Naomi Apachi’s demonstratie in Mol (1)

naomi-apachiNaomi Apachi was een van de standhouders tijdens de Spirituele Beurs te Mol, waarover ik in een eerder artikel berichtte. Naomi is flambloyant, open en vriendelijk, ze praat graag en veel. Haar podiumnaam is een eerbetoon aan Phoenix, een Apache-indiaan uit het Amerikaanse Zuidwesten met een verrassend Griekse naam. Deze even vermetele als steendode krijger van de Grote Vlaktes in Arizona en New Mexico helpt haar tijdens haar paranormale, psychometrische sessies.

Het hoogtepunt van haar professionele carrière als medium situeert zich in de jaren 2008-2011, met onder andere gewaagde optredens tijdens het VTM-programma Het Zesde Zintuig (haar Hitler-sketch heeft ondertussen een zekere cultstatus verworven) en drie boeken bij Standaard Uitgeverij, toch geen kleintje in de wereld van bedrukt papier. Volgens de gespecialiseerde pers vond ze na haar gloriejaren enigszins genoodzaakt de weg terug naar de kleinere paranormale beurzen. Onze hardwerkende zelfstandige met een website geeft ook lessen “Intuïtieve Ontwikkeling” en “Zesde Zintuig Ontwikkeling” (“Mor as ’t er ni inzit, kanne kik et er oek ni uithale, é”), doet privésessies en geeft publieke demonstraties.

Psychometrie is haar gave, haar vak, haar broodwinning. Tijdens demonstraties ‘leest’ zij voorwerpen en foto’s die mensen aan haar geven en daarbij wordt zij geholpen door Phoenix de Apache. In twee blogartikels wil ik de publieke sessie in Mol beschrijven. In een eerste deel doet zij het stervensproces van een oudere man dunnetjes over. Het was de eerste zogenaamde cold reading met een nietsvermoedend slachtoffer die ik zelf heb meegemaakt. In het tweede deel gaat zij het gevecht aan met een sleutel in een vreemd doosje, mijn tweede cold reading en met een man die al iets minder nietsvermoedend was.

naomi-incl-overledenen

* * *

Een dringend geval van synchroniciteit tijdens de Spirituele Expo te Mol: terwijl mijn lichaam zich in balans probeert te brengen door toxische stoffen af te scheiden, is Naomi Apachi al aan haar publieke sessie begonnen. Goed vijf minuten te laat kom ik de zaal binnen, maar dat is blijkbaar tijd zat voor mevrouw Apachi om alvast één oudere vrouw, 60+ schat ik, in tranen te hebben doen uitbarsten.

Ja, hij was een brave mens, heel gesloten, maar joviaal. En fier, zo fier. De vrouw knikt bevestigend. Blijkt dat ze praten over haar vader. Naomi incorporeert onmiddellijk de bevestiging van haar gissingen, nu ja, in dit geval generische platitudes die toepasbaar zijn op zo ongeveer elke oudere man van die generatie, en ratelt dan verder. Telkens vraagt ze, vist ze naar een stukje informatie en onmiddellijk verwerkt zij het antwoord – een ja of een knik of een hoofdbeweging – in haar woordenvloed.

Hij heeft afgezien, zegt Naomi. Opnieuw een bevestigende snik. Een oude mens heeft veel kans dat hij afziet in zijn lange leven. Zo gaat dat bij mensen. En leed leidt naar mediums. Maar op dit punt hebben we dus nog geen specifieke informatie over dat lijden. De Apache waarmee Naomi spiritueel contact heeft, kijkt vanuit De Eeuwige Jachtvelden met grote ogen naar Naomi, heft zijn schouders op en maakt een verontschuldigende beweging met beide armen. Naomi zwijgt ook.

In de nanoseconden die volgen, vraagt Naomi zich af of haar indiaanse geest niet wat traag is geworden en of hij wel geconcentreerd meeluistert. Zou hij iemand anders hebben, zou hij haar bedriegen met een ander medium, die van twee tafeltjes verder? Tijd om van indiaan te wisselen? Naomi Dakoti klinkt óók heel goed.

De vrouw zegt uit dat haar vader terminaal was en in het ziekenhuis lag.

Phoenix de Apache bevestigt.

– Natuurlijk, dat was het!
– Snel, we kunnen dit nog redden, Phoenix. Wat doen terminaal zieken zoal in een hospitaal?
– Ademen, Naomi, ademen.
– Mor vent toch, als ze niet ademen, zijn ze dood. Iets anders.
– Ik bedoel eerst zwaar ademen, Naomi, moeilijk ademen. En dan sterven. Als de man nog in het ziekenhuis ligt, zou zij nu aan zijn bed zitten. Als hij genezen zou zijn, zit zij óók niet in een cafetaria van een school in fucking Mol met jou te praten.

Terwijl haar indiaan zich stilletjes afvraagt of Naomi nu echt niet zonder hem op deze voor de hand liggende antwoorden kan komen, vertelt Naomi aan de huilende vrouw dat ze de vader zwaar en stokkend ziet ademen, en ja, inderdaad in een ziekenhuis. De vrouw bevestigt opnieuw. Naomi heeft gelijk. Naomi weet. Naomi ziet.

Ik heb geen idee of die conversatie nu in het Chiricahua, Mescalero, Lipan of een andere Apache-taal plaatsvond, of in een soort grammaticaloze mentale taal op een hoger spiritueel niveau. Maar taalkundig gezien vind ik het hoe dan ook een knappe prestatie om zo snel over te schakelen van de ene taal naar het plat Antwerps. Paranormaal gezien is het natuurlijk kouwe kak om iets te herhalen wat de andere persoon zelf net gezegd heeft en daarop verder te borduren, met of zonder de hulp van een ingebeelde prairieganger.

Maar Naomi weet op dit punt genoeg. Wat ze nu moet doen is enkele minuten blijven praten en dat is geen probleem, dat is haar gave, haar vak, haar broodwinning. Ze doet de doodstrijd van de oude man dunnetjes over en de dochter mag nog maar eens haar verdriet beleven. Naomi zuigt het leed minutenlang uit de vrouw. Het is duidelijk dat de rouwende slechts een middel is, een opstapje, om haar Hogere Doel te bereiken. Je weet toch hoeveel een zelfstandige moet afdragen?

Jart Voortman versus ‘de skeptici’

img_0217Op woensdag 21 september 2016 hield de protestantse theoloog Jart Voortman in het Antwerpse Elcker-ik centrum een lezing met als titel “Bestaat er zoiets als het paranormale?”. Aangezien het mijn bedoeling is om een leesbaar verslag te schrijven, moet ik hier en daar creatief omgaan met de chronologie van de lezing. Ik ga de vele onderbrekingen, vragen en verhalen wegediten. De hele namiddag verliep vrij chaotisch en eerlijk gezegd vroeg ik me nadien af of het wel zoiets als een lezing was.

Voortman opende met een frontale aanval – laat het ons een inleiding noemen – op mensen die zeggen dat ze alles begrijpen, mensen die denken dat de werkelijkheid bestaat uit een hoop moleculen die gewoon maar wat met elkaar botsen. Mensen die het leven beschouwen als een driedelige set blokken met daarop de letters D, N en A. Mensen, kortom, die zich gedragen als stropopargumenten.

En om aan te tonen dat er veel meer is dan wat we kunnen waarnemen met onze zintuigen, probeerde hij enkele goocheltrucjes uit te voeren, een middel dat zeer populair is onder skeptici, denk maar aan honest liar James Randi, onze Gili of Tayson Peeters.

Als het Voortmans bedoeling was om aan te tonen dat de wereld meer is dan de waarneembare werkelijkheid, dus “zoiets als het paranormale”, dan is een goocheltruc niet de beste keuze, me dunkt: een goede truc is er nu net op gericht om ons dat te doen geloven terwijl men enkel “materialistische” middelen gebruikt, “botsende moleculen”, zo u wil. Het punt van Gili’s show “Iedereen paranormaal”, bijvoorbeeld, was nu net het feit dat hij door te spelen met de vijf zintuigen van zijn publiek de indruk kon wekken dat er een zesde zintuig is.

Maar niet alleen mij deed zijn onhandig gestuntel sterk denken aan Toon Hermans’ legendarische goochelsketch, die volledig de mist in ging. Als het dus Voortmans bedoeling was om aan te tonen dat we iets moesten zien dat er niet was, namelijk goocheltrucs, dan slaagde hij wél in zijn opzet. Hoe dan ook, een carrière als eerlijke leugenaar kan de Hollandse theoloog best vergeten.

Een carrière als natuurkundige trouwens ook: indien men denkt dat de kwantummechanica plompweg aantoont dat alles mogelijk is, dan denk ik dat men het niet al te best begrepen heeft. Dat er verder niet veel over kwantumfysica in relatie tot het paranormale gesproken werd, was een van de weinige pluspunten van de namiddag.

de-ongelovige-thomas-heeft-een-puntOp dit punt staat in mijn notaboekje “begint plots over SKEPP en skepticisme”, maar om de tekst leesbaar te houden, zal ik het houden bij: in het deel na de inleiding zette een gewiekste Jart zijn aanval op het skepticisme in. Als wapens selecteerde hij argumenten en redeneringen die hij nu net in de skeptische literatuur gevonden had. Jart wilde het skepticisme en in één moeite door bekende adepten als Etienne Vermeersch, Johan Braeckman en de “te kille, al te rationele” Maarten Boudry met hun eigen argumenten verslaan en op die manier aantonen dat (1) skeptici weinig wetenschappelijk zijn en (2) dat er zoiets als het paranormale bestaat! Dat was waarschijnlijk ook de reden waarom hij zijn lezing aangekondigd heeft in een mail aan SKEPP, zoals ik uit goede bron vernomen heb. Zijn munitie haalde hij vooral uit Braeckmans en Boudry’s boek De Ongelovige Thomas heeft een punt.

Skeptici houden zich onledig met zaken zoals telepathie, wenende Mariabeeldjes, hekserij en, ach, ook wel wat homeopathie en een complot hier en een ufo daar, aldus Voortman. Terwijl hij lacherig wat commentaartjes gaf op de ondraaglijke lichtheid van de drukdoenerij omtrent Yeti’s en Bigfoots, zwaaide hij met Michael Schermers Why people believe weird things, een boek dat voor één vijfde gaat over dat andere, onbetekenende akkefietje met die zes miljoen joden en den Duits. Of tegengas geven – slechte woordkeuze… of ingaan tegen de Holocaustontkenning ook “zo één van die subjectieve zaken” is die skeptici proberen te ontmaskeren, werd dus niet meteen duidelijk daar in de zaal van Elcker-ik, gelegen midden in de Antwerpse Jodenbuurt.

Onduidelijkheid troef bij Voortman, een hele lezing lang. In het zelfde rijtje van banale skeptische onderwerpen had hij het over zogenaamde spookhuizen. Maar beschouwde hij mensen die op zoek gaan naar geesten met, ocharme de sukkelaars, elektronische apparatuur (ha ha hoongelach) nu als skeptici? Het werd nog verwarrender wanneer hij twee minuten later verhaaltjes begon op te dissen van geesten die zich kenbaar maken via … oude radio’s. En zo trapte onze theoloog constant zichzelf in het kruis.

Hoe dan ook, volgens Jart besluiten skeptici veel te snel dat iets niet bestaat, dat iets niet klopt of kan. En dat is volgens hem niet wetenschappelijk. Er volgde net geen “Checkmate, skeptics!”

“Buitengewone beweringen vereisen buitengewone bewijzen”. Ook deze slagzin, onder meer gedebiteerd door Carl Sagan, wilde Voortman in vraag te stellen. Zijn eerste voorbeeld ging over de zwaartekrachtgolven: er werd lang over getheoretiseerd, maar uiteindelijk was één eenvoudig bewijs afdoende om de wetenschappelijke gemeenschap te overtuigen van het bestaan van die golven. Terwijl ik een enigszins wilde What the fuck! probeerde te onderdrukken, vuurde hij een tweede voorbeeld af. De boutade van de bioloog J.B.S. Haldane, dat één fossiel van een konijn in Pre-Cambrische afzettingen de evolutietheorie van Darwin onderuit kan halen, vond hij ook een aanwijzing dat skeptici serieus overdrijven met hun ‘buitengewone bewijzen’. Wat is er nu eenvoudiger dan één konijn? Anders gezegd, in de wetenschap heeft men helemaal niet veel bewijzen nodig! Voor scheidsrechter Jart is het opnieuw duidelijk dat skeptici zich op het wetenschappelijke veld in een buitenspelpositie bevinden.

Een derde punt: door hun stugge en afwijzende houding ten opzichte van anekdotes plaatsen skeptici zich andermaal buiten de wetenschappelijke discussie, aldus Voortman. Voor skeptici doen anekdotes er niet toe, terwijl ze niet beseffen dat in de wetenschappelijke literatuur casussen wél belangrijk zijn. Skeptici bekijken de wereld louter vanuit hun perspectief. Dat ze daardoor willens nillens doof blijven voor anekdotes, maakt dat ze dingen niet serieus nemen. Maar daar vergist Jart zich feestelijk in. Waar hij zich ook in vergist, is in de betekenis van vrij eenvoudige Nederlandse woorden. Zijn semantisch gegoochel had ongeveer dezelfde kwaliteit als zijn eerste goocheltrucjes. ‘Buitengewoon’ betekent niet hetzelfde als ‘veel’ of ‘complex’ en net zomin is ‘anekdote’ hetzelfde als ‘casus’.

Ook de statistiek, dat andere hulpmiddel, moest er aan geloven. Omdat er om en bij de 20 mensen in de zaal zaten, verwees hij naar de verjaardagsparadox: er is 50 procent kans dat in een groep van 23 willekeurig gekozen mensen twee dezelfde verjaardag delen. Maar daar geloofde hij niet in, dat ging in tegen zijn gevoel en intuïtie. Hij was zo overtuigd dat de paradox niet klopt, dat hij ei zo na het Wikipedia-artikel citeerde: “Bij veel wiskundige vraagstukken, met name bij kansrekening en statistiek, blijken mensen intuïtief tot verkeerde antwoorden te komen. Omdat deze ingevingen zo overtuigend zijn, voelen mensen geen enkele aanleiding om te twijfelen aan hun antwoord.”

Het wordt een beetje vervelend, maar bij zijn volgende punt hoorde hij andermaal de bel maar wist hij de klepel niet hangen. Omdat mensen zeer beïnvloedbaar zijn, een waardevol gegeven uit de sociale psychologie, is het mogelijk om valse herinneringen te creëren. We hebben al bij al een onbetrouwbaar geheugen, aldus Voortman, waarmee hij zo ongeveer de halve skeptische literatuur van de laatste 30 jaar citeerde. Maar ook hier maakte hij een vreemde omslag.’s Avonds weet hij namelijk doorgaans waar hij ‘s morgens zijn fiets heeft gezet, dus “dat het geheugen één grote warboel is, dat kunnen we toch niet accepteren”. In zijn schijnbokswedstrijd tegen zijn imaginaire skeptici was dit zo ongeveer de vierde keer dat hij zichzelf tegen het canvas werkte.

Een laatste argument haalde hij eveneens uit het boek van Braeckman en Boudry. En ook hier is de uiteindelijke pointe dat een uitleg die skeptici gebruiken om anderen de les te spellen, hen uiteindelijk als een boemerang vol in het gezicht raakt: immunisatiestrategieën. Skeptici hebben namelijk zelf ook last van cognitieve dissonantie en zeker wat het paranormale betreft. Het past niet in hun wereldbeeld, dus elk bewijs, elk argument pro redeneren ze weg om hun ideeën intact te houden. Dit lijkt mij trouwens een uitstekende plaats om te melden dat op 22 december in het Antwerpse Elcker-ik centrum een namiddag over cognitieve dissonantie zal plaatsvinden.

Mocht u de indruk krijgen dat dit tot nu toe enigszins een coherente lezing was, ondanks de inhoudelijke onvolkomenheden, dan komt dat louter omdat ik alle onderbrekingen van enkele aanwezige skeptici en een schier oneindige stortvloed aan anekdotes, casussen quoi, heb weggelaten. De drang bij de aanwezigen om te getuigen over hun paranormale ervaringen was enorm. Jart had geen greep op zijn publiek en stilaan verloor de lezing haar dynamiek.

Ondertussen waren we aangekomen bij het deel waarin hij twee fragmenten uit de KRO-reeks Wonderen bestaan wilde tonen. Het waren volgens hem zéér sterke voorbeelden van paranormale gebeurtenissen. De fragmenten die hij toonde, vind ik online niet direct terug, maar via deze link naar de webpagina van het KRO-programma krijgt u alvast een indruk van de inhoud en van de waarde van de getuigenissen. Voor mensen die niet klikken: het programma is even stroperig, kitchy & campy als de titel doet vermoeden.

Jart heeft twee specifieke verhalen gekozen, omdat daarin telkens meerdere mensen dezelfde ervaring hebben! En dat kan toch geen toeval zijn, daar kan geen skeptisch argument tegen op. In een eerste fragment vertelde een vrouw hoe ze door een “onzichtbare hand” werd tegenhouden en van de dood werd gered. Een getuige bevestigde de gebeurtenissen. In een tweede fragment vertelden twee zussen op een bijna identiek dezelfde manier hoe ze op een bijna identiek dezelfde manier via een klopgeest te weten zijn gekomen dat hun vader gestorven was in Turkije. Hetzelfde verhaal, dezelfde bewoordingen: dat kan niet gelogen zijn! En trouwens, vóór de reis, zo getuigde de hele familie in tranen, had vader al aangekondigd dat het zijn laatste keer zou zijn. Nou, een mooier bewijs voor het paranormale kan je toch niet tegenkomen. Jart glunderde en zag hoe het paranormale, eerder dan het verdriet van de twee dames, afdroop van het scherm.

De zaal werd rumoeriger, een enkeling trok duidelijk de skeptische kaart, de meerderheid wilde vooral zélf vertellen. Eerst over hun persoonlijke ervaringen, later over verhalen die ze zelf gehoord hadden, een opbod aan paranormaligheid: bijna-doodervaringen, mysterieus aangekondigde sterfgevallen, paranormaal begaafde kinderen die dode mensen zien, en parasensitieve dieren die zo uit de sprookjes van Rupert Sheldrake lijken te zijn gestapt. De meeste verhalen waren in se zo schrijnend en aandoenlijk, ook als men ze zou ontdoen van de paranormale franjes. Maar Jart verloor het initiatief en de namiddag begon te verzanden in de “casussen”. Hier en daar werd er nog geprobeerd om iets te duiden – dat we na zovele verhalen over bijna-doodervaringen niet meer kunnen ontkennen dat er niets van aan is, want een professor hier zegt en een onderzoek daar bewijst. “Onze hersenen maken het bewustzijn niet, net zomin als een computer het internet maakt”, aldus onze protestantse theoloog in een poging om relevant te blijven. Uiteraard lokte dit een vraag over Dick Swaabs boek Wij zijn ons brein uit. Met zijn opmerking dat volgens hem paranormale ervaringen bestaan, maar paranormale begaafdheid niet, oogstte hij dan weer geen succes bij de aanwezigen met paragnostieke neigingen.

Het werd ook goor: een aanwezige man vertelde een dieptragisch verhaal gelardeerd met schijnbaar paranormale fenomenen en eindigde snikkend met de woorden “Ik weet niet wat het verhaal betekent”. Waarop Voortmans pastorale antwoord luidde: “Je weet best zelf wat het betekent.” En hier eindigde wat mij betreft het goede fatsoen en de lezing.

Het is meer dan begrijpelijk dat mensen een enorme drang voelen om hun tragische verhalen te vertellen en om hogere betekenissen te zoeken in schijnbaar ongerelateerde gebeurtenissen die lijken te leiden naar een tragisch sterfgeval. Uiteraard hebben zulke ervaringen een enorme impact op een mensenleven, op het leven van tal van mensen die zulke gelijklopende tragische feiten moeten ondergaan. Wat ik al niet meer begrijp is dat deze neigingen niet gewoon beschouwd kunnen worden als wat ze zijn: kenmerken van onze menselijkheid, kenmerken die net door hun gelijkenissen mensen dichterbij zouden kunnen brengen in verdriet, acceptatie en mededogen. In plaats daarvan geven clowns als Voortman de voorkeur aan een paranormale uitleg, die schijnbaar wijst op een Hoger Iets, maar uiteindelijk uiterst banaal is. Dat wij zulke gelijklopende tragische ervaringen hebben, die inderdaad vragen kunnen oproepen, maakt ons net tot mensen. Dat toeschrijven aan het paranormale is een flagrante ontkenning van onze menselijkheid.