Y. Hettema: Natuurgeneeskundige toepassingen thuis

Een boekje uit 1931 over natuurgeneeskundige toepassingen voor 25 hedendaagse
eurocenten. Netjes uitgegeven, met interessante foto’s en in goede staat (op de typische penetrante geur na). Dat maakt mij blij.

Het boek begint op een klassieke manier. De neovitalistische idee indachtig wordt de levenskracht aanroepen:

Met de moderne filosofen — neovitalisten — nemen wij aan, dat in ons aanwezig is een “levenskracht” (entelechie van Hans Driesch), welk vermogen ons in staat stelt onze levenstaak — de instandhouding der soort en van het individu — te vervullen. Een onderdeel van deze kracht is het natuurlijk genezend vermogen — de vis medicatrix naturae der Grieken — dat tracht ziekelijke storingen te overwinnen.

En uiteraard wordt ook de natuurgeneeskundige (men zou nu zeggen “holistische”)
zienswijze vergeleken met een karikatuur van de “schoolgeneeswijze” van de
(reductionistische) specialisten.

Als wij de natuurlijke geneeskracht aansprakelijk stellen voor het optreden van ziekelijke storingen, dan volgt daaruit dat er geen plaatselijke ziekten zijn, doch dat alle zich plaatselijk uitende aandoeningen gevolgen zijn van het in eenig opzicht tekort schieten van de natuurlijke  geneeskracht: een algemeene, de geheele mensch rakende storing. Het begrip “gestel”, “constitutie” wordt voor ons van belang. We kennen geen ziekten, doch slechts zieken.

In 90 pagina’s behandelt de auteur wat hij noemt de “fysische therapie”. “Dieettherapie”,
“kruidengeneeswijze” en “geestelijke geneeswijze” samen krijgen een drietal pagina’s
toebedeeld. Homeopathie vermeldt hij slechts, aangezien het “in uitvoering zeer
eenvoudig” is.

En die “fysische therapie”, ach, dat valt allemaal wel mee. Zo raadt hij zonlicht aan (met
de waarschuwing dat men daar zeer voorzichtig mee moet zijn), hete luchtbaden (opnieuw met een zinnige caveat). Bij de waterbehandelingen zitten al meer buitenissige voorbeelden, maar al bij al gaat het over een klets koud dan wel warm water zonder al te veel of al te exuberante medische claims. Verder heeft hij het over “afwasschingen”, “afsponzingen” en “afwrijvingen”.

Geen idee of het de gezondheidsbeloftes waarmaakt die Hettema eraan verbindt, maar
schrobben kan deugd doen én de foto’s zijn wel leuk. Ook de foto’s van de volle
vrouwenkonten. En dat meld ik niet lacherig omwille van een blote vrouwenkont an sich,
maar wel omwille van een blote vrouwenkont als verwijzing naar het naturisme, dat
opkwam in Nederland tijdens diezelfde jaren dertig.

Al bij al weinig of niets waarbij een mens kan denken “probeer dit vooral niet thuis”. Op het stuk “Behandeling met electriciteit” na, misschien. Maar ook hier geeft de schrijver
expliciet het advies om vooral niet zelf beginnen te experimenteren. Bij de darmspoeling
ofte clysma — het stuk waar wij hem traditioneel beginnen te knijpen — geeft hij
eveneens enkele strenge waarschuwingen mee. Lavementen met tabakwater raadt hij ten stelligste af wegens gevaar op een acute nicotinevergiftiging.

Het “filosofische” kader hangt uit de haak en de meeste behandelingswijzen lijken me
eerder kwak, maar er zijn exuberantere vormen van alt med.

* * *

Dan maar de auteur door de zoekmolen van Google: Hettema, met Y van IJsbrand. Arts te Hilversum. Voor een beperkt lijstje met publicaties moet ik zowaar mijn toevlucht nemen tot Google Books. Maar het geeft wel een beter idee van de al dan niet pseudomedische bekommernissen van Hettema: Ons voedsel als ziekteoorzaak
en Schadelijke voedings- en genotmiddelen (beide boeken schreef hij samen met de Zwitserse arts Maximilian Oskar Bircher-Benner), Vivisectie (i.s.m. de Nederlandse Bond ter Bestrijding der Vivisectie), Het geheimer gezondheid: medische encyclopedie (in de infame reeks “Universiteit voor zelfstudie”), etc.

Een volgende reeks Googlehits betreft de plannen voor een ander “natuurgeneeskundig
centrum” in Lelystad, maar deze keer door de zoon van IJsbrand Hettema, namelijk Felix Ragnar Hettema (1981) en de opening ervan (in 1982). Merkwaardig genoeg vind ik deze informatie op Digibron, Kenniscentrum Gereformeerde Gezindte, anders gezegd, in het archief van het Reformatorisch Dagblad.

Wat het Reformatorisch Dagblad niet vermeldt, en het Actieblad Tegen de Kwakzalverij
van 1983 wél, is het oorlogsverleden van IJsbrand Hettema (p. 7).

DE HETTEMAKLINIEK
De Hilversumse Dr. Hettemakliniek draagt de naam van een SS-arts. De kliniek is gevestigd aan het Wandelpad te Hilversum. De Gooien Eemlander die dit bericht bracht voegde er aan toe dat de zoon, de natuurgenezer die dit “natuurkundig gezondheidscentrum” met “alles d’r op en d’r an” (natuurgeneeswijze, homeopathie, acupunctuur, moderne voedingstherapie) oprichtte, de naam zal handhaven. Dokter IJsbrand Hettema had vroeger een praktijk voor natuurgeneeswijze aan de Taludweg te Hilversum. Tijdens de oorlog sloot hij zich aan bij de SS en vertrok naar het Oostfront. In 1949 werd hij gearresteerd. Hij werd tot zeven jaar gevangenisstraf veroordeeld. Na vragen in de Hilversumse gemeenteraad is de naam van de kliniek tóch gewijzigd.

Op zich heeft dat uiteraard niets te meer maken met de medische kennis van de dokter en de therapeutische waarde van zijn natuurgeneeskundige toepassingen. Maar van
een alternatief doktersromannetje wordt het plots wel een oorlogsthriller.

Het laatste stapje voert ons via een het proefschrift Het dierloze gerecht. Een
vegetarische geschiedenis van Nederland, door A.D.J. Verdonk naar “de onvermijdelijke Felix Ortt” medeoprichter van de Nederlandsche Vereeniging tot Natuurgeneeswijze.

Deze Felix Ortt was een van de belangrijkste theoretici van het christenanarchisme in Nederland, aldus mijn eerste bron, Wikipedia. Ik ga ook gewoon een snelle copy-paste
doen. Mijn bedoeling was een stukje te schrijven over natuurgeneeskundige toepassingen en volle konten. Hoewel razend interessant, deze wending gaat (voorlopig) mijn petje te boven.

Als propagandist voor vegetarisme en geheelonthouding komt Ortt in contact met de radicale jonge vleugel van de moderne richting in de Nederlandse Hervormde Kerk, die georganiseerd was in de Nederlandse Protestantenbond met als orgaan De Hervorming. Deze jongerenstroming stond sterk onder invloed van het godsdienstig-maatschappelijk denken van de Russische schrijver Lev Tolstoj, dat door volgelingen werd omschreven als christen-anarchistisch. Tolstoj zag de Bergrede als de kern van de evangeliën, en hierin was weer de weerloosheid en het afwijzen van ieder geweld het belangrijkste principe. In 1897 scheidden deze jongeren zich af en gingen zij het blad Vrede uitgeven. Ortt schreef in hetzelfde jaar Christelijk anarchisme, later in 1897 herdrukt onder de titel Het beginsel der liefde.

* * *

Dit artikel is enkel het resultaat van een gelukkige vondst en een avondje googlen en
lezen. Ik hoop ergens dat ik ooit nog stoot op een uitgebreidere biografie van Hettema, of op een geschiedenis van de alternatieve geneeskunde in de Lage Landen, meer informatie over nationaalsocialisme en de blijkbaar niet ongebruikelijke relatie met alternatief-esoterische denkers. Tips, beste lezers, zijn meer dan welkom! Ik vermoed dat informatie over het christen-anarchisme makkelijker te vinden is.

Hoe dan ook, lang geleden dat ik nog zoveel plezier heb gehad voor €0,25!

Het citaat:

Terwijl dus eenerzijds de “schoolgeneeswijze” een leger van specialisten heeft doen ontstaan, waarvan ieder slechts één orgaan behandelt, van de rest van de patient weinig notitie neemt, of wanneer hij storingen buiten zijn gebied vermoedt, de zieke naar een andere specialist verwijst, die eveneens een orgaan behandelt, ziet de natuurgeneeswijze de mensch als een psychisch-fysisch geheel, dat niet gebaat is door orgaan-specialistische behandeling, doch waarbij de oorzaak van het tekortschieten van het natuurlijk genezend vermogen gezocht en weggenomen moet worden.

Y. Hettema, Natuurgeneeskundige toepassingen thuis. Practische handleiding voor
leeken. N.V. Uitgevers Maatschappij “Kosmos”, 1931.

Erich von Däniken: Waren de goden kosmonauten?

Andermaal eentje uit het teruggevonden archief van mijn vorige blog “Book Liberation Movement. Over vergeten en te vergeten boeken”.

* * *

Het moet 30 jaar geleden zijn dat ik het boek van Erich von Däniken Waren de goden kosmonauten? voor het eerst gelezen heb. En dat dient gevierd!

Nu ja, echt zeker ben ik niet. Mogelijk is het een valse herinnering of een telfout. Maar goed, al bij al is onze jaartelling ook gebaseerd op verzonnen herinneringen en/of telfouten en daar maken we ons ook niet te druk over terwijl we champagne nippend onze vingers afschieten met illegaal vuurwerk. Hoe dan ook, vijftien, zestien jaar moet ik geweest zijn, de ideale leeftijd voor dit soort fantastische verhalen.

Ik was dus blij, laatst, toen ik von Dänikens boek voor een euro of wat op de kop kon tikken in de kringloopwinkel Opnieuw&Co, tegenwoordig mijn geliefkoosde boekhandel én mijn belangrijkste bron van goedkoop esoterisch, paranormaal en pseudowetenschappelijk drukwerk. Met het nodige geluk heb ik daar al boeken van Velikovsky, Geller, Tenhaeff, Berlitz, Baigent, Weverberg en andere absoluut te lezen fantasten op de kop kunnen tikken. De verplichte klassiekers aan dumpingprijzen.

Het boek Waren de goden kosmonauten? (Erinnerungen an die Zukunft) verscheen in bloemenjaar 1969. Maar von Däniken was niet de eerste die ongegeneerd speculeerde en fabuleerde over de buitenaardse bezoekers met goddelijke kwaliteiten. Een van de eerste auteurs die enige bekendheid verwierf met zijn schrijfselen rond vermeende goddelijke bezoekers was Morris K. Jessup, master in de astronomie, verkoper van auto-onderdelen, zelfverklaarde ufologist en een van de sleutelfiguren in de hoax rond het zogenaamde Philadelphia experiment. Reeds in 1956 schreef hij UFO and the Bible waarin hij wilde aantonen dat “(1) there is a causal common denomiantor for many of the Biblical wonders” en “(2) this common cause is related to the phenomena of the UFO, both directly and indirectly”.

In 1960 speculeerden Louis Pauwels en Jacques Bergier Le matin de magiciens over “visiteurs venus du Dehors”, “visiteurs interplanétaires avaient installé un réseau sur la Terre” en “astronautes venus du Cosmos” in prehistorische tijden. Het boek bevat verder een mikmak aan thema’s die in de jaren 70 verder zouden geëxploreerd (of geëxploiteerd, zo u wil) worden door tal van auteurs en uitgeverijen: paranormale verschijnselen, verborgen krachten van de menselijke geest, verdwenen beschavingen, etc. Maar u kan het rustig zelf nalezen: de hele “introduction au réalisme fantastique” kan u hier integraal downloaden.

Ook Robert Charroux (pseudoniem van Robert Joseph Grugeau) was von Däniken voorafgegaan met Histoire inconnue des hommes depuis cent mille ans. Dat boek werd gepubliceerd in 1963, maar kende aanvankelijk geen overdonderend succes. Toch werd het vertaald in het Engels en het Duits. Histoire inconnue werd opnieuw uitgegeven in 1970 naar aanleiding van von Dänikens werk. In het Nederlands verscheen het datzelfde jaar als Onbekend verleden. Geheimen uit 100 eeuwen bij Kluwer in de reeks Ankh. In diezelfde periode zouden beide auteurs nog een paar boeken produceren waarin ze verder borduurden op hetzelfde thema: o.a. Terug naar de sterren (Zurück zu den Sternen, 1970) en Vergeten werelden (Le livre des mondes oubliés, 1971).

Maar het was von Däniken die de kosmische loterij won: het waren zijn boeken die insloegen als een bom. Het waren zijn schrijfselen die een enorme impact hadden. Ook een economische: 60 miljoen verkochte exemplaren wereldwijd is niet niks. De website van Ankh Hermes, een van de belangrijkste Nederlandstalige uitgevers van boeken over esoterische en paranormale onderwerpen, lijkt zelfs te suggereren dat het boek er (mede) voor zorgde dat de firma zich kon bestendigen na de breuk met de grote Kluweruitgeverij en zich dus voluit kon concentreren op de productie van gedrukte esoterica. Hoe dan ook, 10 drukken alleen al in 1969, het blijft indrukwekkend.

En bijna 30 jaar lang werd het boek herdrukt en bleef von Däniken het onderwerp recycleren, met onder andere Terug naar de sterren (1969), Mijn visie in woord en beeld (1973), De dag dat de goden kwamen (1984), De terugkeer van de goden (1992), De goden wáren astronauten (2001).

In 1971 vond Kluwer het toch nodig om Pieter Colls Hebben zij gelijk? (Geschäfte mit der Phantasie) uit te geven. En dat boek is “geen spitsvondige, wetenschappelijk uiteenzetting”, verzekert de voorflap ons, “maar een nuchtere beschouwing”. “Een aanval op von Däniken, Charroux e.a.”, stelt de cover eerder lapidair. Afbeeldingen van kosmonauten met bolvormige helmen worden plots jagers met een capuchon, buitenaardse astronomische kennis wordt herleid tot zijn ware, menselijke proporties, Egyptische beelden en stenen kunnen ook zonder goddelijke kosmokrachten verplaatst worden. Het boek van Colls bevat dan zelf weer enkele zeer dubieuze theorieën, maar dat is materiaal voor een ander artikel.

Terug naar het boek van von Däniken, en naar twee, drie punten die mij nu, een kwarteeuw later, wél opvallen: het voorwoord en de opbouw van de argumenten in het boek. Het voorwoord is geschreven door prof. dr. Fred L. Polak, een toch wel notoir futuroloog. En zelden heb ik zo’n vernietigende prelude gelezen. De zin “Om zijn ideeën te steunen wordt eenvoudig van alles en nog wat er door hem met de haren bijgesleept” is niet echt een lofbetuiging. Ook maakt Polak met de hoofdstelling van von Däniken gelijk komaf. Het is niet meer dan “louter fantasie”, “sciencefiction, “ja, complete nonsens”. En we zijn nog geen 2 pagina’s ver.

Maar dan draait ook de goede professor gedeeltelijk bij: von Däniken heeft enkele interessante vondsten gedaan en misschien kunnen die interessante vondsten wel iets betekenen in de ontwikkeling der wetenschap. Wat die interessante vondsten nu precies zijn, daarover laat prof. dr. Polak ons in het ongewisse.

Dat nu net von Dänikens boeken aansloegen is verwonderlijk. ’s Mans schrijfstijl is bijna even bot en primitief als zijn manier van argumenteren. Het procedé dat hij volgt is niet alleen onderontwikkeld en grof, maar ook en vooral vervelend en eentonig. Met zoveel denkfouten per pagina was de lectuur van Waren de goden kosmonauten? anno nu geen makkie. Meermaals is de moed mij in de schoenen gezonken, meermaals heb ik het boek wild vloekend dichtgeklapt. Geduldig kritisch denken? Me ouwe hoela!

Hij begint met een speculatie en alleen al het vermelden van die speculatie is genoeg om daar een feit van te maken waarop verder gebouwd kan worden met een nieuwe speculatie. Buitenaards leven is mogelijk — plaats genoeg, het universum is tenslotte vrij groot — dus, concludeert von Däniken, er ís buitenaards leven. Het is denkbaar dat enkele vormen van buitenaards leven mensachtig zijn, dus, er ís een ras van mensachtige aliens. Het is denkbaar dat deze wezens technologisch geavanceerd zijn, dus zíjn ze dat, etc. En zo bouwt-ie zijn intellectueel oneerlijk kaartenhuisje op, ad nauseam, met hier en daar een erkertje: wat hij niet kent, verklaart hij toch vanuit zijn gefantaseerde theorie. En neen, voor onze Zwitser is onwetendheid geen obstakel.

Cultureel heeft het boek, of beter, het hele idee, zeker wél zijn waarde en het blíjft een fantastisch verhaal, groots maar verzonnen. Hoewel de idee ruimtevaarders = goden niet meer springlevend is (denk maar aan de laatste, zij het licht comateuze Indiana Jones) is het toch een meme dat blijft plakken. En met veel plezier verwijs ik naar bijvoorbeeld de mensen van MonsterTalk, meer bepaald naar de episode Ancient Alien Astronauts.

Gedreven door jeugdsentiment herlees ik zelf graag Rosinski’s en Van Hammes stripreeks Thorgal, over een vermetele Viking annex gestrand Sterrenkind, en vooral dan de cyclus over de laatste der pseudogoddelijke ruimtereizigers ergens in zuidelijk Amerika (album 9 t.e.m. 13). In deze cyclus wordt niet alleen uitgebreid verwezen naar de ideeën van Von Däniken en Zecharia Sitchin, maar ook naar die van een Jim Woodmann (luchtballonnen annex schepen in zuidelijk Amerika).

Leuk, degelijk entertainment en met een beetje geluk vindt u ze in een kringloopwinkel.

Het citaat:

Zonder twijfel was de Ark des Verbonds elektrisch geladen! Indien men namelijk de door Mozes overgeleverde aanwijzingen thans reconstrueert, ontstaat er een spanning van vele honderden volts. De condensator werd door de gouden platen gevormd, waarvan de ene een positieve en de andere een negatieve lading had. Zou een der beide cherubijnen op het verzoendeksel nu ook nog gewerkt hebben als een magneet, dan zou de luidspreker — wellicht zelfs een soort ‘langeafstandsgesprekinstallatie’ tussen Mozes en het ruimteschip — volmaakt zijn geweest.

 

Erich von Däniken, Waren de goden kosmonauten? Onopgeloste raadsels uit het verleden. Uitgeverij N. Kluwer, 1970.

Jos Van Limbergen (1902-1975)

Oude wetenschappelijke publicaties, toevallige vondsten in de n-de handse
boekenwinkel, ik blijf er een zwak voor hebben. En soms denk ik zelfs dat er een onderwerp voor een blog in zit. Ach ja.

Met een beetje chance duikt Schönfelds Historiese grammatika van het Nederlands uit
1932 op, waarin vol enthousiasme de vondst wordt aangekondigd van wat toen de oudste Nederlandse zin beschouwd werd, u weet wel, “Hebben olla vogola…”. Dat decennia later blijkt dat het waarschijnlijk eerder Engels-Kentse zin is dan een Nederlandse, dat mag de pret niet drukken. Of verschijnt er een uitgave van Natuurwetenschappelijk Tijdschrift (14 jaargang, 1932) in de rommelbakken, waarin de eerste stappen worden gezet naar het “phonetisch onderzoek van het stridulatiegeluid der mieren” en “den oorsprong der genocyten bij Werveldieren en inzonderheid der oerkiemcel bij de Zoogdieren” uit de doeken wordt gedaan. Dank u, Gentse boekentoren!

Even toevallig stootte ik op twee jongere volumes van Natuurwereld. Jaarboek gewijd aan natuurkennis en wetenschap, uit 1965 en 1968. Natuurwereld werd vanaf 1934 uitgegeven door Biokosmos, de “Vrije Vereniging voor Natuuronderzoekers en Wetenschappelijke Publicisten op idealistische grondslag”. Algemeen redacteur was Jos van Limbergen (19021975), die ook de meeste artikels voor zijn rekening nam. Als Benjamin Gorvels schreef hij over biologie, onder zijn echte naam wijdde hij zich vooral aan stukken over astronomie en de toen zeer prille ruimtevaart.

Strijdend Vlaams-katholieke reactionairen en oerconservatieven, zulke auteurs
schoffelen wij in de rubriek Book Liberation Movement normaal gezien een beetje verder naar achteren op de boekenplank, terwijl we terloops controleren of de ketting nog strak genoeg zit. Maar voor Jos Van Limbergen maken we, weliswaar zéér schoorvoetend, een uitzondering. “Nobody’s perfect” mompelen we dan maar.

Al bij al is Jos Van Limbergen een boeiende en zeker niet onbelangrijke figuur: zijn eerste publicatie, Van wondere dingen: wetenschappelijke praatjes, verscheen reeds in 1929, het eerste van een bewonderenswaardige stroom aan populariserende wetenschappelijke boekwerken. Hij zette zich in voor volwassenenvorming en onderwijs, voor de volksverheffing. Education proletaire, proletarische opvoeding, quoi, moest hij geen rabiate communistenvreter geweest zijn. In de jaren zestig, getuige verschillende artikels in het jaarboek van 1968, probeerde hij op zijn typische, bezielende manier het grote publiek te overtuigen van het belang van natuurbescherming. En als amateurastronoom richtte hij, samen met de pastoor Hendrik Van Gaal, de volkssterrenwacht Urania (te Hove) op.

Het citaat:

De geestelijke vermogens van de vrouw zijn niet geringer dan die van de man. Maar in het verleden kregen de vrouwen zelden of nooit gelegenheid om zich praktisch met de wetenschappen in te laten. Nu reeds zijn vrouwen in allerlei wetenschappelijke laboratoria de gelijken van hun mannelijke kollega’s. In de toekomst zal het aantal
vrouwelijke geleerden snel toenemen. Dit jaarboek heeft nagenoeg evenveel lezeressen als lezers.

Vrouwen praten meer dan mannen (en andere taalmythes)

Dit was mijn eerste artikeltje voor Wonder en is gheen Wonder, het ledentijdschrift van SKEPP. Het verscheen in het lentenummer 2016.

* * *

Zolang niet hetzelfde geldt voor een doorsnee boekenrek, kan een steeds uitdijend heelal me niet echt boeien. Wegens plaatsgebrek heb ik de laatste dagen drommen boeken afgevoerd naar 2dehands.be. Daar wordt een mens niet vrolijk van. Gelukkig stootte ik tijdens dit hartverscheurende werk op Language Myths, een van mijn meest geliefkoosde bundeltjes bedrukt papier.

Dat vrouwen veel meer praten dan mannen bijvoorbeeld. Of dat primitieve volkeren zoals Aboriginals of Bosjesmannen even primitieve – lees: kinderlijk eenvoudige – talen spreken. Mensen die taal- of spelfouten maken, zijn dom. En de media, ach meneer, die ruïneren onze taal. Dat soort mythes dus. De bijdragen werden geschreven door het kruim der Angelsaksische linguïstiek en uitgegeven door theoretisch taalkundige Laurie Bauer en sociolinguïst Peter Trudgill.

“The meaning of words should not be allowed to change”

Deze eerste mythe werd onlangs nog geïllustreerd toen Google Dictionary met het volgende kwam aanzetten:

lit·er·al·ly /´litərəlē/
1. In a literal manner or sense; exactly: “the driver took it literally when asked to go straight over the traffic circle”.
2. Used to acknowledge that something is not literally true but is used for emphasis or to express strong feeling.

De storm die hierdoor opstak was even voorspelbaar als hevig. “How language is literally losing its meaning”, fulmineerde John Sutherland in de Britse krant The Guardian. Maar als je anno 2016 iemand ‘nice’ noemt, dan bedoel je daar niet ‘dom’ of ‘onwetend’ mee, zoals het Latijnse etymon ‘ne-scius’ suggereert. Evenmin bedoel je ‘arm’, ‘behoeftig’, ‘zwak’ of ‘timide’. Nochtans heeft ‘nice’ in de loop der tijden al deze betekenissen gehad. Taal verandert. Betekenissen van woorden zijn niet in steen gebeiteld.

“English spelling is Kattastroffik”

Nog zo’n klassieker. En ach, dat valt wel mee. Enerzijds kiest men in het Engelse taalgebied nog steeds voor wat wij in het Nederlands het etymologische principe noemen, maar dan in overdrive: de geschiedenis van een woord bepaalt de schrijfwijze en verandering zit er momenteel niet in. Anderzijds heeft het Engels, net zomin als het Nederlands, geen paradijselijke spelling waarbij één unieke klank weergegeven wordt door één unieke letter.

“Italian is beautiful, German is ugly”

Deze mythe kennen we in de Lage Landen ook. “That’s amore”, zingt Dean Martin, eerder dan “that is Liebe”. Toegegeven, hij had Italiaanse roots, maar u begrijpt vast mijn punt. Het is niet moeilijk om een cultureel-historische reden te geven: de bijnaam van The History Channel is The Hitler Channel eerder dan TV Benito.

Hetzelfde geldt trouwens voor de perceptie van andere talen en regiolecten: er zijn geen inherente redenen waarom een bepaalde taal of regionale taalvariant mooier of verhevener zou zijn dan de andere. Het Atheense stadsdialect mag in Griekenland dan wel een hoger aanzien hebben dan één of ander Beotisch boerentaaltje, voor mensen die geen Grieks spreken en aan wie de culturele en historische achtergronden voorbij gaan, maakt het weinig verschil.

Van myth buster tot skepticus

In 2000 kwam Language Myths voor mij net op tijd. Het kleine beetje germanist dat toen nog in mij zat, was niet zozeer verbaasd door de taalmythes, maar wel door het feit dat ze nog steeds de ronde deden. Op de prille interwebs zorgden deze mythes er dan ook voor dat in tal van toenmalige Yahoo-groups taalkunde al snel verzandde in ergerlijke pseudotaalkunde.

In die periode begon ik, eveneens dankzij het internet, kennis te maken met enkele skeptische medemensen, die later mijn stepping stones werden naar skeptische organisaties. Vooral de Engelse taalkundige Mark Newbrook, die in de periode 1998-2006 artikelen schreef over pseudotaalkunde voor het Australische blad The Skeptic, speelde daarbij een hoofdrol. In 2013 schreef hij het boek Strange Linguistics. A skeptical linguist looks at non-mainstream ideas about language.

Zestien jaar later ben ik nog steeds kennis aan het maken, maar het verbaast me hoegenaamd niet meer dat diezelfde taal- en andere mythes nog altijd de kop opsteken.

De openingszin van Language Myths — en ook het afsluitend citaat — is er eentje om in te kaderen, ook door wetenschappers in andere disciplines. Dat de publieke opinie wel zal volgen eens een wetenschappelijke consensus onder specialisten bereikt is, is immers nog zo’n hardnekkige mythe.

The main reason for this book is that we believe that, on the whole, linguists have not been good about informing the general public about language.

Bauer, L. en Trudgill P. (red.), Language Myths. Londen, 1998.

René Goscinny en Albert Uderzo: Asterix en de Ziener

In deel 19 van deze vulgariserende geschiedkundige reeks over een klein Gallisch dorp dat moedig weerstand blijft bieden aan de Romeinse overweldigers, leiden de auteurs ons doorheen de wereld van vogelwichelaars, ingewandenlezers en auguren.

Na een korte vergelijkende studie waarin gewezen wordt op de gelijkenissen en de verschillen tussen Gallische en Romeinse tradities op het gebied van de clairvoyance, focussen de schrijvers op de ziener Xynix.

Vooral zijn invloed op de goedgelovige bevolking van het Gallische dorp wordt belicht, alsmede zijn omgang met een van de eerste gedocumenteerde Gallisch-Franse vrijdenkers (p. 8, 14). Deze laatste laat de dorpsbewoners op basis van een subtiel vroeg-Russelliaans skepticisme en een streepje force brute zien dat de paranormale positie van de ziener onhoudbaar is. Als gevolg hiervan komen de latente spanningen tussen het Romeinse heir en de Gallische bevolking enerzijds, en de Gallische druïde en de ziener anderzijds, aan de oppervlakte.

Een punt van kritiek: geheel onverwacht en volledig los van het eigenlijke onderwerp van deze studie wordt op het einde van dit boek ingezoomd op de culinaire tradities in het Gallische dorp.

Het citaat:

Xynyx: Maar ik zou ook die hond kunnen nemen … Ik lees heel goed in honden.
Idefix: Kaiiiii!
Obelix: DE EERSTE DIE IDEFIX AANRAAKT KRIJGT EEN DREUN!
Asterix: Pas maar op, de voorspellingen van Obelix komen meestal uit.

 

René Goscinny en Albert Uderzo: Asterix en de Ziener. Dargaud, 1972.

Dag van Desiderius Erasmus

In de nacht van 27 en 28 oktober, nu toch al enige tijd geleden, werd Desiderius Erasmus geboren, ergens in Nederland. Het precieze annus domini is onbekend maar er zijn genoeg redenen om drie jaartallen voor te stellen, 1466, 1467 of 1469. En ook wel om aan alle drie te twijfelen.

Meer dan waarschijnlijk zag hij in Rotterdam het levenslicht, heel misschien in Gouda. Eén bron vermeldt Goudæ conceptus, Roterodami natus, met andere woorden: verwekt in Gouda (als buitenechtelijk kind van een priester en zijn huishoudster), geboren in Rotterdam. Waar men wél zekerheid over heeft: Erasmus stierf en meer bepaald in Bazel, op 12 juli 1536.

Desiderius Erasmus, priester, docent, schrijver, enzovoort was één van de grootste
humanisten van de renaissance en met verve speelde hij de rol van sparring partner van o.a. Maarten Luther. Toch is hij in onze contreien vooral bekend vanwege het
tussendoortje Lof der Zotheid. Of, aangezien Erasmus geen letter in het Nederlands heeft geschreven, Laus Stultitiae (1509, gedrukt in 1511).

Erasmus was steeds kritisch, messcherp zelfs, voor zijn kerkelijke werkgevers en zijn
professie, maar hij profileerde zich steeds als katholiek. Tijdgenoten verweten hem
daardoor een wegbereider te zijn van de Reformatie die hij bestreed. En des te meer nadat Maarten Luther zijn 95 stellingen aan de de kerkdeur van de slotkerk te Wittenberg had genageld in 1517 (of niet). Toch was zijn kritiek op de katholieke kerk ongenadig, waarbij hij zich niet zelden baseerde op nieuwe tekstuitgaven, eigen vertalingen uit het Grieks naar het Latijn. Anders gezegd, Erasmus liet zich in zijn Bijbelexegese leiden door zijn eigen baanbrekend filologisch werk en niet door de vastgeroeste leerstellingen van de Rooms-Katholieke Kerk.

Kortom, best een boeiende mens, die Desiderius. Ik verwijs u dan ook graag door naar
de directe aanleiding van dit artikel: de hoorcolleges over Erasmus door Prof dr. Hans
Trapman, emeritus bijzonder hoogleraar cultuurgeschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. De hoorcolleges verschenen bij Home Academy in 2013 en liggen op u te wachten in elke grotere bib.

En als u helemaal de smaak te pakken krijgt: Lof der Zotheid vindt u hier in een relatief
moderne hertaling van 1952 terug op de voortreffelijke website van De Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, waar u ook enkele andere werken van Erasmus aantreft. Heeft u ‘t zot goed te pakken, dan kan u hier de Latijnse tekst raadplegen. Uw academische neigingen, tot slot, kan u de vrije teugel laten in de Erasmus Online Database van het Rotterdamse Erasmuscenter.

Achter de schermen van ons denken

Dit artikel verscheen in het herstnummer 2016 van Wonder en is gheen Wonder.

* * *

Als een mens sterft, kan hij dan weer levend worden? Mocht Job het niet in boek 14 vers 14 aan God gevraagd hebben, maar in de vroege 20ste eeuw aan een spiritistisch medium, dan was het antwoord waarschijnlijk gematigd positief geweest. In die periode was het  spiritualisme en de idee dat de doden willen en kunnen communiceren met nabestaanden ongemeen populair.(1) Dat de overledenen er schijnbaar de voorkeur aan gaven om dat te doen via een te betalen tussenpersoon, heeft dan toch weer te maken met plat opportunisme, eerder dan met verheven gedachten.

De mediums professionaliseerden snel en om hun succes te garanderen bouwden
enkelen een geavanceerde trukendoos uit die vaak de vorm aannam van een donkere kamer met extra geheime luiken, elektronische en andere snufjes waarin de seances konden plaatsvinden. Gelukkig kregen ze tegengas van andere beroepsleugenaars. “Vanaf het moment dat het mediumschap een beroep werd, kregen de beoefenaars het aan de stok met goochelaars. Dit mag geen verrassing zijn, het is een al te natuurlijk duel”, aldus goochelaar en medium buster Joseph Dunninger, wiens boek Inside The Medium’s Cabinet uit 1935 aanschurkt tegen de beschrijving van een Dawkinsiaanse evolutionaire wapenwedloop.

Een van de meest tot de verbeelding sprekende goochelaars die zich heeft beziggehouden met het onderzoeken en debunken van mediums en spiritisten was Dunningers leermeester, de grote Harry Houdini. Maar over hem gaat het hier niet.(2) Wel over de Amerikaan David Abbott (1836-1934). Als amateurgoochelaar
ontwierp hij verschillende trucs die hij demonstreerde in zijn privétheater en doorverkocht aan professionele goochelaars. Eveneens in zijn vrije tijd schreef hij het nog steeds zeer leesbare Behind the scenes with the mediums (1907).

Zoals vele van zijn voorgangers en zijn navolgers ging Abbott incognito op bezoek bij tal van zelfverklaarde paranormaal begaafden om hun opvoeringen te bestuderen en te analyseren. In Behind the scenes with the mediums doet hij met verve hun trucs uit de doeken: van zogenaamde cold readings (suggestieve vraaggesprekken) en exploten met geschreven berichten in (dubbele) enveloppen van de rondzwervende mediums, tot spectaculaire seances met zwevende tafels, vliegende geesten en verborgen valluiken van de meer huiselijk ingestelde oplichters. Vaak bespreekt hij een alternatief, soms vermeldt hij met trots en plezier een verbetering. Met zijn technischer boek The spirit portrait mystery uit 1913 zou hij trouwens definitief een einde maken aan de carrière van de beruchte Bangs Sisters, die in de jaren van de sepiakleurige fotografie schatrijk werden met hun spectaculaire seances.

De waarde van Behind the scenes ligt niet zozeer in de uitleg van de achterhaalde
trucs, hoewel de basisprincipes interessant zijn en waarschijnlijk tijdloos. Het zijn vooral de alinea’s tussen de “mediumistische” exposities die boeien: de wereld van de Amerikaanse mediums van rond de eeuwwisseling, hun handlangers en hun slachtoffers. Met milde humor vertelt Abbott over de goedgelovige klanten, steevast gegoede burgers met grote besognes en nog grotere portemonnees. Interessant is dat
hij één van de bevriende mediums laat opmerken dat niet de gewone mensen de beste
klanten [zijn],

maar dokters, advocaten, zakenmannen, leraars, kortom, de intelligentere klasse van mensen. Hij zei dat wetenschappelijk denkende personen de beste zitters zijn, omdat zij ernstig zijn en de meeste aandacht schenken. En dat feit is zowat van het allergrootste belang voor het slagen van welke truc ook.

Hij is ook niet al te scherp voor de mediums, wiens drijfveer uiteraard geld is, steeds meer geld. Die beweegreden kon Abbott waarschijnlijk nog best pruimen ook; zelf was hij een professionele woekeraar. Trouwens, onder zijn afnemers van goocheltrucs waren verschillende praktiserende mediums.

Abbott beschrijft mooi een dubbele dynamiek die door de scene ging. Enerzijds werden door de jaren heen de sessies uitgebreider en spectaculairder. Anderzijds groeiden de verhalen over mediums door de mond-tot-mondreclame zo spectaculair dat de hoofdrolspelers zélf de feiten niet meer herkenden. Hij weet verder te melden dat de meeste mediums waar hij contacten mee onderhield, helemaal niet tuk waren op de immer groter wordende seances voor spiritistische clubjes van verveelde bourgeois, spektakel-journalisten en de occasionele medium buster die hen vaak gebruikten om zichzelf in de kijker te plaatsen. Ze vroegen te veel voorbereidend werk en dus een grote investering. Bovendien was de controle tijdens de seance vaak al te streng. Liever deden de meeste mediums privésessies met individuele klanten omdat zij zonder kritische of veeleisende bijzitters makkelijker te manipuleren waren. Het valt trouwens op dat de meeste mediums die in het boek ter sprake komen, geloofden in de eigen capaciteiten van het cold reading en dus in de goedgelovigheid van hun klanten, en vervolgens in die van de leveranciers van nieuwe trucs.

Maar ook over de wereld van de Abbotts en de Houdini’s en van de groots opgezette seances tjokvol spectaculaire trucs viel uiteindelijk het doek. De klopgeesten werden terug in de kast gezet en de ectoplasma’s gladgestreken. De mediums, die bleven, immer op zoek naar rouwenden die snakten naar duurbetaalde woordjes van een dierbare uit het Jenseits. Het onderzoek naar de strapatsen van mediums en andere paranormaal begaafden werd in de volgende decennia professioneler, maar in eerste instantie zeker niet wetenschappelijker, als ik Rob Nanninga’s boek Parariteiten. Een kritische blijk op het paranormale erop nasla.

Meer nog, het is schrijnend dat de kemels en problemen die Abbott en andere goochelende mediumjagers steeds opnieuw meldden, ruim een halve eeuw later dunnetjes werden overgedaan door de moderne onderzoekers. Zo lieten onderzoekers zich net als de klanten uit Abbotts verhaal inpakken door het uiterlijk van de vermeend paranormale, of het nu om een meelijwekkend halfblind, kreupel medium uit de belle époque ging of een charmante Israëli met kromme lepels uit de jaren 1970. In beide omstandigheden weigerden zij de zogenaamd paranormalen te beschouwen als potentiële bedriegers. Andere academici waagden zich aan een onderzoek maar wisten niet hoe of zelfs maar wat te observeren en gaven zo het goochelende testsubject de vrije hand. Vaak ontbrak hen het besef dat ze daarvoor helemaal niet opgeleid waren, een schoolvoorbeeld van het Kruger-Dunningeffect.

Zelfoverschatting was een ander euvel. Beroemd is het verhaal van James Randi’s Project Alpha, waarbij hij enerzijds twee jonge goochelaars en anderzijds een waslijst aan caveats naar een nietsvermoedende psi-onderzoeker stuurde. De zelfzekere academicus negeerde Randi’s waarschuwingen en liet zich wekenlang bedotten door de twee jonge snaken.

De idee dat hoogopgeleiden tot de groep van betere slachtoffers behoren, wordt ook aangehaald in W.L. Greshams biografie van Houdini uit 1959.(3) De auteur doet er nog een schepje cognitieve dissonantie bovenop, al dan niet geïnspireerd door het onderzoek van ene Leon Festinger(4) uit diezelfde periode. Bijna dezelfde verhaallijn vinden we meermaals terug bij Nanninga. Houdini beleefde er het grootste plezier aan, wanneer de een of andere hoge mijnheer met een serie titels achter zijn naam met zijn petje niet bij de wonderen van de ontsnappingskoning kon en tenslotte de uitleg ervan maar zocht in bovennatuurlijke krachten.

Waarschijnlijk is het schier onvermijdelijk dat mensen dezelfde fouten maken als onze voorgangers. En persoonlijk vind ik dat niet erg. Mijn foutgerichte aandacht en onnozele post-hocrationalisaties stellen mij telkens weer in staat om te genieten van de kunsten van een Gili en eenTayson Peeters, twee mentalisten die ik graag een illusie op mijn mouw laat spelden.

* * *

  1. Spiritualisme gebruik ik hier als een overkoepelende term voor tal van aanverwante levensbeschouwingen. Strikt genomen is spiritisme een van de vele bewegingen binnen het spiritualisme. Ik ga het hier niet te scherp slijpen en gebruik de termen op een lossere manier. Hoe dan ook, het artikel “THREE FORMS OF THOUGHT; M.M. Mangassarian Addresses the Society for Ethical Culture at Carnegie Music Hall” uit de New York Times van 29 november 1897 vermeldt dat het toen zo’n acht miljoen volgelingen zou hebben in de Verenigde Staten en Europa. Raadpleegbaar via http://query.nytimes.com/ mem/archive-free/pdf?res=9B05E0DF1638E433A2575AC2A9679D94669ED7CF.
  2. Pieter Peyskens, “Houdini, goochelaar onder de geesten. Over het leven en skepticisme van Harry Houdini.” Wonder en is gheen wonder, nr. 4, 2009. Raadpleegbaar via http://skepp.be/nl/levensbeschouwing-evolutie/skeptisch-kritischdenken/houdini-goochelaar-onder-de-geesten
  3. W.L. Gresham, Houdini, de man die door muren liep. Amsterdam, Elsevier, 1964. Het originele werk verscheen in 1959. Heel leuk en niet volledig naast de kwestie: in een van de eindnoten wordt de lof bezongen van een nieuw talent, namelijk de Wonderlijke James Randi, die later o.a. de pseudoparanormale kwast Uri Geller het leven zuur zou maken.
  4. Leon Festinger, A Theory of Cognitive Dissonance. Stanford, Stanford University Press, 1985.

Dag van Joseph Plateau

Een wiskundig probleem, een natuurkundig wet, een voormalige prestigieuze filmprijs, een straat en een gebouw in de universiteitsbuurt van Gent en een baggerboot van Jan De Nuls bedrijf. Alle vijf dragen ze de naam Joseph Plateau, de ontdekker van de oppervlaktespanning én, weliswaar met enige fantasie, een voorvader van de tekenfilm.

Op 14 oktober 1801 werd Joseph Antoine Ferdinand Plateau geboren in Brussel. Zijn vader was een kunstschilder, zijn moeder wordt niet vermeld in de biografie van Van der Mensbrugghe, zijn schoonzoon, Notice sur Joseph Antoine Ferdinand Plateau (1885) en evenmin in het artikel van Kristel Wautier e.a. The Life and Work of Joseph Plateau: Father of Film and Discoverer of Surface Tension, dat verborgen zit achter een 30 euro dikke betaalmuur. Het biografisch artikel van Het Museum voor de Geschiedenis van de Wetenschappen weet te melden dat hij reeds jong een wees was en dat hij werd opgevoed door zijn oom, een bekende advocaat. Over zijn tante heb ik geen woord teruggevonden.

Zo heb ik u meteen de drie belangrijkste bronnen gegeven voor dit blogartikeltje. En hoewel het niet de bedoeling is van de rubriek “Dag van”, kan ik het niet laten om een korte bio te distilleren uit deze drie teksten, wegens te aanstekelijk en te inspirerend.

Al op zeer jonge leeftijd was Plateau lichtjes geniaal en uitermate gefascineerd door de natuurwetenschappen en hij werd daarin gesteund door zijn Brusselse leraar en latere mentor Adolphe Quetelet (1796-1874), o.a. de oprichter van het tijdschrift Correspondance mathématique et physique. Zijn universitaire opleiding begon hij aan de faculteit Letteren en Wijsbegeerte te Luik, waar hij tegelijkertijd ook Rechten studeerde. Zijn interesse in wiskunde, natuurkunde en chemie bleken echter te sterk en hij schakelde over naar de Faculteit Natuurwetenschappen, maar niet voordat hij eerst zijn gezondheid ernstige en blijvende schade had toegebracht door chlorinedampen, bijproduct van de vele chemische proeven die hij op zijn kot hield.

Zijn doctoraatstheis, Dissertation sur quelques propriétés des impressions produites par la lumière sur l’organe de la vue (1829, zie lager) valt op door de beknoptheid (slechts 27 pagina’s) en, aldus kenners, door zijn meesterschap. Ook aardig om weten: het is de eerste wetenschappelijk-wiskundige dissertatie die in het Frans werd geschreven en niet in het Latijn, althans aan de universiteit van Luik.

Op aanraden van zijn leermeester en mentor Quetelet solliciteerde Plateau bij de universiteit van Gent, waar hij in 1835 werd aangenomen en indruk maakte. Door zijn enthousiasme en inspanningen wist hij een groot aantal studenten aan te trekken. De notities van student Paul Voituron bij de cursus fysica dateren uit deze periode. In 1843 werd hij echter blind en een jaar later moest hij zijn functie als docent aan de universiteit opgeven. Over de oorzaken van zijn blindheid is weinig bekend, maar ze werd zo goed als zeker niet veroorzaakt door een experiment waarbij hij een halve minuut in de zon staarde. In 1847 kreeg hij evenwel de toelating om thuis les te geven. In 1871 werd hij tot het emeritaat toegelaten.

Phenakistiscoopschijf

Hoewel Plateau’s werk zeer ruim van aard was, beperk ik mij hier tot twee aspecten, of beter zelfs, tot twee toestellen: de anorthoscoop en de phenakistiscoop. Ik verwijs heel graag naar de webpagina van de webpagina Museum voor de Geschiedenis van de Wetenschappen waar uitleg wordt gegeven over zijn volledige werk op het gebied van irridatie, hydrostatica en vloeistofvliezen.

Plateau hield zich aanvankelijk bezig met de manier waarop bewegende krommen zich tot één stilstaand beeld lieten samensmelten, wat hij “een geheel nieuwe soort anamorfose” noemt. Zelfs in moderne papers wordt zijn artikel ”Notice sur l’anorthoscope” (1836) nog aangehaald als eenhistorische bron. Op de webpagina Museum voor de Geschiedenis van de Wetenschappen van kan u zo’n anorthoscoop in werking zien.

Met zijn phenakistiscoop gaat Plateau een stap verder: hij laat 16 maal een beeld schilderen op een schijf die net iets verschillend zijn. Door de zogenaamde nawerking van het beeld op het netvlies lijkt het beeld te bewegen. Het Museum voor de Geschiedenis van de Wetenschappen bezit verschillende exemplaren, maar mijn favoriet is het hoofd van een monnik dat ‘transformeert’ in een duivelskop en vice versa.

Plateau stierf op 15 september 1883. Hij werd begraven te Mariakerke. Heel zijn leven was hij een overtuigd christen, met een groot hart voor de wetenschap, zolang deze niet gebruikt werd om materialistische of antigodsdienstige doctrines naar voor te schuiven.

Werken van Joseph Plateau

Online zijn er toch wel een mooi aantal boeken, artikels, werken van en over Joseph Plateau terug te vinden. Ik heb hier enkel de werken vermeld die zowel online als gratis raadpleegbaar zijn. Het artikel van Kristel Wautier e.a. vormt hierop een uitzondering, helaas, maar het is toch een aardige referentie.

Over Joseph Plateau

Henri van Praag: Leerboek der psychologie

Andermaal eentje uit de bijna verloren gegane archieven van mijn vorige blog “Book Liberation Movement”.

* * *

“Psychologisch zijn horloges (bromtollen, muziekdozen) symbolen voor moeders, die kinderen dragen”, lees ik in Henri van Praags Leerboek der psychologie. Daar kijk ik van op. Zelfs na het lezen van Filip Buekens’ Jacques Lacan: proefvlucht in het luchtledige en Maarten Boudry’s De naakte Keizers van de Psychoanalyse: De Immunisatiestrategieën van een Pseudowetenschap, waarin o.a. dit soort gehannes ruimschoots aan bod komt én gefileerd wordt. Beide publicaties en een streepje nieuwsgierigheid waren trouwens de aanleiding om dat Leerboek der psychologie aan te schaffen. Gewoon, om eens te kijken wat de übereducatieve uitgeverij Wolters-Noordhoff in de late jaren 60 zoal uitgaf aan handboeken psychologie.(1) En voor één euro, de standaardprijs voor een boek bij Opnieuw&Co, kan men niet sukkelen.

De pagina’s met de Romeinse getallen, de Verantwoording, zijn gelardeerd met erudiete filosofische referenties, met verwijzingen naar de natuurwetenschappen, religie en de schijnbaar toch obligate Freud en Jung. Met plezier verwijst Van Praag eveneens naar de duizenden jaren oude wijsheid en psychologische inzichten van de Indiërs en Chinezen. En ook in de Inleiding zijn er een paar zaken die ik in een leerboek psychologie een beetje misplaatst vind, niveau tang+varken. Van Praags uitweidingen over het Woord Gods zijn ronduit ongepast. De indeling van de werkelijkheid in “niveaus”, met als hoogste het absolute, wat door de wetenschap genaamd theologie bestudeerd moet worden, hebben me even achteruit doen leunen op mijn stoel. Uiteraard ben ik geen expert, maar het gebruik van “ziel” en “zielsbegrip” in een handboek psychologie lijkt mij op zijn zachtst gezegd ook eigenaardig.

In de psychologie is het minder gebruikelijk van ziel i.p.v. psyche te spreken, al bestaat er geen bezwaar om psychisch leven te vervangen door zieleleven. […] Toch is het goed te beseffen, dat de psyche der psychologen en de ziel der theologen in wezen gelijk zijn.

Dan maar naar het register. Via trefwoord “Avesta” kom ik op pagina 126 terecht in een discussie over Griekse Muzen, (religieuze) openbaringen en inspiratie, inclusief Bijbelverzen. “Extrasensory perception” brengt me dan weer naar het hoofdstuk “Kenprocessen”, en meer bepaald bij helderziendheid, telepathie en voorspellende dromen, wat, aldus de auteur “zeer veel psychologen erkennen” (p. 93). Een bladzijde verder lees ik:

De helderziendheid, telepathie enz. worden niet behandeld in de gebruikelijke leerboeken der psychologie, maar in de leerboeken der parapsychologie. Het ligt echter geheel in de lijn der verwachtingen, dat ook deze niet-zintuigelijke [sic] processen in een nabije toekomst binnen de psychologie zullen besproken worden.

En ja, dit handboek werd effectief gebruikt in kweekscholen, sociale academies en universitaire faculteiten (getuige de inleiding én de studentikoze aantekeningen in mijn exemplaar) en Wolters-Noordhoff was ook toen al een uitgever van academisch materiaal.

Volgens Henri van Praag zijn helderziendheid en prognostisch zien, evenals helderhorendheid en prognostisch horen “echter buiten redelijke twijfel vastgesteld” (p. 101). En in de Nabeschouwing, op pagina’s 346 en 347, verliest-ie helemaal de pedalen:

Voor zover in het gedrag van de mens reeds het nieuwe menszijn zichtbaar wordt, krijgt het gedrag een paranormaal aspect. Het paranormale loopt dus vooruit op de evolutie. […] Paranormaal psychisch leven wijst dus op evolutionaire integratie.

Tussen het lezen over onbekende fenomenen, waarbij we trouwens volledig zijn overgeleverd aan de rapporteur, en het concluderen dat die fenomenen, anekdotes eigenlijk, van paranormale ofte parapsychologische aard zijn, gaapt een enorm gat. En de auteur slaagt er niet in dat op een overtuigende manier te dichten. In de 364 bladzijden die het leerboek vervelend is, wordt er geen schijntje van een bewijs gegeven.

Ook in zijn andere, meer gespecialiseerde werken lees ik veel beweringen, tal van anekdotes en handenvol schimmige verhaaltjes. Maar niets wat ook maar in de buurt komt van een bewijs: Inleiding tot de Parapsychologie (De stand van het parapsychologisch onderzoek), Telepathie en Telekinese (Parapsychologie en parafysica), Paranormale manifestaties (Apporten, duplicaten, magische afstandswerking, cultusobjecten, vliegende schotels) en Reïncarnatie in het licht van wetenschap en geloof. Lectuur, tussen haakjes, waar men niet echt vrolijker van wordt.

Voor het boeiende leven van de licht geniale auteur Naphthali ben Levi (Henri) van Praag, verwijs ik naar het artikel op Wikipedia (een beetje aan de hagiografische kant, maar de man was dan ook een halve heilige). Kort: zoon van een joods diamantslijper, ondergedoken in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Medeoprichter van de Anna Frank Stichting, steeds ijverend voor een wereld van vrede en harmonie. Interessant is ook dat hij vanaf 1966 wetenschappelijk hoofdmedewerker van Teleac, tot 1977. In 1978 volgde hij professor Wilhelm Tenhaeff op als bijzonder hoogleraar parapsychologie aan de Universiteit van Utrecht, een positie die hij bekleedde tot 1986 (en het onderwerp voor een later blogartikel).

Het citaat:

De filosofie heeft zich overal ontwikkeld (geëmancipeerd) uit de religie, zoals later de wetenschap zich weer ontwikkelde (emancipeerde) uit de filosofie. Mens stelt dit evolutieproces wel voor door een symbool, de boom der kennis, waarvan de wortel de religie, de stam de filosofie en de takken de wetenschappen voorstellen. In plaats van religie, filosofie en wetenschappen, spreekt men ook wel van heilige waarheid, wijze waarheid en juiste waarheid.

Henri van Praag, Leerboek der psychologie. Wolters-Noordhoff, [ca. 1970?]

(1) Naar ik vermoed. Mijn exemplaar is een ongedateerde tweede druk (waaraan gesleuteld is, aldus het voorwoord). Hoe dan ook, de eerste druk van het Leerboek der psychologie dateert van 1964.

Dag van Denis Diderot

Op 5 oktober 1713 knipperde Denis Diderot voor het eerst met zijn ogen. 35 jaar later knipperde Frankrijk en omstreken met de ogen bij het lezen van Les Bijoux indiscrets (1748), waarin Sultan Mangogul van Congo (voor de goede verstaander: de Franse koning Louis XV) een magische ring krijgt waardoor hij kan spreken met de bijoux van de madammen. Inderdaad, met hun flamoezen. Het zal u weinig verbazen dat zijn werkje anoniem werd uitgegeven.

Twee jaar later maakte Diderot zich echter op voor het grote werk. Toen drukker, boekenhandelaar en vrijmetselaar André Le Breton hem vroeg om de Cyclopaedia, or Universal Dictionary of Arts and Sciences te vertalen, begon Diderot samen met Jean Le Rond d’Alembert aan het project, maar met een zeer eigen invulling, wat uiteindelijk resulteerde in de Encyclopédie ou Dictionnaire raisonné des sciences, des arts et des métiers. De cijfers de Encyclopédie (1751-1772) zijn ronduit indrukwekkend: uiteindelijk schreven 134 auteurs 20.736.912 woorden bij elkaar op zo’n 18.000 bladzijden, uitgegeven in 17 volumes. Goed voor 76.242 onderwerpen, waaronder 44.632 lemmata, 28.366 subartikels.

Ondanks de initiële toelatingen waren eerst de religieuze en later de wereldlijke machthebbers niet bepaald opgezet met het (zeer voorlopige) resultaat. Al na de publicatie van het tweede deel werden, op aanraden van de jezuïeten, de koninklijke vergunningen ingetrokken en werd de Encyclopédie onderworpen aan een kerkelijke en koninklijke censuur.

Bij de eerste groep schoot onder meer de oproep tot (godsdienstige) tolerantie in het
verkeerde keelgat. Ook in andere werken liet Diderot steeds minder aan de verbeelding
over en al snel sloeg zijn deïsme om in atheïsme en een consequent materialisme. Zijn Pensées philosophiques (1746) liet hij dan ook beginnen met de waarschuwing:

J’écris de Dieu; je compte sur peu de lecteurs, et n’aspire qu’à quelques suffrages. Si ces Pensées ne plaisent à personne, elles pourront n’être que mauvaises; mais je les tiens pour détestables, si elles plaisent à tout le monde.

Om dan een pagina of wat later uit te halen:

Le déiste seul peut faire tête à l’athée. Le superstitieux n’est pas de sa force. Son Dieu n’est qu’un être d’imagination. Outre les difficultés de la matière, il est exposé à toutes celles qui résultent de la fausseté de ses notions.

Even vermelden dat hij in 1749, naar aanleiding van Lettre sur les aveugles à l’usage de ceux qui voient, al de binnenkant van een gevangenis had gezien. Maar terug naar
de Encyclopédie. Diderot en d’Alembert werden strak in het oog gehouden: het kritisch (en dus goddeloze, toch?) karakter was ook paus Clemens XIII niet ontgaan en in 1759
trakteerde Zijne Heiligheid hen op de encycliek Damnatio, et prohibitio, waarna de reeks op de Index Librorum Prohibitorum werd gezet. In 1948 stond-ie er nog op.

De tweede groep, de edelen van geboorte, was al niet veel gelukkiger. Men kreeg plots
het gevoel dat iemand de poten van onder de tronen aan het zagen was, zoals in dit citaat uit het lemma “Autorité”:

Aucun homme n’a recu de la nature le droit de commander aux autres. La liberté est un présent du ciel, et chaque individu de la meme espèce a le droit d’en jouir aussitòt qu’il jouit de la raison.

De vriendenkring van Diderot, of toch minstens de groep van mensen waarmee hij in
nauw contact stond, leest als een who’s who van de tweede helft van de 18de eeuw: Johann Wolfgang von Goethe kon Diderots Essais sur la peinture best smaken. Via Jean-Jacques Rousseau leerde hij de Duitse filoloog Friedrich Melchior, Baron von
Grimm kennen, die een intieme vriend zou worden.

Het boek dat even zeer overeind blijft staan als zijn standbeeld in Langres is Jacques le
fataliste et son maître. De weg die het manuscript aflegde, was bijna even grillig als de
reis van de naamloze meester en zijn knecht Jacques. Geschreven in de periode 1765-1780, deels door Goethe vertaald naar het Duits in 1785, wat dan weer hervertaald werd naar het Frans in 1793. De volledige vertaling in het Duits (1792) verscheen ook eerder dan de eerste volledige Franse editie (1796, postuum).

Denis Diderot stierf op 31 juli 1784. Zijn bibliotheek werd opgestuurd naar Catherina II
van Rusland. Zij was jarenlang zijn mecenas, maar elkaar ontmoeten deden ze pas in
1773. De collectie van Diderot werd opgenomen in de Keizerlijke, nu Nationale Bibliotheek van Rusland.

Over Denis Diderot

De mooie en verzorgde website denisdiderot.com is helaas een beetje kort van stof, al bij al niet gedetailleerder of beter uitgewerkt dan het Franstalige artikel op
Wikipedia.

Werken van Denis Diderot