Creationisme en Wetenschap (2): Taal, oergeschiedenis en fabeltjes

Op zaterdag 7 april ging het eerste congres van het Logos Instituut in Vlaanderen door onder de naam “Bijbel en wetenschap. Scheppingsgeloof onder vuur”. Locatie: de kerk van de Vrije Evangelische Gemeente Antwerpen. Dit is het tweede deel van mijn verslag.

* * *

De tweede spreker van de dag is Prof. dr. Siebesma en hij heeft het over “Genesis: mythe of oergeschiedenis”, waarbij hij zich wil beperken tot hoofdstukken 1 tot en met 11 (ruwweg de Schepping, de Zondvloed, de Toren van Babel). Met mijn kort verslag probeer ik de belangrijkste gedachten van de professor zo precies mogelijk te reconstrueren om die vervolgens te becommentariëren, wat inhoudt dat ik de volgorde van de onderwerpen zoals behandeld in de soms meanderende lezing niet steeds respecteer en dat ik verschillende delen van de lezing niet vermeld. Ik ben blij dat de mensen van het Logos Instituut meelezen en hoop dat zij inhoudelijke correcties aanbrengen, mocht ik mij vergist hebben bij de weergave van de woorden van de professor.
Maar mijn conclusies, dierbare gelovigen, die trek ik zelf wel.

Een mythe definieert Prof. dr. Siebesma als een verhaal dat vele mensen kennen, maar niet werkelijk is gebeurd. Mythes van onder meer andere volkeren in het oude Midden-Oosten staan vaak in verband met de schepping van de wereld, ze geven verklaringen van natuurverschijnselen, bevatten zeer veel bovennatuurlijke elementen en werden geschreven in dichtvorm, of preciezer, in een poëtische taal. Oergeschiedenis is daarentegen iets dat effectief gebeurd is in het verre verleden. Middels geschiedschrijving kan die oergeschiedenis schriftelijk weergegeven, bewaard en herinnerd worden.

Afhankelijk van de bedoeling van de tekst hanteerden de Hebreeuwse auteurs van het Oude Testament een andere stijl of een andere taalvariant, bijvoorbeeld een beschrijving van een stuk geschiedenis versus een ode aan de grootsheid van God. Hierbij resulteerden grammaticale verschillen in zeer markante stijlverschillen. Volgens Prof. dr. Siebesma is het zelfs verdedigbaar te spreken over twee verschillende grammatica’s, een voor (eerder prozaïsche) teksten over geschiedenis, een voor de meer lyrische beschrijvingen. De kleine letterkundige in mij begrijpt dit nog, de wenkbrauwen van de nog kleinere taalkundige trekken zich verbaasd samen.

Een voorbeeld: wat in Psalmen wordt geschreven, hoeft inhoudelijk niet overeen te komen met wat in Genesis staat, niet alleen omdat het ene poëzie is en het andere geschiedschrijving, maar ook net omdat het ene een grammatica hanteert die typisch is voor poëzie, de andere een grammatica voor geschiedschrijving. En hier zet hij de wetenschappelijke deur op een kier. Hij dekt zich ook al leep in tegen inconsequenties die zouden kunnen voortkomen uit een letterlijke lezing van het Boek.

Dat zijn overwegend boeiende lezing interessante taalkundige informatie bevat over de taal (Oud Hebreeuws), de stijl- en taalregisters van Genesis, hoeft niet te verbazen. Prof. dr. Siebesma studeerde Semitische talen en letterkunde te Leiden en promoveerde op een onderwerp over de grammatica van het Bijbels Hebreeuws. De man is laaiend over het gesofisticeerde letter- en taalkundige niveau dat de oude schrijvers bereikt hadden. Literatuur op wereldniveau, en wie zijn wij om hem daarin tegen te spreken? In vertaling heeft de Bijbel zijn grootse momenten, ik durf amper te bevroeden hoe veel grootser die stukken in de originele taal klinken. Passie gebaseerd op kennis en expertise, het zet mij aan om verder op zoek te gaan naar informatie omtrent het Oud Hebreeuws.

Maar net zoals de professor realiseer ik me op tijd waar ik me bevind. Niet in de aula van een verstofte universiteit, maar in een Evangelische kerk in Antwerpen. De lezing verzandt en nadert een reeds lang aangekondigd kantelpunt. De wetenschappelijk-taalkundige uitleg pretendeert het stevige fundament te zijn voor religieuze stellingen en gevolgtrekkingen, maar eigenlijk ruilt de professor stilaan het wetenschappelijk denken in voor theologische speculatie.

Een eerste aanwijzing was reeds te horen tijdens zijn uitleg over mythes. De verhalen uit het tweede deel van Genesis (Boek 12-50) over de Bijbelse Aartsvaders kunnen geen mythes zijn omdat ze geen monsters, goden of godinnen bevatten en er worden géén bovennatuurlijke zaken beschreven, behalve dan de wonderen van God. Maar die zijn waar want ze worden beschreven in de Bijbel. Laat ons niet vergeten dat één van de Aartsvaders Abraham is, de vader die bereid was zoonlief te offeren maar uiteindelijk werd tegengehouden door een (niet-bovennatuurlijke?) engel, gezonden door (een niet-bovennatuurlijke?) God.

Het tweede probleem betreft zijn voorbeeld van geschiedschrijving. Terwijl oergeschiedenis een vaststaand feit is uit het (verre) verleden, aldus de professor, hoeft geschiedschrijving niet 100% waar of correct te zijn. Op zich is dat geen verrassende of revolutionaire gedachte. Als voorbeeld haalt hij de belegering aan van Jeruzalem door de Assyriërs. Volgens de Joodse bron zou het overgrote deel van belegeraars op één nacht gedood zijn door een van Gods engelen, volgens Assyrische bron werd het beleg door de Joden afgekocht door middel van veel, heel veel goud. Om onduidelijke redenen wordt die tweede verklaring weggehoond en smalend weggezet. Mijn gok is omdat die eerste versie wel en de tweede niet in de Bijbel staat.

Het wordt ondertussen ook duidelijk dat Prof. dr. Siebesma aan een omtrekkende beweging is begonnen: de verhalen over de Aartsvaders (Genesis 12-50), zijn linguïstisch gezien zuivere geschiedschrijving en die geschiedschrijving is volgens hem betrouwbaar, waar en waarachtig, hoewel hij daarvoor geen andere dan taalkundige redenen voor geeft. Ook het eerste deel van Genesis (1-11) is in diezelfde literaire stijl geschreven, dient dus opgevat te worden als geschiedschrijving en is dus even betrouwbaar, waar en waarachtig. Stijl- of taalvorm, hoe je het ook wil noemen, wordt plots een argument in een betoog over historiciteit. En dat is toch wel een brug of wat te ver.

Verder pleegt hij ook een bekende vorm van weinig milde chantage: een gelovige kan niet (1) geloof hechten aan pakweg de Uittocht uit Egypte en de Intocht in het Beloofd Land, maar wel (2) dat andere heilsfeit, de Schepping, verwerpen. Deze drie heilsfeiten (en bij uitbreiding de hele Bijbelse mik) moeten samen geaccepteerd worden, in hun geheel. Het is belangrijk om aan de historiciteit van Genesis vast te houden, want als men één deel loslaat, dan is er geen reden om de andere dingen als waar te accepteren. Vasthouden aan de evolutietheorie betekent Genesis 1-3 loslaten. Elke (theologische) stroming die de volledige waarachtigheid van de Bijbel in vraag stelt, dient te worden verworpen. Bijbelkritiek leidt tot nazisme, voegt hij daar enigszins verrassend aan toe. Kortom, de professor sluit zijn lezing af met de oproep aan de aanwezigen om stevig vast te houden aan de hele Bijbel omdat dit de gelovige sterk en standvastig maakt in de vloedgolf van de seculiere media.
Applaus.

* * *

Er is nog één facet dat mij bezighoudt, een deeltje van de lezing dat niet van cruciaal belang was, zeker niet voor dit verslag. Tijdens mijn voorbereidingen kwam ik op een les Hebreeuws uit 2015 gegeven door Professor dr. Siebesma (zie lager). In die video legt hij uit hoe het alfabet een uitvinding van de Feniciërs is (hoewel aanpassing een beter woord zou zijn) en hoe het werd overgenomen door de Joden in Israël: “Jullie weten hoe het Hebreeuwse schrift is ontstaan uit het Fenicische schrift”, zegt hij rond minuut 3. “De Feniciërs zijn, naar men aanneemt, degenen die het alfabet hebben uitgevonden.”

Tijdens zijn lezing anno nu komt hij op de proppen met de stelling dat het alfabet uitgevonden werd door de Israëlieten die de uittocht uit Egypte meemaakten. Archeologisch onderzoek heeft dit aangetoond, aldus de professor. De volgende spreker, de heer Arie Dirkzwager, oud-inspecteur Protestantse godsdienst in Nederland en België, herhaalt deze claim en geeft nog het saillante detail mee dat de Joden dit gedaan hebben om de belangrijke god Toth, die de Egyptenaren het schrift had geschonken, belachelijk te maken.

Ik begrijp best dat wetenschappelijke inzichten voortschrijden, dat een wetenschappelijke, historisch-taalkundige overtuiging anno 2018 niet dezelfde hoeft te zijn als een uit 2015, zolang de nieuwe argumenten die geleid hebben tot het nieuwe inzicht sterker zijn dan de oude. Ik ben dus heel benieuwd naar dat “archeologisch onderzoek” dat zou aantonen dat de Israëlieten het alfabet uit het Egyptisch schrift hebben gedestilleerd en dat gedaan hebben om Toth een lelijke hak te zetten. Eerlijk gezegd ben ik ook benieuwd naar eender welk “archeologisch onderzoek” dat de massale uittocht van Israëlieten uit Egypte zou kunnen aantonen, maar dat is niet een ander paar mouwen, dat is de hele jas.

4 reacties op “Creationisme en Wetenschap (2): Taal, oergeschiedenis en fabeltjes

  1. Bedankt voor het verslag, Frank. Tijdens mijn doctoraat in Nederland ben ik meermaals in contact gekomen met het Logos Instituut. Het is vaak tenenkrommend hoe ze de evolutietheorie verdraaien en soms leugens verspreiden (al dan niet bewust). Ik was zeer benieuwd naar het congres in Antwerpen.

    • Dag Jente,

      Dank je voor de vriendelijke woorden. Het is inderdaad tenenkrullend wat op zo’n congres verklaard wordt.

      Ik plan nog een stukje over o.a. “Tips & Tricks” (enkele retorische trucjes die ik verschillende keren gehoord heb) en een stuk over de lezing van Johan Vanbrabant, voor mij de meest beschamende vertoning van de dag, ronduit oneerlijk en vals. Van de andere lezingen ga ik enkel de hoogtepunten vermelden.

  2. Die ‘uitvinding van het alfabet door Hebreeuwse slaven in Egypte’is gemakkelijk op het internet te vinden, zie een Daily Mail artikel van 7 decmber 2016. De uitvinder is ene Petrovich.
    In het Daily Mail artikel staat ook een link naar een wetenschappelijk commentaar op het hele idee.
    Er mogen geen links in de comments, maar het is snel te vinden.

    • Dag Peter

      Bedankt voor de info. Ik heb ondertussen via een twitteraar de titel van het boek doorgekregen (The World’s Oldest Alphabet), en samen met jouw commentaar geeft dit voorlopig het volgende (en ik kan blijkbaar wél links toevoegen):
      * Zeer weinig info na een quick & dirty zoektoch via Google Scholar. Ik heb ondertussen enkele mensen aangeschreven die zich bezig houden met dit soort claims.
      * De commentaar van Prof. Dr. Thomas Schneider waarnaar verwezen wordt in het artikel dat jij vermeldt, is een blogartikel met als titel “The Problem with Reading the Word ‘Hebrew’ in Sinai 115: An Egyptologist’s Response” (http://www.rollstonepigraphy.com/?p=771).
      * Aren M. Wilson-Wright (Universiteit van Zurich) schreef een uitgebreidere commentaar (maar op het eerste zicht zeer gelijklopend): “Hebrew or Not?: Reviewing the Linguistic Claims of Douglas
      Petrovich’s The World’s Oldest Alphabet” (https://www.bibleinterp.com/PDFs/Petrovich%20for%20BI.pdf).
      * Verder vind ik heel wat positieve besprekingen via creationistische en (Engelstalige) Joodse bronnen.

      Ik meen uit deze eerste en snelle zoektocht te mogen besluiten dat de claims van Petrovich verre van algemeen geaccepteerd zijn, nog steeds zeer controversieel, terwijl enkele collega’s ernstige vragen stellen bij de gebruikte methodologie. En dat zou een academicus als Siebesma wel eens mogen vermelden.

      Opnieuw, Peter, heel veel dank voor de info!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Protected by WP Anti Spam