René Goscinny en Albert Uderzo: Asterix en de Ziener

In deel 19 van deze vulgariserende geschiedkundige reeks over een klein Gallisch dorp dat moedig weerstand blijft bieden aan de Romeinse overweldigers, leiden de auteurs ons doorheen de wereld van vogelwichelaars, ingewandenlezers en auguren.

Na een korte vergelijkende studie waarin gewezen wordt op de gelijkenissen en de verschillen tussen Gallische en Romeinse tradities op het gebied van de clairvoyance, focussen de schrijvers op de ziener Xynix.

Vooral zijn invloed op de goedgelovige bevolking van het Gallische dorp wordt belicht, alsmede zijn omgang met een van de eerste gedocumenteerde Gallisch-Franse vrijdenkers (p. 8, 14). Deze laatste laat de dorpsbewoners op basis van een subtiel vroeg-Russelliaans skepticisme en een streepje force brute zien dat de paranormale positie van de ziener onhoudbaar is. Als gevolg hiervan komen de latente spanningen tussen het Romeinse heir en de Gallische bevolking enerzijds, en de Gallische druïde en de ziener anderzijds, aan de oppervlakte.

Een punt van kritiek: geheel onverwacht en volledig los van het eigenlijke onderwerp van deze studie wordt op het einde van dit boek ingezoomd op de culinaire tradities in het Gallische dorp.

Het citaat:

Xynyx: Maar ik zou ook die hond kunnen nemen … Ik lees heel goed in honden.
Idefix: Kaiiiii!
Obelix: DE EERSTE DIE IDEFIX AANRAAKT KRIJGT EEN DREUN!
Asterix: Pas maar op, de voorspellingen van Obelix komen meestal uit.

 

René Goscinny en Albert Uderzo: Asterix en de Ziener. Dargaud, 1972.

Dag van Desiderius Erasmus

In de nacht van 27 en 28 oktober, nu toch al enige tijd geleden, werd Desiderius Erasmus geboren, ergens in Nederland. Het precieze annus domini is onbekend maar er zijn genoeg redenen om drie jaartallen voor te stellen, 1466, 1467 of 1469. En ook wel om aan alle drie te twijfelen.

Meer dan waarschijnlijk zag hij in Rotterdam het levenslicht, heel misschien in Gouda. Eén bron vermeldt Goudæ conceptus, Roterodami natus, met andere woorden: verwekt in Gouda (als buitenechtelijk kind van een priester en zijn huishoudster), geboren in Rotterdam. Waar men wél zekerheid over heeft: Erasmus stierf en meer bepaald in Bazel, op 12 juli 1536.

Desiderius Erasmus, priester, docent, schrijver, enzovoort was één van de grootste
humanisten van de renaissance en met verve speelde hij de rol van sparring partner van o.a. Maarten Luther. Toch is hij in onze contreien vooral bekend vanwege het
tussendoortje Lof der Zotheid. Of, aangezien Erasmus geen letter in het Nederlands heeft geschreven, Laus Stultitiae (1509, gedrukt in 1511).

Erasmus was steeds kritisch, messcherp zelfs, voor zijn kerkelijke werkgevers en zijn
professie, maar hij profileerde zich steeds als katholiek. Tijdgenoten verweten hem
daardoor een wegbereider te zijn van de Reformatie die hij bestreed. En des te meer nadat Maarten Luther zijn 95 stellingen aan de de kerkdeur van de slotkerk te Wittenberg had genageld in 1517 (of niet). Toch was zijn kritiek op de katholieke kerk ongenadig, waarbij hij zich niet zelden baseerde op nieuwe tekstuitgaven, eigen vertalingen uit het Grieks naar het Latijn. Anders gezegd, Erasmus liet zich in zijn Bijbelexegese leiden door zijn eigen baanbrekend filologisch werk en niet door de vastgeroeste leerstellingen van de Rooms-Katholieke Kerk.

Kortom, best een boeiende mens, die Desiderius. Ik verwijs u dan ook graag door naar
de directe aanleiding van dit artikel: de hoorcolleges over Erasmus door Prof dr. Hans
Trapman, emeritus bijzonder hoogleraar cultuurgeschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. De hoorcolleges verschenen bij Home Academy in 2013 en liggen op u te wachten in elke grotere bib.

En als u helemaal de smaak te pakken krijgt: Lof der Zotheid vindt u hier in een relatief
moderne hertaling van 1952 terug op de voortreffelijke website van De Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, waar u ook enkele andere werken van Erasmus aantreft. Heeft u ‘t zot goed te pakken, dan kan u hier de Latijnse tekst raadplegen. Uw academische neigingen, tot slot, kan u de vrije teugel laten in de Erasmus Online Database van het Rotterdamse Erasmuscenter.

Achter de schermen van ons denken

Dit artikel verscheen in het herstnummer 2016 van Wonder en is gheen Wonder.

* * *

Als een mens sterft, kan hij dan weer levend worden? Mocht Job het niet in boek 14 vers 14 aan God gevraagd hebben, maar in de vroege 20ste eeuw aan een spiritistisch medium, dan was het antwoord waarschijnlijk gematigd positief geweest. In die periode was het  spiritualisme en de idee dat de doden willen en kunnen communiceren met nabestaanden ongemeen populair.(1) Dat de overledenen er schijnbaar de voorkeur aan gaven om dat te doen via een te betalen tussenpersoon, heeft dan toch weer te maken met plat opportunisme, eerder dan met verheven gedachten.

De mediums professionaliseerden snel en om hun succes te garanderen bouwden
enkelen een geavanceerde trukendoos uit die vaak de vorm aannam van een donkere kamer met extra geheime luiken, elektronische en andere snufjes waarin de seances konden plaatsvinden. Gelukkig kregen ze tegengas van andere beroepsleugenaars. “Vanaf het moment dat het mediumschap een beroep werd, kregen de beoefenaars het aan de stok met goochelaars. Dit mag geen verrassing zijn, het is een al te natuurlijk duel”, aldus goochelaar en medium buster Joseph Dunninger, wiens boek Inside The Medium’s Cabinet uit 1935 aanschurkt tegen de beschrijving van een Dawkinsiaanse evolutionaire wapenwedloop.

Een van de meest tot de verbeelding sprekende goochelaars die zich heeft beziggehouden met het onderzoeken en debunken van mediums en spiritisten was Dunningers leermeester, de grote Harry Houdini. Maar over hem gaat het hier niet.(2) Wel over de Amerikaan David Abbott (1836-1934). Als amateurgoochelaar
ontwierp hij verschillende trucs die hij demonstreerde in zijn privétheater en doorverkocht aan professionele goochelaars. Eveneens in zijn vrije tijd schreef hij het nog steeds zeer leesbare Behind the scenes with the mediums (1907).

Zoals vele van zijn voorgangers en zijn navolgers ging Abbott incognito op bezoek bij tal van zelfverklaarde paranormaal begaafden om hun opvoeringen te bestuderen en te analyseren. In Behind the scenes with the mediums doet hij met verve hun trucs uit de doeken: van zogenaamde cold readings (suggestieve vraaggesprekken) en exploten met geschreven berichten in (dubbele) enveloppen van de rondzwervende mediums, tot spectaculaire seances met zwevende tafels, vliegende geesten en verborgen valluiken van de meer huiselijk ingestelde oplichters. Vaak bespreekt hij een alternatief, soms vermeldt hij met trots en plezier een verbetering. Met zijn technischer boek The spirit portrait mystery uit 1913 zou hij trouwens definitief een einde maken aan de carrière van de beruchte Bangs Sisters, die in de jaren van de sepiakleurige fotografie schatrijk werden met hun spectaculaire seances.

De waarde van Behind the scenes ligt niet zozeer in de uitleg van de achterhaalde
trucs, hoewel de basisprincipes interessant zijn en waarschijnlijk tijdloos. Het zijn vooral de alinea’s tussen de “mediumistische” exposities die boeien: de wereld van de Amerikaanse mediums van rond de eeuwwisseling, hun handlangers en hun slachtoffers. Met milde humor vertelt Abbott over de goedgelovige klanten, steevast gegoede burgers met grote besognes en nog grotere portemonnees. Interessant is dat
hij één van de bevriende mediums laat opmerken dat niet de gewone mensen de beste
klanten [zijn],

maar dokters, advocaten, zakenmannen, leraars, kortom, de intelligentere klasse van mensen. Hij zei dat wetenschappelijk denkende personen de beste zitters zijn, omdat zij ernstig zijn en de meeste aandacht schenken. En dat feit is zowat van het allergrootste belang voor het slagen van welke truc ook.

Hij is ook niet al te scherp voor de mediums, wiens drijfveer uiteraard geld is, steeds meer geld. Die beweegreden kon Abbott waarschijnlijk nog best pruimen ook; zelf was hij een professionele woekeraar. Trouwens, onder zijn afnemers van goocheltrucs waren verschillende praktiserende mediums.

Abbott beschrijft mooi een dubbele dynamiek die door de scene ging. Enerzijds werden door de jaren heen de sessies uitgebreider en spectaculairder. Anderzijds groeiden de verhalen over mediums door de mond-tot-mondreclame zo spectaculair dat de hoofdrolspelers zélf de feiten niet meer herkenden. Hij weet verder te melden dat de meeste mediums waar hij contacten mee onderhield, helemaal niet tuk waren op de immer groter wordende seances voor spiritistische clubjes van verveelde bourgeois, spektakel-journalisten en de occasionele medium buster die hen vaak gebruikten om zichzelf in de kijker te plaatsen. Ze vroegen te veel voorbereidend werk en dus een grote investering. Bovendien was de controle tijdens de seance vaak al te streng. Liever deden de meeste mediums privésessies met individuele klanten omdat zij zonder kritische of veeleisende bijzitters makkelijker te manipuleren waren. Het valt trouwens op dat de meeste mediums die in het boek ter sprake komen, geloofden in de eigen capaciteiten van het cold reading en dus in de goedgelovigheid van hun klanten, en vervolgens in die van de leveranciers van nieuwe trucs.

Maar ook over de wereld van de Abbotts en de Houdini’s en van de groots opgezette seances tjokvol spectaculaire trucs viel uiteindelijk het doek. De klopgeesten werden terug in de kast gezet en de ectoplasma’s gladgestreken. De mediums, die bleven, immer op zoek naar rouwenden die snakten naar duurbetaalde woordjes van een dierbare uit het Jenseits. Het onderzoek naar de strapatsen van mediums en andere paranormaal begaafden werd in de volgende decennia professioneler, maar in eerste instantie zeker niet wetenschappelijker, als ik Rob Nanninga’s boek Parariteiten. Een kritische blijk op het paranormale erop nasla.

Meer nog, het is schrijnend dat de kemels en problemen die Abbott en andere goochelende mediumjagers steeds opnieuw meldden, ruim een halve eeuw later dunnetjes werden overgedaan door de moderne onderzoekers. Zo lieten onderzoekers zich net als de klanten uit Abbotts verhaal inpakken door het uiterlijk van de vermeend paranormale, of het nu om een meelijwekkend halfblind, kreupel medium uit de belle époque ging of een charmante Israëli met kromme lepels uit de jaren 1970. In beide omstandigheden weigerden zij de zogenaamd paranormalen te beschouwen als potentiële bedriegers. Andere academici waagden zich aan een onderzoek maar wisten niet hoe of zelfs maar wat te observeren en gaven zo het goochelende testsubject de vrije hand. Vaak ontbrak hen het besef dat ze daarvoor helemaal niet opgeleid waren, een schoolvoorbeeld van het Kruger-Dunningeffect.

Zelfoverschatting was een ander euvel. Beroemd is het verhaal van James Randi’s Project Alpha, waarbij hij enerzijds twee jonge goochelaars en anderzijds een waslijst aan caveats naar een nietsvermoedende psi-onderzoeker stuurde. De zelfzekere academicus negeerde Randi’s waarschuwingen en liet zich wekenlang bedotten door de twee jonge snaken.

De idee dat hoogopgeleiden tot de groep van betere slachtoffers behoren, wordt ook aangehaald in W.L. Greshams biografie van Houdini uit 1959.(3) De auteur doet er nog een schepje cognitieve dissonantie bovenop, al dan niet geïnspireerd door het onderzoek van ene Leon Festinger(4) uit diezelfde periode. Bijna dezelfde verhaallijn vinden we meermaals terug bij Nanninga. Houdini beleefde er het grootste plezier aan, wanneer de een of andere hoge mijnheer met een serie titels achter zijn naam met zijn petje niet bij de wonderen van de ontsnappingskoning kon en tenslotte de uitleg ervan maar zocht in bovennatuurlijke krachten.

Waarschijnlijk is het schier onvermijdelijk dat mensen dezelfde fouten maken als onze voorgangers. En persoonlijk vind ik dat niet erg. Mijn foutgerichte aandacht en onnozele post-hocrationalisaties stellen mij telkens weer in staat om te genieten van de kunsten van een Gili en eenTayson Peeters, twee mentalisten die ik graag een illusie op mijn mouw laat spelden.

* * *

  1. Spiritualisme gebruik ik hier als een overkoepelende term voor tal van aanverwante levensbeschouwingen. Strikt genomen is spiritisme een van de vele bewegingen binnen het spiritualisme. Ik ga het hier niet te scherp slijpen en gebruik de termen op een lossere manier. Hoe dan ook, het artikel “THREE FORMS OF THOUGHT; M.M. Mangassarian Addresses the Society for Ethical Culture at Carnegie Music Hall” uit de New York Times van 29 november 1897 vermeldt dat het toen zo’n acht miljoen volgelingen zou hebben in de Verenigde Staten en Europa. Raadpleegbaar via http://query.nytimes.com/ mem/archive-free/pdf?res=9B05E0DF1638E433A2575AC2A9679D94669ED7CF.
  2. Pieter Peyskens, “Houdini, goochelaar onder de geesten. Over het leven en skepticisme van Harry Houdini.” Wonder en is gheen wonder, nr. 4, 2009. Raadpleegbaar via http://skepp.be/nl/levensbeschouwing-evolutie/skeptisch-kritischdenken/houdini-goochelaar-onder-de-geesten
  3. W.L. Gresham, Houdini, de man die door muren liep. Amsterdam, Elsevier, 1964. Het originele werk verscheen in 1959. Heel leuk en niet volledig naast de kwestie: in een van de eindnoten wordt de lof bezongen van een nieuw talent, namelijk de Wonderlijke James Randi, die later o.a. de pseudoparanormale kwast Uri Geller het leven zuur zou maken.
  4. Leon Festinger, A Theory of Cognitive Dissonance. Stanford, Stanford University Press, 1985.

Dag van Joseph Plateau

Een wiskundig probleem, een natuurkundig wet, een voormalige prestigieuze filmprijs, een straat en een gebouw in de universiteitsbuurt van Gent en een baggerboot van Jan De Nuls bedrijf. Alle vijf dragen ze de naam Joseph Plateau, de ontdekker van de oppervlaktespanning én, weliswaar met enige fantasie, een voorvader van de tekenfilm.

Op 14 oktober 1801 werd Joseph Antoine Ferdinand Plateau geboren in Brussel. Zijn vader was een kunstschilder, zijn moeder wordt niet vermeld in de biografie van Van der Mensbrugghe, zijn schoonzoon, Notice sur Joseph Antoine Ferdinand Plateau (1885) en evenmin in het artikel van Kristel Wautier e.a. The Life and Work of Joseph Plateau: Father of Film and Discoverer of Surface Tension, dat verborgen zit achter een 30 euro dikke betaalmuur. Het biografisch artikel van Het Museum voor de Geschiedenis van de Wetenschappen weet te melden dat hij reeds jong een wees was en dat hij werd opgevoed door zijn oom, een bekende advocaat. Over zijn tante heb ik geen woord teruggevonden.

Zo heb ik u meteen de drie belangrijkste bronnen gegeven voor dit blogartikeltje. En hoewel het niet de bedoeling is van de rubriek “Dag van”, kan ik het niet laten om een korte bio te distilleren uit deze drie teksten, wegens te aanstekelijk en te inspirerend.

Al op zeer jonge leeftijd was Plateau lichtjes geniaal en uitermate gefascineerd door de natuurwetenschappen en hij werd daarin gesteund door zijn Brusselse leraar en latere mentor Adolphe Quetelet (1796-1874), o.a. de oprichter van het tijdschrift Correspondance mathématique et physique. Zijn universitaire opleiding begon hij aan de faculteit Letteren en Wijsbegeerte te Luik, waar hij tegelijkertijd ook Rechten studeerde. Zijn interesse in wiskunde, natuurkunde en chemie bleken echter te sterk en hij schakelde over naar de Faculteit Natuurwetenschappen, maar niet voordat hij eerst zijn gezondheid ernstige en blijvende schade had toegebracht door chlorinedampen, bijproduct van de vele chemische proeven die hij op zijn kot hield.

Zijn doctoraatstheis, Dissertation sur quelques propriétés des impressions produites par la lumière sur l’organe de la vue (1829, zie lager) valt op door de beknoptheid (slechts 27 pagina’s) en, aldus kenners, door zijn meesterschap. Ook aardig om weten: het is de eerste wetenschappelijk-wiskundige dissertatie die in het Frans werd geschreven en niet in het Latijn, althans aan de universiteit van Luik.

Op aanraden van zijn leermeester en mentor Quetelet solliciteerde Plateau bij de universiteit van Gent, waar hij in 1835 werd aangenomen en indruk maakte. Door zijn enthousiasme en inspanningen wist hij een groot aantal studenten aan te trekken. De notities van student Paul Voituron bij de cursus fysica dateren uit deze periode. In 1843 werd hij echter blind en een jaar later moest hij zijn functie als docent aan de universiteit opgeven. Over de oorzaken van zijn blindheid is weinig bekend, maar ze werd zo goed als zeker niet veroorzaakt door een experiment waarbij hij een halve minuut in de zon staarde. In 1847 kreeg hij evenwel de toelating om thuis les te geven. In 1871 werd hij tot het emeritaat toegelaten.

Phenakistiscoopschijf

Hoewel Plateau’s werk zeer ruim van aard was, beperk ik mij hier tot twee aspecten, of beter zelfs, tot twee toestellen: de anorthoscoop en de phenakistiscoop. Ik verwijs heel graag naar de webpagina van de webpagina Museum voor de Geschiedenis van de Wetenschappen waar uitleg wordt gegeven over zijn volledige werk op het gebied van irridatie, hydrostatica en vloeistofvliezen.

Plateau hield zich aanvankelijk bezig met de manier waarop bewegende krommen zich tot één stilstaand beeld lieten samensmelten, wat hij “een geheel nieuwe soort anamorfose” noemt. Zelfs in moderne papers wordt zijn artikel ”Notice sur l’anorthoscope” (1836) nog aangehaald als eenhistorische bron. Op de webpagina Museum voor de Geschiedenis van de Wetenschappen van kan u zo’n anorthoscoop in werking zien.

Met zijn phenakistiscoop gaat Plateau een stap verder: hij laat 16 maal een beeld schilderen op een schijf die net iets verschillend zijn. Door de zogenaamde nawerking van het beeld op het netvlies lijkt het beeld te bewegen. Het Museum voor de Geschiedenis van de Wetenschappen bezit verschillende exemplaren, maar mijn favoriet is het hoofd van een monnik dat ‘transformeert’ in een duivelskop en vice versa.

Plateau stierf op 15 september 1883. Hij werd begraven te Mariakerke. Heel zijn leven was hij een overtuigd christen, met een groot hart voor de wetenschap, zolang deze niet gebruikt werd om materialistische of antigodsdienstige doctrines naar voor te schuiven.

Werken van Joseph Plateau

Online zijn er toch wel een mooi aantal boeken, artikels, werken van en over Joseph Plateau terug te vinden. Ik heb hier enkel de werken vermeld die zowel online als gratis raadpleegbaar zijn. Het artikel van Kristel Wautier e.a. vormt hierop een uitzondering, helaas, maar het is toch een aardige referentie.

Over Joseph Plateau

Henri van Praag: Leerboek der psychologie

Andermaal eentje uit de bijna verloren gegane archieven van mijn vorige blog “Book Liberation Movement”.

* * *

“Psychologisch zijn horloges (bromtollen, muziekdozen) symbolen voor moeders, die kinderen dragen”, lees ik in Henri van Praags Leerboek der psychologie. Daar kijk ik van op. Zelfs na het lezen van Filip Buekens’ Jacques Lacan: proefvlucht in het luchtledige en Maarten Boudry’s De naakte Keizers van de Psychoanalyse: De Immunisatiestrategieën van een Pseudowetenschap, waarin o.a. dit soort gehannes ruimschoots aan bod komt én gefileerd wordt. Beide publicaties en een streepje nieuwsgierigheid waren trouwens de aanleiding om dat Leerboek der psychologie aan te schaffen. Gewoon, om eens te kijken wat de übereducatieve uitgeverij Wolters-Noordhoff in de late jaren 60 zoal uitgaf aan handboeken psychologie.(1) En voor één euro, de standaardprijs voor een boek bij Opnieuw&Co, kan men niet sukkelen.

De pagina’s met de Romeinse getallen, de Verantwoording, zijn gelardeerd met erudiete filosofische referenties, met verwijzingen naar de natuurwetenschappen, religie en de schijnbaar toch obligate Freud en Jung. Met plezier verwijst Van Praag eveneens naar de duizenden jaren oude wijsheid en psychologische inzichten van de Indiërs en Chinezen. En ook in de Inleiding zijn er een paar zaken die ik in een leerboek psychologie een beetje misplaatst vind, niveau tang+varken. Van Praags uitweidingen over het Woord Gods zijn ronduit ongepast. De indeling van de werkelijkheid in “niveaus”, met als hoogste het absolute, wat door de wetenschap genaamd theologie bestudeerd moet worden, hebben me even achteruit doen leunen op mijn stoel. Uiteraard ben ik geen expert, maar het gebruik van “ziel” en “zielsbegrip” in een handboek psychologie lijkt mij op zijn zachtst gezegd ook eigenaardig.

In de psychologie is het minder gebruikelijk van ziel i.p.v. psyche te spreken, al bestaat er geen bezwaar om psychisch leven te vervangen door zieleleven. […] Toch is het goed te beseffen, dat de psyche der psychologen en de ziel der theologen in wezen gelijk zijn.

Dan maar naar het register. Via trefwoord “Avesta” kom ik op pagina 126 terecht in een discussie over Griekse Muzen, (religieuze) openbaringen en inspiratie, inclusief Bijbelverzen. “Extrasensory perception” brengt me dan weer naar het hoofdstuk “Kenprocessen”, en meer bepaald bij helderziendheid, telepathie en voorspellende dromen, wat, aldus de auteur “zeer veel psychologen erkennen” (p. 93). Een bladzijde verder lees ik:

De helderziendheid, telepathie enz. worden niet behandeld in de gebruikelijke leerboeken der psychologie, maar in de leerboeken der parapsychologie. Het ligt echter geheel in de lijn der verwachtingen, dat ook deze niet-zintuigelijke [sic] processen in een nabije toekomst binnen de psychologie zullen besproken worden.

En ja, dit handboek werd effectief gebruikt in kweekscholen, sociale academies en universitaire faculteiten (getuige de inleiding én de studentikoze aantekeningen in mijn exemplaar) en Wolters-Noordhoff was ook toen al een uitgever van academisch materiaal.

Volgens Henri van Praag zijn helderziendheid en prognostisch zien, evenals helderhorendheid en prognostisch horen “echter buiten redelijke twijfel vastgesteld” (p. 101). En in de Nabeschouwing, op pagina’s 346 en 347, verliest-ie helemaal de pedalen:

Voor zover in het gedrag van de mens reeds het nieuwe menszijn zichtbaar wordt, krijgt het gedrag een paranormaal aspect. Het paranormale loopt dus vooruit op de evolutie. […] Paranormaal psychisch leven wijst dus op evolutionaire integratie.

Tussen het lezen over onbekende fenomenen, waarbij we trouwens volledig zijn overgeleverd aan de rapporteur, en het concluderen dat die fenomenen, anekdotes eigenlijk, van paranormale ofte parapsychologische aard zijn, gaapt een enorm gat. En de auteur slaagt er niet in dat op een overtuigende manier te dichten. In de 364 bladzijden die het leerboek vervelend is, wordt er geen schijntje van een bewijs gegeven.

Ook in zijn andere, meer gespecialiseerde werken lees ik veel beweringen, tal van anekdotes en handenvol schimmige verhaaltjes. Maar niets wat ook maar in de buurt komt van een bewijs: Inleiding tot de Parapsychologie (De stand van het parapsychologisch onderzoek), Telepathie en Telekinese (Parapsychologie en parafysica), Paranormale manifestaties (Apporten, duplicaten, magische afstandswerking, cultusobjecten, vliegende schotels) en Reïncarnatie in het licht van wetenschap en geloof. Lectuur, tussen haakjes, waar men niet echt vrolijker van wordt.

Voor het boeiende leven van de licht geniale auteur Naphthali ben Levi (Henri) van Praag, verwijs ik naar het artikel op Wikipedia (een beetje aan de hagiografische kant, maar de man was dan ook een halve heilige). Kort: zoon van een joods diamantslijper, ondergedoken in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Medeoprichter van de Anna Frank Stichting, steeds ijverend voor een wereld van vrede en harmonie. Interessant is ook dat hij vanaf 1966 wetenschappelijk hoofdmedewerker van Teleac, tot 1977. In 1978 volgde hij professor Wilhelm Tenhaeff op als bijzonder hoogleraar parapsychologie aan de Universiteit van Utrecht, een positie die hij bekleedde tot 1986 (en het onderwerp voor een later blogartikel).

Het citaat:

De filosofie heeft zich overal ontwikkeld (geëmancipeerd) uit de religie, zoals later de wetenschap zich weer ontwikkelde (emancipeerde) uit de filosofie. Mens stelt dit evolutieproces wel voor door een symbool, de boom der kennis, waarvan de wortel de religie, de stam de filosofie en de takken de wetenschappen voorstellen. In plaats van religie, filosofie en wetenschappen, spreekt men ook wel van heilige waarheid, wijze waarheid en juiste waarheid.

Henri van Praag, Leerboek der psychologie. Wolters-Noordhoff, [ca. 1970?]

(1) Naar ik vermoed. Mijn exemplaar is een ongedateerde tweede druk (waaraan gesleuteld is, aldus het voorwoord). Hoe dan ook, de eerste druk van het Leerboek der psychologie dateert van 1964.

Dag van Denis Diderot

Op 5 oktober 1713 knipperde Denis Diderot voor het eerst met zijn ogen. 35 jaar later knipperde Frankrijk en omstreken met de ogen bij het lezen van Les Bijoux indiscrets (1748), waarin Sultan Mangogul van Congo (voor de goede verstaander: de Franse koning Louis XV) een magische ring krijgt waardoor hij kan spreken met de bijoux van de madammen. Inderdaad, met hun flamoezen. Het zal u weinig verbazen dat zijn werkje anoniem werd uitgegeven.

Twee jaar later maakte Diderot zich echter op voor het grote werk. Toen drukker, boekenhandelaar en vrijmetselaar André Le Breton hem vroeg om de Cyclopaedia, or Universal Dictionary of Arts and Sciences te vertalen, begon Diderot samen met Jean Le Rond d’Alembert aan het project, maar met een zeer eigen invulling, wat uiteindelijk resulteerde in de Encyclopédie ou Dictionnaire raisonné des sciences, des arts et des métiers. De cijfers de Encyclopédie (1751-1772) zijn ronduit indrukwekkend: uiteindelijk schreven 134 auteurs 20.736.912 woorden bij elkaar op zo’n 18.000 bladzijden, uitgegeven in 17 volumes. Goed voor 76.242 onderwerpen, waaronder 44.632 lemmata, 28.366 subartikels.

Ondanks de initiële toelatingen waren eerst de religieuze en later de wereldlijke machthebbers niet bepaald opgezet met het (zeer voorlopige) resultaat. Al na de publicatie van het tweede deel werden, op aanraden van de jezuïeten, de koninklijke vergunningen ingetrokken en werd de Encyclopédie onderworpen aan een kerkelijke en koninklijke censuur.

Bij de eerste groep schoot onder meer de oproep tot (godsdienstige) tolerantie in het
verkeerde keelgat. Ook in andere werken liet Diderot steeds minder aan de verbeelding
over en al snel sloeg zijn deïsme om in atheïsme en een consequent materialisme. Zijn Pensées philosophiques (1746) liet hij dan ook beginnen met de waarschuwing:

J’écris de Dieu; je compte sur peu de lecteurs, et n’aspire qu’à quelques suffrages. Si ces Pensées ne plaisent à personne, elles pourront n’être que mauvaises; mais je les tiens pour détestables, si elles plaisent à tout le monde.

Om dan een pagina of wat later uit te halen:

Le déiste seul peut faire tête à l’athée. Le superstitieux n’est pas de sa force. Son Dieu n’est qu’un être d’imagination. Outre les difficultés de la matière, il est exposé à toutes celles qui résultent de la fausseté de ses notions.

Even vermelden dat hij in 1749, naar aanleiding van Lettre sur les aveugles à l’usage de ceux qui voient, al de binnenkant van een gevangenis had gezien. Maar terug naar
de Encyclopédie. Diderot en d’Alembert werden strak in het oog gehouden: het kritisch (en dus goddeloze, toch?) karakter was ook paus Clemens XIII niet ontgaan en in 1759
trakteerde Zijne Heiligheid hen op de encycliek Damnatio, et prohibitio, waarna de reeks op de Index Librorum Prohibitorum werd gezet. In 1948 stond-ie er nog op.

De tweede groep, de edelen van geboorte, was al niet veel gelukkiger. Men kreeg plots
het gevoel dat iemand de poten van onder de tronen aan het zagen was, zoals in dit citaat uit het lemma “Autorité”:

Aucun homme n’a recu de la nature le droit de commander aux autres. La liberté est un présent du ciel, et chaque individu de la meme espèce a le droit d’en jouir aussitòt qu’il jouit de la raison.

De vriendenkring van Diderot, of toch minstens de groep van mensen waarmee hij in
nauw contact stond, leest als een who’s who van de tweede helft van de 18de eeuw: Johann Wolfgang von Goethe kon Diderots Essais sur la peinture best smaken. Via Jean-Jacques Rousseau leerde hij de Duitse filoloog Friedrich Melchior, Baron von
Grimm kennen, die een intieme vriend zou worden.

Het boek dat even zeer overeind blijft staan als zijn standbeeld in Langres is Jacques le
fataliste et son maître. De weg die het manuscript aflegde, was bijna even grillig als de
reis van de naamloze meester en zijn knecht Jacques. Geschreven in de periode 1765-1780, deels door Goethe vertaald naar het Duits in 1785, wat dan weer hervertaald werd naar het Frans in 1793. De volledige vertaling in het Duits (1792) verscheen ook eerder dan de eerste volledige Franse editie (1796, postuum).

Denis Diderot stierf op 31 juli 1784. Zijn bibliotheek werd opgestuurd naar Catherina II
van Rusland. Zij was jarenlang zijn mecenas, maar elkaar ontmoeten deden ze pas in
1773. De collectie van Diderot werd opgenomen in de Keizerlijke, nu Nationale Bibliotheek van Rusland.

Over Denis Diderot

De mooie en verzorgde website denisdiderot.com is helaas een beetje kort van stof, al bij al niet gedetailleerder of beter uitgewerkt dan het Franstalige artikel op
Wikipedia.

Werken van Denis Diderot

Fanmail: Over Johannes Goropius Becanus

De redactie van Wonder is gheen Wonder mocht onderstaande brief ontvangen, en gaf mij de gelegenheid om te reageren en het een het ander uit te zoeken. Deze uitwisseling van gedachten verscheen in het herfstnummer.

* * *

Beste,

Van uw tijdschrift mag men wetenschappelijke accuratesse en objectiviteit verwachten. Het artikel “Fake Linguistics” ging evenwel zwaar gebukt onder het vervelende AMAAI-syndroom (Abominable Mentality Against Antwerp’s Imperialism). De taalkundige bias tegen het Antwerps sloeg dus weer eens toe. Hoe anders te verklaren dat een beslagen linguïst als Frank Verhoft nergens enige vermelding maakt van Jan van Gorp (1519-1573), beter bekend onder zijn verlatijnste naam Ioanus Becanus?

Abraham Ortelius was zijn eerste maar niet zijn laatste grote bewonderaar. Ook vandaag nog wordt hij algemeen aangezien als “de vader van de vergelijkende taalkunde”. Deze wetenschapper publiceerde in 1569 zijn meesterwerk “Origines Antverpianae”, uitgegeven door Plantin – niet het eerste het beste uitgeverijtje. Hierin toont hij onbetwistbaar aan dat Adam en Eva in het Paradijs sappig Antwerps spraken. Alle andere talen zijn daaruit ontstaan!

Wil deze rechtzetting opnemen in uw tijdschrift opdat uw lezers voortaan met kennis van zaken over deze materie zouden geïnformeerd zijn. Dank u.

[naam]

* * *

Beste professor emeritus,

Bedankt voor uw reactie op mijn artikel Fake linguistics. Hoewel ik de deels humoristische ondertoon van uw schrijven heus wel gevat heb, wil ik toch reageren op de onverholen kritiek die er uit sprak.

Brab bio 1_GOROPIUS_afb Groeningemuseum BruggeDe humanist Jan van Gorp (1519-1573) is beter bekend onder zijn correct gelatiniseerde naam Johannes Goropius Becanus.(1) Hij leeft verder in de vakterm goropisme, ‘een belachelijk slechte etymologie’ en dat geeft meteen een idee van zijn reputatie als taalvorser.(2) De voorbeelden die meestal genoemd worden, zijn Adam, volgens Goropius een samenstelling van de twee enkelvoudige (dus pure) woorden ‘haat’ + ‘dam’ en Eva, ‘eeuw’ + ‘vat’. In de toenmalige benaming voor het Nederlands, namelijk Nederduits of Duits, meende hij ‘douts’, ‘d’oudste (taal)’ te moeten terugvinden.

Voor hem, net zoals voor Plato,(3) diende etymologie om een denkbeeld of theorie te verduidelijken. In het geval van Goropius moesten zijn woordverklaringen eerder een heilsgeschiedenis uit de doeken doen dan een woordgeschiedenis.

Ik heb de alinea over Goropius geschrapt uit mijn tekst, wat minder te maken had met een gebrek aan “wetenschappelijke accuratesse”, dan met het feit dat ik ruim tweeduizend jaar linguïstiek en bakken pseudotaalkundige bagger moest persen in het beperkte aantal bladzijden dat voor een artikel gereserveerd wordt. Het heeft ook ‘ielemoal niks van doeng mé “het vervelende AMAAI-syndroom”. Ik vind trouwens dat folkloristisch Antwerps chauvinisme niet verward hoeft te worden met kritisch denken.(4)

De tweede reden waarom ik Goropius niet vermeld heb, is dat hij opduikt in zowat alle Nederlandstalige, populariserende artikelen over malle taaltheorieën. Wat mij betreft hoeft hij dan niet meer in Wonder te staan.

De derde reden is iets complexer en staat schijnbaar haaks op de tweede. Het is ook de aanleiding waarom ik deze repliek toch heb willen schrijven. De internationale, veeltalige intellectueel en koninklijke lijfarts Johannes Goropius Becanus verdient inderdaad beter dan afgeschilderd te worden als een malloot die maar wat aanmodderde in de taalkunde, een vakgebied dat oorspronkelijk niet het zijne was. Daar zijn velen het vandaag over eens. Anderzijds zijn wij, modernen, het aan Goropius verplicht zijn taaltheorieën accuraat weer te geven en dat gebeurt helaas nog veel te weinig. Mijn artikel was niet de geschikte plaats om die discussie uit de doeken te doen.

Maar kijk, Johannes Goropius Becanus wordt nu wél vermeld in dit tijdschrift en ik stel voor dat we dan maar in één ruk doorgaan tot we, met de woorden van Andreas Dunius, aan het gaatje zijn.

becaIn de inleiding van de Goropius’ biografie geeft Toon van Hal geen al te slechte reden waarom de taalkundige ideeën van Goropius waarschijnlijk zo vaak fout worden weergegeven: Van Hal heeft de scriptie van de te vroeg overleden Eddy Frederickx uitvoerig aangepast en uitgegeven en hij acht, enigszins humoristisch, de kans reëel dat Fredericks “wellicht de enige lezer is die de twee vuistdikke pillen van de Antwerpse arts heeft doorgewerkt”.(5) Hoewel het Latijn van Goropius best proper is, telt de eerste brik van twee, Origines Antwerpianae sive Cimmeriorum Becceselana, ruim 1000 bladzijden. Ik moet toegeven dat ik ook liever naar het mooie drukwerk kijk dan dat ik de Latijnse tekst effectief lees. Vandaar dat ik voor dit artikel mijn toevlucht heb genomen tot de gedeeltelijke vertaling zoals verschenen in Van Adam tot Antwerpen (2014) door Nico de Glas.(6)

En met de Origines Antwerpianae zijn we terug bij ons dubbel uitgangspunt: Goropius heeft nooit beweerd dat Adam en Eva in het aards paradijs Antwerps praatten en de idee dat alle andere talen uit het Antwerps, Brabants of Nederlands ontstaan zouden zijn, komt niet voor in zijn geschriften.

Deze foute voorstelling van Goropius’ theorieën kan geen enkele leek kwalijk genomen worden omdat ze ook nu nog opgevoerd wordt in populariserende werken over taal en taalkunde, zoals bijvoorbeeld in de verder uitstekende Atlas van de Nederlandse Taal uit 2017. Daarin wordt hij zelfs afgebeeld met een zotskap op zijn hoofd.(7) Het zou me niet verbazen dat de immer weerkerende voorbeelden geciteerd in de eerste alinea, Adam, Eva en Duits, die foute ideeën alleen maar versterken.

Cornelis_van_Haarlem_-_De_zondevalVolgens Goropius was de eerste taal, die van Adam en Eva, de perfecte, de volmaakte. Hij situeerde hun Tuin van Eden echter in India! De boom van goed en kwaad was volgens hem de Indische vijgenboom en waar vind je meer slangen dan in India? Na de zondvloed zwermden de kinderen van Noah uit over de hele wereld. De nazaten van Noah’s zoon Japeth spraken nog steeds die perfecte taal, wat Goropius af en toe ook (Indo-)Scythisch noemde, en zij verspreidden zich over Europa. Op hun beurt stichtte een groep van hun nakomelingen, de Atuatuken, Antwerpen. Zij spraken een nauw verwante vorm van het Indoscythisch, namelijk het Cimbrisch, of Cimmerisch. Het is niet altijd even duidelijk wat hij nu net bedoelt met Cimbrisch; soms lijkt hij te praten over Nederduits, gesproken tussen de Schelde en het huidige Estland, soms specifiek over het Brabants dialect en heel zelden over het Antwerps. In bepaalde passages lijkt hij te mijmeren over het feit dat de Nederduitse dialecten uit elkaar lijken te groeien, wat hij dan weer linkt aan de groeiende religieuze verschillen tussen katholieken en de protestantse stromingen. We mogen echter niet al te veel consistentie verwachten in de geschriften van Becanus, die soms lijken op een ongecontroleerde stroom van halve gedachten en argumenten. Hoe dan ook, de oudste taal is zeker geen “sappig Antwerps” én de taal die in Antwerpen wordt gesproken is volgens Becanus de taal van immigranten.

Wat dan met de tweede bewering, namelijk dat alle talen uit de lokale Antwerpse taal zouden voortkomen? Goropius was een polyglot, hij kende zeker Latijn, Grieks en Hebreeuws. Als fervent boekenverzamelaar was hij vrijwel zeker op de hoogte van heel veel andere, wildvreemde talen die gesproken werden over een steeds groter wordende wereld en die gretig beschreven werden door Europese ontdekkingsreizigers. Hij zag overeenkomsten tussen deze en gene taal, maar hij besefte ook dat sommige talen helemaal niets met elkaar te maken konden hebben (of leken te hebben). Verder kende hij zijn klassieken en zijn Bijbel. Hij nam zich de vrijheid om op basis van klassieke teksten niet zozeer het Bijbelse verhaal tegen te spreken, dan wel subtiel of minder subtiel te modificeren. Goropius twijfelde niet aan het verhaal van de Toren van Babel: na dat akkefietje met het grootse bouwwerk zorgde God ervoor dat de mensen elkaar niet meer konden begrijpen. De verschillende talen, wij zouden nu min of meer taalfamilies zeggen, zijn dus niet gegroeid uit het Cimbrisch, Nederduits of Antwerps. Met de spreekwoordelijke knip van de goddelijke vingers veranderde Jahweh alle talen van de volkeren die aanwezig waren bij de bouw van de Toren. De Cimbriërs waren echter niet in Babel en om die reden wordt de eerste taal, d’oudste, volgens hem nog steeds gesproken, toevallig in zijn geboortestreek.

Zelf heb ik mij even verweten dat ik in mijn artikel “Fake linguistics” geen aandacht heb besteed aan de studie van het Gotisch in de Lage Landen, wat van enorm belang is geweest voor het ontstaan van de vergelijkende taalkunde van het Germaans in deze contreien. We schrijven midden 16de eeuw en later, inderdaad ook wat de taalwetenschap betreft een uiterst boeiende periode.(8) Als we al nood zouden hebben aan een vader van de vergelijkende taalkunde in de Nederlanden, dan moeten we hem volgens mij zoeken onder de vele vorsers uit die periode. Maar, zoals ik al impliceerde in mijn artikel, vind ik het concept “de vader van” te beperkend, te weinig productief.(9) Niet mijn ding. Goropius hééft zich zoals vele taalvorsers in de Lage Landen bezig gehouden met dat Gotisch, maar hij zag er eerder een oude vorm van het Nederlands gecorrumpeerd door het Grieks in, dan een aparte, oude Germaanse taal.

Johannes Goropius Becanus of de vader of de zatte nonkel van de vergelijkende taalkunde noemen, beide zouden even ongepast zijn. Hij heeft heel wat toenmalige heilige huisjes ingetrapt. Hoewel hij welwillend stond tegenover het Hebreeuws, voerde hij aan dat het niet de eerste, de oudste taal kon zijn. En dat op zich was in die periode vrij choquerend. Misschien heeft hij mensen aangezet om buiten de lijntjes te kleuren, om de platgetreden paden te verlaten en op zoek te gaan naar nieuwe inzichten, hoewel hij zelf duidelijk de weg kwijt was. En dat hoeft ons niet te verbazen: de taalonderzoekers waren nog maar net begonnen de taalwetenschap uit de grond te stampen.

 

Noten

  1. De letter “I” in de gelatiniseerde versie wordt normaliter getranscribeerd als “J”, net zoals de “V” weergegeven wordt met een “U”. De literatuur noch de titelpagina’s uit de drukkerij van Plantin vermelden “Ioanus”.
  2. “[Goropiser, c]’est que les étymologies étranges et souvent ridicules de Goropius Becanus” in Gottfried Wilhelm Leibniz, Nouveaux essais sur l’entendement humain (1762). Hier geraadpleegd in de editie van 1921, via https://archive.org/details/ nouveauxessaissu00leib.
  3. Voor een meer academische benadering van zijn etymologische methoden zie bijvoorbeeld R.A. Naborn: “Becanus’ etymological methods” dat te raadplegen is via de schitterende website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL), http://www.dbnl.org/.
  4. Ter vergelijking: aantal Bruggelingen dat naar aanleiding van mijn stuk over pseudolinguïstiek en de geschiedenis van de taalkunde in Wonder en is gheen Wonder reclameerde dat, u voelde hem aankomen, Simon Stevin níet vermeld werd: nul.
  5. Eddy Frederickx (†) en Toon van Hal, Johannes Goropius Becanus (1519-1573). Brabants arts en taalfanaat. Hilversum, Uitgeverij Verloren, 2015, p. 11.
  6. Johannes Goropius Becanus, Van Adam tot Antwerpen. Een bloemlezing uit de Origines Antwerpianae en de Opera van Johannes Goropius Becanus. Hilversum, Uitgeverij Verloren, 2014. In deze context is het bijna helemaal vertaalde Boek V Indoscythia van belang. Op de website van de Vlaamse Erfgoedbibliotheek, Flandrica.be, vindt u een digitale kopie van het integrale drukwerk uit 1569.
  7. Fieke Van der Gucht e.a., Atlas van de Nederlandse Taal. Editie Vlaanderen. Lannoo, 2017, p. 125.
  8. Zie bijvoorbeeld R.G. Van de Velde, De studie van het Gotisch in de Nederlanden. Bijdrage tot een status quaestionis over de studie van het Gotisch en het Krimgotisch (1966). Het Museum Plantin-Moretus bezit én stelt daarvan meerdere gedrukte getuigen uit die periode tentoon.
  9. Zo wordt in de Engelstalige traditie vaak de Engelstalige sir William Jones opgevoerd als vader van, 16 jaar na het verschijnen van indrukwekkend goed taalkundig onderzoek in een taal die de meeste Angelsaksen niet machtig zijn. Lezers die op zoek zouden zijn naar nóg meer vaders in de taalkunde, beveel ik het boek A Short History of Linguistics van R.H. Robbins aan. De 280 pagina’s dat het uitstekende werk dik is, bulken ervan.

Fake linguistics. Pseudotaalwetenschap van Plato tot Lacan

Wonder 201702Dit artikel verscheen eerder in Wonder en is gheen Wonder (Zomernummer 2017), het ledenblad van SKEPP.

* * *

Uitbundig is de relatie tussen taalkunde en skepticisme niet. In het Engelse taalgebied zijn voor zover ik weet enkel de Australisch-Amerikaanse Karen Stollznow en de even skeptische Brit Mark Newbrook actief. In de Lage Landen pleegt SKEPP’er Herman Boel regelmatig kritische stukjes over taalgerelateerde onderwerpen (zie onder meer “Pseudotaalwetenschap in actie” op taalfluisteraar.be). Al bij al verschijnen er weinig kritische beschouwingen over (pseudo)taalkundige onderwerpen in de skeptische literatuur.

Toegegeven, het is zelden dringend: een pseudolinguïstische gedachte botst met geen enkele fundamentele natuurwet en niemand wordt onwel van een vermeend infix meer of een gepostuleerde laryngaal minder. Verder zijn er zijn tal van esoterische taaltovenaars, maar zelden lichten ze iemand op. Wie ligt er wakker van een al te warrig en volslagen zinloos “bioklankwetmatig” (schrijf)systeem dat “gebaseerd is op de 12 zuivere klanken en 12 tonen”, behalve dan de Nederlandse bedenker en taalmorosoof Bob Zwamborn zelf? Een doffe taalchakra, een aandoening die volgens de vakliteratuur vooral de spiritueel-energetisch geïnclineerden lijkt te treffen, die poetst u zelf op met een zacht doekje en een toefje spuug, toch?

Met fake lingustics valt door de bank genomen weinig geld te verdienen, misschien met uitzondering van het zogenaamde Neurolinguïstisch Programmeren (NLP) en grafologie. Dat laatste was ooit een populair middel om tijdens een sollicitatieronde geschikte kandidaten te selecteren op basis van hun handschrift. Gelukkig lijken beide kwakpraktijken op hun retour te zijn. Er wordt tegenwoordig wel reclame gemaakt voor dure taalcursussen in combinatie met hypnosesessies die na een minimaal aantal uren miraculeuze resultaten beloven. Maar daarbij kan ik enkel een vraagteken plaatsen wegens onvoldoende onderlegd in het aspect hypnose.

In dit artikel wil ik één taalkundig deelgebied onder de loep nemen, meer bepaald de omgeving waar twee takken van de linguïstiek samenkomen: de historische en de vergelijkende taalkunde. En zoals vaak het geval is bij studiegebieden die heel wat expertise veronderstellen, worden ook deze in niet-academische context overspoeld door tal van zelfverklaarde taalvorsers voor wie een gebrek aan kennis, gespecialiseerde én elementaire, niet bepaald een hindernis lijkt te zijn. Eerder dan een opsomming van verschillende karakters en hun taalhistorische en -vergelijkende pseudotheorieën, wil ik doorheen de voorgeschiedenis van de taalkunde zigzaggen en op zoek gaan naar historische, pre-wetenschappelijke aanknopingspunten voor verschillende moderne pseudotaalkundige theorieën.

Grieks-Romeinse stijl

Patèr, pitaram, pater. Waarschijnlijk herkent u eerder de drie woorden dan de drie talen waarin ze inderdaad ‘vader’ betekenen. Geen idee of de reeks esti, asti, est u iets zegt, maar als ik er het Duitse ist aan toevoeg, dan zal het u niet verbazen dat het hier in de drie, vier gevallen gaat over een woord dat ‘is’ betekent en dat ze inderdaad allemaal verwant zijn aan het Nederlandse woord is, cognaten in het jargon.

Hoe vanzelfsprekend de overeenkomsten tussen deze twee voorbeeldreeksen ons nu ook lijken, er zijn zo goed als geen getuigenissen opgetekend van Oude Grieken die zich na decennialange en nauwe contacten verbaasden over gelijkenissen tussen woorden uit de eigen taal (patèr, esti) en het Oudperzisch (pitaram, asti) of, in een latere periode, tussen het Grieks en het Latijn (pater, est). En dat is vrij eigenaardig aangezien de klassieke Hellenen wél een goed oor hadden voor verschillen en gelijkenissen tussen de eigen dialecten en aangezien ze meer dan behoorlijk werk hebben verricht op het gebied van de grammaticale beschrijving van de eigen taal. Anderzijds, het Griekse woord voor sprekers van andere talen was barbaroi, letterlijk bla-bla’ers, onverstaanbare stamelaars, en dat getuigt niet bepaald van een open instelling of van een bereidheid om eventuele talige gelijkenissen verder uit te spitten.

De Romeinen verzetten eveneens ronduit indrukwekkend werk in verband met grammatica, taalbeschrijving en taalbeschouwing. Hun taalkundige ideeën over de gelijkenissen tussen het Latijn en het Grieks zijn wel overgeleverd, maar ook hier getuigen de bevindingen van een totaal gebrek aan historisch-taalkundig besef. Uiteraard hoeft dat niet te verbazen: de taalkunde stond toen zelfs nog niet in haar kinderschoenen.

Marcus Terentius Varro (116 – 27 v.Chr.), één van de bekendste en interessantste schrijvers over taal, dacht dat het Latijn een Grieks dialect was. Zijn redenering was eenvoudig: er zijn heel wat woorden in de twee talen die op elkaar lijken dus elk Latijns woord dat op een Grieks woord lijkt, moet wel een Grieks leenwoord zijn. Ergo, Latijn is een Grieks dialect. Eenzelfde gedachtegang ten aanzien van het Grieks en het Frygisch vinden we terug in Plato’s Kratulos. Varro was er zich uiteraard niet van bewust dat het Grieks en het Latijn erfwoorden delen en dat het Latijn tal van woorden aan het Grieks ontleende.

Laat het mij vertalen naar het Nederlands en het Engels: computer is overduidelijk een leenwoord uit het Engels, net zoals peer review en cash. Deze woorden worden vrij courant gebruikt door sprekers van het Nederlands. Maar als we nu élk woord dat het Nederlands gemeen heeft met het Engels als een leenwoord gaan beschouwen, dus ook water, moeder, denken, etc., dan zouden we, Varro’s redenering indachtig, op basis van de woordenschat kunnen concluderen dat het Nederlands een Engels dialect is. Quod non. De door Varro voorgestelde taalkundige relatie tussen Grieks en Latijn was geen toevalstreffer: de Griekse cultuur werd in die periode als superieur aan de Romeinse beschouwd. En dat is een tweede aspect om te onthouden: van een superieur geachte cultuur wordt vaak ook de taal als superieur beschouwd. Het idee van superioriteit stond onderzoek in de weg.

De verleiding van de vergelijking

Het lijkt ook nu nog voor vele moderne taalkundige leken een aantrekkelijke gedachte om het eigen bescheiden karretje te kunnen vasthaken aan een grootsere kar. Die eer wordt bijvoorbeeld vrij vaak gereserveerd voor het Sumerisch, een wat mysterieuze, uitgestorven taal, geschreven in spijkerschrift en gesproken door een oude en cultureel hoogstaande beschaving. Hoewel het volgens de meeste experts ter zake een geïsoleerde taal is, dus een taal zonder gekende verwanten, brengen zelfverklaarde vorsers het Sumerisch maar al te graag in verband met andere talen, meestal wars van enig historisch besef en wars van die andere storende zandkorrels in de menselijke hersenmechaniekjes die alternatieve theorieën genereren, namelijk feiten. Eenzelfde lot zijn heel wat andere talen beschoren, maar het Baskisch, Japans en Hebreeuws duiken het vaakst op in deze context.

Pseudotaalkundigen die verbanden zoeken tussen hun geliefkoosde taal en een andere, gaan vaak op een gelijkaardige manier te werk: enthousiast leggen ze ellenlange, tweetalige lijsten aan, tsjokvol woorden die op elkaar lijken. Op zich is dat geen slecht uitgangspunt. Bekijk gewoon even deze twee Duitse, Engelse en Nederlandse woorden, Mann, man, man en haben, have, hebben, en probeer dan niet te denken aan een onderlinge verwantschap.

Een snel gegoogeld maar al te typisch voorbeeld van zo’n tweetalige lijst vinden we op de webpagina’s van ene Angus J. Huck. Volgens hem wijzen de woordparen ada / aita (vader), ge / gau (nacht) op een speciale verwantschap tussen het Sumerisch en het Baskisch. Dat hij al vrij creatief moest zijn bij het opstellen van de lijst met woordparen, lijkt hem niet te deren: voor hem zijn zelfs garash (Sumerisch, stro) en garo (Baskisch, varen), gari (Baskisch, koren), mogelijk verwante woorden. Een tweede en derde probleem dat liefhebbers van zulke lijsten niet lijken te raken, zijn de gebrekkige historische component en het feit dat woorden uit twee talen die duizenden kilometers én jaren uit elkaar liggen niet zomaar, zonder enige context naast elkaar kunnen gepleurd worden.

Daarbij komt nog eens het eenvoudige feit dat de kans om twee gelijkvormige woorden te vinden in twee willekeurige talen vele malen hoger is dan algemeen gedacht, als men maar lang genoeg zoekt en als men de voorwaarden voor opname flexibel genoeg maakt of simpelweg achterwege laat. Linguïst Don Ringe heeft hierover aardige dingen geschreven, onder andere On Calculating the Factor of Chance in Language Comparison (1992). En die toevalstreffers zijn soms ronduit indrukwekkend: zo heeft het Engelse bad (slecht) niets te maken met het Perzische bad (slecht). Het Latijnse deus lijkt op het Griekse theos, het Duitse haben op het Latijnse habere, maar opnieuw, deze twee woordparen zijn geen cognaten, zijn dus etymologisch niet verwant.

Het probleem is dat vele pseudotheorieën staan en vallen met dit soort lijsten. Of beter, de theorieën staan en blijven overeind in de hoofden van hun bedenkers. Pseudotaalkundige theorieën van de pedestal laten vallen waarop de bedenker ze met veel zorg geplaatst heeft, lukt zelden of nooit. Nog minstens twee redenen waarom tweetalige lijsten als die van Angus J. Huck weinig tot geen waarde hebben en zelden of nooit productief zijn, bespreek ik op het einde van dit artikel.

Lettersoep

Er zijn zelfs politiek en religieus gemotiveerde taalvorsers die van de eigen taal de locomotief maken die de hele taalgeschiedenis voorttrekt, zoals de Canadees-Joodse Isaac Mozeson en zijn Turkse tegenhanger Polat Kaya. De eerste verbaast er zich na dertig jaar nog steeds over dat taalkundigen zijn theorie omtrent het primaat van het Oudhebreeuws niet aanvaarden. Nochtans meent hij over voldoende bewijzen te beschikken dat Oudhebreeuws dé proto-wereldtaal bij uitstek is, de eerste menselijke taal dus. In zijn theorie werd wereldwijd Hebreeuws gesproken vóór de werken aan de toren van Babel. De andere is dan weer een Pan-Turkist die voor elk woord, uit welke taal dan ook, een Turkse oorsprong verzint. Beiden gebruiken in eerste instantie de hierboven geschetste werkwijze van meertalige woordenlijstjes.

Taalkunde volgens Isaac Mozeson, een voorbeeld.

Het spreekt vanzelf dat ze in tweede instantie een gigantisch aantal adhoc-procedés moeten verzinnen om toch nog bij hun doel uit te komen. Polat Kaya erkent dat enigszins maar vat de verzameling methodologisch onverantwoorde verzinselen samen met de gewichtig klinkende term “anagrammatisatie” (anagrammatizing). Kort gezegd: eender welke letter van een woord kan vervangen worden door eender welke andere letter, als het maar goed uitkomt, en ‘goed’ betekent hier Turks. En nee, onze brave would-be-linguïst kan inderdaad nog geen letter van een klank onderscheiden.

Een voorbeeld: het Engelse woord encrypt komt van het Griekse kryptein, maar de Engelsen hebben dat Griekse woord bewust gevormd via “anagrammatisatie”: de ‘ein’ van krypt + ein werd naar voren geplaatst, dus en + crypt. De volgende stap in de redering zal u dan ook niet verbazen: het Griekse kryptein is dan weer een bewuste anagram van de Turkse frase kirip etin (breken, plus een hele uitleg die ik u bespaar)[1]. Net zoals spelen met de lettertjes in de tomatensoep en naar eigen goeddunken en smaak extra lettertjes bijstrooien of “gecorrumpeerde letters” uit het bord scheppen, lijkt ook Kaya’s methodologie mij geen degelijke basis voor een productief historisch-taalkundig onderzoek.

Komt daarbij dat Polat Kaya zijn tekort aan taalkundige basiskennis combineert met een teveel aan complottheorieën: volgens hem proberen geheime genootschappen, gemotiveerd door een allesverterende afkeer van de Turkse taalkundige en culturele superioriteit al zo’n 4000 à 5000 jaar lang te verheimelijken dat het Turks de moeder aller talen en culturen is. Figuren als Mozeson, Kaya en vele andere zelfverklaarde onderzoekers van het zoveelste knoopsgat misbruiken het koppel historische en vergelijkende taalkunde om het voor hun politieke of religieuze wagen te spannen en te mishandelen.

Polat Kaya’s verzamelde waangedachten gaan au fond terug op een heel bijzondere taaltheorie die in de jaren 1930 door Mustafa Kemal Atatürk gepropageerd werd. De taalzuivering van het Ottomaanse Turks, ten koste van talloze, vooral Arabische en Perzische leenwoorden, en de invoering van het Latijns schrift ter vervanging van het Arabische gingen hem niet ver genoeg. Enter Güneş Dil Teorisi, de Zonnetaaltheorie. Omdat het te moeilijk bleek om élk woord in het Turkse lexicon te zuiveren, liet men bij decreet vastleggen dat de oorsprong van elk woord Turks was. Om de daaropvolgende hetze te ontzenuwen, bepaalde men vervolgens dat een oude vorm van het Turks (lees: Turks) de eerst gesproken taal ter wereld was en dat alle andere talen uit dat Turks zijn voortgekomen, inclusief de talen van de grote beschavingen, zoals het Sumerisch, Egyptisch en Grieks. Zo’n 70 à 80 jaar nadat zelfs Atatürk de theorie heeft verlaten, zijn er dus nog steeds overtuigde Pan-Turkisten zoals Kaya die hun vrije tijd besteden aan het bewijzen van deze merkwaardige pseudotaalkundige theorie.

Etymologie à la Plato

Maar terug naar ons historisch overzicht, terug naar de Klassieken. Bij het schrijven over de (prille) geesteswetenschappen in de Griekse wereld is het zo goed als onmogelijk om geen lokale filosoof te vermelden. Plato dus en zijn Kratulos is één lange beschouwing over taal waarbij de conversanten zich afvragen of woorden en benamingen uit de natuur der dingen voorkomen of louter het gevolg zijn van afspraken, ergo arbitrair. Food for thought waar eeuwen later ook de Middeleeuwers nog stevig op kauwden. Dat is goed om weten als u van plan bent om Umberto Eco’s De naam van de Roos te herlezen, maar ik wil hier evenwel ingaan op hoe Plato etymologische verklaringen van woorden geeft die voor ons modernen heel bijzonder lijken.

Terwijl we in modernere tijden onder etymologie de verklaring voor de vorm van een woord doorheen de geschiedenis verstaan, lag dat voor Plato en de zijnen net iets anders. Zij wilden vooral de ware betekenis van het woord achterhalen, niet zozeer de historische. Is lucht aer, vraagt Sokrates zich af, “[o]mdat lucht de dingen opheft (airei) van de aarde of omdat lucht altijd stroomt (aer rei)?”[2] Een woord zoals fronesis, ‘nadenken’, wordt dan weer uitgelegd met behulp van frasen die er enerzijds een klein beetje op lijken en die anderzijds Sokrates’ denkbeelden willen verduidelijken: denken over stroming en beweging (foras rou noèsis) en nut van beweging (foras onèsis). Zelfs als uw kennis van het Grieks helemaal verschrompeld of onbestaande is, dan nog mag het geheel duidelijk zijn dat deze etymologieën een totaal andere functie hadden dan de onze nu. Het is evenwel minder duidelijk in hoeverre het personage Sokrates hier danig met de voeten van zijn gesprekspartner aan het rammelen was, of Plato met die van zijn lezers. Daarover heerst nog steeds heel wat academische onenigheid.

Ook na Plato werd deze manier van associatief etymologiseren gebezigd. Het meest markante voorbeeld vinden we – en we spoelen de band wel heel snel door – in de geschriften van Jean-Pierre Brisset, “de man die [op 13 april 1913] is uitgeroepen tot Prins der Denkers omdat hij op taalkundige gronden heeft bewezen dat de mens van de kikker afstamt”[3]. Matthijs van Boxsel, van wie ik het vorige citaat leende, schetst in zijn boek Morosofie op een meelevende manier het aandoenlijke verhaal van deze even doldwaze als dieptragische taalvorser die op handen werd gedragen en werd gebruikt door surrealisten zoals André Breton en Raymond Queneau. Brissets bekendste werken zijn La grammaire logique (1878) en La science de Dieu (1900)[4].

Van de kikker dus. Brissets werkwijze kan ik in de context van dit artikel enkel zeer onnauwkeurig omschrijven als een wilde rollercoaster aan associaties op basis van woordklanken, etymologie à la Plato, maar dan met extra paddo’s. Elders vond ik in dit verband de frase “délire logique”. Hoe dan ook, Brisset wilde aantonen dat de Franse taal genoeg aanknopingspunten heeft om aan te tonen dat mensen van oorsprong waterwezens zijn, verwant of zelfs afstammend van kikvorsen. Een zeer kort voorbeeld (in het Frans, wegens onvertaalbaar): Brisset vraagt zich in La science de Dieu af waar onze voorouders huisden.

Voyons où ces ancêtres étaient logés”: l’eau j’ai = j’ai l’eau ou je suis dan l’eau. L’haut j’ai = je suis haut, au-dessus de l’eau, car les ancêtres construisirent les premières loges sur les eaux.

Daarop gaat hij nog tientallen regels verder met gelijkaardige associaties, onder meer l’os j’ai, le au jet, l’eau jet, loge ai, l’eau-jeu, lot j’ai, l’auge ai. Het mag u niet verbazen dat het boek, 250 pagina’s dik, een zekere inspanning van de lezer vraagt.

Psychoanalytische taalkunde

Veel minder extreem, maar taalkundig evenmin geheel verantwoord, zijn de etymologieën die vaak opduiken in de Lacaniaans geïnspireerde écriture. Vaak wordt hier een vrijwel geheel of gedeeltelijk correcte etymologie gebruikt als basis, een eerste couche als het ware, waarop men dan extra kleurrijke betekenislagen aanbrengt. In se gaat het niet zozeer over etymologieën, maar eerder over associaties die al snel het taalkundige zeer ver achter zich laten. Twee representatieve voorbeelden: het woord infancy, aldus ene Miquel Bassols[5], komt van infant “(in-fari), iemand die niet in staat is om te spreken” (en taalkundig klopt dat min of meer), maar ook iemand “die niet in staat is om te articuleren, om te spreken in het publiek”. Euh, nee. Dat verzint u erbij, meneer de psychoanalist. Iemand die “niet in staat om zichzelf in het openbaar te representeren als een subject van een discours. Kind-zijn wordt dus eerst vastgelegd als een plaats voorafgaand aan en buiten enige discours” (mijn vertaling, mijn verbazing). Dit heeft niets meer te maken met taalkunde. Dit is een potje loos associëren. Het is holle dikdoenerij op de kap van legitiem etymologisch werk.

In andere gevallen probeert men, net zoals Plato en Brisset, de wijze en de dwaas, klankassociaties te laten doorgaan voor etymologieën die als betekenisvol kunnen worden ervaren. Dany Nobus poogt in het boek Key Concepts of Lacanian Psychoanalysis (1998) iets extra zinnigs te zeggen over de scheiding moeder-kind, separation, aangezien het een Engelse tekst is. De auteur slaagt er enkel in om via een foute etymologie en vermeende betekenisvolle referenties naar gelijkklinkende woorden (se parere en se parer) tot een taalgebonden spitsvondigheidje te komen waarbij hij “other” linkt aan “(m)other”[6]. Iemand zou onze Lacanianen moeten vertellen dat ook etymologie niet hun sterkste kant lijkt te zijn.

De ijsberg en zijn topje

Het kan beargumenteerd worden dat ruim een millennium na Varro, met de studie van de Romaanse talen (o.a. Frans, Spaans, Italiaans) en hun verhouding tot het Latijn, de vergelijkende taalkunde uit de startblokken slofte. Niet alleen de talloze overeenkomsten qua woordenschat begonnen op te vallen, maar vooral ook de gelijkaardige grammaticale en morfologische kenmerken (bijvoorbeeld de uitgangen van de werkwoordvervoegingen). De combinatie van beide leek alle onderzoekers de conclusie op te leggen dat de Romaanse talen onderling verwant zijn en dat ze teruggaan op één moedertaal. En uiteraard kenden ze die taal – het Latijn – maar al te goed, zelfs al was het vooral in de literaire en niet in de Roomse en provinciale gesproken vormen.

Komt daarbij dat ook de geschiedenis van het Romeinse Rijk in voldoende mate bekend was. Al bij al had men een mooi kader dat men begon toe te passen op andere taalgroepen, zoals de Germaanse talen (Duits, Engels, Nederlands, e.a.) en de Slavische, waarvan de gemeenschappelijke moedertalen niet gekend waren. Taalverwantschap was een idee dat al heel lang circuleerde. In 1770 deed de Hongaarse Jezuïet János Sajnovics een eerste, vrij zinnige poging om het Laps en het Hongaars met elkaar te verbinden, niet alleen op basis van de woordenschat, maar ook via de grammatica: Demonstratio idioma Ungarorum et Lapporum idem esse (Bewijs dat de taal der Hongaren en die der Lappen hetzelfde zijn).

De Angelsaksische traditie laat de historische taalkunde vaak beginnen met een observatie gemaakt door William Jones, een Britse rechter in India. We schrijven ondertussen al 1786, ruim 16 jaar na Sajnovics’ werk. Jones schreef dat Sanskriet verwant leek te zijn met het Latijn en het klassieke Grieks, en waarschijnlijk ook met het Gotisch en het Perzisch. Hij opperde de idee dat al deze talen hun oorsprong zouden vinden in een nog oudere en mogelijk verdwenen taal. Dat laatste inzicht heeft hem natuurlijk zeer terecht beroemd gemaakt. Minder nieuw, maar belangrijk genoeg om het nog eens te onderstrepen: hij stond historisch en comparatief taalonderzoek voor op basis van woordenschat én grammaticale kenmerken, een factor die ontbreekt in tal van tweetalige woordenlijstjes van onze dappere, maar misleidende pseudotaalkundige vorsers.

Westerlingen hadden in de 18de en 19de eeuw niet enkel kennis gemaakt met het Sanskriet, maar ook met de rijke en gedetailleerde Indische taalkundige traditie, waarvan de meerwaarde vooral lag in twee aspecten die onderbestudeerd werden in de toenmalige Westerse traditie: de fonetiek en de fonologie. Letters werden klanken en die klanken leken zich plots te gedragen volgens bepaalde regels. Klankwetten, zoals de Duitse neogrammatici ze optimistisch begonnen te noemen, jaren na het voorbereidende werk van Franz Bopp, Friedrich Schegel en Jacob Grimm. Ondertussen was het geestelijke klimaat onder de eerste historisch-taalkundigen veranderd: de ideeën van de Romantiek, die de drang naar kennis omtrent de historische fasen van de eigen talen aanzwengelde, moest plaats maken voor “een interesse in het proces van de taalverandering, een gedachte die het sterkst tot uiting kwam in de evolutionaire ideeën van een jonge Charles Darwin”.[7]

Klankwet of niet, in de tweede helft van de negentiende eeuw ging men op zoek naar systematische verschillen en bij schijnbare uitzonderingen stak men een tandje bij om die afwijking toch te kunnen verklaren. En ook daar ontbreekt het de meeste pseudotaalkundigen en opstellers van tweetalige lijstjes aan. Taalkundigen wisten plots te vertellen waarom het Duitse haben en het Latijnse habere níet verwant zijn, ondanks de oppervlakkige overeenkomsten. De Latijnse k-klank correspondeert met de Nederlandse h-klank, tenminste in beginpositie. Hebben (en het Duitse haben) en het Latijnse capere, maar ook hart en cor, die woorden zijn wel verwant.

Door het intensief bestuderen van regelmatige klankwisselingen tussen woorden van talen uit vergelijkbare perioden en door de steeds snellere verspreiding van de bevindingen – en dus de mogelijkheid tot correcties en aanvullingen – boekte de historische en vergelijkende taalkunde op een korte tijd een enorme vooruitgang. Uiteraard speelde ook de steeds grotere kwaliteit van de tekstuitgaven daarin een cruciale rol. Intensieve, internationale samenwerking is overigens nog een aspect dat taalmorosofen uit het oog lijken te verliezen. Vanaf het midden van de 19de eeuw was het zelfvertrouwen groot genoeg om William Jones’ “nog oudere en mogelijk verdwenen taal” te reconstrueren: het Proto-Indo-Europees.

Leestips

Praten over woordherkomst, taalgeschiedenis en taalverwantschap is meer dan praten over de gelijkenis tussen twee woordenreeksen, ook als die lijst enkele riemen papier beslaat, of in het moderne parlando, ettelijke megabytes. Het is meer dan een snelle zoektocht in een etymologisch woordenboek, hoe degelijk deze instrumenten ook mogen zijn wanneer men ze gebruikt in een taalkundige context. Etymologie is echter slechts het topje van de historisch-taalkundige ijsberg.

Het ontbreekt niet aan oerdegelijke inleidingen tot de historische en of vergelijkende taalkunde, bijvoorbeeld Oswald J.L. Szemerényi’s Introduction to Indo-European Linguistics (Oxford University Press, 1996). In het Nederlands zijn er de klassieke (maar op bepaalde punten controversiële) inleiding van R.S.P. Beekes, Vergelijkende taalwetenschap. Tussen Sanskrit en Nederlands (Het Spectrum, 1990) en Cor Van Bree’s Historische Taalkunde (Acco, 1996). Uiteraard bestrijken zij niet de meest recente technieken, zoals het doorgedreven gebruik van statistieken en van bepaalde inzichten en technologieën uit de computationele taalkunde. Minder academisch maar des te leesbaarder is de net verschenen Atlas van de Nederlandse taal (Lannoo, 2017), met daarin enkele zéér verhelderende hoofdstukken over historische en vergelijkende taalkunde. Uiteraard ligt de focus in dat werk op onze moerstaal.

Mark Newbrook, tot slot, schreef jarenlang stukjes over pseudotaalkunde voor het Australische magazine The Skeptic. Het hele archief van dit uitstekende blad is beschikbaar via http://www.skeptics.com.au/. De stukken van Newbrook vindt
u vanaf 2004 (Vol. 24/4). Hij verzamelde zijn enorm uitgebreide kennis in het boek Strange Linguistics. A skeptical linguist looks at non-mainstream ideas about language (Lincom, 2013).

* * *

[1] De Turkse correspondenten die ik gevraagd had om Kaya’s “Turkse frasen” te becommentariëren, de sluitstukken van zijn theorie, grapten dat de meerderheid zelf anagrammen leken te zijn van Turkse woorden of uitdrukkingen. Kaya’s online bibliotheek vindt u op http://polatkaya.net/.

[2] Plato, Kratulos, 410 B, C. De vertaling is van Mario Molegraaf. Plato, Verzameld Werk III. Amsterdam, Querido 2012.

[3] Matthijs van Boxsel, Morosofie. De encyclopedie van de domheid. Dwaze wijzen en wijze dwazen in Nederland en Vlaanderen. Amsterdam, Querido 2002. Uiteraard kan ik hier Rudy Kousbroeks De logologische ruimte. Opstellen over taal (1984) niet onvermeld laten, waarin hij op geheel onnavolgbare wijze Brisset eer aandoet.

[4] De twee bekendste werken van Jean-Pierre Brisset zijn La grammaire logique (1878) en La science de Dieu (1900) en kunnen gedownload worden via de uitstekende Franse archiefwebsite http://gallica.bnf.fr/. Beide boeken zijn nog steeds verkrijgbaar in papieren versie!

[5] Miquel Bassols, “Childhood Under Control” (2012). http://www.amp-nls.org/page/gb/109/lacanquotidien-in-english/0/9. Geraadpleegd op 21 mei 2017.

[6] Dany Nobus, Key Concepts of Lacanian Psychoanalysis (2017), p. 181.

[7] Winfred P. Lehmann, Theoretical Bases of IndoEuropean Linguistics (1996), p. 5.

Titus Oates, leugenaar

Dit is het tweede deel over het Paaps Complot. Het eerste deel, “Titus Oates, complotbedenker”, vindt u hier.

* * *

jesuitTitus Oates, man van God, had geen internet of Facebook nodig om zijn dodelijke complottheorieën, zijn Paapse Complot, te verspreiden. Oates beschuldigde vooraanstaande katholieken en jezuïeten van een zoveelste complot tegen koning Karel II van Engeland. Zijn theorieën leken aanvankelijk bot te vangen, maar één man, de Hertog van York, zag er evenwel een manier in om enkele van zijn politieke tegenstanders een hak te zetten. Hij bracht het geval voor de Staatsraad, de zogenaamde Privy Council en in een stroomversnelling.

De getuigenis van Israel Tongue voor die raad had tot gevolg dat hij algemeen als ontoerekeningsvatbaar en stekezot werd beschouwd. Die van Oates maakte wél indruk, en nog geen klein beetje. Oates presenteerde zich als de man die de informatie aan Tongue had doorgespeeld. Zijn kennis van het dossier, de opsomming van de namen van de verdachten, vermeldingen van omkoopsommen, de mensen die het geld overhandigden en ontvingen, wekten bewondering op. In 1678 was er niemand die net door de overvloed aan details durfde bevroeden dat Oates alles verzonnen had. De verhoren zorgden voor een golf van onrust en opwinding in de hoofdstad en Oates’ naam kreeg bekendheid.

In zijn boek A Selection of Cases from the State Trials. Volume II, Part II. Trials for Treason. The Popish Plot (1678-1681) vermeldt J.W. Willis-Bund een lijst van namen, twee en een halve pagina lang, en vermeldt dan droog dat dat nog maar Oates’ eerste opsomming was (pp. 460-462). Hij laat ook weten hoe onwaarschijnlijk die lijst op zich was:

It has only to be examined to shew its worthlessness. That a person of Oates’ position should be trusted to deliver commissions to the noblemen and gentlemen named in the list is of itself incredible; that the persons mentioned in it should have chosen Oates as their confidant is if possible more so.

Willis-Bund gaat nog een stap verder en voert aan dat de geruchtenmolen van Oates waarschijnlijk tot stilstand zou gekomen zijn, mochten twee incidenten geen extra duwtje hebben gegegeven. Bij Edward Coleman, ex-jezuïet en biechtvader van de Hertog van York ontdekte men een uitgebreide correspondentie met buitenlandse katholieke hoogwaardigheidsbekleders en met de biechtvader van de Franse koning, Père La Chaise. Zij schreven over de herbekering van Engeland tot het ware, katholieke geloof en pacten met Frankrijk.

godfreyHet tweede incident was de moord op Sir Edmund Berry Godfrey, de magistraat die Oates had ingezworen tijdens de verhoren. Godfrey werd gevonden in een sloot, gewurgd en afgemaakt met zijn eigen zwaard. Ik laat nogmaals Willis-Bund aan het woord:

As his death could not be easily accounted for, the cry at once arose that he had been murdered by the Catholics ; this was looked upon as another corroboration of Gates’ fabrications. The people at once lost what little reasoning power they had left. All parties immediately united against the Catholics, all distinctions of politics were forgotten, the nation was divided into two great factions Protestant and Catholic ; to be a Catholic was synonymous in the eyes of a Protestant, that is in the eyes of the nation, with being a traitor.

De discriminatie van katholieken kende een nieuw hoogtepunt en ze werden daarbij andermaal gedwongen om een eed van loyaliteit te zweren aan de koning van Engeland, sinds Hendrik VIII het hoofd van de Anglicaanse staatskerk. Zo’n eed druiste voor katholieken in, althans formeel, tegen de suprematie van de Paus van Rome. Wie de moord op Godfrey pleegde, blijft een raadsel, wie ervoor moest boeten niet. Drie katholieke ambachtsmannen werden door een andere verdachte onder tortuur beschuldigd. Zij werden op de gebruikelijke manier geëxecuteerd. De gemartelde trok later zijn gedwongen bekentenissen in.

whitehallTitus Oates werd de Redder des Vaderlands, het parlement droeg hem voor bij de koning, die hem onderbracht in een riante woning te Whitehall, met persoonlijke bodyguards, en hem een toelage verzekerde van 1200 pond per jaar. Oates bleef niet op zijn lauweren rusten: samen met Tongue onthulde hij nieuwe complotten, met steeds wijdere en diepere vertakkingen. Beide heren kwamen zelfs af met bewijzen dat de Grote Brand van Londen dan toch een groots opgezet katholiek complot was. Hun beschuldiging van vijf katholieke Lords, daarentegen, vond zelfs de koning ongeloofwaardig.

hang drawnHet succes van Oates en de dankbaarheid van de natie bleef niet onopgemerkt. William Bedloe, een schimmige figuur uit de Londense onderwereld, rook zijn kans en kwam zelf met verhalen die de beschuldigingen van Oates leken te onderbouwen en uit te breiden. Maar niet enkel criminelen wilden een graantje meepikken, ook hoogwaardigheidsbekleders zagen een mooie kans in deze tijden van hysterie en paranoia om hun politieke vijanden te beschadigen. Hun getuigenissen gaven de beschuldigingen van Oates op cruciale momenten de broodnodige geloofwaardigheid.

Ondertussen boekte Oates de eerste dubieuze successen met de veroordeling van verschillende hoogwaardigheidsbekleders en dat gaf hem en Bedloe moed om een stap verder te gaan en zowaar de koningin te beschuldigen. De relatie met zijn eega was niet echt denderend, maar de koning weigerde “to see an innocent woman abused” en liet Oates arresteren. Op voorspraak van het parlement werd hij terug vrijgelaten.

Popish plot playing cardRuim twee jaar lang kon Oates de aandacht voor zijn Paapse complottheorieën gaande houden, waarbij hij steeds nieuwe plots en subplots verzon. Het succes mag niet al te veel verwonderen, na 150 jaar godsdienstige verdeeldheid, katholieke complotten, religieus gemotiveerde burgeroorlogen en niet te vergeten een nog langere periode van oorlogen met het katholieke Frankrijk en Spanje, en met de protestantse Nederlanden. Verder kreeg hij op cruciale momenten steun van edelen (én van straatcriminelen) die in de gelegenheid te baat namen om zich te ontdoen van hun politieke tegenstanders en om mee te profiteren van het aanzien dat Oates genoot.

De omgang met complottheorieën doet denken aan de situatie in het moderne Midden-Oosten zoals beschreven door Matthew GrayConspiracy Theories in the Middle East: Sources and Politics (2010): economische crisis, religieuze scherpslijperij, oorlog en burgeroorlog, onlusten en sectaire agressie. Externe vijanden bij de vleet, een regering die enerzijds niet kan verhelpen dat de ene complottheorie na de andere opduikt, en er soms zelf van profiteert of er eentje verzint wanneer het politiek uitkomt.

De onthullingen van Oates kenden drie peilers, drie verhaallijnen die hij zeer goed beheerste en uitbuitte. De eerste was de vernietiging van het koningschap van Karel II, een idee dat volledig uit de lucht gegrepen was en waaraan ook niet zoveel geloof gehecht werd, zeker niet door de koning zelf. De tweede was de ontbinding van de regering en dat was al iets minder onwaarschijnlijk. De herinvoering van het rooms-katholieke geloof als staatsreligie was duidelijk het streefdoel van de Engelse katholieken in de 17de eeuw, de Jezuïeten voorop.

De gevolgen waren amper te overzien: paranoia vulden harten met angst en de straten met gewapende mannen. Het parlementsgebouw werd angstvallig doorzocht; men wilde een tweede Buskruitverraad vermijden. Katholieken werden uit Londen verdreven, nieuwe verdachten werden opgepakt, tot in Ierland toe, en ruim twintig mensen werden geëxecuteerd. Voor de Jezuïeten waren de gevolgen rampzalig: negen werden er geëxecuteerd, twaalf stierven er in gevangenschap, minstens drie werden gelyncht. Ze verloren hun hoofdkwartier in Wales. De algemene antikatholieke wetgeving werd pas in 1829 versoepeld (Roman Catholic Relief Act). Politiek werd het nog langer gebruikt.

Vanaf 1680 begon Oates’ deuken te vertonen. De religieus eerder tolerante koning was nooit een fan geweest van de antikatholieke hysterie die Oates had opgepookt. De beschuldiging van de koningin kon op weinig bijval rekenen en wanneer Oates vijf katholieke edelen als verdachten aanwees, groeide het ongeloof: twee konden elkaar niet luchten en spraken al jaren niet meer met elkaar en een derde zo ziek was dat hij amper boven van onder kon onderscheiden. De publieke opinie begon het zowaar op te vallen dat alle, maar dan ook alle beschuldigden fanatiek aan hun onschuld bleven vasthouden. Ook andere hoofdrolspelers in de berechting van de verdachten begonnen zich vragen te stellen.

titus leugenaar

Stilaan maakten de slachtoffer van Oates’ complottheorieën zowaar meer kans om niet meer ter dood veroordeeld te worden. Het zogenaamde Complot van Barnbow, een nieuwe poging van Oates om katholieke hoogwaardigheidsbekleders te elimineren, deze keer in Yorkshire, liep uit op een sisser: de protestantse jurie weigerde de verdachten te berechten en te veroordelen. Ook een andere voorwaarde voor een vlotte afhandeling richting galg viel weg: de rechters begonnen zich steeds onpartijdiger op te stellen.
Uiteindelijk werd Oates uit zijn luxueuze appartement te Whitehall gezet, gearresteerd en beboet. James II, de opvolger van Karel II, beschuldigde Oates van meineed en trok hem voor het gerecht. De doodstraf bestond niet voor dit soort misdaden en toch was het verdict harder dan het op het eerste zicht leek. Oates werd zijn religieuze status afgenomen, hij werd twee maal publiekelijk aan de schandpaal gezet, veroordeeld tot levenslang én tot een jaarlijkse afranseling die zo ernstig was dat het in de dood kon eindigen.

Drie jaar bracht Oates door in de gevangenis. Toen Willem van Oranje de troon besteeg, kreeg hij clementie en een pensioen van uiteindelijk 300 pond per jaar. In 1705 stierf Oates, vergeten door het publiek dat hem op handen had gedragen als de redder de vaderlands. Bedloe, een van zijn handlangers, stierf een natuurlijke dood, een hele prestatie voor een beroepscrimineel.

In 1705 luidde de officiële versie dat het Paaps Complot waar en waarachtig was.

* * *

Lijst van geraadpleegde bronnen

Boeken

  • Peter ACKROYD, History of Engeland. Volume II Tudors, London, Pan Books, 2014
  • Peter ACKROYD, History of Engeland. Volume III Civil War, London, Pan Books, 2015
  • D.H. PENNINGTON, Europe in the Seventeenth Century, London, Longman, 1989
  • Philip SIDNEY, A History of the Gunpowder Plot. The Conspiracy and its Agents, London, The Religious Tract Society, 1905
    https://archive.org/details/cu31924028038390
  • Thomas SECCOMBE (ed.), Lives of Twelve Bad Men, original studies of eminent scoundrels by various hands, ed. by Thomas Seccombe, London, T. Fisher Unwin, 1894
    https://archive.org/details/cu31924029870874
  • J.W. WILLIS-BUND, A Selection of Cases from the State Trials. Volume II, Part II. Trials for Treason. The Popish Plot (1678-1681), Cambridge, At the University Press, 1882
    https://archive.org/details/pt2selectionofca02willuoft

Artikelen

Podcast

Titus Oates, complotbedenker

Dit is het derde deel in een reeks artikelen over 17de-eeuwse complotteurs en complotdenkers. Een overzicht van de andere onderwerpen vindt u hier.

* * *

In 1678 werd het zoveelste katholieke complot in Engeland verijdeld. De klokkenluider deze keer was ene meneer Oates. Zijn onthullingen legden zo’n immens grote samenzwering bloot dat het ruim twee jaar zou duren, tot 1681, om alle complotteurs, plannen en vertakkingen te onderzoeken. De inzet was dan ook groot: niemand minder dan de toenmalige koning Karel II was het belangrijkste doelwit van het katholieke verraad. Oates’ informatie leidde rechtstreeks naar de executie van minstens 22 samenzweerders, waaronder 5 jezuïeten. De geschiedenisboeken vatten deze manier van interreligieuze problem solving samen als het Popish Plot, wat ik hier zal vertalen als het Paaps Complot.

Wat de geschiedenisboeken ons verder ook vertellen is dat het hele Paaps Complot bij elkaar gelogen werd door Titus Oates. Na zijn dood verdiende hij er een plaats mee in het boek Lives of Twelve Bad Men uitgegeven door Thomas Seccombe (1894). Tijdens zijn leven verdween hij van het middelpunt van de belangstelling via het schandblok en de gevangenis naar de vergetelheid. Hoewel, koning Willem III van Oranje, die in 1689 de Engelse troon besteeg, vergat hem niet. Deze protestantse vorst haalde hem uit de gevangenis en bleef hem een pensioen uitbetalen tot aan zijn dood.

In dit artikel wil ik eerst een stap terug zetten en kort de situatie in het Engeland van de 17de eeuw schetsen om dan over te gaan naar het Paaps Complot zelf.

Zoals elk Europees christelijk land heeft Engeland eeuwenlang zijn besognes gehad met hervormers en andersdenkenden; meestal waren dat vrij lokale gebeurtenissen. Met de komst van de boekdrukkunst én een pak decennia later de hervormingen van Maarten Luther (vanaf 1517) op het vasteland en Hendrik VIII in Engeland (vanaf de jaren 1530), sloeg de vlam pas echt in de pan. De paus verloor een groot deel van zijn gezag in de afvallige gebieden en de Soldaten van de Paus, de jezuïeten werden in het leven geroepen.

In Engeland verloor de katholieke kerk op één generatie tijd haar machtsbasis. Schotland bleef katholiek, wat door de verwevenheid van beide koningshuizen om de haverklap dodelijke spanningen op de Britse Eilanden opleverde. De late 16de en de 17de eeuw werden gekenmerkt door de religieuze, veelal katholieke complotten en keiharde staatsrepressie. Elke echte of vermeende samenzwering werd gevolgd door executies en lynchpartijen en zelfs een burgeroorlog of twee.

Ik heb in deze reeks over complotten en samenzweringen in 17de-eeuws Engeland het reeds uitgebreid gehad over het Buskruitverraad, een mislukte samenzwering van enkele katholieke edelen, waarbij later de Britse jezuïeten geïmpliceerd werden, waarschijnlijk ten onrechte. Ook de trieste lotgevallen van de Franse katholiek Robert Hubert na de Grote Brand van Londen heb ik besproken. Hoewel heel wat edelen en parlementairen openlijk katholiek konden blijven, werd het katholieke deel van de rest van de bevolking als tweederangsburgers beschouwd.

* * *

Titus Oates werd geboren in 1649, in volle burgeroorlog, waarin koningsgezindheid en religie belangrijke drijfveren waren. Zijn vader laveerde van de ene christelijke gezindte naar de andere. Hij voerde gewetensvragen aan, anderen verweten hem plat opportunisme. Zoon Titus werd na een halfmislukte schoolcarrière vicaris van een parochie in Kent en later vervoegde hij zijn vader als kapelaan in Hastings. Daar vond zoon Oates het nodig om een lokale schoolmeester aan te klagen wegens sodomie, toen een misdaad waarop de doodstraf stond. De rechtbank vond de aanklacht ongegrond en bestrafte Titus Oates voor meineed. Oates vluchtte naar Londen, waar hij inscheepte als aalmoezenier op een schip van de Royal Navy in 1677. De zeelucht deed hem weinig goed en al snel kreeg Oates op zijn beurt een beschuldiging van sodomie naar zich toegeschoven. Hij ontsnapte aan de straf door zijn status als man van de kerk.

In 1677 werd hij huishouder bij de katholieke hertog van Norfolk, liet hij zich opnemen in de katholieke kerk, schreef hij samen met Israel Tongue, ook een geestelijke, een reeks straffe antikatholieke pamfletten, werd hij toegelaten tot verschillende Jezuïetenhuizen in Frankrijk en Spanje en keerde hij zich af van het rooms-katholieke geloof. Terug in Engeland begon hij samen met Israel Tongue aan de geschriften die zouden leiden tot het Paaps Complot. Zijn verrassende bekering en uitstap naar Jezuïetenland deed af als een poging tot infiltratie van de rangen van de katholieke vijand.

kirby-warning-charles-ii-of-the-assassination-plot-1678-the-popish-B6YB67Het verhaal kent zijn varianten, maar het lijkt vast te staan dat Tongue een bundel documenten overmaakte aan ene Kirby, een apotheker met connecties, waarin een katholiek complot beschreven was. Kort samengevat: de paus had de Jezuïeten bevolen om de Zwarte Bastaard, koning Karel II, te vermoorden. Door zijn connecties kon hij de koning verwittigen en zowel hij als Tongue werden ondervraagd. Zelf beweerde Tongue dat het paket onder zijn deur was geschoven. Volgens hem waren er ook papieren bij van de aartsvijanden van de Engelse staat, de Jezuïeten zelf. Zijn verhaal stak zo knullig in elkaar dat de hoogwaardigheidsbekleders die gebriefd werden, er niet al te veel geloof aan hechtten.

En hier had het verhaal over het Paaps complot moeten stoppen. De opzet was naïef, de verhaallijn ongeloofwaardig en er was amper iemand die het verhaal serieus nam. Eén man van aanzien, de Hertog van York, zag er evenwel een manier in om enkele van zijn politieke tegenstanders een hak te zetten en bracht het geval voor de Staatsraad, de zogenaamde Privy Council. Zijn opportunisme bracht het hele bedenksel van Titus Oates naar een hoger en dodelijker niveau.

Deel 2: Titus Oates, leugenaar