Achter de schermen van ons denken

Dit artikel verscheen in het herstnummer 2016 van Wonder en is gheen Wonder.

* * *

Als een mens sterft, kan hij dan weer levend worden? Mocht Job het niet in boek 14 vers 14 aan God gevraagd hebben, maar in de vroege 20ste eeuw aan een spiritistisch medium, dan was het antwoord waarschijnlijk gematigd positief geweest. In die periode was het  spiritualisme en de idee dat de doden willen en kunnen communiceren met nabestaanden ongemeen populair.(1) Dat de overledenen er schijnbaar de voorkeur aan gaven om dat te doen via een te betalen tussenpersoon, heeft dan toch weer te maken met plat opportunisme, eerder dan met verheven gedachten.

De mediums professionaliseerden snel en om hun succes te garanderen bouwden
enkelen een geavanceerde trukendoos uit die vaak de vorm aannam van een donkere kamer met extra geheime luiken, elektronische en andere snufjes waarin de seances konden plaatsvinden. Gelukkig kregen ze tegengas van andere beroepsleugenaars. “Vanaf het moment dat het mediumschap een beroep werd, kregen de beoefenaars het aan de stok met goochelaars. Dit mag geen verrassing zijn, het is een al te natuurlijk duel”, aldus goochelaar en medium buster Joseph Dunninger, wiens boek Inside The Medium’s Cabinet uit 1935 aanschurkt tegen de beschrijving van een Dawkinsiaanse evolutionaire wapenwedloop.

Een van de meest tot de verbeelding sprekende goochelaars die zich heeft beziggehouden met het onderzoeken en debunken van mediums en spiritisten was Dunningers leermeester, de grote Harry Houdini. Maar over hem gaat het hier niet.(2) Wel over de Amerikaan David Abbott (1836-1934). Als amateurgoochelaar
ontwierp hij verschillende trucs die hij demonstreerde in zijn privétheater en doorverkocht aan professionele goochelaars. Eveneens in zijn vrije tijd schreef hij het nog steeds zeer leesbare Behind the scenes with the mediums (1907).

Zoals vele van zijn voorgangers en zijn navolgers ging Abbott incognito op bezoek bij tal van zelfverklaarde paranormaal begaafden om hun opvoeringen te bestuderen en te analyseren. In Behind the scenes with the mediums doet hij met verve hun trucs uit de doeken: van zogenaamde cold readings (suggestieve vraaggesprekken) en exploten met geschreven berichten in (dubbele) enveloppen van de rondzwervende mediums, tot spectaculaire seances met zwevende tafels, vliegende geesten en verborgen valluiken van de meer huiselijk ingestelde oplichters. Vaak bespreekt hij een alternatief, soms vermeldt hij met trots en plezier een verbetering. Met zijn technischer boek The spirit portrait mystery uit 1913 zou hij trouwens definitief een einde maken aan de carrière van de beruchte Bangs Sisters, die in de jaren van de sepiakleurige fotografie schatrijk werden met hun spectaculaire seances.

De waarde van Behind the scenes ligt niet zozeer in de uitleg van de achterhaalde
trucs, hoewel de basisprincipes interessant zijn en waarschijnlijk tijdloos. Het zijn vooral de alinea’s tussen de “mediumistische” exposities die boeien: de wereld van de Amerikaanse mediums van rond de eeuwwisseling, hun handlangers en hun slachtoffers. Met milde humor vertelt Abbott over de goedgelovige klanten, steevast gegoede burgers met grote besognes en nog grotere portemonnees. Interessant is dat
hij één van de bevriende mediums laat opmerken dat niet de gewone mensen de beste
klanten [zijn],

maar dokters, advocaten, zakenmannen, leraars, kortom, de intelligentere klasse van mensen. Hij zei dat wetenschappelijk denkende personen de beste zitters zijn, omdat zij ernstig zijn en de meeste aandacht schenken. En dat feit is zowat van het allergrootste belang voor het slagen van welke truc ook.

Hij is ook niet al te scherp voor de mediums, wiens drijfveer uiteraard geld is, steeds meer geld. Die beweegreden kon Abbott waarschijnlijk nog best pruimen ook; zelf was hij een professionele woekeraar. Trouwens, onder zijn afnemers van goocheltrucs waren verschillende praktiserende mediums.

Abbott beschrijft mooi een dubbele dynamiek die door de scene ging. Enerzijds werden door de jaren heen de sessies uitgebreider en spectaculairder. Anderzijds groeiden de verhalen over mediums door de mond-tot-mondreclame zo spectaculair dat de hoofdrolspelers zélf de feiten niet meer herkenden. Hij weet verder te melden dat de meeste mediums waar hij contacten mee onderhield, helemaal niet tuk waren op de immer groter wordende seances voor spiritistische clubjes van verveelde bourgeois, spektakel-journalisten en de occasionele medium buster die hen vaak gebruikten om zichzelf in de kijker te plaatsen. Ze vroegen te veel voorbereidend werk en dus een grote investering. Bovendien was de controle tijdens de seance vaak al te streng. Liever deden de meeste mediums privésessies met individuele klanten omdat zij zonder kritische of veeleisende bijzitters makkelijker te manipuleren waren. Het valt trouwens op dat de meeste mediums die in het boek ter sprake komen, geloofden in de eigen capaciteiten van het cold reading en dus in de goedgelovigheid van hun klanten, en vervolgens in die van de leveranciers van nieuwe trucs.

Maar ook over de wereld van de Abbotts en de Houdini’s en van de groots opgezette seances tjokvol spectaculaire trucs viel uiteindelijk het doek. De klopgeesten werden terug in de kast gezet en de ectoplasma’s gladgestreken. De mediums, die bleven, immer op zoek naar rouwenden die snakten naar duurbetaalde woordjes van een dierbare uit het Jenseits. Het onderzoek naar de strapatsen van mediums en andere paranormaal begaafden werd in de volgende decennia professioneler, maar in eerste instantie zeker niet wetenschappelijker, als ik Rob Nanninga’s boek Parariteiten. Een kritische blijk op het paranormale erop nasla.

Meer nog, het is schrijnend dat de kemels en problemen die Abbott en andere goochelende mediumjagers steeds opnieuw meldden, ruim een halve eeuw later dunnetjes werden overgedaan door de moderne onderzoekers. Zo lieten onderzoekers zich net als de klanten uit Abbotts verhaal inpakken door het uiterlijk van de vermeend paranormale, of het nu om een meelijwekkend halfblind, kreupel medium uit de belle époque ging of een charmante Israëli met kromme lepels uit de jaren 1970. In beide omstandigheden weigerden zij de zogenaamd paranormalen te beschouwen als potentiële bedriegers. Andere academici waagden zich aan een onderzoek maar wisten niet hoe of zelfs maar wat te observeren en gaven zo het goochelende testsubject de vrije hand. Vaak ontbrak hen het besef dat ze daarvoor helemaal niet opgeleid waren, een schoolvoorbeeld van het Kruger-Dunningeffect.

Zelfoverschatting was een ander euvel. Beroemd is het verhaal van James Randi’s Project Alpha, waarbij hij enerzijds twee jonge goochelaars en anderzijds een waslijst aan caveats naar een nietsvermoedende psi-onderzoeker stuurde. De zelfzekere academicus negeerde Randi’s waarschuwingen en liet zich wekenlang bedotten door de twee jonge snaken.

De idee dat hoogopgeleiden tot de groep van betere slachtoffers behoren, wordt ook aangehaald in W.L. Greshams biografie van Houdini uit 1959.(3) De auteur doet er nog een schepje cognitieve dissonantie bovenop, al dan niet geïnspireerd door het onderzoek van ene Leon Festinger(4) uit diezelfde periode. Bijna dezelfde verhaallijn vinden we meermaals terug bij Nanninga. Houdini beleefde er het grootste plezier aan, wanneer de een of andere hoge mijnheer met een serie titels achter zijn naam met zijn petje niet bij de wonderen van de ontsnappingskoning kon en tenslotte de uitleg ervan maar zocht in bovennatuurlijke krachten.

Waarschijnlijk is het schier onvermijdelijk dat mensen dezelfde fouten maken als onze voorgangers. En persoonlijk vind ik dat niet erg. Mijn foutgerichte aandacht en onnozele post-hocrationalisaties stellen mij telkens weer in staat om te genieten van de kunsten van een Gili en eenTayson Peeters, twee mentalisten die ik graag een illusie op mijn mouw laat spelden.

* * *

  1. Spiritualisme gebruik ik hier als een overkoepelende term voor tal van aanverwante levensbeschouwingen. Strikt genomen is spiritisme een van de vele bewegingen binnen het spiritualisme. Ik ga het hier niet te scherp slijpen en gebruik de termen op een lossere manier. Hoe dan ook, het artikel “THREE FORMS OF THOUGHT; M.M. Mangassarian Addresses the Society for Ethical Culture at Carnegie Music Hall” uit de New York Times van 29 november 1897 vermeldt dat het toen zo’n acht miljoen volgelingen zou hebben in de Verenigde Staten en Europa. Raadpleegbaar via http://query.nytimes.com/ mem/archive-free/pdf?res=9B05E0DF1638E433A2575AC2A9679D94669ED7CF.
  2. Pieter Peyskens, “Houdini, goochelaar onder de geesten. Over het leven en skepticisme van Harry Houdini.” Wonder en is gheen wonder, nr. 4, 2009. Raadpleegbaar via http://skepp.be/nl/levensbeschouwing-evolutie/skeptisch-kritischdenken/houdini-goochelaar-onder-de-geesten
  3. W.L. Gresham, Houdini, de man die door muren liep. Amsterdam, Elsevier, 1964. Het originele werk verscheen in 1959. Heel leuk en niet volledig naast de kwestie: in een van de eindnoten wordt de lof bezongen van een nieuw talent, namelijk de Wonderlijke James Randi, die later o.a. de pseudoparanormale kwast Uri Geller het leven zuur zou maken.
  4. Leon Festinger, A Theory of Cognitive Dissonance. Stanford, Stanford University Press, 1985.

Dag van Joseph Plateau

Een wiskundig probleem, een natuurkundig wet, een voormalige prestigieuze filmprijs, een straat en een gebouw in de universiteitsbuurt van Gent en een baggerboot van Jan De Nuls bedrijf. Alle vijf dragen ze de naam Joseph Plateau, de ontdekker van de oppervlaktespanning én, weliswaar met enige fantasie, een voorvader van de tekenfilm.

Op 14 oktober 1801 werd Joseph Antoine Ferdinand Plateau geboren in Brussel. Zijn vader was een kunstschilder, zijn moeder wordt niet vermeld in de biografie van Van der Mensbrugghe, zijn schoonzoon, Notice sur Joseph Antoine Ferdinand Plateau (1885) en evenmin in het artikel van Kristel Wautier e.a. The Life and Work of Joseph Plateau: Father of Film and Discoverer of Surface Tension, dat verborgen zit achter een 30 euro dikke betaalmuur. Het biografisch artikel van Het Museum voor de Geschiedenis van de Wetenschappen weet te melden dat hij reeds jong een wees was en dat hij werd opgevoed door zijn oom, een bekende advocaat. Over zijn tante heb ik geen woord teruggevonden.

Zo heb ik u meteen de drie belangrijkste bronnen gegeven voor dit blogartikeltje. En hoewel het niet de bedoeling is van de rubriek “Dag van”, kan ik het niet laten om een korte bio te distilleren uit deze drie teksten, wegens te aanstekelijk en te inspirerend.

Al op zeer jonge leeftijd was Plateau lichtjes geniaal en uitermate gefascineerd door de natuurwetenschappen en hij werd daarin gesteund door zijn Brusselse leraar en latere mentor Adolphe Quetelet (1796-1874), o.a. de oprichter van het tijdschrift Correspondance mathématique et physique. Zijn universitaire opleiding begon hij aan de faculteit Letteren en Wijsbegeerte te Luik, waar hij tegelijkertijd ook Rechten studeerde. Zijn interesse in wiskunde, natuurkunde en chemie bleken echter te sterk en hij schakelde over naar de Faculteit Natuurwetenschappen, maar niet voordat hij eerst zijn gezondheid ernstige en blijvende schade had toegebracht door chlorinedampen, bijproduct van de vele chemische proeven die hij op zijn kot hield.

Zijn doctoraatstheis, Dissertation sur quelques propriétés des impressions produites par la lumière sur l’organe de la vue (1829, zie lager) valt op door de beknoptheid (slechts 27 pagina’s) en, aldus kenners, door zijn meesterschap. Ook aardig om weten: het is de eerste wetenschappelijk-wiskundige dissertatie die in het Frans werd geschreven en niet in het Latijn, althans aan de universiteit van Luik.

Op aanraden van zijn leermeester en mentor Quetelet solliciteerde Plateau bij de universiteit van Gent, waar hij in 1835 werd aangenomen en indruk maakte. Door zijn enthousiasme en inspanningen wist hij een groot aantal studenten aan te trekken. De notities van student Paul Voituron bij de cursus fysica dateren uit deze periode. In 1843 werd hij echter blind en een jaar later moest hij zijn functie als docent aan de universiteit opgeven. Over de oorzaken van zijn blindheid is weinig bekend, maar ze werd zo goed als zeker niet veroorzaakt door een experiment waarbij hij een halve minuut in de zon staarde. In 1847 kreeg hij evenwel de toelating om thuis les te geven. In 1871 werd hij tot het emeritaat toegelaten.

Phenakistiscoopschijf

Hoewel Plateau’s werk zeer ruim van aard was, beperk ik mij hier tot twee aspecten, of beter zelfs, tot twee toestellen: de anorthoscoop en de phenakistiscoop. Ik verwijs heel graag naar de webpagina van de webpagina Museum voor de Geschiedenis van de Wetenschappen waar uitleg wordt gegeven over zijn volledige werk op het gebied van irridatie, hydrostatica en vloeistofvliezen.

Plateau hield zich aanvankelijk bezig met de manier waarop bewegende krommen zich tot één stilstaand beeld lieten samensmelten, wat hij “een geheel nieuwe soort anamorfose” noemt. Zelfs in moderne papers wordt zijn artikel ”Notice sur l’anorthoscope” (1836) nog aangehaald als eenhistorische bron. Op de webpagina Museum voor de Geschiedenis van de Wetenschappen van kan u zo’n anorthoscoop in werking zien.

Met zijn phenakistiscoop gaat Plateau een stap verder: hij laat 16 maal een beeld schilderen op een schijf die net iets verschillend zijn. Door de zogenaamde nawerking van het beeld op het netvlies lijkt het beeld te bewegen. Het Museum voor de Geschiedenis van de Wetenschappen bezit verschillende exemplaren, maar mijn favoriet is het hoofd van een monnik dat ‘transformeert’ in een duivelskop en vice versa.

Plateau stierf op 15 september 1883. Hij werd begraven te Mariakerke. Heel zijn leven was hij een overtuigd christen, met een groot hart voor de wetenschap, zolang deze niet gebruikt werd om materialistische of antigodsdienstige doctrines naar voor te schuiven.

Werken van Joseph Plateau

Online zijn er toch wel een mooi aantal boeken, artikels, werken van en over Joseph Plateau terug te vinden. Ik heb hier enkel de werken vermeld die zowel online als gratis raadpleegbaar zijn. Het artikel van Kristel Wautier e.a. vormt hierop een uitzondering, helaas, maar het is toch een aardige referentie.

Over Joseph Plateau

Henri van Praag: Leerboek der psychologie

Andermaal eentje uit de bijna verloren gegane archieven van mijn vorige blog “Book Liberation Movement”.

* * *

“Psychologisch zijn horloges (bromtollen, muziekdozen) symbolen voor moeders, die kinderen dragen”, lees ik in Henri van Praags Leerboek der psychologie. Daar kijk ik van op. Zelfs na het lezen van Filip Buekens’ Jacques Lacan: proefvlucht in het luchtledige en Maarten Boudry’s De naakte Keizers van de Psychoanalyse: De Immunisatiestrategieën van een Pseudowetenschap, waarin o.a. dit soort gehannes ruimschoots aan bod komt én gefileerd wordt. Beide publicaties en een streepje nieuwsgierigheid waren trouwens de aanleiding om dat Leerboek der psychologie aan te schaffen. Gewoon, om eens te kijken wat de übereducatieve uitgeverij Wolters-Noordhoff in de late jaren 60 zoal uitgaf aan handboeken psychologie.(1) En voor één euro, de standaardprijs voor een boek bij Opnieuw&Co, kan men niet sukkelen.

De pagina’s met de Romeinse getallen, de Verantwoording, zijn gelardeerd met erudiete filosofische referenties, met verwijzingen naar de natuurwetenschappen, religie en de schijnbaar toch obligate Freud en Jung. Met plezier verwijst Van Praag eveneens naar de duizenden jaren oude wijsheid en psychologische inzichten van de Indiërs en Chinezen. En ook in de Inleiding zijn er een paar zaken die ik in een leerboek psychologie een beetje misplaatst vind, niveau tang+varken. Van Praags uitweidingen over het Woord Gods zijn ronduit ongepast. De indeling van de werkelijkheid in “niveaus”, met als hoogste het absolute, wat door de wetenschap genaamd theologie bestudeerd moet worden, hebben me even achteruit doen leunen op mijn stoel. Uiteraard ben ik geen expert, maar het gebruik van “ziel” en “zielsbegrip” in een handboek psychologie lijkt mij op zijn zachtst gezegd ook eigenaardig.

In de psychologie is het minder gebruikelijk van ziel i.p.v. psyche te spreken, al bestaat er geen bezwaar om psychisch leven te vervangen door zieleleven. […] Toch is het goed te beseffen, dat de psyche der psychologen en de ziel der theologen in wezen gelijk zijn.

Dan maar naar het register. Via trefwoord “Avesta” kom ik op pagina 126 terecht in een discussie over Griekse Muzen, (religieuze) openbaringen en inspiratie, inclusief Bijbelverzen. “Extrasensory perception” brengt me dan weer naar het hoofdstuk “Kenprocessen”, en meer bepaald bij helderziendheid, telepathie en voorspellende dromen, wat, aldus de auteur “zeer veel psychologen erkennen” (p. 93). Een bladzijde verder lees ik:

De helderziendheid, telepathie enz. worden niet behandeld in de gebruikelijke leerboeken der psychologie, maar in de leerboeken der parapsychologie. Het ligt echter geheel in de lijn der verwachtingen, dat ook deze niet-zintuigelijke [sic] processen in een nabije toekomst binnen de psychologie zullen besproken worden.

En ja, dit handboek werd effectief gebruikt in kweekscholen, sociale academies en universitaire faculteiten (getuige de inleiding én de studentikoze aantekeningen in mijn exemplaar) en Wolters-Noordhoff was ook toen al een uitgever van academisch materiaal.

Volgens Henri van Praag zijn helderziendheid en prognostisch zien, evenals helderhorendheid en prognostisch horen “echter buiten redelijke twijfel vastgesteld” (p. 101). En in de Nabeschouwing, op pagina’s 346 en 347, verliest-ie helemaal de pedalen:

Voor zover in het gedrag van de mens reeds het nieuwe menszijn zichtbaar wordt, krijgt het gedrag een paranormaal aspect. Het paranormale loopt dus vooruit op de evolutie. […] Paranormaal psychisch leven wijst dus op evolutionaire integratie.

Tussen het lezen over onbekende fenomenen, waarbij we trouwens volledig zijn overgeleverd aan de rapporteur, en het concluderen dat die fenomenen, anekdotes eigenlijk, van paranormale ofte parapsychologische aard zijn, gaapt een enorm gat. En de auteur slaagt er niet in dat op een overtuigende manier te dichten. In de 364 bladzijden die het leerboek vervelend is, wordt er geen schijntje van een bewijs gegeven.

Ook in zijn andere, meer gespecialiseerde werken lees ik veel beweringen, tal van anekdotes en handenvol schimmige verhaaltjes. Maar niets wat ook maar in de buurt komt van een bewijs: Inleiding tot de Parapsychologie (De stand van het parapsychologisch onderzoek), Telepathie en Telekinese (Parapsychologie en parafysica), Paranormale manifestaties (Apporten, duplicaten, magische afstandswerking, cultusobjecten, vliegende schotels) en Reïncarnatie in het licht van wetenschap en geloof. Lectuur, tussen haakjes, waar men niet echt vrolijker van wordt.

Voor het boeiende leven van de licht geniale auteur Naphthali ben Levi (Henri) van Praag, verwijs ik naar het artikel op Wikipedia (een beetje aan de hagiografische kant, maar de man was dan ook een halve heilige). Kort: zoon van een joods diamantslijper, ondergedoken in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Medeoprichter van de Anna Frank Stichting, steeds ijverend voor een wereld van vrede en harmonie. Interessant is ook dat hij vanaf 1966 wetenschappelijk hoofdmedewerker van Teleac, tot 1977. In 1978 volgde hij professor Wilhelm Tenhaeff op als bijzonder hoogleraar parapsychologie aan de Universiteit van Utrecht, een positie die hij bekleedde tot 1986 (en het onderwerp voor een later blogartikel).

Het citaat:

De filosofie heeft zich overal ontwikkeld (geëmancipeerd) uit de religie, zoals later de wetenschap zich weer ontwikkelde (emancipeerde) uit de filosofie. Mens stelt dit evolutieproces wel voor door een symbool, de boom der kennis, waarvan de wortel de religie, de stam de filosofie en de takken de wetenschappen voorstellen. In plaats van religie, filosofie en wetenschappen, spreekt men ook wel van heilige waarheid, wijze waarheid en juiste waarheid.

Henri van Praag, Leerboek der psychologie. Wolters-Noordhoff, [ca. 1970?]

(1) Naar ik vermoed. Mijn exemplaar is een ongedateerde tweede druk (waaraan gesleuteld is, aldus het voorwoord). Hoe dan ook, de eerste druk van het Leerboek der psychologie dateert van 1964.

Dag van Denis Diderot

Op 5 oktober 1713 knipperde Denis Diderot voor het eerst met zijn ogen. 35 jaar later knipperde Frankrijk en omstreken met de ogen bij het lezen van Les Bijoux indiscrets (1748), waarin Sultan Mangogul van Congo (voor de goede verstaander: de Franse koning Louis XV) een magische ring krijgt waardoor hij kan spreken met de bijoux van de madammen. Inderdaad, met hun flamoezen. Het zal u weinig verbazen dat zijn werkje anoniem werd uitgegeven.

Twee jaar later maakte Diderot zich echter op voor het grote werk. Toen drukker, boekenhandelaar en vrijmetselaar André Le Breton hem vroeg om de Cyclopaedia, or Universal Dictionary of Arts and Sciences te vertalen, begon Diderot samen met Jean Le Rond d’Alembert aan het project, maar met een zeer eigen invulling, wat uiteindelijk resulteerde in de Encyclopédie ou Dictionnaire raisonné des sciences, des arts et des métiers. De cijfers de Encyclopédie (1751-1772) zijn ronduit indrukwekkend: uiteindelijk schreven 134 auteurs 20.736.912 woorden bij elkaar op zo’n 18.000 bladzijden, uitgegeven in 17 volumes. Goed voor 76.242 onderwerpen, waaronder 44.632 lemmata, 28.366 subartikels.

Ondanks de initiële toelatingen waren eerst de religieuze en later de wereldlijke machthebbers niet bepaald opgezet met het (zeer voorlopige) resultaat. Al na de publicatie van het tweede deel werden, op aanraden van de jezuïeten, de koninklijke vergunningen ingetrokken en werd de Encyclopédie onderworpen aan een kerkelijke en koninklijke censuur.

Bij de eerste groep schoot onder meer de oproep tot (godsdienstige) tolerantie in het
verkeerde keelgat. Ook in andere werken liet Diderot steeds minder aan de verbeelding
over en al snel sloeg zijn deïsme om in atheïsme en een consequent materialisme. Zijn Pensées philosophiques (1746) liet hij dan ook beginnen met de waarschuwing:

J’écris de Dieu; je compte sur peu de lecteurs, et n’aspire qu’à quelques suffrages. Si ces Pensées ne plaisent à personne, elles pourront n’être que mauvaises; mais je les tiens pour détestables, si elles plaisent à tout le monde.

Om dan een pagina of wat later uit te halen:

Le déiste seul peut faire tête à l’athée. Le superstitieux n’est pas de sa force. Son Dieu n’est qu’un être d’imagination. Outre les difficultés de la matière, il est exposé à toutes celles qui résultent de la fausseté de ses notions.

Even vermelden dat hij in 1749, naar aanleiding van Lettre sur les aveugles à l’usage de ceux qui voient, al de binnenkant van een gevangenis had gezien. Maar terug naar
de Encyclopédie. Diderot en d’Alembert werden strak in het oog gehouden: het kritisch (en dus goddeloze, toch?) karakter was ook paus Clemens XIII niet ontgaan en in 1759
trakteerde Zijne Heiligheid hen op de encycliek Damnatio, et prohibitio, waarna de reeks op de Index Librorum Prohibitorum werd gezet. In 1948 stond-ie er nog op.

De tweede groep, de edelen van geboorte, was al niet veel gelukkiger. Men kreeg plots
het gevoel dat iemand de poten van onder de tronen aan het zagen was, zoals in dit citaat uit het lemma “Autorité”:

Aucun homme n’a recu de la nature le droit de commander aux autres. La liberté est un présent du ciel, et chaque individu de la meme espèce a le droit d’en jouir aussitòt qu’il jouit de la raison.

De vriendenkring van Diderot, of toch minstens de groep van mensen waarmee hij in
nauw contact stond, leest als een who’s who van de tweede helft van de 18de eeuw: Johann Wolfgang von Goethe kon Diderots Essais sur la peinture best smaken. Via Jean-Jacques Rousseau leerde hij de Duitse filoloog Friedrich Melchior, Baron von
Grimm kennen, die een intieme vriend zou worden.

Het boek dat even zeer overeind blijft staan als zijn standbeeld in Langres is Jacques le
fataliste et son maître. De weg die het manuscript aflegde, was bijna even grillig als de
reis van de naamloze meester en zijn knecht Jacques. Geschreven in de periode 1765-1780, deels door Goethe vertaald naar het Duits in 1785, wat dan weer hervertaald werd naar het Frans in 1793. De volledige vertaling in het Duits (1792) verscheen ook eerder dan de eerste volledige Franse editie (1796, postuum).

Denis Diderot stierf op 31 juli 1784. Zijn bibliotheek werd opgestuurd naar Catherina II
van Rusland. Zij was jarenlang zijn mecenas, maar elkaar ontmoeten deden ze pas in
1773. De collectie van Diderot werd opgenomen in de Keizerlijke, nu Nationale Bibliotheek van Rusland.

Over Denis Diderot

De mooie en verzorgde website denisdiderot.com is helaas een beetje kort van stof, al bij al niet gedetailleerder of beter uitgewerkt dan het Franstalige artikel op
Wikipedia.

Werken van Denis Diderot

Fanmail: Over Johannes Goropius Becanus

De redactie van Wonder is gheen Wonder mocht onderstaande brief ontvangen, en gaf mij de gelegenheid om te reageren en het een het ander uit te zoeken. Deze uitwisseling van gedachten verscheen in het herfstnummer.

* * *

Beste,

Van uw tijdschrift mag men wetenschappelijke accuratesse en objectiviteit verwachten. Het artikel “Fake Linguistics” ging evenwel zwaar gebukt onder het vervelende AMAAI-syndroom (Abominable Mentality Against Antwerp’s Imperialism). De taalkundige bias tegen het Antwerps sloeg dus weer eens toe. Hoe anders te verklaren dat een beslagen linguïst als Frank Verhoft nergens enige vermelding maakt van Jan van Gorp (1519-1573), beter bekend onder zijn verlatijnste naam Ioanus Becanus?

Abraham Ortelius was zijn eerste maar niet zijn laatste grote bewonderaar. Ook vandaag nog wordt hij algemeen aangezien als “de vader van de vergelijkende taalkunde”. Deze wetenschapper publiceerde in 1569 zijn meesterwerk “Origines Antverpianae”, uitgegeven door Plantin – niet het eerste het beste uitgeverijtje. Hierin toont hij onbetwistbaar aan dat Adam en Eva in het Paradijs sappig Antwerps spraken. Alle andere talen zijn daaruit ontstaan!

Wil deze rechtzetting opnemen in uw tijdschrift opdat uw lezers voortaan met kennis van zaken over deze materie zouden geïnformeerd zijn. Dank u.

[naam]

* * *

Beste professor emeritus,

Bedankt voor uw reactie op mijn artikel Fake linguistics. Hoewel ik de deels humoristische ondertoon van uw schrijven heus wel gevat heb, wil ik toch reageren op de onverholen kritiek die er uit sprak.

Brab bio 1_GOROPIUS_afb Groeningemuseum BruggeDe humanist Jan van Gorp (1519-1573) is beter bekend onder zijn correct gelatiniseerde naam Johannes Goropius Becanus.(1) Hij leeft verder in de vakterm goropisme, ‘een belachelijk slechte etymologie’ en dat geeft meteen een idee van zijn reputatie als taalvorser.(2) De voorbeelden die meestal genoemd worden, zijn Adam, volgens Goropius een samenstelling van de twee enkelvoudige (dus pure) woorden ‘haat’ + ‘dam’ en Eva, ‘eeuw’ + ‘vat’. In de toenmalige benaming voor het Nederlands, namelijk Nederduits of Duits, meende hij ‘douts’, ‘d’oudste (taal)’ te moeten terugvinden.

Voor hem, net zoals voor Plato,(3) diende etymologie om een denkbeeld of theorie te verduidelijken. In het geval van Goropius moesten zijn woordverklaringen eerder een heilsgeschiedenis uit de doeken doen dan een woordgeschiedenis.

Ik heb de alinea over Goropius geschrapt uit mijn tekst, wat minder te maken had met een gebrek aan “wetenschappelijke accuratesse”, dan met het feit dat ik ruim tweeduizend jaar linguïstiek en bakken pseudotaalkundige bagger moest persen in het beperkte aantal bladzijden dat voor een artikel gereserveerd wordt. Het heeft ook ‘ielemoal niks van doeng mé “het vervelende AMAAI-syndroom”. Ik vind trouwens dat folkloristisch Antwerps chauvinisme niet verward hoeft te worden met kritisch denken.(4)

De tweede reden waarom ik Goropius niet vermeld heb, is dat hij opduikt in zowat alle Nederlandstalige, populariserende artikelen over malle taaltheorieën. Wat mij betreft hoeft hij dan niet meer in Wonder te staan.

De derde reden is iets complexer en staat schijnbaar haaks op de tweede. Het is ook de aanleiding waarom ik deze repliek toch heb willen schrijven. De internationale, veeltalige intellectueel en koninklijke lijfarts Johannes Goropius Becanus verdient inderdaad beter dan afgeschilderd te worden als een malloot die maar wat aanmodderde in de taalkunde, een vakgebied dat oorspronkelijk niet het zijne was. Daar zijn velen het vandaag over eens. Anderzijds zijn wij, modernen, het aan Goropius verplicht zijn taaltheorieën accuraat weer te geven en dat gebeurt helaas nog veel te weinig. Mijn artikel was niet de geschikte plaats om die discussie uit de doeken te doen.

Maar kijk, Johannes Goropius Becanus wordt nu wél vermeld in dit tijdschrift en ik stel voor dat we dan maar in één ruk doorgaan tot we, met de woorden van Andreas Dunius, aan het gaatje zijn.

becaIn de inleiding van de Goropius’ biografie geeft Toon van Hal geen al te slechte reden waarom de taalkundige ideeën van Goropius waarschijnlijk zo vaak fout worden weergegeven: Van Hal heeft de scriptie van de te vroeg overleden Eddy Frederickx uitvoerig aangepast en uitgegeven en hij acht, enigszins humoristisch, de kans reëel dat Fredericks “wellicht de enige lezer is die de twee vuistdikke pillen van de Antwerpse arts heeft doorgewerkt”.(5) Hoewel het Latijn van Goropius best proper is, telt de eerste brik van twee, Origines Antwerpianae sive Cimmeriorum Becceselana, ruim 1000 bladzijden. Ik moet toegeven dat ik ook liever naar het mooie drukwerk kijk dan dat ik de Latijnse tekst effectief lees. Vandaar dat ik voor dit artikel mijn toevlucht heb genomen tot de gedeeltelijke vertaling zoals verschenen in Van Adam tot Antwerpen (2014) door Nico de Glas.(6)

En met de Origines Antwerpianae zijn we terug bij ons dubbel uitgangspunt: Goropius heeft nooit beweerd dat Adam en Eva in het aards paradijs Antwerps praatten en de idee dat alle andere talen uit het Antwerps, Brabants of Nederlands ontstaan zouden zijn, komt niet voor in zijn geschriften.

Deze foute voorstelling van Goropius’ theorieën kan geen enkele leek kwalijk genomen worden omdat ze ook nu nog opgevoerd wordt in populariserende werken over taal en taalkunde, zoals bijvoorbeeld in de verder uitstekende Atlas van de Nederlandse Taal uit 2017. Daarin wordt hij zelfs afgebeeld met een zotskap op zijn hoofd.(7) Het zou me niet verbazen dat de immer weerkerende voorbeelden geciteerd in de eerste alinea, Adam, Eva en Duits, die foute ideeën alleen maar versterken.

Cornelis_van_Haarlem_-_De_zondevalVolgens Goropius was de eerste taal, die van Adam en Eva, de perfecte, de volmaakte. Hij situeerde hun Tuin van Eden echter in India! De boom van goed en kwaad was volgens hem de Indische vijgenboom en waar vind je meer slangen dan in India? Na de zondvloed zwermden de kinderen van Noah uit over de hele wereld. De nazaten van Noah’s zoon Japeth spraken nog steeds die perfecte taal, wat Goropius af en toe ook (Indo-)Scythisch noemde, en zij verspreidden zich over Europa. Op hun beurt stichtte een groep van hun nakomelingen, de Atuatuken, Antwerpen. Zij spraken een nauw verwante vorm van het Indoscythisch, namelijk het Cimbrisch, of Cimmerisch. Het is niet altijd even duidelijk wat hij nu net bedoelt met Cimbrisch; soms lijkt hij te praten over Nederduits, gesproken tussen de Schelde en het huidige Estland, soms specifiek over het Brabants dialect en heel zelden over het Antwerps. In bepaalde passages lijkt hij te mijmeren over het feit dat de Nederduitse dialecten uit elkaar lijken te groeien, wat hij dan weer linkt aan de groeiende religieuze verschillen tussen katholieken en de protestantse stromingen. We mogen echter niet al te veel consistentie verwachten in de geschriften van Becanus, die soms lijken op een ongecontroleerde stroom van halve gedachten en argumenten. Hoe dan ook, de oudste taal is zeker geen “sappig Antwerps” én de taal die in Antwerpen wordt gesproken is volgens Becanus de taal van immigranten.

Wat dan met de tweede bewering, namelijk dat alle talen uit de lokale Antwerpse taal zouden voortkomen? Goropius was een polyglot, hij kende zeker Latijn, Grieks en Hebreeuws. Als fervent boekenverzamelaar was hij vrijwel zeker op de hoogte van heel veel andere, wildvreemde talen die gesproken werden over een steeds groter wordende wereld en die gretig beschreven werden door Europese ontdekkingsreizigers. Hij zag overeenkomsten tussen deze en gene taal, maar hij besefte ook dat sommige talen helemaal niets met elkaar te maken konden hebben (of leken te hebben). Verder kende hij zijn klassieken en zijn Bijbel. Hij nam zich de vrijheid om op basis van klassieke teksten niet zozeer het Bijbelse verhaal tegen te spreken, dan wel subtiel of minder subtiel te modificeren. Goropius twijfelde niet aan het verhaal van de Toren van Babel: na dat akkefietje met het grootse bouwwerk zorgde God ervoor dat de mensen elkaar niet meer konden begrijpen. De verschillende talen, wij zouden nu min of meer taalfamilies zeggen, zijn dus niet gegroeid uit het Cimbrisch, Nederduits of Antwerps. Met de spreekwoordelijke knip van de goddelijke vingers veranderde Jahweh alle talen van de volkeren die aanwezig waren bij de bouw van de Toren. De Cimbriërs waren echter niet in Babel en om die reden wordt de eerste taal, d’oudste, volgens hem nog steeds gesproken, toevallig in zijn geboortestreek.

Zelf heb ik mij even verweten dat ik in mijn artikel “Fake linguistics” geen aandacht heb besteed aan de studie van het Gotisch in de Lage Landen, wat van enorm belang is geweest voor het ontstaan van de vergelijkende taalkunde van het Germaans in deze contreien. We schrijven midden 16de eeuw en later, inderdaad ook wat de taalwetenschap betreft een uiterst boeiende periode.(8) Als we al nood zouden hebben aan een vader van de vergelijkende taalkunde in de Nederlanden, dan moeten we hem volgens mij zoeken onder de vele vorsers uit die periode. Maar, zoals ik al impliceerde in mijn artikel, vind ik het concept “de vader van” te beperkend, te weinig productief.(9) Niet mijn ding. Goropius hééft zich zoals vele taalvorsers in de Lage Landen bezig gehouden met dat Gotisch, maar hij zag er eerder een oude vorm van het Nederlands gecorrumpeerd door het Grieks in, dan een aparte, oude Germaanse taal.

Johannes Goropius Becanus of de vader of de zatte nonkel van de vergelijkende taalkunde noemen, beide zouden even ongepast zijn. Hij heeft heel wat toenmalige heilige huisjes ingetrapt. Hoewel hij welwillend stond tegenover het Hebreeuws, voerde hij aan dat het niet de eerste, de oudste taal kon zijn. En dat op zich was in die periode vrij choquerend. Misschien heeft hij mensen aangezet om buiten de lijntjes te kleuren, om de platgetreden paden te verlaten en op zoek te gaan naar nieuwe inzichten, hoewel hij zelf duidelijk de weg kwijt was. En dat hoeft ons niet te verbazen: de taalonderzoekers waren nog maar net begonnen de taalwetenschap uit de grond te stampen.

 

Noten

  1. De letter “I” in de gelatiniseerde versie wordt normaliter getranscribeerd als “J”, net zoals de “V” weergegeven wordt met een “U”. De literatuur noch de titelpagina’s uit de drukkerij van Plantin vermelden “Ioanus”.
  2. “[Goropiser, c]’est que les étymologies étranges et souvent ridicules de Goropius Becanus” in Gottfried Wilhelm Leibniz, Nouveaux essais sur l’entendement humain (1762). Hier geraadpleegd in de editie van 1921, via https://archive.org/details/ nouveauxessaissu00leib.
  3. Voor een meer academische benadering van zijn etymologische methoden zie bijvoorbeeld R.A. Naborn: “Becanus’ etymological methods” dat te raadplegen is via de schitterende website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL), http://www.dbnl.org/.
  4. Ter vergelijking: aantal Bruggelingen dat naar aanleiding van mijn stuk over pseudolinguïstiek en de geschiedenis van de taalkunde in Wonder en is gheen Wonder reclameerde dat, u voelde hem aankomen, Simon Stevin níet vermeld werd: nul.
  5. Eddy Frederickx (†) en Toon van Hal, Johannes Goropius Becanus (1519-1573). Brabants arts en taalfanaat. Hilversum, Uitgeverij Verloren, 2015, p. 11.
  6. Johannes Goropius Becanus, Van Adam tot Antwerpen. Een bloemlezing uit de Origines Antwerpianae en de Opera van Johannes Goropius Becanus. Hilversum, Uitgeverij Verloren, 2014. In deze context is het bijna helemaal vertaalde Boek V Indoscythia van belang. Op de website van de Vlaamse Erfgoedbibliotheek, Flandrica.be, vindt u een digitale kopie van het integrale drukwerk uit 1569.
  7. Fieke Van der Gucht e.a., Atlas van de Nederlandse Taal. Editie Vlaanderen. Lannoo, 2017, p. 125.
  8. Zie bijvoorbeeld R.G. Van de Velde, De studie van het Gotisch in de Nederlanden. Bijdrage tot een status quaestionis over de studie van het Gotisch en het Krimgotisch (1966). Het Museum Plantin-Moretus bezit én stelt daarvan meerdere gedrukte getuigen uit die periode tentoon.
  9. Zo wordt in de Engelstalige traditie vaak de Engelstalige sir William Jones opgevoerd als vader van, 16 jaar na het verschijnen van indrukwekkend goed taalkundig onderzoek in een taal die de meeste Angelsaksen niet machtig zijn. Lezers die op zoek zouden zijn naar nóg meer vaders in de taalkunde, beveel ik het boek A Short History of Linguistics van R.H. Robbins aan. De 280 pagina’s dat het uitstekende werk dik is, bulken ervan.

Ecomoe

Dit al wat oudere artikel verscheen in Wonder en is gheen Wonder, het blad van Skepp (zomer 2016).

* * *

Wat doet een mens wanneer-ie het afgedankte Ecomamaboek. Groen en bewust leven met kids (2009) terugvindt in de uitverkoopbakken van de Gentse bibliotheek? Kopen voor een habbekrats of laten recycleren?

Het was de achterflap van het “zapboek voor de ecolicious mama van nu” die me deed beslissen om dit pareltje van alternaïef denken te redden van de papiermachéfabriek: “Ze schrijven met kennis van zaken en humor over onderwerpen die hen na aan het hart liggen”, verzekerde de flap.

Dat treft, ik ook.

De eco lifestylegids beslaat de ganse activiteitenwaaier van de moderne en dus drukbezette ecomama (m/v) waaronder shoppen, beleggen, reizen, managen en relaxen in wellnesscentra. Elk van die onderwerpen wordt rijkelijk voorzien van bakstenen en elektronische adressen. Beide auteurs raden winkels aan die hun hoge normen beantwoorden, ze verwijzen door naar grote en kleine handelszaken die ze ethisch even hoogstaand achten en geven lovende besprekingen van boetiekjes voor duurzame parafernalia allerhande.

Mij doet het een beetje denken aan Elsschots Lijmen, waarin het hoofdpersonage op zoek gaat naar adverteerders om de publicatie te financieren. Het verschil hier is dat niet de goedgelovige adverteerders met volledige oplagen aan bedrukt papier blijven zitten, wel de openbare bibliotheken.

Onderwerpen te over dus en van sommige heb ik echt geen kaas gegeten, Elsschotiaanse pun not intended. Geldzaken zijn niet mijn sterkste kant en daarom zal de skepticus in mij het vertikken om commentaar te geven op de voorgestelde geldmeditatie: “gewoon op je stoel blijven zitten en mediteren dat het geld naar je toestroomt”. De germanist in mij wil er wel op te wijzen dat “mediteren” hier niet de klassieke betekenis heeft van “in zichzelf keren om de diepste werkelijkheid te ervaren”.

Hoe dan ook, ik ga me in dit stuk concentreren op twee onderwerpen die míj “na aan het hart liggen”, namelijk voeding en gezondheid.

Voeding

“Bio staat voor biologisch”, lees ik in het eerste hoofdstuk. “Simpelweg betekent het dat als je een biologisch product koopt, je zeker weet dat het geteeld is zonder kunstmest en giftige bestrijdingsmiddelen.” Het eerste deel van het citaat klopt, bio staat inderdaad voor biologisch, dat van die kunstmest is ook waar. Vanaf dan lijkt het mij inderdaad nogal simpel én misleidend.

Biolandbouw is een vlag die een wel zeer diverse lading dekt. Men heeft de zogenaamde biodynamische landbouw, gebaseerd op de ideeën van Rudolf Steiner, waarbij een met mest gevulde koeienhoorn die een dertigtal centimeters onder de grond moet begraven worden, de hoofdrol speelt. En waarbij ik moet vermelden dat Herr Steiner een even groot pedagoog was als landbouwkundige.

Ook de zogenaamde Anastasialandbouw wordt gerekend tot de biologische landbouw. “Zaad kan naast interne informatie ook informatie uit de omgeving, bijvoorbeeld van de mens, opnemen. Dit weerspiegelt zich in de vruchten van de uit het zaad groeiende plant, die kunnen dan als heelmaker dienen,” aldus een enthousiaste Anastasiaboer in de vakliteratuur [1].

Bent u er nog?

Hoe dan ook, om discussie over de Ware BioSchot te vermijden, houd ik het bij de versie die de Europese Unie in gedachten, en Delhaize en Carrefour in de rekken hebben.

Is een bioproduct echt wel geteeld “zonder […] giftige bestrijdingsmiddelen”? Dat lijkt mij een kwestie van semantiek en dosis. De bacterie Bacillus thuringiensis (Bt) mag in de biolandbouw gebruikt worden omdat het een zogenaamd natuurlijk bestrijdingsmiddel is. Het wordt dan ook algemeen beschouwd als een zeer veilig pesticide. Voor mensen althans. Voor insecten is het schadelijk, anders was het geen bestrijdingsmiddel. Diezelfde bacterie Bacillus thuringiensis wordt ook gebruikt in de gg-maïsteelt, maar dan is het volgens tal van bio-adepten plots wél een vergif.

Anderzijds is Bordeauxse pap, een mengeling van kopersulfaat en gebluste kalk, toegestaan in de biolandbouw als preventief, schimmelwerend middel. Franse biowijnboeren gebruiken het nog steeds. Nochtans vindt Europa dat koperverbindingen “voldoen aan de criteria om als persistente en toxische stoffen te worden beschouwd.”[2] David Zaruks lijstje, “Dirty Dozen – 12 highly toxic pesticides approved for use in organic farming”[3] doet nog meer afbreuk aan de stelling dat de biologische landbouw vrij van gevaarlijke bestrijdingsmiddelen is.

Een niemendalletje in groene drukinkt voor hippe ecomama’s waarin producten én winkels aangeraden en gepromoot worden, mogen we natuurlijk niet verdenken van al te veel inzicht en nuance. Anderzijds is het tergend en weinig ethisch dat de twee auteurs hun geliefkoosde producten menen te moeten slijten met behulp van onduidelijke en zelfs ongefundeerde claims. Vergelijken we de uitspraak dat bioproducten gezonder zijn, met enkele regels uit het rapport Voedselkwaliteit, veiligheid en gezondheid van biologische producten, uit 2009[4]:

Mogelijke gezondheidseffecten die in verband worden gebracht met biologische voeding zijn: effect op het immuunsysteem, waaronder allergische klachten, vruchtbaarheid, overgewicht, en als afgeleide hiervan een lager risico op hart- en vaatziekten en kanker. Echter, het aantal studies dat gezondheidseffecten heeft onderzocht is gering. Er zijn enkele studies bij mensen uitgevoerd en daarnaast bestaan er een aantal studies met dieren of in vitro modellen. Het is daarom voorbarig om nu conclusies te trekken op het gebied van gezondheid.

Of bio groen en duurzaam is, zelfs daarover zijn de meningen verdeeld. Het rapport hierboven is een van de vele dat lovend is voor biolandbouw. Iemand als Louise Fresco, hoogleraar aan een rits universiteiten en gespecialiseerd in duurzame ontwikkeling in een internationale context, staat er dan weer iets kritischer tegenover. Zij reduceert ‘biologische’ landbouw tot een kwestie van louter juridische kaders en certificatenmolens waarbij elk voordeel (bijvoorbeeld geen kunstmest) zijn nadeel heeft (groter ruimtebeslag).

Mij lijkt het hierboven geciteerde rapport vrij evenwichtig: het staat enerzijds zeker positief ten opzichte van de biolandbouw, maar het gaat de caveats en eventuele problemen niet uit de weg. Ook Fresco is zeer genuanceerd in haar uitleg: puur praktisch is het onderscheid biologische versus niet-biologische volgens haar volstrekt overbodig. Zij pleit voor de best mogelijke landbouw, met de best mogelijke praktijken, waar die ook ontstaan zijn. U kan het rustig nalezen in de klepper Hamburgers in het Paradijs. Voedsel in tijden van schaarste en overvloed (2012).

Het is nu net dit gebrek aan nuance en kritische reflectie dat me mateloos ergert bij het lezen van eco lifestyle boekjes, dito websites, schotschriftjes van veldvertrappelende eco warriors en verklaringen van groene politieke partijen.

Gezondheid

In het deeltje ‘Schone handen en gezondheid’ loopt het pas echt goed mis; het leest als een hoofdstukje ‘Hoe blind slikgedrag aanmoedigen’. ”Veel homeopathische middelen worden biologisch verbouwd”, weten de ecomama’s. Deze zin doet mij vermoeden dat de auteurs evenwel niet weten wat homeopathie is, en dat ze alle kruidengeneeskunde en andere ‘alternatieve’ geneeswijzen op een hoopje smijten. Verder vinden zij biologische slash homeopathische middeltjes die de “weerstand opvijzelen” toppie. Nog groener natuurlijk is het om die homeopathische rommel niet te kopen: de milieukosten voor het produceren, verpakken, transporteren van fake geneesmiddelen, zijn gewoonweg veel te hoog.

Ze raden bijvoorbeeld ook salie(thee) aan tegen een verkoudheid als “natuurlijk antibioticum” (en we gaan hier zelfs niet moeilijk doen over antibioticum v.a.v. virale infecties). Ja, zowat elke warme, niet-alcoholische drank doet deugd bij een lastige verkoudheid, en nee, saliethee steekt er nu niet bepaald bovenuit. Het valt me trouwens op dat de meest groene remedie tegen de gewone verkoudheid niet vermeld wordt, namelijk rusten. Misschien denk ik nu te veel vanuit een traditioneel Westers medisch kader. Anderzijds, de eerlijkheid gebiedt me te vermelden dat de auteurs aanraden om een dokter te raadplegen wanneer het ernstig wordt.

Wat het geteem over yin en yang komt doen in een boekje over groen leven is me eveneens een raadsel. Ik bespaar u het gebruikelijke pseudo-oosters gejengel. Evenals het gehannes over ayurveda, waarmee we trouwens terug in de buurt komen van de zware metalen. Loodvergiftiging door ayurvedische middelen, hoe natuurlijk lood (Pb) ook is, is niet echt een aanrader. En een massage, dat is zelfs niet groen of altmed. Zelf zou ik behoorlijk gespannen geraken van de spirituele, esoterische uitleg over Thaise sea holistic stempelmassages, maar dat geheel terzijde.

Terwijl u zich afvraagt wat dit alles nu te maken heeft met groen en bewust leven, zwatelen de dames verder over de geestelijke gezondheid. Een van hun suggesties is floaten, drijven in een “spaceachtige, eivormige cabine… op zeer zout water”. En dat werkt ontspannend, aldus de auteurs, waarbij ze zich niet kunnen onthouden van de freudiaans geïnspireerde gedachte dat het ook een terugkeer is naar het baarmoedergevoel. Wat hébben pseudopsycholo’s toch verloren, daar in die baarmoeder?

Het hele boekje flirt met de gedachte dat trendy mama het beter weet, net en alleen omdat ze een moeder is. Het idee dat moeder het beter weet dan vader, daar kan ik inkomen. Dat ze beter op de hoogte is van epidemiologische, medische, agrarische, biotechnologische onderwerpen dan epidemiologische, medische, agrarische, biotechnologische specialisten, dat is mij een brug te ver.

De platitudes en halve waarheden die beide dames debiteren in een poging om “hip en verantwoord” te zijn, beginnen al snel tegen te steken. Ik vraag me af in welke mate er hier belangen vermengd worden. Groen leven, graag en snel een beetje, maar moet dat nu echt gepaard gaan met pseudo-spirituele, alternatief-medische en hard core esoterische nonsens? Alsof het allemaal niet zo serieus genomen moet worden en alsof groen een modieus detail is, een extra argumentje om de alternatieve kassa te laten rinkelen.

Besluit: het meest groene aan Het Ecomamaboekje is de groene inkt waarin het hele gedrocht gedrukt is.

Elma Sitzinger en Froukje Wattel, Het Ecomamaboek. Groen en bewust leven met kids, Truth&Dare, 2009

 

[1] Frens Schuring, “Anastasia en Vedische landbouw”, in: Dynamisch Perspectief, nr. 5, 2007, p.1012 http://edepot.wur.nl/116167
[2] Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408 van de Commissie van 11 maart 2015 inzake uitvoering van artikel 80, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot vaststelling van een lijst van stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen http://eurlex.europa.eu/legalcontent/NL/TXT/?uri=uriserv%3AOJ.L_.2015.067.01.0018.01.NLD
[3] David Zaruk, “The RiskMonger’s Dirty Dozen – 12 highly toxic pesticides approved for use in organic farming”, The Risk Monger, 2015
https://riskmonger.com/2016/04/13/theriskmongersdirtydozen12highlytoxicpesticidesapprovedforuseinorganicfarming/
[4] Lucy van de Vijver, Ron Hoogenboom, Machteld Huber, Voedselkwaliteit, veiligheid en gezondheid van biologische producten Update van de literatuur, Wageningen, Institute of Food safety, 2009
http://www.louisbolk.org/downloads/2123.pdf

Alternatieve vrijdenkerij

Dit stuk verscheen eerder in Wonder en is gheen Wonder (lentenummer 2016), het ledenblad van SKEPP.

* * *

In mijn denkwereld geen Alwetende God of Opperbouwmeester. Eerder een Almachtige Letterzetter, met hoog in het zwerk de Elysische Boekerijen en diep onder de zoden een Eeuwige Cursus ‘Creatief met papier-maché’. Maar zolang mijn tijd niet gekomen is, stel ik het met wat uit de werkplaatsen van de ondermaanse boekenproducenten rolt, ook al is dat niet altijd even beklijvend.

Neem nu Zo heb je de Bijbel nog nooit gelezen van Mauro Biglino (2016). Afgaand op de cover gaan we het boek niet beoordelen, zelfs al schreeuwt-ie ons toe dat het “de bestseller uit Italië” is die “[in-] sloeg als een bom in de Italiaanse boekenwereld”. Blijkbaar heeft men daar de dood van Umberto Eco nog steeds niet verwerkt. Over de inhoud kunnen we eveneens kort zijn: het boek is een flauw afkooksel van wat zo’n dertig jaar geleden in de moosput van de alternatieve denkerij is achtergebleven.

De moderne mens als alienslaaf

“Komen onze goden van de sterren?”, vraagt Biglino zich nóg maar eens af. Niet alleen leert de wet van Betteridge dat het antwoord op vragende (onder-) titels veelal negatief is, ook de decennia-oude en afdoende kritiek op soortgelijke confabulaties van onder andere Zecharia Sitchin en Erich von Däniken doet vermoeden dat het verhaal weinig meer dan een ongeïnteresseerde geeuw kan opwekken.

De auteur beweert de Bijbel opnieuw te hebben vertaald, woord voor woord, en claimt dat hij nieuwe bewijzen gevonden heeft voor een wel héél speciale creatie. De moderne mens is het resultaat van genetische manipulatie door buitenaardsen. De Homo habilis werd ge-ggo’d tot de Homo sapiens, een mensensoort die beter geschikt was om voor die E.T.’s het zware graafwerk in de goudmijnen van zuidelijk Afrika uit te voeren. Neem gerust uw tijd om de vorige zin te herlezen. Ik ben er nog niet uit wie in mijn verbeelding het felst naar adem hapt: de gemiddelde evangelische pastor die de Bijbel ook woord na woord gelezen heeft, of de verzamelde top van Monsanto.

Een open en pure geest

Boeiender dan de cover én het boek is de titelpagina, waarop ons verzekerd wordt dat het werk “EEN ZOEKTOCHT VOOR VRIJDENKERS!!” is. En bij die gedachte willen we wél even stilstaan. Een vrijdenker, schrijft de uitgever-redacteur in het voorwoord, is iemand die “met een open en pure geest” de wereld benadert. En dat is naar het schijnt van belang voor “de ontwikkelingscyclus”. Volgens diezelfde redacteur smoort de maatschappij met haar religies, ideologieën en vastgeroeste ideeën het vermogen van kinderen “om spontaan existentiële vragen te stellen”. Als de mensheid zich kan ontdoen van die beperkende factoren zal “de evolutie […] resulteren in de ontwikkeling van het bewustzijn, dat zal acteren (sic) als een gewetensvol fenomeen, terwijl we tot nu toe alleen maar hebben rondgedoold in de modder van de onwetendheid.” Wat een alternatieve vrijdenker dus blijkbaar zeker niet moet doen, is coherente gedachten uitdrukken in verstaanbare zinnen.

De idee van een “open en pure geest” is alomtegenwoordig in de wereld van alternatieve denkers, genezers, complotdenkers en andere zelfverklaarde waarheidszoekers. Mij lijkt het in de eerste plaats een perverse uitloper te zijn van het nepdebat over nature versus nurture. De boze nurture omhult de pure geest als een dichte mist en pas als die mistbanken verdwenen zijn, of beter, verdreven zijn met de hulp van een spirituele lichtwerker, kan er overgegaan worden tot het verwerven van Diepere Kennis en Dito Inzichten. De pure geest is de meest natuurlijke staat, de kinderlijk onbevangen toestand, vrij van de erfzonde van het kritisch en rationeel denken en vrij van de last van reeds verworven kennis.

In de tweede plaats wordt hiermee de troop van het derde oog en de zesde chakra weer opgegraven en in een nieuw jasje gestoken. Dat derde oog is in bepaalde delen van Lalaland dé manier om tot Ongefilterd Weten te komen. Het alternatieve woordenboek geeft ‘instinct’ en ‘intuïtie’ als mogelijke synoniemen. Hét criterium om elke conclusie gebaseerd op zo’n onbevangen waarnemingen te beoordelen, is dan weer kinderlijk eenvoudig: komt het overeen met de voorgestelde alternatieve theorie? Twee mogelijke antwoorden: (1) ja: proficiat, u bent ontwaakt of (2) nee: het spijt me, u hebt nog te veel last van “vastgeroeste ideeën” en u zal het proces moeten herhalen tot u uitkomt bij antwoord (1).

Van straffe ideeën naar Ware Inzichten

Maar dit is een boekenrubriek en geen analyse van een cursus ‘creatief omspringen met de alternatieve werkelijkheid of toegepast postmodernisme’. Het pad dat Mauro Biglino in zijn boek voor de vrijdenker uitstippelt om tot diepere inzichten te komen, is niet bepaald een yellow brick road. Eerder is het een soort bricolage van argumenten die in de kringen van alternatieve denkers populair lijken te zijn: wilde speculaties (niet te verwarren met hypothesen) worden opgebouwd uit een disparate mengeling van wetenschappelijke ideeën of valabele (niet te verwarren met valide) wetenschappelijke hypothesen, feitjes, foute interpretaties en insinuerende vragen. In dit specifieke boek komen daar nog foute etymologieën en vertalingen bij van woorden uit zo ongeveer elke taal die tussen 3000 v.Chr en 300 n.Chr. in Tweestromenland en omstreken geschreven werd.

Bij wijze van voorbeeld: NASA laat weten dat verschillende astronomen vermoeden dat er zich in ons zonnestelsel een negende planeet bevindt, planeet X of planeet Negen. Het agentschap vermeldt dat dit momenteel wordt onderzocht. Voor Biglioni is dit het uitgangspunt voor tal van suggestieve vragen genre ‘Wat houdt NASA achter voor ons?’ en ‘Hadden de Soemeriërs dan toch gelijk over planeet Niburu?’ om over te gaan naar een foute vertaling van het Soemerische woord Niburu (wat eigenlijk Akkadisch is) en dan maar te concluderen dat planeet Niburu bestaat en dat de “goden” mogelijk van Niburu kwamen. Dit laatste aspect wordt dan weer “onderzocht” in een volgende rollercoaster van straffe ideeën die opnieuw leidt tot een Waar Inzicht.

Geen stof voor boeken- en taalminnaars

Uiteindelijk is het meest verbazingwekkende aan dit boek dat het gepubliceerd werd. Anno nu is er inderdaad nog steeds een Nederlandstalige uitgeverij te vinden die het tot haar taak rekent de niche van overbodige boeken op te vullen: uitgeverij Aspekt. Deze boekenfirma grossiert in pseudowetenschappelijke uitgaven en dito geschiedkundige teksten waarvan het lettertype zeer groot is en de lay-out heel ruim uitgemeten. En dat maakt hun boeken te dik en dus te duur. Bij Aspekt worden boekenliefhebbers niet bepaald verwend.

Taalminnaars evenmin. Aspekt is bij mijn weten de enige uitgeverij in de Lage Landen waarvan de redacteur (“de editor” in het eigen patois) de taalvaardigheid heeft van een gemiddelde samenzweringsdenker op Facebook. Het aantal correcte Nederlandse zinnen is op één hand te tellen, het aantal mystificerende puntjes in het gemiddelde beletselteken (…) niet. Samenstellingen vertonen symptomen van die andere Hollandse ziekte: “samenstellingsfobie”, volgens taaldokter en schrijfster Ann De Craemer, “de angst om woorden aan elkaar te schrijven”. Iemand zou de brave man moeten vertellen dat het gebruik van een “basis woordenboek” (sic) niets te maken heeft met binnen of buiten “de box” (sic) denken ……. (sic).

In het boek verwijst de schrijver naar enkele Latijnse auteurs, maar zij krijgen de Engelse namen toebedeeld, zoals “Hesiod” en “Ovid”, en een enkele keer zelfs de Italiaanse (“Guiseppe Flavio”, inderdaad Josephus Flavius). Het boek Zo hebt u de Bijbel nog nooit gelezen is dan ook een vertaling van de Engelse vertaling van de originele Italiaanse tekst. En dat geeft een betoog waarin vertalingen een cruciale rol zouden spelen, een extra dimensie. Eentje waarvan ik, met mijn vier ogen, geen dogmavrij vrijdenkersorgasme, maar wel een zeurderige hoofdpijn krijg.