Fanmail: Over Johannes Goropius Becanus

De redactie van Wonder is gheen Wonder mocht onderstaande brief ontvangen, en gaf mij de gelegenheid om te reageren en het een het ander uit te zoeken. Deze uitwisseling van gedachten verscheen in het herfstnummer.

* * *

Beste,

Van uw tijdschrift mag men wetenschappelijke accuratesse en objectiviteit verwachten. Het artikel “Fake Linguistics” ging evenwel zwaar gebukt onder het vervelende AMAAI-syndroom (Abominable Mentality Against Antwerp’s Imperialism). De taalkundige bias tegen het Antwerps sloeg dus weer eens toe. Hoe anders te verklaren dat een beslagen linguïst als Frank Verhoft nergens enige vermelding maakt van Jan van Gorp (1519-1573), beter bekend onder zijn verlatijnste naam Ioanus Becanus?

Abraham Ortelius was zijn eerste maar niet zijn laatste grote bewonderaar. Ook vandaag nog wordt hij algemeen aangezien als “de vader van de vergelijkende taalkunde”. Deze wetenschapper publiceerde in 1569 zijn meesterwerk “Origines Antverpianae”, uitgegeven door Plantin – niet het eerste het beste uitgeverijtje. Hierin toont hij onbetwistbaar aan dat Adam en Eva in het Paradijs sappig Antwerps spraken. Alle andere talen zijn daaruit ontstaan!

Wil deze rechtzetting opnemen in uw tijdschrift opdat uw lezers voortaan met kennis van zaken over deze materie zouden geïnformeerd zijn. Dank u.

Wim Van den Panhuyzen

* * *

Beste professor emeritus,

Bedankt voor uw reactie op mijn artikel “Fake linguistics”. Hoewel ik de deels
humoristische ondertoon van uw schrijven heus wel gevat heb, wil ik toch reageren op
de onverholen kritiek die er uit sprak.

Brab bio 1_GOROPIUS_afb Groeningemuseum BruggeDe humanist Jan van Gorp (1519-1573) is beter bekend onder zijn correct gelatiniseerde naam Johannes Goropius Becanus.(1) Hij leeft verder in de vakterm goropisme, ‘een belachelijke etymologie’ en dat geeft meteen een idee van zijn reputatie als taalvorser.(2)
De voorbeelden die meestal genoemd worden zijn Adam, volgens Goropius een samenstelling van de twee enkelvoudige (dus pure) woorden ‘haat’ + ‘dam’ en Eva, ‘eeuw’ + ‘vat’. In de toenmalige benaming voor het Nederlands, namelijk Nederduits of Duits, meende hij douts, d’oudste (taal) te moeten terugvinden. Voor hem, net zoals voor Plato,(3) diende etymologie om een denkbeeld of theorie te verduidelijken. In het geval van Goropius moesten zijn woordverklaringen eerder een heilsgeschiedenis uit de doeken doen dan een woordgeschiedenis.

Ik heb de alinea over Goropius geschrapt uit mijn tekst, wat minder te maken had met een gebrek aan “wetenschappelijke accuratesse”, dan met het feit dat ik ruim tweeduizend jaar linguïstiek en bakken pseudotaalkundige bagger moest persen
in het beperkte aantal bladzijden dat voor een artikel gereserveerd wordt. Het
heeft ook ‘ielemoal niks van doeng met “het vervelende AMAAI-syndroom”. Ik
vind trouwens dat folkloristisch Antwerps chauvinisme niet verward hoeft te worden
met kritisch denken.(4)

De tweede reden waarom ik Goropius niet vermeld heb, is dat hij opduikt in zowat alle Nederlandstalige, populariserende artikelen over malle taaltheorieën. Wat mij betreft hoeft hij dan niet meer in Wonder te staan.

De derde reden is iets complexer en staat schijnbaar haaks op de tweede. Het is ook
de aanleiding waarom ik deze repliek toch heb willen schrijven.

De internationale, veeltalige intellectueel en koninklijke lijfarts Johannes Goropius
Becanus verdient inderdaad beter dan afgeschilderd te worden als een malloot die
maar wat aanmodderde in de taalkunde, een vakgebied dat oorspronkelijk niet het
zijne was. Daar zijn velen het vandaag over eens. Anderzijds zijn wij, modernen, het
aan Goropius verplicht zijn taaltheorieën accuraat weer te geven en dat gebeurt
helaas nog veel te weinig. Mijn artikel was niet de geschikte plaats om die discussie
uit de doeken te doen.

Maar kijk, Johannes Goropius Becanus wordt nu wél vermeld in dit tijdschrift en ik stel voor dat we dan maar in één ruk doorgaan tot we, met de woorden van Andreas Dunius, aan het gaatje zijn.

becaIn de inleiding van de Goropius’ biografie geeft Toon van Hal geen al te slechte reden waarom de taalkundige ideeën van Goropius waarschijnlijk zo vaak fout worden weergegeven: Van Hal heeft de scriptie van de te vroeg overleden Eddy Frederickx uitvoerig aangepast en uitgegeven en hij acht, enigszins humoristisch, de kans reëel dat Fredericks “wellicht de enige lezer is die de twee vuistdikke pillen van de Antwerpse arts heeft doorgewerkt”.(5) Hoewel het Latijn van Goropius best proper is, telt de eerste brik van twee, Origines Antwerpianae sive Cimmeriorum Becceselana, ruim 1000 bladzijden. Ik moet toegeven dat ik ook liever naar het mooie drukwerk kijk dan dat ik de Latijnse tekst effectief lees. Vandaar dat ik voor dit artikel mijn toevlucht heb genomen tot de gedeeltelijke vertaling zoals verschenen in Van Adam tot Antwerpen (2014) door Nico de Glas.(6)

En met de Origines Antwerpianae zijn we terug bij ons dubbel uitgangspunt: Goropius
heeft nooit beweerd dat Adam en Eva in het aards paradijs Antwerps praatten en de
idee dat alle andere talen uit het Antwerps, Brabants of Nederlands ontstaan zouden
zijn, komt niet voor in zijn geschriften.

Deze foute voorstelling van Goropius’ theorieën kan geen enkele leek kwalijk genomen worden omdat ze ook nu nog opgevoerd wordt in populariserende werken over taal en taalkunde, zoals bijvoorbeeld in de verder uitstekende Atlas van de Nederlandse Taal uit 2017. Daarin wordt hij zelfs afgebeeld met een zotskap op zijn hoofd.(7) Het zou me niet verbazen dat de immer weerkerende voorbeelden geciteerd in de eerste alinea, Adam, Eva en Duits, die foute ideeën alleen maar versterken.

Cornelis_van_Haarlem_-_De_zondevalVolgens Goropius was de eerste taal, die van Adam en Eva, de perfecte, de volmaakte. Hij situeerde hun Tuin van Eden, echter in India! De boom van goed en kwaad was volgens hem de Indische vijgenboom en waar vind je meer slangen dan in India? Na de zondvloed zwermden de kinderen van Noah uit over de hele wereld. De nazaten van Noah’s zoon Japeth spraken nog steeds die perfecte taal, wat Goropius af en toe ook (Indo-)Scythisch noemde, en zij verspreidden zich over Europa. Op hun beurt stichtte een groep van hun nakomelingen, de Atuatuken, Antwerpen. Zij spraken een nauw verwante vorm van het Indoscythisch, namelijk het Cimbrisch, of Cimmerisch. Het is niet altijd even duidelijk wat hij nu net bedoelt met Cimbrisch; soms lijkt hij te praten over Nederduits, gesproken tussen de Schelde en het huidige Estland, soms specifiek over het Brabants dialect en heel zelden over het Antwerps. In bepaalde passages lijkt hij te mijmeren over het feit dat de Nederduitse dialecten uit elkaar lijken te groeien, wat hij dan weer linkt aan de groeiende religieuze verschillen tussen katholieken en de protestantse stromingen. We mogen echter niet al te veel consistentie verwachten in de geschriften van Becanus, die soms lijken op een ongecontroleerde stroom van halve gedachten en argumenten. Hoe dan ook, de oudste taal is zeker geen “sappig Antwerps” én de taal die in Antwerpen wordt gesproken is volgens Becanus de taal van immigranten.

Wat dan met de tweede bewering, namelijk dat alle talen uit de lokale Antwerpse taal zouden voortkomen? Goropius was een polyglot, hij kende zeker Latijn, Grieks en Hebreeuws. Als fervent boekenverzamelaar was hij vrijwel zeker op de hoogte van heel veel andere, wildvreemde talen die gesproken werden over een steeds groter wordende wereld en die gretig beschreven werden door Europese ontdekkingsreizigers. Hij zag overeenkomsten tussen deze en gene taal, maar hij besefte ook dat sommige talen helemaal niets met elkaar te maken konden hebben (of leken te hebben). Verder kende hij zijn klassieken en zijn Bijbel. Hij nam zich de vrijheid om op basis van klassieke teksten niet zozeer het Bijbelse verhaal tegen te spreken, dan wel subtiel of minder subtiel te modificeren. Goropius twijfelde niet aan het verhaal van de Toren van Babel: na dat akkefietje met het grootse bouwwerk zorgde God ervoor dat de mensen elkaar niet meer konden begrijpen. De verschillende talen, wij zouden nu min of meer taalfamilies zeggen, zijn dus niet gegroeid uit het Cimbrisch, Nederduits of Antwerps. Met de spreekwoordelijke knip van de goddelijke vingers veranderde Jahweh alle talen van de volkeren die aanwezig waren bij de bouw van de Toren. De Cimbriërs waren echter niet in Babel en om die reden wordt de eerste taal, d’oudste, volgens hem nog steeds gesproken, toevallig in zijn geboortestreek.

Zelf heb ik mij even verweten dat ik in mijn artikel “Fake linguistics” geen aandacht heb besteed aan de studie van het Gotisch in de Lage Landen, wat van enorm belang is geweest voor het ontstaan van de vergelijkende taalkunde van het Germaans in deze contreien. We schrijven midden 16de eeuw en later, inderdaad ook wat de taalwetenschap betreft een uiterst boeiende periode.(8) Als we al nood zouden hebben aan een vader van de vergelijkende taalkunde in de Nederlanden, dan moeten we hem volgens mij zoeken onder de vele vorsers uit die periode. Maar, zoals ik al impliceerde in mijn artikel, vind ik het concept “de vader van” te beperkend, te weinig productief.(9) Niet mijn ding. Goropius hééft zich zoals vele taalvorsers in de Lage Landen bezig gehouden met dat Gotisch, maar hij zag er eerder een oude vorm van het Nederlands gecorrumpeerd door het Grieks in, dan een aparte, oude Germaanse taal.

Johannes Goropius Becanus of de vader of de zatte nonkel van de vergelijkende taalkunde noemen, beide zouden even ongepast zijn. Hij heeft heel wat toenmalige heilige huisjes ingetrapt. Hoewel hij welwillend stond tegenover het Hebreeuws, voerde hij aan dat het niet de eerste, de oudste taal kon zijn. En dat op zich was in die periode vrij choquerend. Misschien heeft hij mensen aangezet om buiten de lijntjes te kleuren, om de platgetreden paden te verlaten en op zoek te gaan naar nieuwe inzichten, hoewel hij zelf duidelijk de weg kwijt was. En dat hoeft ons niet te verbazen: de taalonderzoekers waren nog maar net begonnen de taalwetenschap uit de grond te stampen.

 

Noten

  1. De letter “I” in de gelatiniseerde versie wordt normaliter getranscribeerd als “J”, net zoals de “V” weergegeven wordt met een “U”. De literatuur noch de titelpagina’s uit de drukkerij van Plantin vermelden “Ioanus”.
  2. “[Goropiser, c]’est que les étymologies étranges et souvent ridicules de Goropius Becanus” in Gottfried Wilhelm Leibniz, Nouveaux essais sur l’entendement humain (1762). Hier geraadpleegd in de editie van 1921, via https://archive.org/details/ nouveauxessaissu00leib.
  3. Voor een meer academische benadering van zijn etymologische methoden zie bijvoorbeeld R.A. Naborn: “Becanus’ etymological methods” dat te raadplegen is via de schitterende website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL), http://www.dbnl.org/.
  4. Ter vergelijking: aantal Bruggelingen dat naar aanleiding van mijn stuk over pseudolinguïstiek en de geschiedenis van de taalkunde in Wonder en is gheen Wonder reclameerde dat, u voelde hem aankomen, Simon Stevin níet vermeld werd: nul.
  5. Eddy Frederickx (†) en Toon van Hal, Johannes Goropius Becanus (1519-1573). Brabants arts en taalfanaat. Hilversum, Uitgeverij Verloren, 2015, p. 11.
  6. Johannes Goropius Becanus, Van Adam tot Antwerpen. Een bloemlezing uit de Origines Antwerpianae en de Opera van Johannes Goropius Becanus. Hilversum, Uitgeverij Verloren, 2014. In deze context is het bijna helemaal vertaalde Boek V Indoscythia van belang. Op de website van de Vlaamse Erfgoedbibliotheek, Flandrica.be, vindt u een digitale kopie van het integrale drukwerk uit 1569.
  7. Fieke Van der Gucht e.a., Atlas van de Nederlandse Taal. Editie Vlaanderen. Lannoo, 2017, p. 125.
  8. Zie bijvoorbeeld R.G. Van de Velde, De studie van het Gotisch in de Nederlanden. Bijdrage tot een status quaestionis over de studie van het Gotisch en het Krimgotisch (1966). Het Museum Plantin-Moretus bezit én stelt daarvan meerdere gedrukte getuigen uit die periode tentoon.
  9. Zo wordt in de Engelstalige traditie vaak de Engelstalige sir William Jones opgevoerd als vader van, 16 jaar na het verschijnen van indrukwekkend goed taalkundig onderzoek in een taal die de meeste Angelsaksen niet machtig zijn. Lezers die op zoek zouden zijn naar nóg meer vaders in de taalkunde, beveel ik het boek A Short History of Linguistics van R.H. Robbins aan. De 280 pagina’s dat het uitstekende werk dik is, bulken ervan.

Fake linguistics. Pseudotaalwetenschap van Plato tot Lacan

Wonder 201702Dit artikel verscheen eerder in Wonder en is gheen Wonder (Zomernummer 2017), het ledenblad van SKEPP.

* * *

Uitbundig is de relatie tussen taalkunde en skepticisme niet. In het Engelse taalgebied zijn voor zover ik weet enkel de Australisch-Amerikaanse Karen Stollznow en de even skeptische Brit Mark Newbrook actief. In de Lage Landen pleegt SKEPP’er Herman Boel regelmatig kritische stukjes over taalgerelateerde onderwerpen (zie onder meer “Pseudotaalwetenschap in actie” op taalfluisteraar.be). Al bij al verschijnen er weinig kritische beschouwingen over (pseudo)taalkundige onderwerpen in de skeptische literatuur.

Toegegeven, het is zelden dringend: een pseudolinguïstische gedachte botst met geen enkele fundamentele natuurwet en niemand wordt onwel van een vermeend infix meer of een gepostuleerde laryngaal minder. Verder zijn er zijn tal van esoterische taaltovenaars, maar zelden lichten ze iemand op. Wie ligt er wakker van een al te warrig en volslagen zinloos “bioklankwetmatig” (schrijf)systeem dat “gebaseerd is op de 12 zuivere klanken en 12 tonen”, behalve dan de Nederlandse bedenker en taalmorosoof Bob Zwamborn zelf? Een doffe taalchakra, een aandoening die volgens de vakliteratuur vooral de spiritueel-energetisch geïnclineerden lijkt te treffen, die poetst u zelf op met een zacht doekje en een toefje spuug, toch?

Met fake lingustics valt door de bank genomen weinig geld te verdienen, misschien met uitzondering van het zogenaamde Neurolinguïstisch Programmeren (NLP) en grafologie. Dat laatste was ooit een populair middel om tijdens een sollicitatieronde geschikte kandidaten te selecteren op basis van hun handschrift. Gelukkig lijken beide kwakpraktijken op hun retour te zijn. Er wordt tegenwoordig wel reclame gemaakt voor dure taalcursussen in combinatie met hypnosesessies die na een minimaal aantal uren miraculeuze resultaten beloven. Maar daarbij kan ik enkel een vraagteken plaatsen wegens onvoldoende onderlegd in het aspect hypnose.

In dit artikel wil ik één taalkundig deelgebied onder de loep nemen, meer bepaald de omgeving waar twee takken van de linguïstiek samenkomen: de historische en de vergelijkende taalkunde. En zoals vaak het geval is bij studiegebieden die heel wat expertise veronderstellen, worden ook deze in niet-academische context overspoeld door tal van zelfverklaarde taalvorsers voor wie een gebrek aan kennis, gespecialiseerde én elementaire, niet bepaald een hindernis lijkt te zijn. Eerder dan een opsomming van verschillende karakters en hun taalhistorische en -vergelijkende pseudotheorieën, wil ik doorheen de voorgeschiedenis van de taalkunde zigzaggen en op zoek gaan naar historische, pre-wetenschappelijke aanknopingspunten voor verschillende moderne pseudotaalkundige theorieën.

Grieks-Romeinse stijl

Patèr, pitaram, pater. Waarschijnlijk herkent u eerder de drie woorden dan de drie talen waarin ze inderdaad ‘vader’ betekenen. Geen idee of de reeks esti, asti, est u iets zegt, maar als ik er het Duitse ist aan toevoeg, dan zal het u niet verbazen dat het hier in de drie, vier gevallen gaat over een woord dat ‘is’ betekent en dat ze inderdaad allemaal verwant zijn aan het Nederlandse woord is, cognaten in het jargon.

Hoe vanzelfsprekend de overeenkomsten tussen deze twee voorbeeldreeksen ons nu ook lijken, er zijn zo goed als geen getuigenissen opgetekend van Oude Grieken die zich na decennialange en nauwe contacten verbaasden over gelijkenissen tussen woorden uit de eigen taal (patèr, esti) en het Oudperzisch (pitaram, asti) of, in een latere periode, tussen het Grieks en het Latijn (pater, est). En dat is vrij eigenaardig aangezien de klassieke Hellenen wél een goed oor hadden voor verschillen en gelijkenissen tussen de eigen dialecten en aangezien ze meer dan behoorlijk werk hebben verricht op het gebied van de grammaticale beschrijving van de eigen taal. Anderzijds, het Griekse woord voor sprekers van andere talen was barbaroi, letterlijk bla-bla’ers, onverstaanbare stamelaars, en dat getuigt niet bepaald van een open instelling of van een bereidheid om eventuele talige gelijkenissen verder uit te spitten.

De Romeinen verzetten eveneens ronduit indrukwekkend werk in verband met grammatica, taalbeschrijving en taalbeschouwing. Hun taalkundige ideeën over de gelijkenissen tussen het Latijn en het Grieks zijn wel overgeleverd, maar ook hier getuigen de bevindingen van een totaal gebrek aan historisch-taalkundig besef. Uiteraard hoeft dat niet te verbazen: de taalkunde stond toen zelfs nog niet in haar kinderschoenen.

Marcus Terentius Varro (116 – 27 v.Chr.), één van de bekendste en interessantste schrijvers over taal, dacht dat het Latijn een Grieks dialect was. Zijn redenering was eenvoudig: er zijn heel wat woorden in de twee talen die op elkaar lijken dus elk Latijns woord dat op een Grieks woord lijkt, moet wel een Grieks leenwoord zijn. Ergo, Latijn is een Grieks dialect. Eenzelfde gedachtegang ten aanzien van het Grieks en het Frygisch vinden we terug in Plato’s Kratulos. Varro was er zich uiteraard niet van bewust dat het Grieks en het Latijn erfwoorden delen en dat het Latijn tal van woorden aan het Grieks ontleende.

Laat het mij vertalen naar het Nederlands en het Engels: computer is overduidelijk een leenwoord uit het Engels, net zoals peer review en cash. Deze woorden worden vrij courant gebruikt door sprekers van het Nederlands. Maar als we nu élk woord dat het Nederlands gemeen heeft met het Engels als een leenwoord gaan beschouwen, dus ook water, moeder, denken, etc., dan zouden we, Varro’s redenering indachtig, op basis van de woordenschat kunnen concluderen dat het Nederlands een Engels dialect is. Quod non. De door Varro voorgestelde taalkundige relatie tussen Grieks en Latijn was geen toevalstreffer: de Griekse cultuur werd in die periode als superieur aan de Romeinse beschouwd. En dat is een tweede aspect om te onthouden: van een superieur geachte cultuur wordt vaak ook de taal als superieur beschouwd. Het idee van superioriteit stond onderzoek in de weg.

De verleiding van de vergelijking

Het lijkt ook nu nog voor vele moderne taalkundige leken een aantrekkelijke gedachte om het eigen bescheiden karretje te kunnen vasthaken aan een grootsere kar. Die eer wordt bijvoorbeeld vrij vaak gereserveerd voor het Sumerisch, een wat mysterieuze, uitgestorven taal, geschreven in spijkerschrift en gesproken door een oude en cultureel hoogstaande beschaving. Hoewel het volgens de meeste experts ter zake een geïsoleerde taal is, dus een taal zonder gekende verwanten, brengen zelfverklaarde vorsers het Sumerisch maar al te graag in verband met andere talen, meestal wars van enig historisch besef en wars van die andere storende zandkorrels in de menselijke hersenmechaniekjes die alternatieve theorieën genereren, namelijk feiten. Eenzelfde lot zijn heel wat andere talen beschoren, maar het Baskisch, Japans en Hebreeuws duiken het vaakst op in deze context.

Pseudotaalkundigen die verbanden zoeken tussen hun geliefkoosde taal en een andere, gaan vaak op een gelijkaardige manier te werk: enthousiast leggen ze ellenlange, tweetalige lijsten aan, tsjokvol woorden die op elkaar lijken. Op zich is dat geen slecht uitgangspunt. Bekijk gewoon even deze twee Duitse, Engelse en Nederlandse woorden, Mann, man, man en haben, have, hebben, en probeer dan niet te denken aan een onderlinge verwantschap.

Een snel gegoogeld maar al te typisch voorbeeld van zo’n tweetalige lijst vinden we op de webpagina’s van ene Angus J. Huck. Volgens hem wijzen de woordparen ada / aita (vader), ge / gau (nacht) op een speciale verwantschap tussen het Sumerisch en het Baskisch. Dat hij al vrij creatief moest zijn bij het opstellen van de lijst met woordparen, lijkt hem niet te deren: voor hem zijn zelfs garash (Sumerisch, stro) en garo (Baskisch, varen), gari (Baskisch, koren), mogelijk verwante woorden. Een tweede en derde probleem dat liefhebbers van zulke lijsten niet lijken te raken, zijn de gebrekkige historische component en het feit dat woorden uit twee talen die duizenden kilometers én jaren uit elkaar liggen niet zomaar, zonder enige context naast elkaar kunnen gepleurd worden.

Daarbij komt nog eens het eenvoudige feit dat de kans om twee gelijkvormige woorden te vinden in twee willekeurige talen vele malen hoger is dan algemeen gedacht, als men maar lang genoeg zoekt en als men de voorwaarden voor opname flexibel genoeg maakt of simpelweg achterwege laat. Linguïst Don Ringe heeft hierover aardige dingen geschreven, onder andere On Calculating the Factor of Chance in Language Comparison (1992). En die toevalstreffers zijn soms ronduit indrukwekkend: zo heeft het Engelse bad (slecht) niets te maken met het Perzische bad (slecht). Het Latijnse deus lijkt op het Griekse theos, het Duitse haben op het Latijnse habere, maar opnieuw, deze twee woordparen zijn geen cognaten, zijn dus etymologisch niet verwant.

Het probleem is dat vele pseudotheorieën staan en vallen met dit soort lijsten. Of beter, de theorieën staan en blijven overeind in de hoofden van hun bedenkers. Pseudotaalkundige theorieën van de pedestal laten vallen waarop de bedenker ze met veel zorg geplaatst heeft, lukt zelden of nooit. Nog minstens twee redenen waarom tweetalige lijsten als die van Angus J. Huck weinig tot geen waarde hebben en zelden of nooit productief zijn, bespreek ik op het einde van dit artikel.

Lettersoep

Er zijn zelfs politiek en religieus gemotiveerde taalvorsers die van de eigen taal de locomotief maken die de hele taalgeschiedenis voorttrekt, zoals de Canadees-Joodse Isaac Mozeson en zijn Turkse tegenhanger Polat Kaya. De eerste verbaast er zich na dertig jaar nog steeds over dat taalkundigen zijn theorie omtrent het primaat van het Oudhebreeuws niet aanvaarden. Nochtans meent hij over voldoende bewijzen te beschikken dat Oudhebreeuws dé proto-wereldtaal bij uitstek is, de eerste menselijke taal dus. In zijn theorie werd wereldwijd Hebreeuws gesproken vóór de werken aan de toren van Babel. De andere is dan weer een Pan-Turkist die voor elk woord, uit welke taal dan ook, een Turkse oorsprong verzint. Beiden gebruiken in eerste instantie de hierboven geschetste werkwijze van meertalige woordenlijstjes.

Taalkunde volgens Isaac Mozeson, een voorbeeld.

Het spreekt vanzelf dat ze in tweede instantie een gigantisch aantal adhoc-procedés moeten verzinnen om toch nog bij hun doel uit te komen. Polat Kaya erkent dat enigszins maar vat de verzameling methodologisch onverantwoorde verzinselen samen met de gewichtig klinkende term “anagrammatisatie” (anagrammatizing). Kort gezegd: eender welke letter van een woord kan vervangen worden door eender welke andere letter, als het maar goed uitkomt, en ‘goed’ betekent hier Turks. En nee, onze brave would-be-linguïst kan inderdaad nog geen letter van een klank onderscheiden.

Een voorbeeld: het Engelse woord encrypt komt van het Griekse kryptein, maar de Engelsen hebben dat Griekse woord bewust gevormd via “anagrammatisatie”: de ‘ein’ van krypt + ein werd naar voren geplaatst, dus en + crypt. De volgende stap in de redering zal u dan ook niet verbazen: het Griekse kryptein is dan weer een bewuste anagram van de Turkse frase kirip etin (breken, plus een hele uitleg die ik u bespaar)[1]. Net zoals spelen met de lettertjes in de tomatensoep en naar eigen goeddunken en smaak extra lettertjes bijstrooien of “gecorrumpeerde letters” uit het bord scheppen, lijkt ook Kaya’s methodologie mij geen degelijke basis voor een productief historisch-taalkundig onderzoek.

Komt daarbij dat Polat Kaya zijn tekort aan taalkundige basiskennis combineert met een teveel aan complottheorieën: volgens hem proberen geheime genootschappen, gemotiveerd door een allesverterende afkeer van de Turkse taalkundige en culturele superioriteit al zo’n 4000 à 5000 jaar lang te verheimelijken dat het Turks de moeder aller talen en culturen is. Figuren als Mozeson, Kaya en vele andere zelfverklaarde onderzoekers van het zoveelste knoopsgat misbruiken het koppel historische en vergelijkende taalkunde om het voor hun politieke of religieuze wagen te spannen en te mishandelen.

Polat Kaya’s verzamelde waangedachten gaan au fond terug op een heel bijzondere taaltheorie die in de jaren 1930 door Mustafa Kemal Atatürk gepropageerd werd. De taalzuivering van het Ottomaanse Turks, ten koste van talloze, vooral Arabische en Perzische leenwoorden, en de invoering van het Latijns schrift ter vervanging van het Arabische gingen hem niet ver genoeg. Enter Güneş Dil Teorisi, de Zonnetaaltheorie. Omdat het te moeilijk bleek om élk woord in het Turkse lexicon te zuiveren, liet men bij decreet vastleggen dat de oorsprong van elk woord Turks was. Om de daaropvolgende hetze te ontzenuwen, bepaalde men vervolgens dat een oude vorm van het Turks (lees: Turks) de eerst gesproken taal ter wereld was en dat alle andere talen uit dat Turks zijn voortgekomen, inclusief de talen van de grote beschavingen, zoals het Sumerisch, Egyptisch en Grieks. Zo’n 70 à 80 jaar nadat zelfs Atatürk de theorie heeft verlaten, zijn er dus nog steeds overtuigde Pan-Turkisten zoals Kaya die hun vrije tijd besteden aan het bewijzen van deze merkwaardige pseudotaalkundige theorie.

Etymologie à la Plato

Maar terug naar ons historisch overzicht, terug naar de Klassieken. Bij het schrijven over de (prille) geesteswetenschappen in de Griekse wereld is het zo goed als onmogelijk om geen lokale filosoof te vermelden. Plato dus en zijn Kratulos is één lange beschouwing over taal waarbij de conversanten zich afvragen of woorden en benamingen uit de natuur der dingen voorkomen of louter het gevolg zijn van afspraken, ergo arbitrair. Food for thought waar eeuwen later ook de Middeleeuwers nog stevig op kauwden. Dat is goed om weten als u van plan bent om Umberto Eco’s De naam van de Roos te herlezen, maar ik wil hier evenwel ingaan op hoe Plato etymologische verklaringen van woorden geeft die voor ons modernen heel bijzonder lijken.

Terwijl we in modernere tijden onder etymologie de verklaring voor de vorm van een woord doorheen de geschiedenis verstaan, lag dat voor Plato en de zijnen net iets anders. Zij wilden vooral de ware betekenis van het woord achterhalen, niet zozeer de historische. Is lucht aer, vraagt Sokrates zich af, “[o]mdat lucht de dingen opheft (airei) van de aarde of omdat lucht altijd stroomt (aer rei)?”[2] Een woord zoals fronesis, ‘nadenken’, wordt dan weer uitgelegd met behulp van frasen die er enerzijds een klein beetje op lijken en die anderzijds Sokrates’ denkbeelden willen verduidelijken: denken over stroming en beweging (foras rou noèsis) en nut van beweging (foras onèsis). Zelfs als uw kennis van het Grieks helemaal verschrompeld of onbestaande is, dan nog mag het geheel duidelijk zijn dat deze etymologieën een totaal andere functie hadden dan de onze nu. Het is evenwel minder duidelijk in hoeverre het personage Sokrates hier danig met de voeten van zijn gesprekspartner aan het rammelen was, of Plato met die van zijn lezers. Daarover heerst nog steeds heel wat academische onenigheid.

Ook na Plato werd deze manier van associatief etymologiseren gebezigd. Het meest markante voorbeeld vinden we – en we spoelen de band wel heel snel door – in de geschriften van Jean-Pierre Brisset, “de man die [op 13 april 1913] is uitgeroepen tot Prins der Denkers omdat hij op taalkundige gronden heeft bewezen dat de mens van de kikker afstamt”[3]. Matthijs van Boxsel, van wie ik het vorige citaat leende, schetst in zijn boek Morosofie op een meelevende manier het aandoenlijke verhaal van deze even doldwaze als dieptragische taalvorser die op handen werd gedragen en werd gebruikt door surrealisten zoals André Breton en Raymond Queneau. Brissets bekendste werken zijn La grammaire logique (1878) en La science de Dieu (1900)[4].

Van de kikker dus. Brissets werkwijze kan ik in de context van dit artikel enkel zeer onnauwkeurig omschrijven als een wilde rollercoaster aan associaties op basis van woordklanken, etymologie à la Plato, maar dan met extra paddo’s. Elders vond ik in dit verband de frase “délire logique”. Hoe dan ook, Brisset wilde aantonen dat de Franse taal genoeg aanknopingspunten heeft om aan te tonen dat mensen van oorsprong waterwezens zijn, verwant of zelfs afstammend van kikvorsen. Een zeer kort voorbeeld (in het Frans, wegens onvertaalbaar): Brisset vraagt zich in La science de Dieu af waar onze voorouders huisden.

Voyons où ces ancêtres étaient logés”: l’eau j’ai = j’ai l’eau ou je suis dan l’eau. L’haut j’ai = je suis haut, au-dessus de l’eau, car les ancêtres construisirent les premières loges sur les eaux.

Daarop gaat hij nog tientallen regels verder met gelijkaardige associaties, onder meer l’os j’ai, le au jet, l’eau jet, loge ai, l’eau-jeu, lot j’ai, l’auge ai. Het mag u niet verbazen dat het boek, 250 pagina’s dik, een zekere inspanning van de lezer vraagt.

Psychoanalytische taalkunde

Veel minder extreem, maar taalkundig evenmin geheel verantwoord, zijn de etymologieën die vaak opduiken in de Lacaniaans geïnspireerde écriture. Vaak wordt hier een vrijwel geheel of gedeeltelijk correcte etymologie gebruikt als basis, een eerste couche als het ware, waarop men dan extra kleurrijke betekenislagen aanbrengt. In se gaat het niet zozeer over etymologieën, maar eerder over associaties die al snel het taalkundige zeer ver achter zich laten. Twee representatieve voorbeelden: het woord infancy, aldus ene Miquel Bassols[5], komt van infant “(in-fari), iemand die niet in staat is om te spreken” (en taalkundig klopt dat min of meer), maar ook iemand “die niet in staat is om te articuleren, om te spreken in het publiek”. Euh, nee. Dat verzint u erbij, meneer de psychoanalist. Iemand die “niet in staat om zichzelf in het openbaar te representeren als een subject van een discours. Kind-zijn wordt dus eerst vastgelegd als een plaats voorafgaand aan en buiten enige discours” (mijn vertaling, mijn verbazing). Dit heeft niets meer te maken met taalkunde. Dit is een potje loos associëren. Het is holle dikdoenerij op de kap van legitiem etymologisch werk.

In andere gevallen probeert men, net zoals Plato en Brisset, de wijze en de dwaas, klankassociaties te laten doorgaan voor etymologieën die als betekenisvol kunnen worden ervaren. Dany Nobus poogt in het boek Key Concepts of Lacanian Psychoanalysis (1998) iets extra zinnigs te zeggen over de scheiding moeder-kind, separation, aangezien het een Engelse tekst is. De auteur slaagt er enkel in om via een foute etymologie en vermeende betekenisvolle referenties naar gelijkklinkende woorden (se parere en se parer) tot een taalgebonden spitsvondigheidje te komen waarbij hij “other” linkt aan “(m)other”[6]. Iemand zou onze Lacanianen moeten vertellen dat ook etymologie niet hun sterkste kant lijkt te zijn.

De ijsberg en zijn topje

Het kan beargumenteerd worden dat ruim een millennium na Varro, met de studie van de Romaanse talen (o.a. Frans, Spaans, Italiaans) en hun verhouding tot het Latijn, de vergelijkende taalkunde uit de startblokken slofte. Niet alleen de talloze overeenkomsten qua woordenschat begonnen op te vallen, maar vooral ook de gelijkaardige grammaticale en morfologische kenmerken (bijvoorbeeld de uitgangen van de werkwoordvervoegingen). De combinatie van beide leek alle onderzoekers de conclusie op te leggen dat de Romaanse talen onderling verwant zijn en dat ze teruggaan op één moedertaal. En uiteraard kenden ze die taal – het Latijn – maar al te goed, zelfs al was het vooral in de literaire en niet in de Roomse en provinciale gesproken vormen.

Komt daarbij dat ook de geschiedenis van het Romeinse Rijk in voldoende mate bekend was. Al bij al had men een mooi kader dat men begon toe te passen op andere taalgroepen, zoals de Germaanse talen (Duits, Engels, Nederlands, e.a.) en de Slavische, waarvan de gemeenschappelijke moedertalen niet gekend waren. Taalverwantschap was een idee dat al heel lang circuleerde. In 1770 deed de Hongaarse Jezuïet János Sajnovics een eerste, vrij zinnige poging om het Laps en het Hongaars met elkaar te verbinden, niet alleen op basis van de woordenschat, maar ook via de grammatica: Demonstratio idioma Ungarorum et Lapporum idem esse (Bewijs dat de taal der Hongaren en die der Lappen hetzelfde zijn).

De Angelsaksische traditie laat de historische taalkunde vaak beginnen met een observatie gemaakt door William Jones, een Britse rechter in India. We schrijven ondertussen al 1786, ruim 16 jaar na Sajnovics’ werk. Jones schreef dat Sanskriet verwant leek te zijn met het Latijn en het klassieke Grieks, en waarschijnlijk ook met het Gotisch en het Perzisch. Hij opperde de idee dat al deze talen hun oorsprong zouden vinden in een nog oudere en mogelijk verdwenen taal. Dat laatste inzicht heeft hem natuurlijk zeer terecht beroemd gemaakt. Minder nieuw, maar belangrijk genoeg om het nog eens te onderstrepen: hij stond historisch en comparatief taalonderzoek voor op basis van woordenschat én grammaticale kenmerken, een factor die ontbreekt in tal van tweetalige woordenlijstjes van onze dappere, maar misleidende pseudotaalkundige vorsers.

Westerlingen hadden in de 18de en 19de eeuw niet enkel kennis gemaakt met het Sanskriet, maar ook met de rijke en gedetailleerde Indische taalkundige traditie, waarvan de meerwaarde vooral lag in twee aspecten die onderbestudeerd werden in de toenmalige Westerse traditie: de fonetiek en de fonologie. Letters werden klanken en die klanken leken zich plots te gedragen volgens bepaalde regels. Klankwetten, zoals de Duitse neogrammatici ze optimistisch begonnen te noemen, jaren na het voorbereidende werk van Franz Bopp, Friedrich Schegel en Jacob Grimm. Ondertussen was het geestelijke klimaat onder de eerste historisch-taalkundigen veranderd: de ideeën van de Romantiek, die de drang naar kennis omtrent de historische fasen van de eigen talen aanzwengelde, moest plaats maken voor “een interesse in het proces van de taalverandering, een gedachte die het sterkst tot uiting kwam in de evolutionaire ideeën van een jonge Charles Darwin”.[7]

Klankwet of niet, in de tweede helft van de negentiende eeuw ging men op zoek naar systematische verschillen en bij schijnbare uitzonderingen stak men een tandje bij om die afwijking toch te kunnen verklaren. En ook daar ontbreekt het de meeste pseudotaalkundigen en opstellers van tweetalige lijstjes aan. Taalkundigen wisten plots te vertellen waarom het Duitse haben en het Latijnse habere níet verwant zijn, ondanks de oppervlakkige overeenkomsten. De Latijnse k-klank correspondeert met de Nederlandse h-klank, tenminste in beginpositie. Hebben (en het Duitse haben) en het Latijnse capere, maar ook hart en cor, die woorden zijn wel verwant.

Door het intensief bestuderen van regelmatige klankwisselingen tussen woorden van talen uit vergelijkbare perioden en door de steeds snellere verspreiding van de bevindingen – en dus de mogelijkheid tot correcties en aanvullingen – boekte de historische en vergelijkende taalkunde op een korte tijd een enorme vooruitgang. Uiteraard speelde ook de steeds grotere kwaliteit van de tekstuitgaven daarin een cruciale rol. Intensieve, internationale samenwerking is overigens nog een aspect dat taalmorosofen uit het oog lijken te verliezen. Vanaf het midden van de 19de eeuw was het zelfvertrouwen groot genoeg om William Jones’ “nog oudere en mogelijk verdwenen taal” te reconstrueren: het Proto-Indo-Europees.

Leestips

Praten over woordherkomst, taalgeschiedenis en taalverwantschap is meer dan praten over de gelijkenis tussen twee woordenreeksen, ook als die lijst enkele riemen papier beslaat, of in het moderne parlando, ettelijke megabytes. Het is meer dan een snelle zoektocht in een etymologisch woordenboek, hoe degelijk deze instrumenten ook mogen zijn wanneer men ze gebruikt in een taalkundige context. Etymologie is echter slechts het topje van de historisch-taalkundige ijsberg.

Het ontbreekt niet aan oerdegelijke inleidingen tot de historische en of vergelijkende taalkunde, bijvoorbeeld Oswald J.L. Szemerényi’s Introduction to Indo-European Linguistics (Oxford University Press, 1996). In het Nederlands zijn er de klassieke (maar op bepaalde punten controversiële) inleiding van R.S.P. Beekes, Vergelijkende taalwetenschap. Tussen Sanskrit en Nederlands (Het Spectrum, 1990) en Cor Van Bree’s Historische Taalkunde (Acco, 1996). Uiteraard bestrijken zij niet de meest recente technieken, zoals het doorgedreven gebruik van statistieken en van bepaalde inzichten en technologieën uit de computationele taalkunde. Minder academisch maar des te leesbaarder is de net verschenen Atlas van de Nederlandse taal (Lannoo, 2017), met daarin enkele zéér verhelderende hoofdstukken over historische en vergelijkende taalkunde. Uiteraard ligt de focus in dat werk op onze moerstaal.

Mark Newbrook, tot slot, schreef jarenlang stukjes over pseudotaalkunde voor het Australische magazine The Skeptic. Het hele archief van dit uitstekende blad is beschikbaar via http://www.skeptics.com.au/. De stukken van Newbrook vindt
u vanaf 2004 (Vol. 24/4). Hij verzamelde zijn enorm uitgebreide kennis in het boek Strange Linguistics. A skeptical linguist looks at non-mainstream ideas about language (Lincom, 2013).

* * *

[1] De Turkse correspondenten die ik gevraagd had om Kaya’s “Turkse frasen” te becommentariëren, de sluitstukken van zijn theorie, grapten dat de meerderheid zelf anagrammen leken te zijn van Turkse woorden of uitdrukkingen. Kaya’s online bibliotheek vindt u op http://polatkaya.net/.

[2] Plato, Kratulos, 410 B, C. De vertaling is van Mario Molegraaf. Plato, Verzameld Werk III. Amsterdam, Querido 2012.

[3] Matthijs van Boxsel, Morosofie. De encyclopedie van de domheid. Dwaze wijzen en wijze dwazen in Nederland en Vlaanderen. Amsterdam, Querido 2002. Uiteraard kan ik hier Rudy Kousbroeks De logologische ruimte. Opstellen over taal (1984) niet onvermeld laten, waarin hij op geheel onnavolgbare wijze Brisset eer aandoet.

[4] De twee bekendste werken van Jean-Pierre Brisset zijn La grammaire logique (1878) en La science de Dieu (1900) en kunnen gedownload worden via de uitstekende Franse archiefwebsite http://gallica.bnf.fr/. Beide boeken zijn nog steeds verkrijgbaar in papieren versie!

[5] Miquel Bassols, “Childhood Under Control” (2012). http://www.amp-nls.org/page/gb/109/lacanquotidien-in-english/0/9. Geraadpleegd op 21 mei 2017.

[6] Dany Nobus, Key Concepts of Lacanian Psychoanalysis (2017), p. 181.

[7] Winfred P. Lehmann, Theoretical Bases of IndoEuropean Linguistics (1996), p. 5.

Titus Oates, leugenaar

Dit is het tweede deel over het Paaps Complot. Het eerste deel, “Titus Oates, complotbedenker”, vindt u hier.

* * *

jesuitTitus Oates, man van God, had geen internet of Facebook nodig om zijn dodelijke complottheorieën, zijn Paapse Complot, te verspreiden. Oates beschuldigde vooraanstaande katholieken en jezuïeten van een zoveelste complot tegen koning Karel II van Engeland. Zijn theorieën leken aanvankelijk bot te vangen, maar één man, de Hertog van York, zag er evenwel een manier in om enkele van zijn politieke tegenstanders een hak te zetten. Hij bracht het geval voor de Staatsraad, de zogenaamde Privy Council en in een stroomversnelling.

De getuigenis van Israel Tongue voor die raad had tot gevolg dat hij algemeen als ontoerekeningsvatbaar en stekezot werd beschouwd. Die van Oates maakte wél indruk, en nog geen klein beetje. Oates presenteerde zich als de man die de informatie aan Tongue had doorgespeeld. Zijn kennis van het dossier, de opsomming van de namen van de verdachten, vermeldingen van omkoopsommen, de mensen die het geld overhandigden en ontvingen, wekten bewondering op. In 1678 was er niemand die net door de overvloed aan details durfde bevroeden dat Oates alles verzonnen had. De verhoren zorgden voor een golf van onrust en opwinding in de hoofdstad en Oates’ naam kreeg bekendheid.

In zijn boek A Selection of Cases from the State Trials. Volume II, Part II. Trials for Treason. The Popish Plot (1678-1681) vermeldt J.W. Willis-Bund een lijst van namen, twee en een halve pagina lang, en vermeldt dan droog dat dat nog maar Oates’ eerste opsomming was (pp. 460-462). Hij laat ook weten hoe onwaarschijnlijk die lijst op zich was:

It has only to be examined to shew its worthlessness. That a person of Oates’ position should be trusted to deliver commissions to the noblemen and gentlemen named in the list is of itself incredible; that the persons mentioned in it should have chosen Oates as their confidant is if possible more so.

Willis-Bund gaat nog een stap verder en voert aan dat de geruchtenmolen van Oates waarschijnlijk tot stilstand zou gekomen zijn, mochten twee incidenten geen extra duwtje hebben gegegeven. Bij Edward Coleman, ex-jezuïet en biechtvader van de Hertog van York ontdekte men een uitgebreide correspondentie met buitenlandse katholieke hoogwaardigheidsbekleders en met de biechtvader van de Franse koning, Père La Chaise. Zij schreven over de herbekering van Engeland tot het ware, katholieke geloof en pacten met Frankrijk.

godfreyHet tweede incident was de moord op Sir Edmund Berry Godfrey, de magistraat die Oates had ingezworen tijdens de verhoren. Godfrey werd gevonden in een sloot, gewurgd en afgemaakt met zijn eigen zwaard. Ik laat nogmaals Willis-Bund aan het woord:

As his death could not be easily accounted for, the cry at once arose that he had been murdered by the Catholics ; this was looked upon as another corroboration of Gates’ fabrications. The people at once lost what little reasoning power they had left. All parties immediately united against the Catholics, all distinctions of politics were forgotten, the nation was divided into two great factions Protestant and Catholic ; to be a Catholic was synonymous in the eyes of a Protestant, that is in the eyes of the nation, with being a traitor.

De discriminatie van katholieken kende een nieuw hoogtepunt en ze werden daarbij andermaal gedwongen om een eed van loyaliteit te zweren aan de koning van Engeland, sinds Hendrik VIII het hoofd van de Anglicaanse staatskerk. Zo’n eed druiste voor katholieken in, althans formeel, tegen de suprematie van de Paus van Rome. Wie de moord op Godfrey pleegde, blijft een raadsel, wie ervoor moest boeten niet. Drie katholieke ambachtsmannen werden door een andere verdachte onder tortuur beschuldigd. Zij werden op de gebruikelijke manier geëxecuteerd. De gemartelde trok later zijn gedwongen bekentenissen in.

whitehallTitus Oates werd de Redder des Vaderlands, het parlement droeg hem voor bij de koning, die hem onderbracht in een riante woning te Whitehall, met persoonlijke bodyguards, en hem een toelage verzekerde van 1200 pond per jaar. Oates bleef niet op zijn lauweren rusten: samen met Tongue onthulde hij nieuwe complotten, met steeds wijdere en diepere vertakkingen. Beide heren kwamen zelfs af met bewijzen dat de Grote Brand van Londen dan toch een groots opgezet katholiek complot was. Hun beschuldiging van vijf katholieke Lords, daarentegen, vond zelfs de koning ongeloofwaardig.

hang drawnHet succes van Oates en de dankbaarheid van de natie bleef niet onopgemerkt. William Bedloe, een schimmige figuur uit de Londense onderwereld, rook zijn kans en kwam zelf met verhalen die de beschuldigingen van Oates leken te onderbouwen en uit te breiden. Maar niet enkel criminelen wilden een graantje meepikken, ook hoogwaardigheidsbekleders zagen een mooie kans in deze tijden van hysterie en paranoia om hun politieke vijanden te beschadigen. Hun getuigenissen gaven de beschuldigingen van Oates op cruciale momenten de broodnodige geloofwaardigheid.

Ondertussen boekte Oates de eerste dubieuze successen met de veroordeling van verschillende hoogwaardigheidsbekleders en dat gaf hem en Bedloe moed om een stap verder te gaan en zowaar de koningin te beschuldigen. De relatie met zijn eega was niet echt denderend, maar de koning weigerde “to see an innocent woman abused” en liet Oates arresteren. Op voorspraak van het parlement werd hij terug vrijgelaten.

Popish plot playing cardRuim twee jaar lang kon Oates de aandacht voor zijn Paapse complottheorieën gaande houden, waarbij hij steeds nieuwe plots en subplots verzon. Het succes mag niet al te veel verwonderen, na 150 jaar godsdienstige verdeeldheid, katholieke complotten, religieus gemotiveerde burgeroorlogen en niet te vergeten een nog langere periode van oorlogen met het katholieke Frankrijk en Spanje, en met de protestantse Nederlanden. Verder kreeg hij op cruciale momenten steun van edelen (én van straatcriminelen) die in de gelegenheid te baat namen om zich te ontdoen van hun politieke tegenstanders en om mee te profiteren van het aanzien dat Oates genoot.

De omgang met complottheorieën doet denken aan de situatie in het moderne Midden-Oosten zoals beschreven door Matthew GrayConspiracy Theories in the Middle East: Sources and Politics (2010): economische crisis, religieuze scherpslijperij, oorlog en burgeroorlog, onlusten en sectaire agressie. Externe vijanden bij de vleet, een regering die enerzijds niet kan verhelpen dat de ene complottheorie na de andere opduikt, en er soms zelf van profiteert of er eentje verzint wanneer het politiek uitkomt.

De onthullingen van Oates kenden drie peilers, drie verhaallijnen die hij zeer goed beheerste en uitbuitte. De eerste was de vernietiging van het koningschap van Karel II, een idee dat volledig uit de lucht gegrepen was en waaraan ook niet zoveel geloof gehecht werd, zeker niet door de koning zelf. De tweede was de ontbinding van de regering en dat was al iets minder onwaarschijnlijk. De herinvoering van het rooms-katholieke geloof als staatsreligie was duidelijk het streefdoel van de Engelse katholieken in de 17de eeuw, de Jezuïeten voorop.

De gevolgen waren amper te overzien: paranoia vulden harten met angst en de straten met gewapende mannen. Het parlementsgebouw werd angstvallig doorzocht; men wilde een tweede Buskruitverraad vermijden. Katholieken werden uit Londen verdreven, nieuwe verdachten werden opgepakt, tot in Ierland toe, en ruim twintig mensen werden geëxecuteerd. Voor de Jezuïeten waren de gevolgen rampzalig: negen werden er geëxecuteerd, twaalf stierven er in gevangenschap, minstens drie werden gelyncht. Ze verloren hun hoofdkwartier in Wales. De algemene antikatholieke wetgeving werd pas in 1829 versoepeld (Roman Catholic Relief Act). Politiek werd het nog langer gebruikt.

Vanaf 1680 begon Oates’ deuken te vertonen. De religieus eerder tolerante koning was nooit een fan geweest van de antikatholieke hysterie die Oates had opgepookt. De beschuldiging van de koningin kon op weinig bijval rekenen en wanneer Oates vijf katholieke edelen als verdachten aanwees, groeide het ongeloof: twee konden elkaar niet luchten en spraken al jaren niet meer met elkaar en een derde zo ziek was dat hij amper boven van onder kon onderscheiden. De publieke opinie begon het zowaar op te vallen dat alle, maar dan ook alle beschuldigden fanatiek aan hun onschuld bleven vasthouden. Ook andere hoofdrolspelers in de berechting van de verdachten begonnen zich vragen te stellen.

titus leugenaar

Stilaan maakten de slachtoffer van Oates’ complottheorieën zowaar meer kans om niet meer ter dood veroordeeld te worden. Het zogenaamde Complot van Barnbow, een nieuwe poging van Oates om katholieke hoogwaardigheidsbekleders te elimineren, deze keer in Yorkshire, liep uit op een sisser: de protestantse jurie weigerde de verdachten te berechten en te veroordelen. Ook een andere voorwaarde voor een vlotte afhandeling richting galg viel weg: de rechters begonnen zich steeds onpartijdiger op te stellen.
Uiteindelijk werd Oates uit zijn luxueuze appartement te Whitehall gezet, gearresteerd en beboet. James II, de opvolger van Karel II, beschuldigde Oates van meineed en trok hem voor het gerecht. De doodstraf bestond niet voor dit soort misdaden en toch was het verdict harder dan het op het eerste zicht leek. Oates werd zijn religieuze status afgenomen, hij werd twee maal publiekelijk aan de schandpaal gezet, veroordeeld tot levenslang én tot een jaarlijkse afranseling die zo ernstig was dat het in de dood kon eindigen.

Drie jaar bracht Oates door in de gevangenis. Toen Willem van Oranje de troon besteeg, kreeg hij clementie en een pensioen van uiteindelijk 300 pond per jaar. In 1705 stierf Oates, vergeten door het publiek dat hem op handen had gedragen als de redder de vaderlands. Bedloe, een van zijn handlangers, stierf een natuurlijke dood, een hele prestatie voor een beroepscrimineel.

In 1705 luidde de officiële versie dat het Paaps Complot waar en waarachtig was.

* * *

Lijst van geraadpleegde bronnen

Boeken

  • Peter ACKROYD, History of Engeland. Volume II Tudors, London, Pan Books, 2014
  • Peter ACKROYD, History of Engeland. Volume III Civil War, London, Pan Books, 2015
  • D.H. PENNINGTON, Europe in the Seventeenth Century, London, Longman, 1989
  • Philip SIDNEY, A History of the Gunpowder Plot. The Conspiracy and its Agents, London, The Religious Tract Society, 1905
    https://archive.org/details/cu31924028038390
  • Thomas SECCOMBE (ed.), Lives of Twelve Bad Men, original studies of eminent scoundrels by various hands, ed. by Thomas Seccombe, London, T. Fisher Unwin, 1894
    https://archive.org/details/cu31924029870874
  • J.W. WILLIS-BUND, A Selection of Cases from the State Trials. Volume II, Part II. Trials for Treason. The Popish Plot (1678-1681), Cambridge, At the University Press, 1882
    https://archive.org/details/pt2selectionofca02willuoft

Artikelen

Podcast

Titus Oates, complotbedenker

Dit is het derde deel in een reeks artikelen over 17de-eeuwse complotteurs en complotdenkers. Een overzicht van de andere onderwerpen vindt u hier.

* * *

In 1678 werd het zoveelste katholieke complot in Engeland verijdeld. De klokkenluider deze keer was ene meneer Oates. Zijn onthullingen legden zo’n immens grote samenzwering bloot dat het ruim twee jaar zou duren, tot 1681, om alle complotteurs, plannen en vertakkingen te onderzoeken. De inzet was dan ook groot: niemand minder dan de toenmalige koning Karel II was het belangrijkste doelwit van het katholieke verraad. Oates’ informatie leidde rechtstreeks naar de executie van minstens 22 samenzweerders, waaronder 5 jezuïeten. De geschiedenisboeken vatten deze manier van interreligieuze problem solving samen als het Popish Plot, wat ik hier zal vertalen als het Paaps Complot.

Wat de geschiedenisboeken ons verder ook vertellen is dat het hele Paaps Complot bij elkaar gelogen werd door Titus Oates. Na zijn dood verdiende hij er een plaats mee in het boek Lives of Twelve Bad Men uitgegeven door Thomas Seccombe (1894). Tijdens zijn leven verdween hij van het middelpunt van de belangstelling via het schandblok en de gevangenis naar de vergetelheid. Hoewel, koning Willem III van Oranje, die in 1689 de Engelse troon besteeg, vergat hem niet. Deze protestantse vorst haalde hem uit de gevangenis en bleef hem een pensioen uitbetalen tot aan zijn dood.

In dit artikel wil ik eerst een stap terug zetten en kort de situatie in het Engeland van de 17de eeuw schetsen om dan over te gaan naar het Paaps Complot zelf.

Zoals elk Europees christelijk land heeft Engeland eeuwenlang zijn besognes gehad met hervormers en andersdenkenden; meestal waren dat vrij lokale gebeurtenissen. Met de komst van de boekdrukkunst én een pak decennia later de hervormingen van Maarten Luther (vanaf 1517) op het vasteland en Hendrik VIII in Engeland (vanaf de jaren 1530), sloeg de vlam pas echt in de pan. De paus verloor een groot deel van zijn gezag in de afvallige gebieden en de Soldaten van de Paus, de jezuïeten werden in het leven geroepen.

In Engeland verloor de katholieke kerk op één generatie tijd haar machtsbasis. Schotland bleef katholiek, wat door de verwevenheid van beide koningshuizen om de haverklap dodelijke spanningen op de Britse Eilanden opleverde. De late 16de en de 17de eeuw werden gekenmerkt door de religieuze, veelal katholieke complotten en keiharde staatsrepressie. Elke echte of vermeende samenzwering werd gevolgd door executies en lynchpartijen en zelfs een burgeroorlog of twee.

Ik heb in deze reeks over complotten en samenzweringen in 17de-eeuws Engeland het reeds uitgebreid gehad over het Buskruitverraad, een mislukte samenzwering van enkele katholieke edelen, waarbij later de Britse jezuïeten geïmpliceerd werden, waarschijnlijk ten onrechte. Ook de trieste lotgevallen van de Franse katholiek Robert Hubert na de Grote Brand van Londen heb ik besproken. Hoewel heel wat edelen en parlementairen openlijk katholiek konden blijven, werd het katholieke deel van de rest van de bevolking als tweederangsburgers beschouwd.

* * *

Titus Oates werd geboren in 1649, in volle burgeroorlog, waarin koningsgezindheid en religie belangrijke drijfveren waren. Zijn vader laveerde van de ene christelijke gezindte naar de andere. Hij voerde gewetensvragen aan, anderen verweten hem plat opportunisme. Zoon Titus werd na een halfmislukte schoolcarrière vicaris van een parochie in Kent en later vervoegde hij zijn vader als kapelaan in Hastings. Daar vond zoon Oates het nodig om een lokale schoolmeester aan te klagen wegens sodomie, toen een misdaad waarop de doodstraf stond. De rechtbank vond de aanklacht ongegrond en bestrafte Titus Oates voor meineed. Oates vluchtte naar Londen, waar hij inscheepte als aalmoezenier op een schip van de Royal Navy in 1677. De zeelucht deed hem weinig goed en al snel kreeg Oates op zijn beurt een beschuldiging van sodomie naar zich toegeschoven. Hij ontsnapte aan de straf door zijn status als man van de kerk.

In 1677 werd hij huishouder bij de katholieke hertog van Norfolk, liet hij zich opnemen in de katholieke kerk, schreef hij samen met Israel Tongue, ook een geestelijke, een reeks straffe antikatholieke pamfletten, werd hij toegelaten tot verschillende Jezuïetenhuizen in Frankrijk en Spanje en keerde hij zich af van het rooms-katholieke geloof. Terug in Engeland begon hij samen met Israel Tongue aan de geschriften die zouden leiden tot het Paaps Complot. Zijn verrassende bekering en uitstap naar Jezuïetenland deed af als een poging tot infiltratie van de rangen van de katholieke vijand.

kirby-warning-charles-ii-of-the-assassination-plot-1678-the-popish-B6YB67Het verhaal kent zijn varianten, maar het lijkt vast te staan dat Tongue een bundel documenten overmaakte aan ene Kirby, een apotheker met connecties, waarin een katholiek complot beschreven was. Kort samengevat: de paus had de Jezuïeten bevolen om de Zwarte Bastaard, koning Karel II, te vermoorden. Door zijn connecties kon hij de koning verwittigen en zowel hij als Tongue werden ondervraagd. Zelf beweerde Tongue dat het paket onder zijn deur was geschoven. Volgens hem waren er ook papieren bij van de aartsvijanden van de Engelse staat, de Jezuïeten zelf. Zijn verhaal stak zo knullig in elkaar dat de hoogwaardigheidsbekleders die gebriefd werden, er niet al te veel geloof aan hechtten.

En hier had het verhaal over het Paaps complot moeten stoppen. De opzet was naïef, de verhaallijn ongeloofwaardig en er was amper iemand die het verhaal serieus nam. Eén man van aanzien, de Hertog van York, zag er evenwel een manier in om enkele van zijn politieke tegenstanders een hak te zetten en bracht het geval voor de Staatsraad, de zogenaamde Privy Council. Zijn opportunisme bracht het hele bedenksel van Titus Oates naar een hoger en dodelijker niveau.

Deel 2: Titus Oates, leugenaar

 

William Lilly en de sterrenfluisteraars

Dit verhaal speelt zich af in de marge van de gebeurtenissen voor en na de Grote Brand van Londen. Deel 1 over de Brand, “Prelude” vindt u hier, deel 2, “Robertje moet hangen” hier.

* * *

annusWaarschijnlijk kneep de christelijke bevolking hem harder naarmate het jaar 1666 dichterbij kwam. Een kwestie van zessen, weet u wel. Toen het jaar voorbij was, publiceerde de grote John Dryden opgelucht zijn gedicht “Annus Mirabilis”, het Wonderlijke Jaar (audio, tekst). In 1666 hadden de Engelse zeemacht enkele cruciale overwinningen geboekt op de Nederlanden, de toenmalige aartsvijand, en hoewel de Grote Brand van Londen 5/6 van de stad in as gelegd had, betekende het wel het einde van de Grote Pestepidemie in Londen van 1665/1666. Al bij al was Dryden opgelucht: veel erger was voorkomen.

Veel erger was dan ook voorspeld. In 1559 voorzag ene Daniel Baker de volledige vernietiging van Londen door een brand en in 1665 riep Karel II de burgemeester van de stad op het matje omtrent de brandonveiligheid van de stad. Misschien waren dit eerder waarschuwingen dan voorspellingen: eender welke Europese stad in die periode had een schamele binnenstad die grotendeels opgetrokken was uit hout en waar de meest elementaire veiligheidsvoorzieningen systematisch met de voeten werden getreden.

De 666 in 1666 haalde voorspellingen naar boven die verder gingen dan louter waarschuwingen gebaseerd op gezond verstand. Zoals elke grote stad kende Londen een duistere én bloeiende onderwereld, een Poel des Verderfs in het vakjargon van een bepaald soort Bijbeldweepers. Reden genoeg om te denken dat God de hele mik Sodom-en-Gomorra-gewijs zou vernietigen. Een boeiende inkijk in de onderbuik van 17de-eeuws Londen vindt u trouwens hier. Ook het al te liederlijke leven van de nieuwe koning zou de Wrake Gods over de stad, het land, de wereld afroepen. In 1666 maakte Engeland zich op voor een volledige an­ni­hi­latie.

Het werd Londen. Tijdens en na de brand had men in eerste instantie andere zaken aan het hoofd dan voorspellingen van deze of gene doemdenkers omtrent 666. Er moest snel een dader gevonden en vervolgens gelyncht of berecht worden. Daarover heb ik eerder geschreven in het stuk Robertje moet hangen. Van één persoon weten we evenwel dat hij zich na de Grote Brand moest komen verantwoorden voor zijn voorspellingen: William Lilly.

william-lilly-1650William Lilly, Guilielmus Lillius voor de geleerde vrienden, was de beroemdste astroloog en handelaar in almanakken van zijn tijd. Lilly werd geboren in 1602 in een bescheiden boerenfamilie in de parochie Lockington. Zijn vader was een yeoman, in die periode de benaming voor een vrije, doorgaans niet al te rijke boer. William werd op aandringen van zijn moeder naar school gestuurd. In zijn bij momenten grappige en lichtvoetige autobiografie (1681) heeft hij zelfs enige lof over voor zijn leraar Latijn en Grieks, ene Mr John Brimsley, die later zou vervolgd worden omwille van religieuze redenen.

Na de dood van zijn moeder en door de economisch zware tijden – zijn vader werd een tijdje opgesloten omdat hij zijn schulden niet meer kon betalen – zocht William zijn heil in de grote stad. Hij begon te werken als dienaar en na de dood van zijn meester, huwde Lilly diens rijke weduwe. Gewoon omdat het zo’n leuk fragment is:

[H]owever, all her talk was of husbands, and in my presence saying one day after dinner, she respected not wealth, but desired an honest man; I made answer, I thought I could fit her with such a husband; she asked me, where? I made no more ado, but presently saluted her, and told her myself was the man: she replied, I was too young; I said nay; what I had not in wealth, I would supply in love; and saluted her frequently, which she accepted lovingly; and next day at dinner made me sit down at dinner with my hat on my head, and said, she intended to make me her husband; for which I gave her many salutes, &c.

De rijkdom die hij door het huwelijk vergaarde, stelde hem in staat om zijn astrologische studies op te nemen. Hij leerde van ene Mr. Evans, een Welshman “much addicted to debauchery”, de basisprincipes van de astrologie. Al snel stak hij zijn leermeester in de sterrenwichelarij en de “Black Arts” voorbij en werd hij bekender in de wereld van de astrologen en hun veelal rijke klanten. Hij begon zelf almanakken uit geven en in de late jaren 1650 bereikten die een indrukwekkende oplage van 30.000 exemplaren.

Ostia

In 1651 publiceerde Lilly enkele zogenaamde hieroglyphick engravings die hem na de Grote Brand van Londen in 1666 volgend schrijven opleverde:

‘Monday, 22d October, 1666.

‘At the Committee appointed to enquire after the causes of the late fires:

‘ORDERED,

‘That Mr. Lilly do attend this Committee on Friday next, being the 25th of October, 1666, at two of the clock in the afternoon, in the Speaker’s chamber; to answer such questions as shall be then and there asked him.

‘ROBERT BROOKE.’

William Lilly werd vriendelijk edoch dringend uitgenodigd voor een gesprek omtrent zijn voorspellende gravures. Het gesprek, althans zoals Lilly het weergaf in zijn autobiografie, was kort en hoffelijk. Op de vraag of hij toen een jaartal op zijn voorspelling kon plakken, antwoordde hij negatief, waarop hij mocht gaan. De hele episode neemt nog geen pagina in beslag.

Dit is echter genoeg voor collega-astroloog Maurice McCann om zo’n 325 jaar later het artikel The Secret of William Lilly’s Prediction of the Fire of London te schrijven. En daarin beweert hij vreemd genoeg dat Lilly de ondervragers er kon van overtuigen dat zijn voorspelling niet correct was. Volgens McCann had Lilly de datum van de brand wél correct voorspeld, maar uit angst voor zware repercussies vond hij het wijzer te liegen. Ik slaag er niet in dit te lezen in de autobiografie van Lilly.

twin city

McCann gaat nog een stap verder: in de loop der tijden is de precieze aard van de voorspelling verloren gegaan, maar onze moderne astroloog weet trots te melden dat hij erin geslaagd is de code terug te ontcijferen. Wat volgt is een rollercoaster aan veronderstellingen en herinterpretaties. McCann breekt een veronderstelde code die een “voorspelling” zou zijn van de feiten nadat de feiten plaatsvonden. Een citaat:

There are seven people in the drawing, one for each known planet, the Sun, Moon, Mercury, Venus, Mars, Jupiter and Saturn. The two babies suspended upside down above the fire represent the sign Gemini, believed to be the traditional ruler of London. Opposite to the children at the bottom of the page are five logs burning in the fire, if turned sideways the roman letters IXV appear. As this is not a Roman numeral in this form it must be re-interpreted. It could either stand for IX.V meaning the numerals 9 and 5, the 9th month and 5th day, Lilly’s predicted date for when the fire would burn itself out, or it may more likely be an anagram for XIV, Latin for 14, for, according to Lilly, London was ruled by the 14th degree of Gemini. Finally, by suspending the two babies upside down Lilly showed that the drawing, or rightly the horoscope, should be inverted, which would time it for the early hours of the morning.

En zo gaat het nog even verder.

Het artikel van McCann werd ondertussen een ontiegelijk aantal keren gekopieerd en verspreid. Telkens wordt het opgevoerd als een (historisch) bewijs dat astrologie werkt, wat dat ook moge betekenen. Of toch tenminste uurhoekastrologie, Lilly’s specialiteit. Deze vorm van astrologie (horary astrology in het Engels) is gericht is op zeer specifieke voorspellingen waarbij het uur van de vraagstelling aan de sterrenwichelaar een cruciale en bepalende rol speelt, een detail dat nergens in de tekst van McCann duidelijk wordt gemaakt. Om de kunde en gave van Lilly verder te illustreren, spreekt McCann ook over enkele complotteurs en ex-officieren uit het leger van Cromwell die 3 september hadden gekozen op basis van Lilly’s almanakken en ook wel omwille van het feit dat Cromwell op die datum ooit enkele overwinningen behaalde.

Wat onze moderne astroloog hier vergeet te melden is het actieve politieke leven van William Lilly, zijn politieke keuzes in het woelige Engeland van het midden van de 17de eeuw, een periode van een burgeroorlog (of twee) waarin koningsgezindheid en religie de hoofdmotieven waren. In de jaren 1640-1650 begon hij zich tegen de koning te keren en onder omdat een uitgesproken royalistische collega-concurrent-astroloog hem onder vuur begon te nemen, werden ook de astrologische voorspellingen van Lilly steeds politieker getint. Net omwille van zijn antiroyalistische standpunten nam religieuze scherpslijper Oliver Cromwell het voor hem op tijdens een van de vele processen waarbij Lilly betrokken was. De bovenvermelde gravures waren dan ook gepubliceerd in een van Lilly’s spraakmakende boeken Monarchy or no monarchy (1651), wat in reeds in 1653 vertaald werd in het Nederlands als Monarchy ofte geen Monarchy in Engelant, “door Willem Lilly student in d’Astrologia”.

McCann slooft zich uit om een code te ontcijferen, maar hij doet in zijn artikel niet bepaald veel moeite om de politiek van die periode te begrijpen, of beter, uit te leggen aan zijn lezerspubliek. Lilly was al in opspraak gebracht door een samenzwering vanuit zijn politieke zijde die de datum hadden gekozen omwille van astrologische én politieke redenen, zoals boven vermeld. Onnodig te zeggen dat een eventueel geloof in astrologie er geen feitelijke waarde aan geeft. Verder was Lilly uitgesproken antiroyalist, genoot hij de steun van Cromwell, onder wiens regime Karel I een kopje kleiner werd gemaakt. Het is echt niet ondenkbaar dat deze factoren bijdroegen aan de oproepingsbrief van de onderzoekers na de Grote Brand eerder dan zijn astrologische exploten.

Trouwens, wat zijn status als sterrenfluisteraar ook was, ook tijdgenoten namen Lilly niet altijd even serieus bij het beoefenen van de astrologie en andere paranormale beroepsactiviteiten. Hij liet zich graag de Engelse Merlijn noemen, maar anderen hielden het bij magische jongleur en bedrieger. Wat hem echter zo herkenbaar en modern maakt, is de anekdote dat hij een mislukte oproeping van geesten wijt aan het denigrerend en snerend gelach van de omstaanders.

William Lilly is sowieso een boeiende man in boeiende tijden die ons een zeer levendige kijk heeft nagelaten op zijn leven en werk. Zijn autobiografie een schelmenroman noemen, is misschien te veel van het goede, maar het is niet toevallig dat het in later tijden werd heruitgegeven in de reeks Autobiography. A Collection of the Most Instructive and Amusing Lives Ever Published (1829). In die reeks werd zijn levensverhaal gebundeld met dat van David Hume en Voltaire.

* * *

Geraadpleegde bronnen

Boeken

  • Peter ACKROYD, History of Engeland. Volume III Civil War, London, Pan Books, 2015
  • Gilbert BURNET, Bishop Burnet’s history of his own time : from the restoration of King Charles II, to the conclusion of the Treaty of Peace at Utrecht, in the reign of Queen Anne, London, Printed for A. Millar, 1753
    https://archive.org/details/bishopburnetshis01burn
  • Neil HANSON, The Dreadful Judgement. The true story of the Great Fire of London, London, Transworld Publishers, 2001
  • William LILLY, Monarchy ofte geen Monarchy in Engelant, Humfrey Blunden, 1653
    https://archive.org/details/monarchyoftegee00grebgoog
  • William LILLY, William Lilly’s History of His Life and Times, from the Year 1602 to 1681, Project Gutenberg EBook, 2005
    http://www.gutenberg.org/ebooks/15835
  • Ronny MARTENS, Tim TRACHET, Astrologie, zin of onzin?, Antwerpen, Hadewijch, 1995
  • D.H. PENNINGTON, Europe in the Seventeenth Century, London, Longman, 1989

 

Online publicaties

De Grote Brand van Londen – Robertje moet hangen

Dit is het tweede deel over de Grote Brand van Londen. Voor het eerste deel, “Prelude”, klikt u hier.

* * *

1666

Hoewel Engeland in 1666 enkel met Nederland en Frankrijk in een reeks oorlogen verwikkeld was, werden tijdens en na de Grote Brand gemakshalve alle buitenlanders en papisten, Rooms-Katholieken dus, geviseerd. Verder behoorden ook presbyterianen, quakers, seekers, ranters, en oude, puriteinse aanhangers van Cromwells regime bij elke tegenslag tot de usual suspects.

Reeds tijdens de ramp werden vreemdelingen en katholieken opgepakt die verdacht werden van complotten, represailles of wraakacties voor deze of gene Engelse oorlogsdaad. Er circuleerden al snel verhalen waarin snode Fransmannen en dito Nederlanders de stad rondgingen met handgranaten, brandbommen en lucifers, een reden voor de “echte” Londenaars om de jacht te openen. Dat men inderdaad explosieven gebruikte in slecht gecoördineerde pogingen de brand onder controle te brengen, moet bijgedragen hebben tot de verwarring. Acute paniek en diepgewortelde achterdocht waren ook toen slechte raadgevers.

En nog tijdens de Grote Brand vond men tal van mogelijke daders: het huis van een Franse schilder werd geplunderd omdat hij ervan verdacht werd het vuur verder te willen verspreiden. Een andere Fransman werd bewerkt met een ijzeren staaf, nog eentje werd ei zo na uit elkaar gereten door een opgejutte massa. Cornelius Rietveldt, een Nederlandse bakker, zag zijn winkel en werkruimte vernietigd. Hij werd ternauwernood gered door de Hertog van York die toevallig passeerde. Een Zweedse vrouw werd de borsten afgesneden omdat men ze voor vuurballen hield. Deze en andere voorbeelden van blind geweld vond ik terug in het excellente boek van Neil Hanson, The Dreadful Judgement. The true story of the great fire of London (2001).

gazette

Ook The London Gazette van 3 tot 10 september 1666 – en ja, dat fantastische archief is gratis online raadpleegbaar – maakt gewag van arrestaties van vreemdelingen:

Divers Strangers, Dutch and French were, during the fire, apprehended, upon suspicion that they contributed mischievously to it, who are all imprisoned and Informations prepared to make a severe inquisition here upon my Lord Chief Justice Keeling, assisted by some of the Lords of the Privy Council; and some principal Members of the City […]

Zelfs de Fransman die verantwoordelijk was voor de “fireworks” van de koning werd aanvankelijk gearresteerd en later weer vrijgelaten. Hij zorgde niet voor de ooh’s en aah’s bij vuurwerk tijdens de betere pensenkermis; als de buskruit- een vuurwapenspecialist in dienst van de koning bekleedde hij een vertrouwenspositie. Ik vermeld dit ook om aan te geven dat 17de-eeuws Engeland waarschijnlijk even xenofoob was als cultureel en religieus divers.

Na de brand ging men op zoek naar eigenaardigheden: een defect waterpomphuis in de buurt van de hoofdbrandhaard werd gezien als een anomalie en niet als het gevolg van jarenlange en goedgedocumenteerde verwaarlozing van de binnenstad. Men zocht en vond connecties tussen disparate stukjes informatie. Op het moment dat de brand uitbrak, was het eb en dat kón geen toeval zijn: de daders wisten namelijk dat het moeilijker zou zijn om water uit de rivier te halen, wat de kans op succes vergrootte. Zelfs koning Karel II werd ervan verdacht wraak te willen nemen op de Londenaars voor de onthoofding van zijn vader. Later zou ook de Hertog van York genoemd worden als een mogelijke dader of aanstoker.

Die andere verklaring, die ook al in The London Gazette te lezen was, namelijk dat het wel eens een ongeluk kon zijn in een groezelige binnenstad waarvan de ontvlambaarheid met enkele factoren gestegen was na een wekenlange droogte, werd opzijgeschoven:

[…] notwithstanding which suspicion, the manner of the burning all along in a Train, and so blowen forwards in all its way by strong Winds, make us conclude the whole was an effect of an unhappy chance, or to speak better, the heavy hand of God upon us for our sins, shewing us the terrour of his Judgement in thus raising the Fire, and immediately after his miraculous and never to be acknowledged Mercy, in putting a stop to it when we were in the last despair, and that all attempts for quenching it however industriously pursued seemed insufficient.

 

Van alle complottheorieën die de ronde deden, was die van Robert Hubert de meest bizarre. Hubert was een Fransman die jarenlang in Londen woonde en terug in Londen aankwam met een Zweeds schip, twee dagen na het begin van de brand. Een week later, op 11 september, werd hij aangehouden en begon hij verklaringen af te leggen. In zijn complottheorie was hij vreemd genoeg een van de 22 originele aanstokers van de brand. Zelf zou hij benaderd zijn geweest door de Fransman Stephen Piedloe om tegen betaling brandbommen rond te strooien, te beginnen bij Westminster. Toen hij vernam dat het daar zelfs niet gebrand had, wijzigde hij zijn verhaal. Ook de som geld die hij ontvangen zou hebben, wijzigde bij elk verhoor. Uiteindelijk zou hij het ook op 3 daders houden. Van Stephen Piedloe was toen zelfs het bestaan niet meer zeker. Ook van een zekere Graves, een getuigen die heel bezwarende verklaringen aflegde, is niets van terug te vinden.

hubertOndanks de gaten in de verschillende verslagen en dus in onze kennis, vermelden de forensische psychologen van de blog History of Forensic Psychology Robert Hubert als het eerste opgetekende geval van iemand die vrijwillig een valse bekentenis aflegt. De meeste tijdgenoten en historici zijn het er namelijk over eens dat zijn bekentenissen niet louter het gevolg waren van de zware verhoren. Wat de ondervragers hem ook voorlegden, hij bekende het. Hij zou zelfs zijn ondervragers geleid hebben naar de plaats waar hij de brand gesticht had. Een hele prestatie in een stad waar mensen niet meer met zekerheid de plaats van hun eigen straat, laat staan hun eigen huis konden aanwijzen. Of zoals bisschop Burnet schreef:

Papists were generally charged with it. One Hubert, a French Papift, was seized in Essex as he was getting out of the way in great confusion. He confessed, he had begun the fire, and persisted in his confession to his death for he was hanged on no other evidence but that of his own confession. It is true, he gave so broken an account of the whole matter, that he was thought mad. Yet he was blindfolded, and carried to severai places of the City: And then, his eyes being opened, he was asked, if that was the place: And he being carried to wrong places, after he looked round about for fome time, he said, that was not the place: But when he was brought to the place where it fire broke out, he affirmed that was the true place.

Andere bronnen vermelden dan weer dat er tijdens de tocht door Londen al mensen stonden te wachten op de plaats waarvan men dacht dat het de originele brandhaard was. Maar ook aartsdeken Laurence Echard was duidelijk: “My Lord Hollis gave evidence that he was a lunatic, so did Dr Durell, the late Dean of Windsor, the French church of Stockholm gave the same testimony” (geciteerd uit Hanson The Dreadful Judgement, p. 281).

Ondertussen werd ook een andere onderzoekspiste afgesloten: de bakker Thomas Farriner zwoer een dure eed dat zijn zijn gebouw enkel door externe factoren of malafide praktijken vuur had kunnen vatten. Dat zijn bakkersoven nog brandde en dat hij graag een pint dronk, ontkende hij in alle toonaarden. Zijn buren waren minder overtuigd. Hoe dan ook, zijn verklaringen onder eed werden geloofd.

the-tyburn-treeHubert werd uiteindelijk schuldig bevonden aan brandstichting. Hij werd berecht en vervolgens geëxecuteerd: een mentaal zwakbegaafde en lichamelijk gehandicapte man die zelfs niet aanwezig was bij het begin van de brand, ook niet in het getroffen gebied, en in wiens schuld zelfs de rechters niet geloofden. Zijn berechting had dus weinig te maken met wrong time, wrong place, maar met het feit dat hij Fransman was en katholiek.

Het kon de autoriteiten niet zoveel schelen: de verhoren waren niet gericht op de waarheid, maar op genoeg bewijs voor een veroordeling. Ook de jury wilde een makkelijke veroordeling: een Fransman die spontane bekentenissen aflegde, veroordeeld wilde worden, mentaal te zwak was om zich op een coherente manier te verdedigen, als hij al besefte wat er gaande was. Komt daarbij dat er volgens verschillende bronnen drie familieleden van de bakker Farriner in die jury zetelden. Er was sowieso een enorme tweespalt in Engeland na de brand: vele mensen bleven geloven in een aanslag, terwijl anderen ervan overtuigd waren dat het een ongeluk was, net zoals de vele stadsbranden in vroeger jaren.

Er zijn nog vele markante verhalen te vertellen in de marge van de Grote Brand, twee wil ik hier nog vermelden: de Zweedse kapitein die Hubert in Londen had afgezet, was in 1666 eigenlijk op weg naar Rouen. Daar wachtte hem een beloning van de ouders van Hubert omdat hij hem terug uit Zweden had gebracht. In Rouen vernam de schipper dat Hubert geëxecuteerd was op beschuldiging van brandstichting. Vijftien jaar later arriveerde diezelfde zeeman terug in Londen en toen gaf hij zijn getuigenis en vertelde onder andere dat Hubert pas twee dagen na het begin van de Brand in Londen gearriveerd was, althans, zo gaat het verhaal.

The_Monument_1750Zelfs dat mocht niet baten, Huberts onschuld sprak de katholieke fractie in Engeland niet vrij van de brandstichting: het Monument dat in 1677 werd opgericht ter nagedachtenis van de ramp werd in die periode dan ook niet aangepast. Hoewel de originele opschriften in de loop der tijden verdwenen zijn en de overgeleverde transcripties verschillen, wordt aangenomen dat onderstaand citaat vrij dicht in de buurt komt van een van de originele platen, die pas in 1830, tijdens de zogenaamde Catholic emancipation, verdwenen van het monument:

This pillar was set up in perpetual remembrance of the most dreadful burning of this protestant city, begun and carried on by the treachery and malice of the popish faction, in the beginning of September, in the year of our Lord M.DC.LXVI, in order to their effecting their horrid plot for the extirpating the protestant religion and English liberties, and to introduce popery and slavery.

Nog in de jaren 1680 zou Titus Oates, een complotbedenker pur sang, de katholieke Hertog van York beschuldigen: de hertog zou Robert Hubert ingehuurd hebben om de stad in as te leggen. Hoe het hem verging, is het onderwerp van mijn laatste reeks over Engeland in de 17de eeuw.

* * *

Geraadpleegde bronnen

Boeken

  • Peter ACKROYD, History of Engeland. Volume II Tudors, London, Pan Books, 2014
  • Peter ACKROYD, History of Engeland. Volume III Civil War, London, Pan Books, 2015
  • Gilbert BURNET, Bishop Burnet’s history of his own time : from the restoration of King Charles II, to the conclusion of the Treaty of Peace at Utrecht, in the reign of Queen Anne, London, Printed for A. Millar, 1753
    https://archive.org/details/bishopburnetshis01burn
  • Neil HANSON, The Dreadful Judgement. The true story of the Great Fire of London, London, Transworld Publishers, 2001
  • D.H. PENNINGTON, Europe in the Seventeenth Century, London, Longman, 1989

Documentaires

  • Simon SCHAMA, A History of Britain – The British Wars: 1603-1776. Episodes 8 & 9, London, BBC, 2001

Online pubicaties

De Grote Brand van Londen – Prelude

Dit is het tweede deel in een reeks artikelen over 17de-eeuwse complotteurs en complotdenkers. Een overzicht van de andere onderwerpen vindt u hier.

* * *

fire of londen

Some of our mayds sitting up late last night to get things ready against our feast to-day, Jane called us up about three in the morning, to tell us of a great fire they saw in the City. So I rose and slipped on my nightgowne, and went to her window, and thought it to be on the backside of Marke-lane at the farthest; but, being unused to such fires as followed, I thought it far enough off; and so went to bed again and to sleep.

Op 2 september 1666, de Dag des Heren, maakte Londenaar Samuel Pepys zich in zijn dagboek nog niet al te veel zorgen over wat op dat moment de zoveelste Londense stadsbrand leek te zijn. Later op de dag zou sir Thomas Bludworth, de burgemeester van Londen, nog gesnauwd hebben dat een vrouw het vuur zou kunnen uitpissen. Van een brandje meer of minder keek men toen niet op.

Uitslaande branden waren nochtans zowel de ergst denkbare nachtmerries voor de inwoners van elke Europese stad als schering en inslag. In Londen bestonden er wel bouwverordeningen die gekoppeld waren aan straffe boetes, maar deze werden straal genegeerd door wethouders en bewoners. Met een gemiddelde levensverwachting van 20 jaar (arm) tot 35 (rijk) is het onwaarschijnlijk dat de branden van 1630 en 1633 nog al te vers in iemands geheugen lagen. Die van 1633 en 1649 herinnerde men zich wel, die van 1663 uiteraard ook. Elk van deze calamiteiten had de geschiedenis kunnen ingaan als de Grote (of toch Redelijk Grote) Brand van Londen, mochten de autoriteiten op dezelfde kordate manier ingegrepen hebben als na die van 1666.

Pepys zou trouwens nog een belangrijke rol spelen in de dagen die daarop volgden, althans volgens zijn zeer lezenswaardige dagboeken. De burgemeester, daarentegen, gaf er na enkele zeer dubieuze beslissingen de brui aan en liet zich de rest van de week niet meer zien op het terrein.

great-fire-of-london-tuesdayVijf dagen lang woedde de Grote Brand in Londen, de kleinere nabranden niet meegerekend. 5/6 van de stad werd in as gelegd, een gebied van pakweg 2,4 km². Officieel noteerde men 6 dodelijke slachtoffers, maar rekening met slachtoffers uit de laagste klasse of de middelklasse hield men niet. Dat ene zinnetje uit The London Gazette van 3 tot 10 september 1666 klinkt er des te onheilspellender door:

It must be observed, that this fire happened in a part of the Town, where tho the Commodities were not very rich, yet there were so bulky that they could not well be removed […]

De schade wordt geschat op £10.000.000, zo’n 1,1 miljard moderne Britse ponden, aldus de uitstekende website The Great Fire of London. Meer overweldigende cijfers: 13.200 huizen werden vernietigd, 100.000 inwoners moesten de stad verlaten. Uiteindelijk zouden 80.000 mensen hun woonst verliezen.

King-charles-ii-king-charles-ii-25010100-333-400Vóór de Grote Brand circuleerden er tal van voorspellingen omtrent rampen die Londen zouden overkomen. Een Goddelijke Straf zou de stad treffen, onder andere omwille van het al te liederlijke leven van koning Karel II en zijn hofhouding, het schandelijke gedrag van tal van laffe geestelijken tijdens de Grote Plaag en eigenlijk omwille van het zondige gedrag van welke Londenaar dan ook. Astrologen lieten zich eveneens niet onbetuigd: William Lilly, Engelands meest succesrijke astroloog, mocht zich na de brand komen verantwoorden voor een vermeende voorspelling omtrent 3 september eerder dat jaar. Waarschijnlijk wist hij zelf niet goed wat hij precies voorspeld had, maar zijn geval bespreek ik in een volgend artikel.

Tijdens en direct na de Brand waren er al minder Londenaars geneigd te geloven in de Goddelijke Voorzienigheid, laat staan in een ongeluk. Tal van getroffen inwoners gingen snel op zoek naar mogelijke daders, complotteurs en brandstichters. Sommigen werden ter plaatste afgestraft en zelfs gelyncht, anderen door rechters verhoord. Verdachten waren er trouwens genoeg: de tijden waren bar en gevaarlijk.

In continentaal Europa woedden onder meer de Tachtigjarige, de Dertigjarige Oorlog en de Frans-Spaanse Oorlogen (u bent één klik verwijderd van een uitgebreider lijstje). Als religie, en meer bepaald de explosief groeiende tegenstelling katholiek versus protestant, al geen aanleiding was, dan was het er wel de brandstof voor. En andersom. Ook op de Britse Eilanden liepen religieuze en andere spanningen hoog op in deze periode. Sinds het begin van de Engelse Reformatie in de jaren 1530 vormden de Engelse katholieken een zwaar verdrukte minderheid. In één generatie verloor het katholieke establishment zijn gezag en aanzien: de vroegere machthebbers werden sociale paria’s en dat ging niet zonder strubbelingen. De ene samenzwering volgde op de andere en het is niet ondenkbaar dat verregaande achterdocht een overlevingsmechanisme werd, of reeds lange, lange tijd was.

Engelse Rooms-Katholieken hadden het in 1583 gemunt op koningin Elizabeth I in het zogenaamde Throckmorton Plot. In 1603 werden de vermeende samenzweerders van het Main Plot tegen James I terechtgesteld, samen met die van het Bye Plot. Beide samenzweringen zouden financieel gesteund zijn door het katholieke Spanje. Op 5 november 1605 werd een aanslag op de koning en de aristocratie verijdeld, bekend als het Buskruitverraad, het onderwerp van een vorige artikelenreeks. De katholieke samenzweerders, waaronder Guy Fawkes, werden terechtgesteld en op vakkundige wijze uit elkaar gedraaid en gehakt.

exec charlesTussen 1639 en 1651 gingen de Britse Eilanden door een periode van interne strijd die samengevat wordt als de Britse Burgeroorlogen of als Oliver Cromwell, een van de klassieke liedjes van Monty Python. Overwegend Anglicaanse Royalisten vochten en verloren van de puriteinse Roundheads onder leiding van Cromwell. Later nam de koning het op tegen de aanhangers van het Rompparlement, maar “the King lost again, silly thing – stupid git” (aldus MP). Zoals steeds waren de meeste oorlogsslachtoffers niet soldaten die sneefden op de velden enzovoort, maar burgers en boeren in de steden en dorpen die omkwamen door ziekten en hongersnoden.

Uiteindelijk werd in 1660 de monarchie hersteld en kon Karel II zijn eerder onthoofde vader Karel I opvolgen. De nieuwe koning trad hardhandig op onder andere tegen de Vijfde Monarchisten, een Puriteinse sekte waarvan enkele leiders medeverantwoordelijk waren voor de onthoofding van Karel I. Een vijftigtal leden werden eerst opgehangen, vervolgens van geslachtsdelen en darmen ontdaan om uiteindelijk gevierendeeld te worden. Beulen namen hun werk heel serieus. Enkele maanden voor de Grote Brand werd een groep ex-soldaten eveneens gearresteerd op verdenking van samenzwering met de Nederlanders tegen de Engelse Kroon. In 1664 tenslotte, ruim een jaar voor de Brand, werd Londen slachtoffer van wat we nu kennen als de Grote Pestepidemie, the Great Plague of London. Op een geschatte bevolking van 460.000 stierven er officieel 68.596 mensen, maar waarschijnlijk dubbel zoveel. Opnieuw, mensen uit de lagere klassen telden niet mee. Onnodig te zeggen dat ook deze epidemie aanleiding gaf tot heel wat sociale onrust, vervolgingen van vooral Joden, die bij zowat elke pestepidemie in Europa de zwarte piet toegeschoven kregen.

Wat men in 1666 al vermoedde, wordt nu algemeen aangenomen: een niet gedoofde bakkersoven in Pudding Lane, een schamele wijk in centrum Londen, had de brand veroorzaakt. Nochtans werd één persoon gearresteerd, ondervraagd én geëxecuteerd. Na bekentenissen. Eén, een akelig klein getal in alle numerieke ellende van de Grote Brand van Londen. Nog akeliger: zelfs de rechters beseften dat hij zowel onschuldig was als de perfecte zondebok. Absurditeit, evenals ellende, laat zich moeilijk kwantificeren.

Deel 2: De Grote Brand van Londen – Robertje moet hangen

Het Buskruitcomplot – Het Verraad der Jezuïeten?

Dit is het derde deel over het Buskruitverraad. Voor het eerste deel, “Achtergrond”, klikt u hier. Het tweede deel, “November 1605” vindt u hier.

* * *

Thus did God on Queene Elizabeth bestow a glorious victorie, even in the despite of Pope, Papist, trayterous Jesuits, Seminaries, Monkes, Friers, and all the rablement of that Antichristian Sec.

edward cokeAan het woord is Sir Edward Coke over de overwinning op de “king of Spanes Armado […] that surnamed invincible Spanish navie” (geciteerd uit Selected Writings of Edward Coke, vol. II). Sir Coke was de hoofdaanklager onder koningin Elizabeth I en James I en had zijn handen vol met het berechten van veelal katholieke opstandelingen, complotteurs en rebellen. Zijn virulent antikatholicisme spitste zich vooral toe op de jezuïeten, wiens invloed hij in elke samenzwering of bedreiging meende te ontwaren. Zelfs tijdgenoten vonden dat hij zich vaak eerder liet leiden door zijn antipapisme dan door bewijzen. Kortom, Sir Coke was een epigoon van het Engelse geïnstitutionaliseerde antikatholicisme.

garnetAls openbare aanklager tijdens de zittingen omtrent het Buskruitverraad was hij er rotsvast van overtuigd dat Henry Garnet S.J., hoofd van de Engelse Jezuïeten, een van de belangrijkste aanstokers was van het complot “as blacke as hell”:

Peersie & Catesby went unto their great Provinciall Garnet, & of him enquired, whether the king being as he was already established, they might by vertue of the Popes Bull, use any meanes to supplant or depose him, considering they were not of force to withstand his comming at the first. And Garnet answered, that undoubtedly they might, whereupon they presently resolved to put in execution that most horrible powder treason, the like whereof, untill that time, was never to the world reported.

Garnet zou op de hoogte geweest zijn dat er een aanslag op handen was en zou die zelfs verboden hebben. Maar uiteindelijk werd hij toch beschuldigd van hoogverraad en geëxecuteerd, samen met twee andere jezuïeten. John Gerard S.J. kende de meeste samenzweerders ook. Hij werd geïmpliceerd in het complot maar wist te ontsnappen naar het continent. Zijn verhaal schreef hij neer in Autobiography of a Hunted Priest. “[M]alignant and devilish papists Jesuits and seminary priests much envying and fearing conspired most horribly” (Willis-Bund, 1879) werd de officiële versie.

pyrotechnica afbeeldingNiet toevallig verscheen na de Grote Brand het boek Pyrotechnica Loyolana (1667) door een anonieme “Catholick-Christian”, met als ondertitel Ignatian fire-works or, the fiery Jesuits temper and behaviour. Being an historical compendium of the rise, increase, doctrines, and deeds of the Jesuits. Exposed to publick view for the sake of London. Het boek beschrijft al het kwaad dat de militante Sociëteit van Jezus berokkend heeft sinds hun stichting in 1534 onder leiding van hun respectievelijke generaals-oversten (praepositus generalis). De organisatie van de Jezuïeten was inderdaad op militaire leest geschoeid en zelf noemden ze zich ook de soldaten van de Paus. Het mag niet verbazen dat het hoogtepunt van hun misdaden de Grote Brand was, aldus het boek over de vuurkunstenaars in dienst van Loyola. De afbeelding links toont trouwens de paus die met een blaasbalg het vuur in Londen aanwakkert.

what wasZo’n drie eeuwen later zorgde het Buskruitcomplot nog steeds voor controverses, niet alleen academische, maar ook religieuze. In 1897 schreef John Gerard, naamgenoot én ook jezuïet, het boek What was the Gunpowder Plot? The traditional story tested by original evidence. Het boek ging in tegen de gangbare, officiële versies die op het einde van de negentiende eeuw verrassend actueel leken te zijn. Zowel Engeland als de Verenigde Staten waren toen nog steeds niet de meest vriendelijke contreien voor katholieken.

John Gerard brengt begrip op voor de samenzweerders: rooms-katholieken in Engeland hadden het inderdaad zeer zwaar te verduren. Ze konden de eigen godsdienst niet belijden, zij moesten de paus afzweren als kerkelijk hoofd en ze werden vervolgd. Meteen – en dat is geen verrassing – de reden voor het complot. Maar volgens hem kunnen we pas vanaf de gevangenneming van Guy Fawkes/John Johnson echt zeker zijn van wat er zich afgespeeld heeft. Over de periode daarvoor, het rekruteren en de voorbereidingen, weten we niets met zekerheid. We kennen enkel de officiële versie die gebaseerd is op hardhandige verhoren en geïnterpreteerd door papenvreters en jezuïetenhaters als Sir Edward Coke. En dat geeft hem de mogelijkheid om enerzijds een groot blik apologieën open te trekken en anderzijds om te beginnen speculeren.

fawkes cellar

Hij stelt hij dat het complot niet gedragen werd door de katholieke bevolking en evenmin door de katholieke clerus en waarschijnlijk heeft hij hier gelijk. En dat is volgens hem een reden om het geen katholiek complot te noemen. Wat de jezuïtische inmenging betreft is Gerard S.J. nog categorischer: de complotteurs kregen geen steun van de opperjezuïet van Engeland, materieel noch moreel. En opnieuw, althans voor zover ik de literatuur begrijp, heeft hij ook hier misschien wel een punt. De meeste moderne historici die geschreven over deze periode stellen inderdaad dat het complot geen algemeen katholieke opstand was en geven de toenmalige jezuïeten het voordeel van de twijfel: waarschijnlijk waren ze niet actief betrokken in het complot, maar waren ze misschien wel op de hoogte.

Maar Gerard S.J. wil af van ‘misschien’ en ‘waarschijnlijk’. Hij wil niet enkel de jezuïeten vrijpleiten of de katholieke clerus, maar ook de complotteurs zelf. En hier begint Gerard aan te schurken tegen een complottheorie. Om zijn geloofsgenoten te beschermen, creëert hij een diabolus ex machina: Robert Cecil, graaf van Salisbury. Cecil was een van de belangrijkste staatslieden onder Elizabeth I en James I en zijn positie als Secretary of State, toen een combinatie van minister, rechter en hoofd van wat we nu de geheime dienst zouden noemen, maakte hem tot een van de machtigste mannen in die periode. Komt daarbij dat hij klein van stuk was én een crouchback, een bultenaar, wat hem ook in pre-Hollywood-tijden geknipt maakte voor de rol van ultieme slechterik.

Gerard presenteert Robert Cecil als een verrader van Elizabeth I en van het vaderland, gehaat door collega’s, concurrenten en ambassadeurs, weinig geliefd door de nieuwe koning James I. Gerard voert dan ook aan dat “whatever its origin, the Gunpowder Plot immensely increased Cecil’s influence and power, and, for a time, even his popularity”. Een volgende stap in zijn apologie is de vaststelling dat het opzet van het complot ongezien is in z’n wreedheid:

But what marked off our Gunpowder Plot from all the others, was the wholesale and indiscriminate slaughter in which it must have resulted, and the absence of any possibility that the cause could be benefited which the conspirators had at heart. […] It might be supposed that those who undertook such an enterprise were criminals of the deepest dye, and ruffians of a more than usually repulsive type.

En, zoals Gerard eerder beschreef: we kunnen niet zeker zijn wat de samenzweerders nu eigenlijk van plan waren. Verder lijkt het ook heel abnormaal dat de complotteurs erin slaagden om ongezien zoveel tonnen met buskruit in de kelders op te slaan. Na de ontdekking van het complot wordt er geen melding meer gemaakt van deze vaten, of beter, er wordt niet vermeld hoe ze verwijderd werden, en dat is voor Gerard een aanwijzing dat er iets niet in de haak zit.

Verder zoekt hij verschillen tussen de bekentenissen van de complotteurs en de officiële versie. Dat één van de grote verschillen was dat de eerste groep hun verklaringen aflegden (en herzagen) onder marteling, dat ze moesten balanceren tussen bekennen, verbergen en verdedigen, en dat de tweede groep het hele complot gebruikte om zichzelf in de kijker te zetten, lijkt Gerard te ontgaan. Voor hem wijzen de verschillen op “contradictory evidence” en dat wijst op een complot in een complot.

Het kan niet anders dan dat de “Government Intelligence Department” op de hoogte was – volgens Gerard al in 1604 – en dat die geheime inlichtingendienst, Robert Cecil dus, de sturende hand was in het complot. Kortom, het Buskruitverraad mag dan misschien zijn oorsprong vinden in een samenzwering van enkele katholieke edelen, de manier, de planning en vooral de middelen werden uitgedacht en georkestreerd door Robert Cecils diensten. En uiteindelijk waren die complotteurs ook geen al te slechte gasten, ze werden in de aanloop gecorrumpeerd door de agenten van Cecil. Het complot werd in de nacht van 5 november dan ook niet ontdekt, maar “ontdekt”. Meer nog, het Buskruitverraad “formed no exception tot he general law observable in conspiriacies of its period, proving extremely advantageous to those against whom it was principally directed”. Met andere woorden, Gerard S.J. doet hier meer dan gewoon maar suggereren dat de andere katholieke complotten in die periode eveneens gemanipuleerd werden door de inlichtingendiensten van de protestantse vorsten.

De strafste aantijgingen van Gerard S.J. werden al snel weerlegd door Samuel R. Gardiner, een Britse historicus die gespecialiseerd was in 17de-eeuws Engeland. Gardiner vatte zijn bevindingen samen in What Gunpowder Plot Was, een duidelijk antwoord op het boek van Gerard What was the Gunpowder Plot? Nochtans zou het verhaal van Gerard zo’n vijftien jaar later nog eens dunnetjes overgedaan worden door de Iers-Amerikaanse priester Peter Christopher Yorke, die nog steeds herdacht wordt door de Ierse gemeenschap in San Francisco. In 1913 schreef de Iers-Amerikaanse priester Peter Christopher Yorke The Ghosts of Bigotry, een bestseller in die dagen.

John Gerard S.J. heeft de verdienste dat hij door zijn onderzoek de toenmalige officiële versie een knauw heeft gegeven en meer dan waarschijnlijk deels heeft gecorrigeerd. Die versie, ontstaan in een periode waarin er niet echt een scheiding was tussen Kerk en Geschiedschrijving, heeft zo’n kleine 300 jaar kunnen overleven. Hoewel veel onduidelijk blijft, niet verbazingwekkend wanneer het gaat over een geheim complot 400 jaar geleden, zijn de meeste moderne historici het erover eens dat Robert Cecils aandeel in de voorbereidingen onbestaande was. Het mag ons evenwel niet verbazen dat er nog steeds onderzoekers zijn, “No-Plotters” zijn, zoals Antonia Fraser ze noemt in haar boek The Gunpowder Plot, die de lijn van Gerard volgen.

* * *

Lijst van geraadpleegde bronnen

Boeken

Documentaires

  • Simon SCHAMA, A History of Britain – The British Wars: 1603-1776. Episodes 8 & 9, London, BBC, 2001

Online artikelen

Het Buskruitcomplot – November 1605

Dit is het tweede deel over het Buskruitverraad. Voor het eerste deel, “Achtergrond”, klikt u hier.

* * *

The_Gunpowder_Plot_Conspirators,_1605_from_NPG

Mijn Heer, omwille van de genegenheid die ik voel voor uw vrienden, ben ik ook bezorgd over uw lijfsbehoud. Ik zou u daarom willen aanraden, aangezien u uw leven liefhebt, om een excuus te bedenken voor uw afwezigheid in het parlement; want God en mens samen willen de boosaardigheid van deze tijden bestraffen.

Op 26 oktober 1605, iets voor de geplande officiële opening van het parlementaire jaar, kreeg Lord Monteagle een anonieme brief waarin hij vaagweg gewaarschuwd werd. Ik heb het eerste deel van de brief, zoals geciteerd in Antonia Frasers boek The Gunpowder Plot. Terror & faith in 1605, hierboven zelf vertaald. De Lord, één van de weinige katholieke parlementsleden in die periode, speelde de brief door aan Robert Cecil, 1st Earl of Salisbury, zowat het hoofd van de koninklijke geheime dienst. De autoriteiten schoten andermaal in actie, op zoek naar het zoveelste complot in korte tijd. Waarschijnlijk was de brief geschreven door een katholieke medecomplotteur of door iemand uit het entourage daarrond.

Wat in 1604 begonnen was als een samenzwering met slechts enkele deelnemers, groeide door geldgebrek uit tot een weidser complot. Hoe meer participanten, hoe groter de kans op een lek of verraad. Eerder dan een kwestie van wiskunde, lijkt dat een kwestie van gezond verstand. Hoe dan ook, de schrijver was op de hoogte en maakte zich zorgen over het lot van de katholieke parlementariër. En andere lezing kan zijn dat beiden opportunisten waren en zonder schroom of scrupules een complot verraden hebben dat sowieso schadelijk zou zijn voor henzelf en de katholieke bevolking.

CatesbyHet was Robert Catesby die in 1604 de eerste vergaderingen organiseerde. Net zoals vele devote katholieken weigerde hij de vorst als hoofd van de kerk te herkennen en ging hij niet naar de protestantse diensten. In 1601 nam hij deel aan de Opstand van Essex, een complot tegen koningin Elizabeth I. De rebellie mislukte, Catesby werd opgepakt en weer vrijgelaten. In 1603, bij de troonsbestijging van James I, leek het even of de repressie tegen de katholieken verminderd zou worden, maar de verwachtingen van Catesby werden niet ingelost.

fawkesGuy Fawkes was eerder een man van daden dan van woorden. Als huurling vocht hij vanaf de jaren 1590 mee met katholieke legers op het continent. Zo nam hij tijdens de Tachtigjarige Oorlog deel aan tal van Spaanse campagnes tegen de Nederlandse protestantse rebellen. En dat deed hij blijkbaar met verve: hij werd voorgedragen om bevorderd te worden tot kapitein. Zijn bevelhebber in Vlaanderen was Sir William Stanley, eveneens een Engelsman in Spaanse dienst. Deze vijftiger, ooit geridderd in Engeland omwille van zijn militaire prestaties, begon zijn continentale oorlogscarrière in Engels-protestantse dienst, maar veranderde later even makkelijk van zijde als van godsdienst. Hoewel zijn geval aantoont dat het niet steeds even gemakkelijk is om aan te geven in welke mate iemand deze of gene religie aanhing, kegelde zijn bekering tot het katholicisme hem naar de bovenste helft van het Engelse lijstje met te haten namen.

80 jaar

Terug naar Fawkes, die de slagvelden en zijn bevordering opgaf voor een groter doel. Hij reisde af naar het Spaanse hof om te pleiten voor een invasie van Engeland door de Iberische legers, tegelijkertijd uit te voeren met een algemene opstand van 3000 Engelse katholieken. Maar inzicht in internationale diplomatie had hij niet. Hoewel hij welwillend werd ontvangen door de raadgevers van de Filip III, deelde de Spaanse koning de mening van de paus: een internationale, gewapende inmenging op Engelse bodem zou het katholicisme in Engeland helemaal wegvagen. Fawkes probeerde de Spaanse edelman Don Juan de Tassis nog te overhalen, maar net deze hoveling werd door Filip III van Spanje werd naar Engeland gezonden om James I te feliciteren met zijn troonsbestijging. Deze missie maakte een einde aan de dromen van een Spaanse invasie. Fawkes besloot om terug te keren naar Engeland.

Op 5 november 1605 werd John Johnson aangetroffen in de kelders van het Palace of Westminster, samen met hopen gedroogde takken en ettelijke tonnen gevuld met buskruit. Genoeg, zo bleek bij nader onderzoek, om de parlementsgebouwen te nivelleren en de aanwezigen van de plechtige opening van het parlementaire jaar, waaronder de koning, het voltallige parlement, andere notabelen en de hogere clerus, de Engelse 1% dus, te begraven onder het puin. 48 uur kon Fawkes zich verbergen achter zijn eerder doorzichtige schuilnaam. Ondertussen dreef het nieuws van zijn arrestatie Johnson/Fawkes de andere complotteurs op de vlucht.

signature“De zachtere tortuur moet eerst op hem toegepast worden en vervolgens gradueel de hardere, dat God je werk moge bespoedigen”, schreef koning James I aan Sir John Popham, de hoofdondervrager, gekend voor zijn wreedheid en haat tegenover katholieken. In welke mate Popham rekening heeft gehouden met het bevel van de koning is onbekend, dat Fawkes een harde en geharde man was, daar zijn genoeg getuigenissen van overgeleverd. Hoe dan ook, op 7 november gaf Fawkes zijn echte naam en tekende hij een bekentenis, waarbij zijn handtekening onderaan een indicatie lijkt te zijn van de mate waarin hij gekraakt en gebroken is geworden in de martelkamer.

Ondertussen werden de andere complotteurs opgejaagd. Hun namen waren bekend geraakt na de ondervraging van de dienstboden. Op 8 november bestormde de Sheriff van Worcestershire hun laatste schuilplaats, ver in de Midlands. Catesby sneuvelde in het gevecht, vier andere samenzweerders werden gearresteerd en naar Londen gebracht.

execution

De overlevende complotteurs werden schuldig bevonden en op 30 januari geëxecuteerd, maar niet voordat de reeds gedode leden terug werden opgegraven, onthoofd en uitgestald voor het House of Lords. De anderen waren veroordeeld tot de straf speciaal gereserveerd voor hoogverraad: ze werden opgehangen aan een galg, net voor hun dood ontdaan van penis, testikels en van de darmen, en tot slot gevierendeeld; de Engelse vakterm hiervoor is hanged, drawn, quartered. Fawkes slaagde erin om van de ladder te springen zodat het touw zijn nek brak.

Wat als? Onmogelijk te beantwoorden, maar toch leken zowel de opzet als het doel van het complot geheel gespeend van enige zin voor realiteit en realpolitik. Waarschijnlijk zou het buskruit niet ontploft zijn omdat het van slechte kwaliteit was én grotendeels doorweekt. Erger nog, ze konden de koning en het hele establishment in november niet doden omdat de opening van het parlementaire jaar uitgesteld was omwille van een dreigende pestepidemie. Het complot kende te veel samenzweerders, en hoe meer deelnemers hoe groter de kans op lekken, bewuste of onbewuste.

Verder konden ze niet rekenen op buitenlandse militaire steun of op een binnenlandse katholieke rebellie. Integendeel, zelfs Henry Garnet, hoofd van de Engelse Jezuïeten, zou de samenzweerders verboden hebben om verder te gaan nadat hij toevallig (!) de plannen vernomen had. Niet iedereen geloofde die toevalligheid en Garnet werd in 1605 dan ook gearresteerd, berecht en geëxecuteerd. De aanklager van dienst was opnieuw papen- en jezuïetenvreter Sir Edward Coke. Over Garnet meer in het derde deel, eerst terug naar de opgejaagde samenzweerders. Tijdens hun vlucht naar de Midlands probeerden de complotteurs de katholieken op hun weg wijs te maken dat het opzet geslaagd was. De reacties waren lauw. Komt daarbij dat ze onmogelijk alle eventuele troonpretendenten konden uitschakelen en dat er nog genoeg van het staatsapparaat en dus repressieve kracht zou overgebleven zijn om de Engelse katholieke bevolking helemaal van de kaart te vegen.

En zelfs als ze erin geslaagd zouden zijn om het gebouw op te blazen, dan nog zou het van weinig politiek inzicht getuigen om te denken dat men een 17de-eeuws land had kunnen besturen dat net zo’n schok heeft moeten doorstaan: koning weg, adel weg, elite weg, en een onbecijferbare hoeveelheid politieke en diplomatieke ervaring weg. En dat terwijl er genoeg haviken en gieren op het Europese continent zaten te wachten om elke zwakheid van de vijand genadeloos uit te buiten.

* * *

En toch eindigt het verhaal hier niet. Ik ben niet alleen geïnteresseerd in theorieën over complotten, maar ook in theorieën die stellen dat er geen complot is geweest. De neerslag van de ondervraging en van het proces van de samenzweerders door procureur-generaal Sir Edward Coke is bewaard gebleven. Sir Coke noemde in 1606 het complot “het Verraad der Jezuïeten”, een stellig die zelfs in 1879 nog kritiekloos wordt herhaald, onder andere in de bundel A Selection of Cases from the State Trials, Volume I van Willis-Bund: de duivelse, paapse Jezuïeten waren de echte aanstokers van het complot (p. 310). Tal van andere boeken uit die periode beweren min of meer hetzelfde. Reden genoeg voor John Gerard, S.J., een naam- en ambtgenoot van de Jezuïet uit het eerste deel, om onder andere de geschriften van Sir Coke uit te pluizen én op basis daarvan te beweren dat het Buskruitverraad niet als dusdanig heeft plaatsgevonden.

Deel 3: Het Buskruitcomplot – Het Verraad der Jezuïeten?

Het Buskruitcomplot – Achtergrond

Dit is het eerste deel in een reeks artikelen over 17de-eeuwse complotteurs en complotdenkers. Een overzicht van de andere onderwerpen vindt u hier.

* * *

Henri-VIII-507x350Het Engeland van voor 1534 katholiek noemen, zou net zo overbodig zijn geweest als specificeren dat hedendaags Saoedi-Arabië een islamitisch land is. In één generatie tijd deed koning Hendrik VIII de machtspositie van de Engelse katholieke kerk en de invloed van de Paus echter teniet. Wie na de invoering van de Act of Supremacy de vorst niet erkende als hoofd van de kerk, verloor het zijne. De staat ontbond abdijen en verbood de katholieke diensten. In één moeite door werden ook andere religieuze minderheden opgejaagd. En daarmee voegde Hendrik VIII en zijn opvolgers, o.a. de katholieke Maria I en de protestantse Elizabeth I, Engeland toe aan het lijstje Europese landen waar religieuze factoren, naast de gebruikelijke sociale, economische en geopolitieke, met hernieuwde kracht een drijfveer werden voor wrede vervolgingen en brutale oorlogen.

spanish-amarda--En dat waren er nogal wat: de Europese grootmachten, in steeds wisselende allianties, gingen verder met hun pogingen om elkaar in te sluiten en zich te bevrijden uit de houdgreep van de andere. Religie was daarbij niet altijd de hoofdfactor: Hendrik VIII steunde in 1542 Karel V, koning van Spanje en keizer van het Heilige Roomse Rijk. Een toenmalig mensenleven later was het katholieke Spanje dan weer de aartsvijand en had Hendriks verre troonopvolger Elizabeth I en Karel V’s zoon Filip II van Spanje de handen vol met het afslaan van elkaars Armada’s.

Engelse katholieken probeerden in overzeese missies steun te zoeken bij de bondgenoten op het continent. Andersom probeerden echte en vermeende agenten uit Vaticaanstad, Spanje en die andere erfvijand, Frankrijk, Engeland te infiltreren om contacten te leggen met opstandige katholieken.

jesuitsJezuïeten vormden daarbij een categorie apart: tal van Engelse jongemannen werden naar Spanje en Frankrijk gestuurd om een priesteropleiding te volgen aan de seminaries van de in 1540 opgerichte Sociëteit van Jezus, de Jezuïeten. Na hun wijding kwamen ze als Soldaten Gods terug om slalommend tussen martelkamer en hakbijl hun religieuze taken uit te voeren, ad maiorem Dei gloriam. Hun leven in Engeland bestond uit clandestiene vergaderingen, geheime schuilplaatsen, huiszoekingen en zeer vaak martelaarschap. Het boek van John Gerard, S.J., Autobiography of a Hunted Priest, is een ijzingwekkend verslag van die periode.

Gods Soldaten, die absolute gehoorzaamheid aan de paus beloofden, kregen al snel de reputatie van Gods Ninja’s: ze werden beschouwd als spionnen, complotteurs, agitatoren en terroristen. Ook de Sociëteit zelf werd vrijwel onmiddellijk beschouwd als een buitengewoon goed georganiseerd genootschap dat steeds meer snode intriges en complotten uitdacht, met tentakels in alle katholieke koningshoven en paleizen. In de 18de eeuw zouden ze zelfs verboden worden door verschillende landen én door de toenmalige paus omdat ze inderdaad te machtig werden.

Het is weinig verrassend dat de Sociëteit van Jezus snel een bijna mythische status kreeg. De Jezuïeten werden geïmpliceerd werd in tal van historische en meer contemporaine rampen en catastrofes, waaronder zelfs het zinken van de Titanic. Nu Fransiscus I paus is, flakkeren de theorieën over jezuïetenstreken voor gevorderden trouwens weer op. Een kort overzicht vindt u terug op de website van, jawel, de Britse Jezuïeten. Ook Sir Edward Coke, Engelands voornaamste jurist van die periode en de openbare aanklager tijdens het proces van de complotteurs van het Buskruitverraad in 1605 komt de benaming “Het Verraad der Jezuïeten”.

elizabethWatjes waren het hoegenaamd niet, die Engelse katholieken. Anderzijds leken ze meer branie dan hersenen te hebben: het ene complot was eigenlijk al hopelozer en onrealistischer in opzet dan het andere en steeds werden de complotteurs gevat vóór de uitvoering ervan. In 1583 wilden ze een aanslag plegen op koningin Elizabeth I in het zogenaamde Throckmorton Plot. Tegelijkertijd zou Hendrik I van Guise, oprichter van de Katholieke Liga en mede-aanstoker van de gigantische moordpartij op Parijse Hugenoten, bekend als Bartholomeusnacht (1572), het land binnenvallen. Het Vaticaan en Spanje zouden de hele zaak financieren, de Jezuïeten zouden de operatie mede coördineren. De hele samenzwering werd blootgelegd, de deelnemers genadeloos vervolgd.

In 1603 werden de samenzweerders van het Main Plot tegen James I terechtgesteld, samen met die van het Bye Plot. De beklaagden en geëxecuteerden waren zowel van de katholieke als puriteinse overtuiging. Die laatste twee samenzweringen zouden eveneens financieel gesteund zijn door het katholieke Spanje, aldus de officiële verslagen van de processen.

Deel 2: Het Buskruitverraad – November 1605