteindelijk werd tegengehouden door een (niet-bovennatuurlijke?) engel, gezonden door (een niet-bovennatuurlijke?) God.

Het tweede probleem betreft zijn voorbeeld van geschiedschrijving. Terwijl oergeschiedenis een vaststaand feit is uit het (verre) verleden, aldus de professor, hoeft geschiedschrijving niet 100% waar of correct te zijn. Op zich is dat geen verrassende of revolutionaire gedachte. Als voorbeeld haalt hij de belegering aan van Jeruzalem door de Assyriërs. Volgens de Joodse bron zou het overgrote deel van belegeraars op één nacht gedood zijn door een van Gods engelen, volgens Assyrische bron werd het beleg door de Joden afgekocht door middel van veel, heel veel goud. Om onduidelijke redenen wordt die tweede verklaring weggehoond en smalend weggezet. Mijn gok is omdat die eerste versie wel en de tweede niet in de Bijbel staat.

Het wordt ondertussen ook duidelijk dat Prof. dr. Siebesma aan een omtrekkende beweging is begonnen: de verhalen over de Aartsvaders (Genesis 12-50), zijn linguïstisch gezien zuivere geschiedschrijving en die geschiedschrijving is volgens hem betrouwbaar, waar en waarachtig, hoewel hij daarvoor geen andere dan taalkundige redenen voor geeft. Ook het eerste deel van Genesis (1-11) is in diezelfde literaire stijl geschreven, dient dus opgevat te worden als geschiedschrijving en is dus even betrouwbaar, waar en waarachtig. Stijl- of taalvorm, hoe je het ook wil noemen, wordt plots een argument in een betoog over historiciteit. En dat is toch wel een brug of wat te ver.

Verder pleegt hij ook een bekende vorm van weinig milde chantage: een gelovige kan niet (1) geloof hechten aan pakweg de Uittocht uit Egypte en de Intocht in het Beloofd Land, maar wel (2) dat andere heilsfeit, de Schepping, verwerpen. Deze drie heilsfeiten (en bij uitbreiding de hele Bijbelse mik) moeten samen geaccepteerd worden, in hun geheel. Het is belangrijk om aan de historiciteit van Genesis vast te houden, want als men één deel loslaat, dan is er geen reden om de andere dingen als waar te accepteren. Vasthouden aan de evolutietheorie betekent Genesis 1-3 loslaten. Elke (theologische) stroming die de volledige waarachtigheid van de Bijbel in vraag stelt, dient te worden verworpen. Bijbelkritiek leidt tot nazisme, voegt hij daar enigszins verrassend aan toe. Kortom, de professor sluit zijn lezing af met de oproep aan de aanwezigen om stevig vast te houden aan de hele Bijbel omdat dit de gelovige sterk en standvastig maakt in de vloedgolf van de seculiere media.
Applaus.

* * *

Er is nog één facet dat mij bezighoudt, een deeltje van de lezing dat niet van cruciaal belang was, zeker niet voor dit verslag. Tijdens mijn voorbereidingen kwam ik op een les Hebreeuws uit 2015 gegeven door Professor dr. Siebesma (zie lager). In die video legt hij uit hoe het alfabet een uitvinding van de Feniciërs is (hoewel aanpassing een beter woord zou zijn) en hoe het werd overgenomen door de Joden in Israël: “Jullie weten hoe het Hebreeuwse schrift is ontstaan uit het Fenicische schrift”, zegt hij rond minuut 3. “De Feniciërs zijn, naar men aanneemt, degenen die het alfabet hebben uitgevonden.”

Tijdens zijn lezing anno nu komt hij op de proppen met de stelling dat het alfabet uitgevonden werd door de Israëlieten die de uittocht uit Egypte meemaakten. Archeologisch onderzoek heeft dit aangetoond, aldus de professor. De volgende spreker, de heer Arie Dirkzwager, oud-inspecteur Protestantse godsdienst in Nederland en België, herhaalt deze claim en geeft nog het saillante detail mee dat de Joden dit gedaan hebben om de belangrijke god Toth, die de Egyptenaren het schrift had geschonken, belachelijk te maken.

Ik begrijp best dat wetenschappelijke inzichten voortschrijden, dat een wetenschappelijke, historisch-taalkundige overtuiging anno 2018 niet dezelfde hoeft te zijn als een uit 2015, zolang de nieuwe argumenten die geleid hebben tot het nieuwe inzicht sterker zijn dan de oude. Ik ben dus heel benieuwd naar dat “archeologisch onderzoek” dat zou aantonen dat de Israëlieten het alfabet uit het Egyptisch schrift hebben gedestilleerd en dat gedaan hebben om Toth een lelijke hak te zetten. Eerlijk gezegd ben ik ook benieuwd naar eender welk “archeologisch onderzoek” dat de massale uittocht van Israëlieten uit Egypte zou kunnen aantonen, maar dat is niet een ander paar mouwen, dat is de hele jas.

Creationisme en Wetenschap (1): Laat ons bidden

Op zaterdag 7 april ging het eerste congres van het Logos Instituut in Vlaanderen door onder de naam “Bijbel en wetenschap. Scheppingsgeloof onder vuur”. Locatie: de kerk van de Vrije Evangelische Gemeente Antwerpen. Dit is het eerste deel van mijn verslag.

* * *

De ontvangst is net iets te hartelijk, de ochtendkoffie eerlijker maar flauw. Het pand, een herenhuis op het hipsterchique Zuid, is ingericht als een kerk, zeer sober en zonder enige opsmuk. De elektrische piano staat achteraan. In de Evangelische Gemeente heeft beeld al lang geleden plaats moeten ruimen voor klank. Ik tel slechts 70 zitjes, waarvan er bij aanvang zo’n 50 bezet zijn. Dat is net iets meer dan de helft van de optimistisch aangekondigde 90 plaatsen. Een overrompeling is het dus niet, die eerste conferentie van het Logos Instituut in Vlaanderen.

Spreker Jan van Meerten zal later op de dag vertellen dat het Instituut zich wil profileren als een Nederlandstalige, eerder dan Nederlandse, interkerkelijke locomotief waaraan andere, soortgelijke organisaties en kerkgemeenschappen hun wagentje kunnen hangen. Het Instituut wil leiden en stroomlijnen, en dat kost geld. Van Meerten en andere gezanten van het Logos Instituut wijzen die dag dan ook meermaals op de mogelijkheid om de organisatie financieel te steunen middels donaties of abonnementen op het populair christelijk-wetenschappelijke tijschrift Weet.

Om 10.00 uur heet Ton de Mik ons welkom in Vlaanderen en vervolgens begint hij de dienst, of de conferentie zo u wil, met een gebed. De Heer wordt op de eerste warme lentedag van 2018 aanroepen om de aanwezige sprekers te inspireren met Zijn wijsheid. Ik kan me evenwel de hele dag niet van de indruk ontdoen dat Hij niet thuis geeft. Waarschijnlijk heeft Hij, net zoals zowat de meerderheid van de stadsbezoekers, Zijn goddelijke kont op een zonnige en hippe terrasstoel geploft, glimlach en dichtgeknepen ogen richting zon, Oostindisch doof voor het lawaai van het verkeer en het gejengel van enkele van Zijn aandachtszoekende volgelingen twee deuren verderop.

Na het gebed tovert de spreker een Bijbel tevoorschijn en begint hij de eerste verzen van Genesis, een van de scheppingsverhalen in het Heilig Boek, af te haspelen. Ik ben plots een van de weinigen in de zaal die niet neusdiep in een beduimeld exemplaar van het Schrift zit; zo goed had ik me dus niet voorbereid. Op een minuut of wat wordt het hele probleem van de schepping uitgelegd, of beter voorgelezen. En hiermee is de conferentie eigenlijk afgelopen. Deze voorleessessie bevat zowat alles wat een mens moet en kan weten over de Schepping.

Toch gaat Ton, net zoals de dag, verder. De evolutietheorie wordt wereldwijd verspreid en daardoor ligt het geloof in een eenmalige goddelijke creatie, 6000 jaar geleden, onder vuur. Het topos van slachtofferrol waarin de Ware Gelovigen gedrukt worden door het seculiere evolutiedenken, wordt de hele dag herhaald. En dat terwijl het creationisme niet alleen logischer is dan de goddeloze wetenschap, maar moreel gezien veel beter. In de evolutietheorie, dat het recht van de sterkste propageert, aldus De Mik, wordt de dood gezien als een nodig en noodzakelijk mechanisme voor evolutie. In de evolutietheorie is de dood onomkeerbaar.

Voor het Logos Instituut en zijn acolieten is de dood de straf voor de (erf)zonde. En deze theologische verklaring van het Instituut is beter, omdat theologisch de woorden theo[s] bevat en logisch. Adam, liet De Mik ons weten, was de eerste mens; was hij de eerste mens niet, dan was hij niet Adam. Ik hap naar adem. Het feit dat Jezus uit de dood is opgestaan maakt dus één van de premissen van het evolutiedenken ongeldig, wat de zondeval logisch verklaart. De herrijzenis van Jezus is op zijn beurt logischer omwille van de zondeval.

We zijn ondertussen 10.15 u. Zo vroeg in de ochtend valt deze woordsalade zwaar op een nuchtere geest. Het wordt een lange, donkere dag.