Vrouwen praten meer dan mannen (en andere taalmythes)

Dit was mijn eerste artikeltje voor Wonder en is gheen Wonder, het ledentijdschrift van SKEPP. Het verscheen in het lentenummer 2016.

* * *

Zolang niet hetzelfde geldt voor een doorsnee boekenrek, kan een steeds uitdijend heelal me niet echt boeien. Wegens plaatsgebrek heb ik de laatste dagen drommen boeken afgevoerd naar 2dehands.be. Daar wordt een mens niet vrolijk van. Gelukkig stootte ik tijdens dit hartverscheurende werk op Language Myths, een van mijn meest geliefkoosde bundeltjes bedrukt papier.

Dat vrouwen veel meer praten dan mannen bijvoorbeeld. Of dat primitieve volkeren zoals Aboriginals of Bosjesmannen even primitieve – lees: kinderlijk eenvoudige – talen spreken. Mensen die taal- of spelfouten maken, zijn dom. En de media, ach meneer, die ruïneren onze taal. Dat soort mythes dus. De bijdragen werden geschreven door het kruim der Angelsaksische linguïstiek en uitgegeven door theoretisch taalkundige Laurie Bauer en sociolinguïst Peter Trudgill.

“The meaning of words should not be allowed to change”

Deze eerste mythe werd onlangs nog geïllustreerd toen Google Dictionary met het volgende kwam aanzetten:

lit·er·al·ly /´litərəlē/
1. In a literal manner or sense; exactly: “the driver took it literally when asked to go straight over the traffic circle”.
2. Used to acknowledge that something is not literally true but is used for emphasis or to express strong feeling.

De storm die hierdoor opstak was even voorspelbaar als hevig. “How language is literally losing its meaning”, fulmineerde John Sutherland in de Britse krant The Guardian. Maar als je anno 2016 iemand ‘nice’ noemt, dan bedoel je daar niet ‘dom’ of ‘onwetend’ mee, zoals het Latijnse etymon ‘ne-scius’ suggereert. Evenmin bedoel je ‘arm’, ‘behoeftig’, ‘zwak’ of ‘timide’. Nochtans heeft ‘nice’ in de loop der tijden al deze betekenissen gehad. Taal verandert. Betekenissen van woorden zijn niet in steen gebeiteld.

“English spelling is Kattastroffik”

Nog zo’n klassieker. En ach, dat valt wel mee. Enerzijds kiest men in het Engelse taalgebied nog steeds voor wat wij in het Nederlands het etymologische principe noemen, maar dan in overdrive: de geschiedenis van een woord bepaalt de schrijfwijze en verandering zit er momenteel niet in. Anderzijds heeft het Engels, net zomin als het Nederlands, geen paradijselijke spelling waarbij één unieke klank weergegeven wordt door één unieke letter.

“Italian is beautiful, German is ugly”

Deze mythe kennen we in de Lage Landen ook. “That’s amore”, zingt Dean Martin, eerder dan “that is Liebe”. Toegegeven, hij had Italiaanse roots, maar u begrijpt vast mijn punt. Het is niet moeilijk om een cultureel-historische reden te geven: de bijnaam van The History Channel is The Hitler Channel eerder dan TV Benito.

Hetzelfde geldt trouwens voor de perceptie van andere talen en regiolecten: er zijn geen inherente redenen waarom een bepaalde taal of regionale taalvariant mooier of verhevener zou zijn dan de andere. Het Atheense stadsdialect mag in Griekenland dan wel een hoger aanzien hebben dan één of ander Beotisch boerentaaltje, voor mensen die geen Grieks spreken en aan wie de culturele en historische achtergronden voorbij gaan, maakt het weinig verschil.

Van myth buster tot skepticus

In 2000 kwam Language Myths voor mij net op tijd. Het kleine beetje germanist dat toen nog in mij zat, was niet zozeer verbaasd door de taalmythes, maar wel door het feit dat ze nog steeds de ronde deden. Op de prille interwebs zorgden deze mythes er dan ook voor dat in tal van toenmalige Yahoo-groups taalkunde al snel verzandde in ergerlijke pseudotaalkunde.

In die periode begon ik, eveneens dankzij het internet, kennis te maken met enkele skeptische medemensen, die later mijn stepping stones werden naar skeptische organisaties. Vooral de Engelse taalkundige Mark Newbrook, die in de periode 1998-2006 artikelen schreef over pseudotaalkunde voor het Australische blad The Skeptic, speelde daarbij een hoofdrol. In 2013 schreef hij het boek Strange Linguistics. A skeptical linguist looks at non-mainstream ideas about language.

Zestien jaar later ben ik nog steeds kennis aan het maken, maar het verbaast me hoegenaamd niet meer dat diezelfde taal- en andere mythes nog altijd de kop opsteken.

De openingszin van Language Myths — en ook het afsluitend citaat — is er eentje om in te kaderen, ook door wetenschappers in andere disciplines. Dat de publieke opinie wel zal volgen eens een wetenschappelijke consensus onder specialisten bereikt is, is immers nog zo’n hardnekkige mythe.

The main reason for this book is that we believe that, on the whole, linguists have not been good about informing the general public about language.

Bauer, L. en Trudgill P. (red.), Language Myths. Londen, 1998.

Achter de schermen van ons denken

Dit artikel verscheen in het herstnummer 2016 van Wonder en is gheen Wonder.

* * *

Als een mens sterft, kan hij dan weer levend worden? Mocht Job het niet in boek 14 vers 14 aan God gevraagd hebben, maar in de vroege 20ste eeuw aan een spiritistisch medium, dan was het antwoord waarschijnlijk gematigd positief geweest. In die periode was het  spiritualisme en de idee dat de doden willen en kunnen communiceren met nabestaanden ongemeen populair.(1) Dat de overledenen er schijnbaar de voorkeur aan gaven om dat te doen via een te betalen tussenpersoon, heeft dan toch weer te maken met plat opportunisme, eerder dan met verheven gedachten.

De mediums professionaliseerden snel en om hun succes te garanderen bouwden
enkelen een geavanceerde trukendoos uit die vaak de vorm aannam van een donkere kamer met extra geheime luiken, elektronische en andere snufjes waarin de seances konden plaatsvinden. Gelukkig kregen ze tegengas van andere beroepsleugenaars. “Vanaf het moment dat het mediumschap een beroep werd, kregen de beoefenaars het aan de stok met goochelaars. Dit mag geen verrassing zijn, het is een al te natuurlijk duel”, aldus goochelaar en medium buster Joseph Dunninger, wiens boek Inside The Medium’s Cabinet uit 1935 aanschurkt tegen de beschrijving van een Dawkinsiaanse evolutionaire wapenwedloop.

Een van de meest tot de verbeelding sprekende goochelaars die zich heeft beziggehouden met het onderzoeken en debunken van mediums en spiritisten was Dunningers leermeester, de grote Harry Houdini. Maar over hem gaat het hier niet.(2) Wel over de Amerikaan David Abbott (1836-1934). Als amateurgoochelaar
ontwierp hij verschillende trucs die hij demonstreerde in zijn privétheater en doorverkocht aan professionele goochelaars. Eveneens in zijn vrije tijd schreef hij het nog steeds zeer leesbare Behind the scenes with the mediums (1907).

Zoals vele van zijn voorgangers en zijn navolgers ging Abbott incognito op bezoek bij tal van zelfverklaarde paranormaal begaafden om hun opvoeringen te bestuderen en te analyseren. In Behind the scenes with the mediums doet hij met verve hun trucs uit de doeken: van zogenaamde cold readings (suggestieve vraaggesprekken) en exploten met geschreven berichten in (dubbele) enveloppen van de rondzwervende mediums, tot spectaculaire seances met zwevende tafels, vliegende geesten en verborgen valluiken van de meer huiselijk ingestelde oplichters. Vaak bespreekt hij een alternatief, soms vermeldt hij met trots en plezier een verbetering. Met zijn technischer boek The spirit portrait mystery uit 1913 zou hij trouwens definitief een einde maken aan de carrière van de beruchte Bangs Sisters, die in de jaren van de sepiakleurige fotografie schatrijk werden met hun spectaculaire seances.

De waarde van Behind the scenes ligt niet zozeer in de uitleg van de achterhaalde
trucs, hoewel de basisprincipes interessant zijn en waarschijnlijk tijdloos. Het zijn vooral de alinea’s tussen de “mediumistische” exposities die boeien: de wereld van de Amerikaanse mediums van rond de eeuwwisseling, hun handlangers en hun slachtoffers. Met milde humor vertelt Abbott over de goedgelovige klanten, steevast gegoede burgers met grote besognes en nog grotere portemonnees. Interessant is dat
hij één van de bevriende mediums laat opmerken dat niet de gewone mensen de beste
klanten [zijn],

maar dokters, advocaten, zakenmannen, leraars, kortom, de intelligentere klasse van mensen. Hij zei dat wetenschappelijk denkende personen de beste zitters zijn, omdat zij ernstig zijn en de meeste aandacht schenken. En dat feit is zowat van het allergrootste belang voor het slagen van welke truc ook.

Hij is ook niet al te scherp voor de mediums, wiens drijfveer uiteraard geld is, steeds meer geld. Die beweegreden kon Abbott waarschijnlijk nog best pruimen ook; zelf was hij een professionele woekeraar. Trouwens, onder zijn afnemers van goocheltrucs waren verschillende praktiserende mediums.

Abbott beschrijft mooi een dubbele dynamiek die door de scene ging. Enerzijds werden door de jaren heen de sessies uitgebreider en spectaculairder. Anderzijds groeiden de verhalen over mediums door de mond-tot-mondreclame zo spectaculair dat de hoofdrolspelers zélf de feiten niet meer herkenden. Hij weet verder te melden dat de meeste mediums waar hij contacten mee onderhield, helemaal niet tuk waren op de immer groter wordende seances voor spiritistische clubjes van verveelde bourgeois, spektakel-journalisten en de occasionele medium buster die hen vaak gebruikten om zichzelf in de kijker te plaatsen. Ze vroegen te veel voorbereidend werk en dus een grote investering. Bovendien was de controle tijdens de seance vaak al te streng. Liever deden de meeste mediums privésessies met individuele klanten omdat zij zonder kritische of veeleisende bijzitters makkelijker te manipuleren waren. Het valt trouwens op dat de meeste mediums die in het boek ter sprake komen, geloofden in de eigen capaciteiten van het cold reading en dus in de goedgelovigheid van hun klanten, en vervolgens in die van de leveranciers van nieuwe trucs.

Maar ook over de wereld van de Abbotts en de Houdini’s en van de groots opgezette seances tjokvol spectaculaire trucs viel uiteindelijk het doek. De klopgeesten werden terug in de kast gezet en de ectoplasma’s gladgestreken. De mediums, die bleven, immer op zoek naar rouwenden die snakten naar duurbetaalde woordjes van een dierbare uit het Jenseits. Het onderzoek naar de strapatsen van mediums en andere paranormaal begaafden werd in de volgende decennia professioneler, maar in eerste instantie zeker niet wetenschappelijker, als ik Rob Nanninga’s boek Parariteiten. Een kritische blijk op het paranormale erop nasla.

Meer nog, het is schrijnend dat de kemels en problemen die Abbott en andere goochelende mediumjagers steeds opnieuw meldden, ruim een halve eeuw later dunnetjes werden overgedaan door de moderne onderzoekers. Zo lieten onderzoekers zich net als de klanten uit Abbotts verhaal inpakken door het uiterlijk van de vermeend paranormale, of het nu om een meelijwekkend halfblind, kreupel medium uit de belle époque ging of een charmante Israëli met kromme lepels uit de jaren 1970. In beide omstandigheden weigerden zij de zogenaamd paranormalen te beschouwen als potentiële bedriegers. Andere academici waagden zich aan een onderzoek maar wisten niet hoe of zelfs maar wat te observeren en gaven zo het goochelende testsubject de vrije hand. Vaak ontbrak hen het besef dat ze daarvoor helemaal niet opgeleid waren, een schoolvoorbeeld van het Kruger-Dunningeffect.

Zelfoverschatting was een ander euvel. Beroemd is het verhaal van James Randi’s Project Alpha, waarbij hij enerzijds twee jonge goochelaars en anderzijds een waslijst aan caveats naar een nietsvermoedende psi-onderzoeker stuurde. De zelfzekere academicus negeerde Randi’s waarschuwingen en liet zich wekenlang bedotten door de twee jonge snaken.

De idee dat hoogopgeleiden tot de groep van betere slachtoffers behoren, wordt ook aangehaald in W.L. Greshams biografie van Houdini uit 1959.(3) De auteur doet er nog een schepje cognitieve dissonantie bovenop, al dan niet geïnspireerd door het onderzoek van ene Leon Festinger(4) uit diezelfde periode. Bijna dezelfde verhaallijn vinden we meermaals terug bij Nanninga. Houdini beleefde er het grootste plezier aan, wanneer de een of andere hoge mijnheer met een serie titels achter zijn naam met zijn petje niet bij de wonderen van de ontsnappingskoning kon en tenslotte de uitleg ervan maar zocht in bovennatuurlijke krachten.

Waarschijnlijk is het schier onvermijdelijk dat mensen dezelfde fouten maken als onze voorgangers. En persoonlijk vind ik dat niet erg. Mijn foutgerichte aandacht en onnozele post-hocrationalisaties stellen mij telkens weer in staat om te genieten van de kunsten van een Gili en eenTayson Peeters, twee mentalisten die ik graag een illusie op mijn mouw laat spelden.

* * *

  1. Spiritualisme gebruik ik hier als een overkoepelende term voor tal van aanverwante levensbeschouwingen. Strikt genomen is spiritisme een van de vele bewegingen binnen het spiritualisme. Ik ga het hier niet te scherp slijpen en gebruik de termen op een lossere manier. Hoe dan ook, het artikel “THREE FORMS OF THOUGHT; M.M. Mangassarian Addresses the Society for Ethical Culture at Carnegie Music Hall” uit de New York Times van 29 november 1897 vermeldt dat het toen zo’n acht miljoen volgelingen zou hebben in de Verenigde Staten en Europa. Raadpleegbaar via http://query.nytimes.com/ mem/archive-free/pdf?res=9B05E0DF1638E433A2575AC2A9679D94669ED7CF.
  2. Pieter Peyskens, “Houdini, goochelaar onder de geesten. Over het leven en skepticisme van Harry Houdini.” Wonder en is gheen wonder, nr. 4, 2009. Raadpleegbaar via http://skepp.be/nl/levensbeschouwing-evolutie/skeptisch-kritischdenken/houdini-goochelaar-onder-de-geesten
  3. W.L. Gresham, Houdini, de man die door muren liep. Amsterdam, Elsevier, 1964. Het originele werk verscheen in 1959. Heel leuk en niet volledig naast de kwestie: in een van de eindnoten wordt de lof bezongen van een nieuw talent, namelijk de Wonderlijke James Randi, die later o.a. de pseudoparanormale kwast Uri Geller het leven zuur zou maken.
  4. Leon Festinger, A Theory of Cognitive Dissonance. Stanford, Stanford University Press, 1985.

I <3 spirituele beurzen (Earth & Beyond IV)

Dit artikel verscheen in Wonder en is gheen wonder (herfst 2017) en is een herwerking van enkele blogartikels die hier eerder verschenen.

* * *

Ik hartje spirituele beurzen. Je moet er kritisch nadenken en je kan er heel wat mensen ontmoeten, meer dan tijdens een skeptisch congres. En het is uiteraard een primaire bron van informatie voor een skepticus. Hoewel ik hen misschien iets te graag bekritiseer, ben ik nog niet zo goed thuis in de wereld van de kleinhandelaars in het esoterische en het paranormale. Anderzijds wil ik op de hoogte blijven van nieuwe alternatief-spiritueel-medische hulpmiddelen en van plotwendingen in het steeds uitdijende parallelle universum der samenzweringstheorieën, die onlosmakelijk met de esoterisch-paranormale belevingswereld verbonden lijken te zijn.

Het leek mij dan ook een goed idee om op zaterdag 17 juni heel vroeg de trein te nemen richting Houten, bij Utrecht, waar de spirituele beurs Earth & Beyond IV zou plaatsvinden. Het evenement gaat over “bewustzijn, buitenaards contact, wetenschap en spiritualiteit, transformatie, archeologische (on) waarheden, financiële zaken, dimensies en (inter)dimensioneel contact, ufo’s, het universum en over gezondheid en genezing. Aardse en hemelse zaken dus!”, aldus de website. De agenda van de beurs belooft tal van lezingen, seminars en standen waar het kruim van de Nederlandse alternatieve scène het beste van zichzelf zou geven.(1) Mijn agenda vermeldt daarnaast ook nog een ontmoeting met enkele zeer fijne heerschappen van de Nederlandse Stichting Skepsis.

Een drietal stationskoffies verder vraag ik me geeuwend af waarom zulke groots opgezette paranormale beurzen wel in Nederland gehouden worden en niet in Vlaanderen. De laatste jaren wordt ons landje overspoeld door kleinere beurzen voor liefhebbers van het paranormale en esoterische, steevast georganiseerd door het Vlaamse bedrijf Para-Astro. En hoe universeel en kosmisch de claims van sommige aanwezige mediums en standhouders ook zijn, deze beurzen blinken vooral uit in kleinschaligheid én benepenheid.

Van stargates tot spirituele happy endings

Mijn trein- en busrit eindigen nabij een weinig inspirerend congresgebouw in een grijze kmo-zone. Eenmaal de typische cafetariageuren voorbij, zijn het reukkaarsen en wierrookstokjes die mijn sinussen prikkelen. De eerste beursruimte staat tjokvol tafels en banners en overal liggen luxueuze folders in vierkleurendruk. Het publiek is ondanks het vroege uur vrij talrijk aanwezig en er heerst een gezellige drukte. Harpmuziek vult de zaal.

Onder de koopwaar zie ik zeer mooie kristallen, veel boeken en hier een daar een tafel waar druk op gereiki’d wordt. Ik merk ook een koperen constructie op. Het blijkt te gaan om een Stargate, “één van de meest geavanceerde technieken in deze tijd om een snelle en grote groei in het bewustzijn van de mensheid te bewerkstelligen”. Verder ook heel veel informatie over cursussen die zich vooral ergens beyond lijken te situeren, eerder dan op earth. De tweede, kleinere ruimte fungeert dan weer als paranormale peeskamer waarin klanten worden gelezen met pendel, tarotkaarten of stralende elektronica en naar een spirituele happy ending worden gevoerd.

De drijvende kracht achter Earth & Beyond is Frans Heslinga. Op enkele jaren tijd is hij erin geslaagd om zijn paranormale beurs uit te bouwen tot Nederlands grootste, met een zestigtal standhouders in de lobby’s en tientallen lezingen en workshops in vijf conferentiezalen. Heslinga heb ik vorig jaar uitgebreid geportretteerd naar aanleiding van de European Flat Earth Conference.(2) Ook deze keer haalde hij in zijn openingstoespraak aan dat alles wat ons is aangeleerd, fout en vals blijkt te zijn. De Nieuwe Wereldorde, geholpen door grootbankiers, reductionistische wetenschappers, schimmige vrijmetselaars en de onvermijdbare joden, heeft er baat bij ons te misleiden. Vandaar zijn oproep, nog maar eens, om vooral zelf op onderzoek uit te gaan en spiritueel te evolueren van lichtwerkers naar energiewezens.

“Dat zijn de feiten, als we ze even aannemen en zo”

De eerste lezing die ik bezoek, wordt verzorgd door Gerard Aartsen (1957). Hij stelt zichzelf voor als een onderzoeker en docent uit Amsterdam die al zijn hele leven de leringen van de Oude Wijsheid bestudeert. Met zijn sessie “Buitenaardsen. Wat doen ze hier?” wil Aartsen zijn toehoorders inzage bieden in hoe hij informatie over ufo’s en aliens kritisch benadert. Voor Aartsen zijn twee zaken echter niet bediscussieerbaar: (1) er zijn positieve contacten met buitenaardsen en (2) machtige organisaties proberen de aliens en hun bedoelingen in een kwaad daglicht te stellen. Meteen al een serieuze domper op die beloofde kritische houding.

Aartsen beschouwt de informatie over contacten met ufo’s en buitenaardsen uit de vroege jaren 1950 als de meest authentieke. Auteurs als Desmond Leslie en George Adamski worden door hem op handen gedragen omdat ze puur zijn nog niet bezoedeld door de sensatiepers of door de negatieve invloeden vanwege de regeringen die de ufo-verhalen proberen te verbergen of te manipuleren.(3,4) Tijdgenoten beschouwden Leslie en Adamski dan weer als bedriegers.(5) In hun boeken tekenden zij verhalen op van buitenaardsen die zich zorgen beginnen te maken over het menselijk gedrag op aarde. Niet alleen het gebruik van kernenergie en atoomwapens, maar ook de wereldwijde vervuiling, het menselijke egoïsme en de staatsinrichtingen gebaseerd op hebzucht houden de gemiddelde E.T. uit zijn kosmische slaap. “Dat zijn de feiten, als we ze even aannemen en zo”, aldus Aartsen.

“Bemint elkander”

Net als zijn grote voorbeelden uit de jaren 1950 lardeert Aartsen zijn discours met referenties naar (theosofische) “wijsheidsleringen” van onder andere H.P. Blavatsky en Alice Bailey. Hij vermeldt ook nog “rationele wetenschappers” à la Semyon Kirlian en Rupert Sheldrake. De eerste is gekend omwille van zijn pseudowetenschappelijke aurafotografie en Sheldrake is de annalen van de wetenschap uit- en die van de pseudowetenschap ingegaan als bedenker van morfogenetische velden.

Aartsen loopt onmiskenbaar over van de goede bedoelingen, maar helaas levert zijn lezing weinig meer op dan de kinderlijk naïeve boodschap op het einde van De Snorrende Snor, een album in de reeks Suske en Wiske, waarin een ufo en geheimzinnige robots de hoofdrol spelen: “Bemint elkander”. Zijn uitleg blijft steken bij een goedmenende E.T. en bij de dogmatische trekjes van een stel theosofen met vermeende kennis van het “fijnstoffige”. Hij beschrijft niet meer dan een vlucht in het etherische, ver weg van de dagdagelijkse politieke werkelijkheid met zijn scherpe randjes en pragmatische compromissen. En zijn hoop dat een spirituele evolutie de mensheid zou kunnen veranderen, lijkt mij louter een vorm van dilettantisch escapisme.

De vierde en vijfde dimensie

De tweede op het lijstje is medium Jaco Elken. Hij introduceert zichzelf als de oprichter van De Spirituele & Intuïtieve Academie en vertelt dat hij zich gespecialiseerd heeft in Paramedisch en Psychosociaal Mediumschap®. “Een hele mondvol”, zegt hij. “Ik heb het zelf verzonnen.” Zelf-relativerende humor, het is zeldzaam op een spirituele beurs.

Maak u evenwel geen illusies, veel ruimte voor optimisme is er niet. Al snel wordt duidelijk dat ook hier het komende uur de gebruikelijke paranormale en esoterische woordenbrij zal geserveerd worden. Maar het dient gezegd, Elken brengt het met een enthousiasmerende schwung.

Dankzij het mediumschap maakte hij kennis met een vierde en een vijfde dimensie, namelijk tijd en ruimte, en in die nieuwe dimensies ving hij raad, hulp en adviezen op van allerlei gidsen. Doorheen de lezing zal min of meer duidelijk worden dat de eerste drie dimensies (3D) voor hem gelijkstaan aan het gewone, materialistische, niet-spirituele leven van de doorsnee sheeple en non-believer.

We leven in een waanzinnige tijd waarin mensen steeds zieker worden, zeker in vergelijking met 100 jaar geleden, weet Elken. Dat mensen nu langer leven dan 100 jaar geleden, is een detail dat niet in het plaatje past en dat hij dus vrolijk negeert. Wat hij niet negeert is het lichaam, de geest en de ziel. De verbindingen daartussen zijn gebroken en we moeten ons deze drie-eenheid dringend weer eigen maken, opnieuw helen. Ons lichaam geeft signalen, maar we vangen ze niet altijd op. Verder bevat het aura of de geest restanten van een vorig leven en soms is het nuttig om ook die te raadplegen. Maar daarvoor is gespecialiseerde hulp nodig. Enter medium Jaco.

“Slijm is snot en snot is gestolde emotie”

De trilling is hoger dan vroeger, zodat er meer energieën vrijkomen. Over welke trilling of energie het precies gaat, is mij – als paranormale leek – niet meteen duidelijk. Maar energie betekent warmte, liefde, straling. Jaco Elken ziet het als zijn taak om die energieën aan te wenden om mensen te helpen genezen. Hij wil iedereen leren om de innerlijke zintuigen aan te wenden en zo ‘in-zicht’ te krijgen in de intuïties en in zowaar alle ziektes. Jawel, allemaal. Naast de energetische medische basiskennis van het lichaam is er ook zoiets als de psychosociale betekenis van de organen, gewrichten, klieren en andere lichaamsdelen, zo lees ik dan weer op de website. Elken voert een “[d]irecte communicatie met de ziel, het Hoger Zelf, het lichaamsbewustzijn en met ziektes en organen”, gebruikt “symbolistische taal […] van de betreffende ziektebeelden” en zet dat om in “bruikbare en begrijpbare taal”.

Elken vervolgt zijn sessie en put daarbij uit jarenlange ervaring. Astma, weet hij, is het gevolg van opgroeien in een te klein huis. De longen staan voor ruimte en die hebben dus danig geleden onder het plaatsgebrek. Een slijmbeursontsteking is, zoals de naam het al aangeeft, een probleem met slijm. Nu, slijm is snot en snot is gestolde emotie, en dus moeten de emotionele problemen eerst aangepakt worden. Problemen met de gal? Dan moet de patiënt gewoon zijn gal spuwen. Last van de schouders betekent, wel, u raadt het al – samen met de kirrende aanwezigen in de zaal die of zijn woordspelletjes doorhebben of enkele duurbetaalde lessen op zijn school hebben gevolgd – dat de patiënt een te grote last op zijn schouders draagt. Dit is dus het resultaat van “symbolistische taal” omzetten in “bruikbare en begrijpbare taal”. De germanist in mij wordt hier heel stil van.

De lijst van aandoeningen die hij claimt te kunnen genezen of bezweren, doet waarschijnlijk menig dokter met negen plus jaren opleiding achter de rug gillen: De diepere paramedische en psychosociale betekenis (te geven) van ziektebeelden, als: gewrichtspijnen, artritis en reuma. Astma en bronchitis. Gewrichtspijnen en de zin en onzin van chronische ziektebeelden. Hart, long, lever, gal en milt verstoringen [sic]. Kankers en tumoren. Huidziekten en andere allergieën. Hoofdpijnen en migraine. Ontstekingen, spierziekten, stress gerelateerde problematieken. Depressies en vermoeidheid. Stemmingswisselingen, borderline en schizofrenie. etcetra [sic].(6)

De ratelende Elken geeft een pracht van een show weg: hij is grappig en rad van tong. Ik kan hier niet weergeven hoe hij zijn publiek charmeert, hoe hij in cirkels rond het onderwerp lijkt te draaien, grollend en grappend, om dan op het juiste moment met ‘ernstige’ uitspraken tot de kern van de zaak te komen. Tot zover de verpakking. Wat de inhoud betreft: die stinkt. Zijn boodschap is – zoals die van de meeste kwakzalvers – rot, hufterig en antisociaal. Het is onbegrijpelijk dat zulk een woordenpatser zijn alternatief-medische praktijken kan uitvoeren én dat hij ze mag aanleren in een eigen school, met steun van de Nederlandse belastingbetaler. In het kaderstuk “Het paard zegt sorry” beschrijf ik enkele korte sessies waarin hij mensen met klachten en aandoeningen benaderde als medium.

Tussen deze sessies door, strooit Elken de obligate alt-med canards rond als waren het snoepjes: we worden vergiftigd door metalen in deodoranten, shampoos en vaccinaties, we krijgen huidkanker door zonnecrèmes, die dan weer gemaakt zijn door de kankerindustrie. De grens tussen alt-med en complotdenken is ook hier héél dun.

“Het gaat over mijn waarheid”

Over de lezing van Han Peeters (1959) kunnen we kort zijn. Peeters zegt dat hij geen literatuur schrijft, maar faction, fictie gebaseerd op speculaties gebaseerd op feiten. Tijdens Earth & Beyond presenteerde hij zijn dertiende boek in acht jaar tijd: Planet X. De boekvoorstelling begon met het eerste hoofdstuk van zijn audioversie en meteen verliet een kwart van het publiek de zaal. Neen, Han Peeters schrijft geen literatuur. Het eerste hoofdstuk is een aaneenrijging van houterige dialogen en pedante uitweidingen die evenveel literaire humpf hebben als een doorsnee tekst van de Druivelaar.

De man doet een amechtige poging om sprookjesverhalen à la Zecharia Sitchin over een destructieve Planeet X te verbinden met zowat elke complottheorie die we de laatste 10 jaar gehoord hebben. En dat stelt hem dan weer in staat om van apocalypspornografie over te schakelen naar saaie complotfantasieën.

Wél vermeldenswaardig was zijn uitleg over de ontsnapping van Marc Dutroux in 1998 en zijn vlucht naar een domein beheerd door chemiereus Solvay, die, geheel tussen haakjes, gigantische hoeveelheden zoutzuur produceren, “wat heel handig is als je vijanden wil laten verdwijnen”. Tot zover Han Peeters en zijn geheel overbodige waarheid.

“Wat daarboven gebeurt, weerspiegelt wat er in mijn hoofd gebeurt”

“Men wil tekorten creëren.” “Monsanto heeft zaden ontwikkeld voor aluminiumrijke grond.” “Ze trekken onze energie naar beneden.” Aan het woord zijn Miranda Slob en Kees van de Water van ilovechemtrails.org, reïncarnatietherapeut Cor van der Horst, maker van chembusters Monique Calis en Gijs Verbeek van wearechange.nl. We zitten in een conferentiezaal en kunnen aan dit panel van experten alle vragen en opmerkingen kwijt over chemtrails, de witte sporen achter een vliegtuig die volgens heel wat complotdenkers vol zitten met giftige metalen zoals barium, aluminium en cadmium. Ook organisch materiaal, vooral ziekteverwekkers, of actieve nanopartikels zouden ermee uitgestrooid worden over nietsvermoedende burgers.

De gevolgen van de chemtrails zijn volgens hen niet min: vergiftiging, dementie, alzheimer, sinusinfecties, verschillende kankers, metaalsmaak in de mond, brandende longen, brainfog, ph-verandering en morgellons. Dat laatste is een ingebeelde huidaandoening waarbij men ervan overtuigd is dat er zich (parasitaire) vezels nestelen in wonden. Het is verder ook niet toevallig dat de chemtrails op ons worden losgelaten bij zonsopgang en zonsondergang. Dat zijn namelijk de beste momenten om aan sun-gazing te doen, aldus Gijs Verbeek, die er duidelijk zin in heeft. In de spiritueel-alternatieve folklore is staren naar de zon heilzaam.

Van Gijs, ex-leraar biologie die momenteel onderwijzers opleidt aan een hogeschool, leer ik verder dat het sproeien ook gebeurt via additieven in de brandstof van gewone, civiele lijnvliegtuigen. En omdat luchtvaartmaatschappijen betaald worden om met zo’n gepimpte brandstof te vliegen, kunnen ze de prijzen voor hun klanten laag houden. Het begrip ‘moordende concurrentie’ krijgt zo plots een heel andere betekenis. Wat ik niet leer van hem is hoe hij weet dat ook ufo’s ingezet worden.

“De vijand is zo machtig en de middelen zo perfide, dat we ervoor gekozen hebben om dit alles met liefde te benaderen, de situatie met liefde te aanvaarden én met liefde te overwinnen.” Aan het woord zijn Miranda Slob en Kees van de Water van ilovechemtrails.org. Maar totdat het zover is, legt Kees strijdlustig uit dat HAARP mee in de cabal zit en dat de actieve nanobots in combinatie met de nog te implementeren 5G en het Internet of Things voor een volledige mindcontrol zullen zorgen. “Wat daarboven gebeurt”, zegt Kees van de Water gewichtig, “weerspiegelt wat er in mijn hoofd gebeurt.” Wie ben ik om dat tegen te spreken? Hun informatie is trouwens gebaseerd op het denkwerk van Peter Vereecke, Vlaanderens meest vooraanstaande complotdenker.

De farmaceutische industrie en het even machtige Monsanto scheppen bak-ken poen met de aanmaak en verspreiding van chemtrails, maar gelukkig kunnen wij ons ertegen beschermen met chembusters, aldus Monique Calis, ontwerpster en verkoopster van chembusters. Prompt tovert ze twee verschillende modellen tevoorschijn, eentje in zakformaat en een tafelmodel. Het kleintje is handig en “je kan hem altijd meenemen. Ik heb ‘em altijd bij me”. Met haar werktuigen gaat ze in het verweer tegen chemtrails. Soms met succes, soms zonder. Hoe het werkt, begrijpt ze niet helemaal, maar ze is wel een fan van Tesla en het heeft iets te maken met vrije energie. De vakterm ‘energietikkeling’ moet maar volstaan.

Ondertussen begint er ook damp uit mijn oren te komen. Gelukkig heb ik dan al de mensen van Stichting Skepsis gevonden. Zonder hen zou ik het congresgebouw verlaten hebben. Hun relativerende humor en hun geduld geven me terug zin om langer te blijven rondhangen en nog een lezing of wat te ondergaan. Ik vond het bewonderenswaardig hoe zij hun cool wél konden bewaren en af en toe leukweg aan de discussies deelnamen. Via hen verneem ik tal van details die ik als Belg ver van huis nooit zou kunnen achterhalen. Hun sappige verslagen van overlappende lezingen doen mij vermoeden dat ik behalve heel wat halfbakken spirituele en paranormale nonsens, niets belangrijks gemist heb.

De Blije B en de Lijpe J

Op naar het volgende dus, iets over geld en de haaien van de bankwereld. “We moeten een beweging vormen. We moeten elkaar weer durven te omarmen”, zegt de wervende stem in het reclamefilmpje. Ronald Bernard mocht tijdens de beurs zijn Blije B voorstellen, “een burgerinitiatief van professionals, die een duurzame coöperatieve fair-trade pro-life volreserve spaar- en investeringsbank oprichten”, en ik spiek hier even op de website. Het is een burgerbeweging, een bank “in oprichting”: Door mee te doen, realiseren wij een rechtvaardige samenleving gebaseerd op welvaart. Voor ons, voor onze kinderen en de toekomst van de aarde. Wij zijn zelf de verandering. Doe jij mee?

Voor u meedoet met deze beweging, toch nog even dit. Tijdens zijn lezing projecteerde Ronald B Blij, zoals hij zich voorstelt op Facebook, een dia waarin hij de precaire situatie in de (bank) wereld verklaart met een overduidelijke verwijzing naar De Protocollen van de Wijzen van Sion. Het zou ondertussen toch algemeen geweten mogen zijn dat dit een verachtelijk werkje is dat uit de koker komt van een bende Jodenhaters die het gebruikten om hun antisemitische ideeën te verantwoorden. Reeds in 1921 werd afdoende aangetoond dat dit schrijfsel, naast plagiaat, ook nog eens een verzinsel was, en nee, geen verslag van een samenkomst waarbij enkele Joodse Ouderen een nieuwe wereldorde bedisselden. Grootindustrieel en notoire antisemiet Henri Ford liet het boekje vertalen en verspreidde zo’n half miljoen kopieën van het gedrocht. In nazi-Duitsland werd het eveneens gebruikt als propagandamiddel vanaf 1933. Voor Adolf Hitler, die het al besprak in Mein Kampf, waren de Protocollen een deel van de rechtvaardiging voor de Jodenvervolging.

Dat het topos van de lijpe Joodse bankier in de Facebookgroep van de Blije B af en toe opgerakeld wordt, daar kan de Blije B strikt genomen niet veel aan doen. En ja, ik ben héél mild: uiteraard kan de paginabeheerder dat soort racistische idioterieën van de wall verwijderen. Maar dat de oprichter zélf nog wat antisemitische kolen op het vuur gooit tijdens een lezing op een spirituele beurs, maakt dat de Blije B een ranzig kantje krijgt. Een beweging vormen? Door ons en voor ons? Met deze antisemitische prietpraat als reden waarom het zo slecht gaat in de (bank)wereld? Of gaan we voor het Blije Bełżec? Ik ben trouwens benieuwd wat het kernbestuur en de Raad van Aanbeveling van de Blije B vinden van dit soort antisemitisch geraaskal.

En hier eindigde voor mij de vierde Earth & Beyond, het grootste bewustzijnsevenement boven de Grote Rivieren. Ik vraag aan de Nederlandse skeptici hoe het zou komen dat zulke groots opgezette beurzen in Nederland gehouden worden en niet in Vlaanderen. We verzinnen een paar ad-hocantwoorden, maar terug thuis lees ik dat het al bij al een kwestie van seizoenen blijkt te zijn. In september organiseert het Vlaamse Para-Astro namelijk een groots evenement in hartje Kempen. Mijn ticket is al besteld.

Met heel veel dank aan Jan, Rob, Ron en Maarten van de Stichting Skepsis. En aan Mathijs, misschien geen Skepsis-lid in hart en nieren, maar zeker wel in de lachspieren. Bedankt voor de leuke dag!

 

(1) Elders op mijn blog heb ik de verschillende lezingen in groter detail beschreven.

(2) Zie “Plat of hol? Een scepticus bezoekt een internationale platte-aardeconferentie” in Wonder en is gheen Wonder, herfstnummer 2016.

(3) Hun boek Flying Saucers Have Landed (1953) kan gedownload worden via http://www.universepeople.com/english/svetelna_knihovna/en_flying_saucers_have_landed.htm.

(4) In vorige Wonder en is gheen Wonder, zomernummer 2017, verscheen het artikel “Bizarre buitenaardse bezoekers Geschiedenis van de buitenaardse ufohypothese” van Tim Trachet waarin de aanname van Aartsen meteen neergehaald wordt.

(5) Stefan Ketelaar schreef het vermakelijke artikel “Gezant van Venus. Koninklijke ontvangt voor een fantast”, een verslag van Adamski’s bezoek aan koningin Juliana in 1959. In Skepter 17.3 (2003), elektronisch raadpleegbaar via https://skepsis.nl/adamski/.

(6) Paramedisch & Psychosociaal Mediumschap, http://www.despiritueleacademie.nl/index.php/2013-11-09-11-36-24/paramedisch-psychosociaalmediumschap.html. Geraadpleegd op 9 juli 2017.

Fanmail: Over Johannes Goropius Becanus

De redactie van Wonder is gheen Wonder mocht onderstaande brief ontvangen, en gaf mij de gelegenheid om te reageren en het een het ander uit te zoeken. Deze uitwisseling van gedachten verscheen in het herfstnummer.

* * *

Beste,

Van uw tijdschrift mag men wetenschappelijke accuratesse en objectiviteit verwachten. Het artikel “Fake Linguistics” ging evenwel zwaar gebukt onder het vervelende AMAAI-syndroom (Abominable Mentality Against Antwerp’s Imperialism). De taalkundige bias tegen het Antwerps sloeg dus weer eens toe. Hoe anders te verklaren dat een beslagen linguïst als Frank Verhoft nergens enige vermelding maakt van Jan van Gorp (1519-1573), beter bekend onder zijn verlatijnste naam Ioanus Becanus?

Abraham Ortelius was zijn eerste maar niet zijn laatste grote bewonderaar. Ook vandaag nog wordt hij algemeen aangezien als “de vader van de vergelijkende taalkunde”. Deze wetenschapper publiceerde in 1569 zijn meesterwerk “Origines Antverpianae”, uitgegeven door Plantin – niet het eerste het beste uitgeverijtje. Hierin toont hij onbetwistbaar aan dat Adam en Eva in het Paradijs sappig Antwerps spraken. Alle andere talen zijn daaruit ontstaan!

Wil deze rechtzetting opnemen in uw tijdschrift opdat uw lezers voortaan met kennis van zaken over deze materie zouden geïnformeerd zijn. Dank u.

[naam]

* * *

Beste professor emeritus,

Bedankt voor uw reactie op mijn artikel Fake linguistics. Hoewel ik de deels humoristische ondertoon van uw schrijven heus wel gevat heb, wil ik toch reageren op de onverholen kritiek die er uit sprak.

Brab bio 1_GOROPIUS_afb Groeningemuseum BruggeDe humanist Jan van Gorp (1519-1573) is beter bekend onder zijn correct gelatiniseerde naam Johannes Goropius Becanus.(1) Hij leeft verder in de vakterm goropisme, ‘een belachelijk slechte etymologie’ en dat geeft meteen een idee van zijn reputatie als taalvorser.(2) De voorbeelden die meestal genoemd worden, zijn Adam, volgens Goropius een samenstelling van de twee enkelvoudige (dus pure) woorden ‘haat’ + ‘dam’ en Eva, ‘eeuw’ + ‘vat’. In de toenmalige benaming voor het Nederlands, namelijk Nederduits of Duits, meende hij ‘douts’, ‘d’oudste (taal)’ te moeten terugvinden.

Voor hem, net zoals voor Plato,(3) diende etymologie om een denkbeeld of theorie te verduidelijken. In het geval van Goropius moesten zijn woordverklaringen eerder een heilsgeschiedenis uit de doeken doen dan een woordgeschiedenis.

Ik heb de alinea over Goropius geschrapt uit mijn tekst, wat minder te maken had met een gebrek aan “wetenschappelijke accuratesse”, dan met het feit dat ik ruim tweeduizend jaar linguïstiek en bakken pseudotaalkundige bagger moest persen in het beperkte aantal bladzijden dat voor een artikel gereserveerd wordt. Het heeft ook ‘ielemoal niks van doeng mé “het vervelende AMAAI-syndroom”. Ik vind trouwens dat folkloristisch Antwerps chauvinisme niet verward hoeft te worden met kritisch denken.(4)

De tweede reden waarom ik Goropius niet vermeld heb, is dat hij opduikt in zowat alle Nederlandstalige, populariserende artikelen over malle taaltheorieën. Wat mij betreft hoeft hij dan niet meer in Wonder te staan.

De derde reden is iets complexer en staat schijnbaar haaks op de tweede. Het is ook de aanleiding waarom ik deze repliek toch heb willen schrijven. De internationale, veeltalige intellectueel en koninklijke lijfarts Johannes Goropius Becanus verdient inderdaad beter dan afgeschilderd te worden als een malloot die maar wat aanmodderde in de taalkunde, een vakgebied dat oorspronkelijk niet het zijne was. Daar zijn velen het vandaag over eens. Anderzijds zijn wij, modernen, het aan Goropius verplicht zijn taaltheorieën accuraat weer te geven en dat gebeurt helaas nog veel te weinig. Mijn artikel was niet de geschikte plaats om die discussie uit de doeken te doen.

Maar kijk, Johannes Goropius Becanus wordt nu wél vermeld in dit tijdschrift en ik stel voor dat we dan maar in één ruk doorgaan tot we, met de woorden van Andreas Dunius, aan het gaatje zijn.

becaIn de inleiding van de Goropius’ biografie geeft Toon van Hal geen al te slechte reden waarom de taalkundige ideeën van Goropius waarschijnlijk zo vaak fout worden weergegeven: Van Hal heeft de scriptie van de te vroeg overleden Eddy Frederickx uitvoerig aangepast en uitgegeven en hij acht, enigszins humoristisch, de kans reëel dat Fredericks “wellicht de enige lezer is die de twee vuistdikke pillen van de Antwerpse arts heeft doorgewerkt”.(5) Hoewel het Latijn van Goropius best proper is, telt de eerste brik van twee, Origines Antwerpianae sive Cimmeriorum Becceselana, ruim 1000 bladzijden. Ik moet toegeven dat ik ook liever naar het mooie drukwerk kijk dan dat ik de Latijnse tekst effectief lees. Vandaar dat ik voor dit artikel mijn toevlucht heb genomen tot de gedeeltelijke vertaling zoals verschenen in Van Adam tot Antwerpen (2014) door Nico de Glas.(6)

En met de Origines Antwerpianae zijn we terug bij ons dubbel uitgangspunt: Goropius heeft nooit beweerd dat Adam en Eva in het aards paradijs Antwerps praatten en de idee dat alle andere talen uit het Antwerps, Brabants of Nederlands ontstaan zouden zijn, komt niet voor in zijn geschriften.

Deze foute voorstelling van Goropius’ theorieën kan geen enkele leek kwalijk genomen worden omdat ze ook nu nog opgevoerd wordt in populariserende werken over taal en taalkunde, zoals bijvoorbeeld in de verder uitstekende Atlas van de Nederlandse Taal uit 2017. Daarin wordt hij zelfs afgebeeld met een zotskap op zijn hoofd.(7) Het zou me niet verbazen dat de immer weerkerende voorbeelden geciteerd in de eerste alinea, Adam, Eva en Duits, die foute ideeën alleen maar versterken.

Cornelis_van_Haarlem_-_De_zondevalVolgens Goropius was de eerste taal, die van Adam en Eva, de perfecte, de volmaakte. Hij situeerde hun Tuin van Eden echter in India! De boom van goed en kwaad was volgens hem de Indische vijgenboom en waar vind je meer slangen dan in India? Na de zondvloed zwermden de kinderen van Noah uit over de hele wereld. De nazaten van Noah’s zoon Japeth spraken nog steeds die perfecte taal, wat Goropius af en toe ook (Indo-)Scythisch noemde, en zij verspreidden zich over Europa. Op hun beurt stichtte een groep van hun nakomelingen, de Atuatuken, Antwerpen. Zij spraken een nauw verwante vorm van het Indoscythisch, namelijk het Cimbrisch, of Cimmerisch. Het is niet altijd even duidelijk wat hij nu net bedoelt met Cimbrisch; soms lijkt hij te praten over Nederduits, gesproken tussen de Schelde en het huidige Estland, soms specifiek over het Brabants dialect en heel zelden over het Antwerps. In bepaalde passages lijkt hij te mijmeren over het feit dat de Nederduitse dialecten uit elkaar lijken te groeien, wat hij dan weer linkt aan de groeiende religieuze verschillen tussen katholieken en de protestantse stromingen. We mogen echter niet al te veel consistentie verwachten in de geschriften van Becanus, die soms lijken op een ongecontroleerde stroom van halve gedachten en argumenten. Hoe dan ook, de oudste taal is zeker geen “sappig Antwerps” én de taal die in Antwerpen wordt gesproken is volgens Becanus de taal van immigranten.

Wat dan met de tweede bewering, namelijk dat alle talen uit de lokale Antwerpse taal zouden voortkomen? Goropius was een polyglot, hij kende zeker Latijn, Grieks en Hebreeuws. Als fervent boekenverzamelaar was hij vrijwel zeker op de hoogte van heel veel andere, wildvreemde talen die gesproken werden over een steeds groter wordende wereld en die gretig beschreven werden door Europese ontdekkingsreizigers. Hij zag overeenkomsten tussen deze en gene taal, maar hij besefte ook dat sommige talen helemaal niets met elkaar te maken konden hebben (of leken te hebben). Verder kende hij zijn klassieken en zijn Bijbel. Hij nam zich de vrijheid om op basis van klassieke teksten niet zozeer het Bijbelse verhaal tegen te spreken, dan wel subtiel of minder subtiel te modificeren. Goropius twijfelde niet aan het verhaal van de Toren van Babel: na dat akkefietje met het grootse bouwwerk zorgde God ervoor dat de mensen elkaar niet meer konden begrijpen. De verschillende talen, wij zouden nu min of meer taalfamilies zeggen, zijn dus niet gegroeid uit het Cimbrisch, Nederduits of Antwerps. Met de spreekwoordelijke knip van de goddelijke vingers veranderde Jahweh alle talen van de volkeren die aanwezig waren bij de bouw van de Toren. De Cimbriërs waren echter niet in Babel en om die reden wordt de eerste taal, d’oudste, volgens hem nog steeds gesproken, toevallig in zijn geboortestreek.

Zelf heb ik mij even verweten dat ik in mijn artikel “Fake linguistics” geen aandacht heb besteed aan de studie van het Gotisch in de Lage Landen, wat van enorm belang is geweest voor het ontstaan van de vergelijkende taalkunde van het Germaans in deze contreien. We schrijven midden 16de eeuw en later, inderdaad ook wat de taalwetenschap betreft een uiterst boeiende periode.(8) Als we al nood zouden hebben aan een vader van de vergelijkende taalkunde in de Nederlanden, dan moeten we hem volgens mij zoeken onder de vele vorsers uit die periode. Maar, zoals ik al impliceerde in mijn artikel, vind ik het concept “de vader van” te beperkend, te weinig productief.(9) Niet mijn ding. Goropius hééft zich zoals vele taalvorsers in de Lage Landen bezig gehouden met dat Gotisch, maar hij zag er eerder een oude vorm van het Nederlands gecorrumpeerd door het Grieks in, dan een aparte, oude Germaanse taal.

Johannes Goropius Becanus of de vader of de zatte nonkel van de vergelijkende taalkunde noemen, beide zouden even ongepast zijn. Hij heeft heel wat toenmalige heilige huisjes ingetrapt. Hoewel hij welwillend stond tegenover het Hebreeuws, voerde hij aan dat het niet de eerste, de oudste taal kon zijn. En dat op zich was in die periode vrij choquerend. Misschien heeft hij mensen aangezet om buiten de lijntjes te kleuren, om de platgetreden paden te verlaten en op zoek te gaan naar nieuwe inzichten, hoewel hij zelf duidelijk de weg kwijt was. En dat hoeft ons niet te verbazen: de taalonderzoekers waren nog maar net begonnen de taalwetenschap uit de grond te stampen.

 

Noten

  1. De letter “I” in de gelatiniseerde versie wordt normaliter getranscribeerd als “J”, net zoals de “V” weergegeven wordt met een “U”. De literatuur noch de titelpagina’s uit de drukkerij van Plantin vermelden “Ioanus”.
  2. “[Goropiser, c]’est que les étymologies étranges et souvent ridicules de Goropius Becanus” in Gottfried Wilhelm Leibniz, Nouveaux essais sur l’entendement humain (1762). Hier geraadpleegd in de editie van 1921, via https://archive.org/details/ nouveauxessaissu00leib.
  3. Voor een meer academische benadering van zijn etymologische methoden zie bijvoorbeeld R.A. Naborn: “Becanus’ etymological methods” dat te raadplegen is via de schitterende website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL), http://www.dbnl.org/.
  4. Ter vergelijking: aantal Bruggelingen dat naar aanleiding van mijn stuk over pseudolinguïstiek en de geschiedenis van de taalkunde in Wonder en is gheen Wonder reclameerde dat, u voelde hem aankomen, Simon Stevin níet vermeld werd: nul.
  5. Eddy Frederickx (†) en Toon van Hal, Johannes Goropius Becanus (1519-1573). Brabants arts en taalfanaat. Hilversum, Uitgeverij Verloren, 2015, p. 11.
  6. Johannes Goropius Becanus, Van Adam tot Antwerpen. Een bloemlezing uit de Origines Antwerpianae en de Opera van Johannes Goropius Becanus. Hilversum, Uitgeverij Verloren, 2014. In deze context is het bijna helemaal vertaalde Boek V Indoscythia van belang. Op de website van de Vlaamse Erfgoedbibliotheek, Flandrica.be, vindt u een digitale kopie van het integrale drukwerk uit 1569.
  7. Fieke Van der Gucht e.a., Atlas van de Nederlandse Taal. Editie Vlaanderen. Lannoo, 2017, p. 125.
  8. Zie bijvoorbeeld R.G. Van de Velde, De studie van het Gotisch in de Nederlanden. Bijdrage tot een status quaestionis over de studie van het Gotisch en het Krimgotisch (1966). Het Museum Plantin-Moretus bezit én stelt daarvan meerdere gedrukte getuigen uit die periode tentoon.
  9. Zo wordt in de Engelstalige traditie vaak de Engelstalige sir William Jones opgevoerd als vader van, 16 jaar na het verschijnen van indrukwekkend goed taalkundig onderzoek in een taal die de meeste Angelsaksen niet machtig zijn. Lezers die op zoek zouden zijn naar nóg meer vaders in de taalkunde, beveel ik het boek A Short History of Linguistics van R.H. Robbins aan. De 280 pagina’s dat het uitstekende werk dik is, bulken ervan.

Ecomoe

Dit al wat oudere artikel verscheen in Wonder en is gheen Wonder, het blad van Skepp (zomer 2016).

* * *

Wat doet een mens wanneer-ie het afgedankte Ecomamaboek. Groen en bewust leven met kids (2009) terugvindt in de uitverkoopbakken van de Gentse bibliotheek? Kopen voor een habbekrats of laten recycleren?

Het was de achterflap van het “zapboek voor de ecolicious mama van nu” die me deed beslissen om dit pareltje van alternaïef denken te redden van de papiermachéfabriek: “Ze schrijven met kennis van zaken en humor over onderwerpen die hen na aan het hart liggen”, verzekerde de flap.

Dat treft, ik ook.

De eco lifestylegids beslaat de ganse activiteitenwaaier van de moderne en dus drukbezette ecomama (m/v) waaronder shoppen, beleggen, reizen, managen en relaxen in wellnesscentra. Elk van die onderwerpen wordt rijkelijk voorzien van bakstenen en elektronische adressen. Beide auteurs raden winkels aan die hun hoge normen beantwoorden, ze verwijzen door naar grote en kleine handelszaken die ze ethisch even hoogstaand achten en geven lovende besprekingen van boetiekjes voor duurzame parafernalia allerhande.

Mij doet het een beetje denken aan Elsschots Lijmen, waarin het hoofdpersonage op zoek gaat naar adverteerders om de publicatie te financieren. Het verschil hier is dat niet de goedgelovige adverteerders met volledige oplagen aan bedrukt papier blijven zitten, wel de openbare bibliotheken.

Onderwerpen te over dus en van sommige heb ik echt geen kaas gegeten, Elsschotiaanse pun not intended. Geldzaken zijn niet mijn sterkste kant en daarom zal de skepticus in mij het vertikken om commentaar te geven op de voorgestelde geldmeditatie: “gewoon op je stoel blijven zitten en mediteren dat het geld naar je toestroomt”. De germanist in mij wil er wel op te wijzen dat “mediteren” hier niet de klassieke betekenis heeft van “in zichzelf keren om de diepste werkelijkheid te ervaren”.

Hoe dan ook, ik ga me in dit stuk concentreren op twee onderwerpen die míj “na aan het hart liggen”, namelijk voeding en gezondheid.

Voeding

“Bio staat voor biologisch”, lees ik in het eerste hoofdstuk. “Simpelweg betekent het dat als je een biologisch product koopt, je zeker weet dat het geteeld is zonder kunstmest en giftige bestrijdingsmiddelen.” Het eerste deel van het citaat klopt, bio staat inderdaad voor biologisch, dat van die kunstmest is ook waar. Vanaf dan lijkt het mij inderdaad nogal simpel én misleidend.

Biolandbouw is een vlag die een wel zeer diverse lading dekt. Men heeft de zogenaamde biodynamische landbouw, gebaseerd op de ideeën van Rudolf Steiner, waarbij een met mest gevulde koeienhoorn die een dertigtal centimeters onder de grond moet begraven worden, de hoofdrol speelt. En waarbij ik moet vermelden dat Herr Steiner een even groot pedagoog was als landbouwkundige.

Ook de zogenaamde Anastasialandbouw wordt gerekend tot de biologische landbouw. “Zaad kan naast interne informatie ook informatie uit de omgeving, bijvoorbeeld van de mens, opnemen. Dit weerspiegelt zich in de vruchten van de uit het zaad groeiende plant, die kunnen dan als heelmaker dienen,” aldus een enthousiaste Anastasiaboer in de vakliteratuur [1].

Bent u er nog?

Hoe dan ook, om discussie over de Ware BioSchot te vermijden, houd ik het bij de versie die de Europese Unie in gedachten, en Delhaize en Carrefour in de rekken hebben.

Is een bioproduct echt wel geteeld “zonder […] giftige bestrijdingsmiddelen”? Dat lijkt mij een kwestie van semantiek en dosis. De bacterie Bacillus thuringiensis (Bt) mag in de biolandbouw gebruikt worden omdat het een zogenaamd natuurlijk bestrijdingsmiddel is. Het wordt dan ook algemeen beschouwd als een zeer veilig pesticide. Voor mensen althans. Voor insecten is het schadelijk, anders was het geen bestrijdingsmiddel. Diezelfde bacterie Bacillus thuringiensis wordt ook gebruikt in de gg-maïsteelt, maar dan is het volgens tal van bio-adepten plots wél een vergif.

Anderzijds is Bordeauxse pap, een mengeling van kopersulfaat en gebluste kalk, toegestaan in de biolandbouw als preventief, schimmelwerend middel. Franse biowijnboeren gebruiken het nog steeds. Nochtans vindt Europa dat koperverbindingen “voldoen aan de criteria om als persistente en toxische stoffen te worden beschouwd.”[2] David Zaruks lijstje, “Dirty Dozen – 12 highly toxic pesticides approved for use in organic farming”[3] doet nog meer afbreuk aan de stelling dat de biologische landbouw vrij van gevaarlijke bestrijdingsmiddelen is.

Een niemendalletje in groene drukinkt voor hippe ecomama’s waarin producten én winkels aangeraden en gepromoot worden, mogen we natuurlijk niet verdenken van al te veel inzicht en nuance. Anderzijds is het tergend en weinig ethisch dat de twee auteurs hun geliefkoosde producten menen te moeten slijten met behulp van onduidelijke en zelfs ongefundeerde claims. Vergelijken we de uitspraak dat bioproducten gezonder zijn, met enkele regels uit het rapport Voedselkwaliteit, veiligheid en gezondheid van biologische producten, uit 2009[4]:

Mogelijke gezondheidseffecten die in verband worden gebracht met biologische voeding zijn: effect op het immuunsysteem, waaronder allergische klachten, vruchtbaarheid, overgewicht, en als afgeleide hiervan een lager risico op hart- en vaatziekten en kanker. Echter, het aantal studies dat gezondheidseffecten heeft onderzocht is gering. Er zijn enkele studies bij mensen uitgevoerd en daarnaast bestaan er een aantal studies met dieren of in vitro modellen. Het is daarom voorbarig om nu conclusies te trekken op het gebied van gezondheid.

Of bio groen en duurzaam is, zelfs daarover zijn de meningen verdeeld. Het rapport hierboven is een van de vele dat lovend is voor biolandbouw. Iemand als Louise Fresco, hoogleraar aan een rits universiteiten en gespecialiseerd in duurzame ontwikkeling in een internationale context, staat er dan weer iets kritischer tegenover. Zij reduceert ‘biologische’ landbouw tot een kwestie van louter juridische kaders en certificatenmolens waarbij elk voordeel (bijvoorbeeld geen kunstmest) zijn nadeel heeft (groter ruimtebeslag).

Mij lijkt het hierboven geciteerde rapport vrij evenwichtig: het staat enerzijds zeker positief ten opzichte van de biolandbouw, maar het gaat de caveats en eventuele problemen niet uit de weg. Ook Fresco is zeer genuanceerd in haar uitleg: puur praktisch is het onderscheid biologische versus niet-biologische volgens haar volstrekt overbodig. Zij pleit voor de best mogelijke landbouw, met de best mogelijke praktijken, waar die ook ontstaan zijn. U kan het rustig nalezen in de klepper Hamburgers in het Paradijs. Voedsel in tijden van schaarste en overvloed (2012).

Het is nu net dit gebrek aan nuance en kritische reflectie dat me mateloos ergert bij het lezen van eco lifestyle boekjes, dito websites, schotschriftjes van veldvertrappelende eco warriors en verklaringen van groene politieke partijen.

Gezondheid

In het deeltje ‘Schone handen en gezondheid’ loopt het pas echt goed mis; het leest als een hoofdstukje ‘Hoe blind slikgedrag aanmoedigen’. ”Veel homeopathische middelen worden biologisch verbouwd”, weten de ecomama’s. Deze zin doet mij vermoeden dat de auteurs evenwel niet weten wat homeopathie is, en dat ze alle kruidengeneeskunde en andere ‘alternatieve’ geneeswijzen op een hoopje smijten. Verder vinden zij biologische slash homeopathische middeltjes die de “weerstand opvijzelen” toppie. Nog groener natuurlijk is het om die homeopathische rommel niet te kopen: de milieukosten voor het produceren, verpakken, transporteren van fake geneesmiddelen, zijn gewoonweg veel te hoog.

Ze raden bijvoorbeeld ook salie(thee) aan tegen een verkoudheid als “natuurlijk antibioticum” (en we gaan hier zelfs niet moeilijk doen over antibioticum v.a.v. virale infecties). Ja, zowat elke warme, niet-alcoholische drank doet deugd bij een lastige verkoudheid, en nee, saliethee steekt er nu niet bepaald bovenuit. Het valt me trouwens op dat de meest groene remedie tegen de gewone verkoudheid niet vermeld wordt, namelijk rusten. Misschien denk ik nu te veel vanuit een traditioneel Westers medisch kader. Anderzijds, de eerlijkheid gebiedt me te vermelden dat de auteurs aanraden om een dokter te raadplegen wanneer het ernstig wordt.

Wat het geteem over yin en yang komt doen in een boekje over groen leven is me eveneens een raadsel. Ik bespaar u het gebruikelijke pseudo-oosters gejengel. Evenals het gehannes over ayurveda, waarmee we trouwens terug in de buurt komen van de zware metalen. Loodvergiftiging door ayurvedische middelen, hoe natuurlijk lood (Pb) ook is, is niet echt een aanrader. En een massage, dat is zelfs niet groen of altmed. Zelf zou ik behoorlijk gespannen geraken van de spirituele, esoterische uitleg over Thaise sea holistic stempelmassages, maar dat geheel terzijde.

Terwijl u zich afvraagt wat dit alles nu te maken heeft met groen en bewust leven, zwatelen de dames verder over de geestelijke gezondheid. Een van hun suggesties is floaten, drijven in een “spaceachtige, eivormige cabine… op zeer zout water”. En dat werkt ontspannend, aldus de auteurs, waarbij ze zich niet kunnen onthouden van de freudiaans geïnspireerde gedachte dat het ook een terugkeer is naar het baarmoedergevoel. Wat hébben pseudopsycholo’s toch verloren, daar in die baarmoeder?

Het hele boekje flirt met de gedachte dat trendy mama het beter weet, net en alleen omdat ze een moeder is. Het idee dat moeder het beter weet dan vader, daar kan ik inkomen. Dat ze beter op de hoogte is van epidemiologische, medische, agrarische, biotechnologische onderwerpen dan epidemiologische, medische, agrarische, biotechnologische specialisten, dat is mij een brug te ver.

De platitudes en halve waarheden die beide dames debiteren in een poging om “hip en verantwoord” te zijn, beginnen al snel tegen te steken. Ik vraag me af in welke mate er hier belangen vermengd worden. Groen leven, graag en snel een beetje, maar moet dat nu echt gepaard gaan met pseudo-spirituele, alternatief-medische en hard core esoterische nonsens? Alsof het allemaal niet zo serieus genomen moet worden en alsof groen een modieus detail is, een extra argumentje om de alternatieve kassa te laten rinkelen.

Besluit: het meest groene aan Het Ecomamaboekje is de groene inkt waarin het hele gedrocht gedrukt is.

Elma Sitzinger en Froukje Wattel, Het Ecomamaboek. Groen en bewust leven met kids, Truth&Dare, 2009

 

[1] Frens Schuring, “Anastasia en Vedische landbouw”, in: Dynamisch Perspectief, nr. 5, 2007, p.1012 http://edepot.wur.nl/116167
[2] Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408 van de Commissie van 11 maart 2015 inzake uitvoering van artikel 80, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot vaststelling van een lijst van stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen http://eurlex.europa.eu/legalcontent/NL/TXT/?uri=uriserv%3AOJ.L_.2015.067.01.0018.01.NLD
[3] David Zaruk, “The RiskMonger’s Dirty Dozen – 12 highly toxic pesticides approved for use in organic farming”, The Risk Monger, 2015
https://riskmonger.com/2016/04/13/theriskmongersdirtydozen12highlytoxicpesticidesapprovedforuseinorganicfarming/
[4] Lucy van de Vijver, Ron Hoogenboom, Machteld Huber, Voedselkwaliteit, veiligheid en gezondheid van biologische producten Update van de literatuur, Wageningen, Institute of Food safety, 2009
http://www.louisbolk.org/downloads/2123.pdf

Fake linguistics. Pseudotaalwetenschap van Plato tot Lacan

Wonder 201702Dit artikel verscheen eerder in Wonder en is gheen Wonder (Zomernummer 2017), het ledenblad van SKEPP.

* * *

Uitbundig is de relatie tussen taalkunde en skepticisme niet. In het Engelse taalgebied zijn voor zover ik weet enkel de Australisch-Amerikaanse Karen Stollznow en de even skeptische Brit Mark Newbrook actief. In de Lage Landen pleegt SKEPP’er Herman Boel regelmatig kritische stukjes over taalgerelateerde onderwerpen (zie onder meer “Pseudotaalwetenschap in actie” op taalfluisteraar.be). Al bij al verschijnen er weinig kritische beschouwingen over (pseudo)taalkundige onderwerpen in de skeptische literatuur.

Toegegeven, het is zelden dringend: een pseudolinguïstische gedachte botst met geen enkele fundamentele natuurwet en niemand wordt onwel van een vermeend infix meer of een gepostuleerde laryngaal minder. Verder zijn er zijn tal van esoterische taaltovenaars, maar zelden lichten ze iemand op. Wie ligt er wakker van een al te warrig en volslagen zinloos “bioklankwetmatig” (schrijf)systeem dat “gebaseerd is op de 12 zuivere klanken en 12 tonen”, behalve dan de Nederlandse bedenker en taalmorosoof Bob Zwamborn zelf? Een doffe taalchakra, een aandoening die volgens de vakliteratuur vooral de spiritueel-energetisch geïnclineerden lijkt te treffen, die poetst u zelf op met een zacht doekje en een toefje spuug, toch?

Met fake lingustics valt door de bank genomen weinig geld te verdienen, misschien met uitzondering van het zogenaamde Neurolinguïstisch Programmeren (NLP) en grafologie. Dat laatste was ooit een populair middel om tijdens een sollicitatieronde geschikte kandidaten te selecteren op basis van hun handschrift. Gelukkig lijken beide kwakpraktijken op hun retour te zijn. Er wordt tegenwoordig wel reclame gemaakt voor dure taalcursussen in combinatie met hypnosesessies die na een minimaal aantal uren miraculeuze resultaten beloven. Maar daarbij kan ik enkel een vraagteken plaatsen wegens onvoldoende onderlegd in het aspect hypnose.

In dit artikel wil ik één taalkundig deelgebied onder de loep nemen, meer bepaald de omgeving waar twee takken van de linguïstiek samenkomen: de historische en de vergelijkende taalkunde. En zoals vaak het geval is bij studiegebieden die heel wat expertise veronderstellen, worden ook deze in niet-academische context overspoeld door tal van zelfverklaarde taalvorsers voor wie een gebrek aan kennis, gespecialiseerde én elementaire, niet bepaald een hindernis lijkt te zijn. Eerder dan een opsomming van verschillende karakters en hun taalhistorische en -vergelijkende pseudotheorieën, wil ik doorheen de voorgeschiedenis van de taalkunde zigzaggen en op zoek gaan naar historische, pre-wetenschappelijke aanknopingspunten voor verschillende moderne pseudotaalkundige theorieën.

Grieks-Romeinse stijl

Patèr, pitaram, pater. Waarschijnlijk herkent u eerder de drie woorden dan de drie talen waarin ze inderdaad ‘vader’ betekenen. Geen idee of de reeks esti, asti, est u iets zegt, maar als ik er het Duitse ist aan toevoeg, dan zal het u niet verbazen dat het hier in de drie, vier gevallen gaat over een woord dat ‘is’ betekent en dat ze inderdaad allemaal verwant zijn aan het Nederlandse woord is, cognaten in het jargon.

Hoe vanzelfsprekend de overeenkomsten tussen deze twee voorbeeldreeksen ons nu ook lijken, er zijn zo goed als geen getuigenissen opgetekend van Oude Grieken die zich na decennialange en nauwe contacten verbaasden over gelijkenissen tussen woorden uit de eigen taal (patèr, esti) en het Oudperzisch (pitaram, asti) of, in een latere periode, tussen het Grieks en het Latijn (pater, est). En dat is vrij eigenaardig aangezien de klassieke Hellenen wél een goed oor hadden voor verschillen en gelijkenissen tussen de eigen dialecten en aangezien ze meer dan behoorlijk werk hebben verricht op het gebied van de grammaticale beschrijving van de eigen taal. Anderzijds, het Griekse woord voor sprekers van andere talen was barbaroi, letterlijk bla-bla’ers, onverstaanbare stamelaars, en dat getuigt niet bepaald van een open instelling of van een bereidheid om eventuele talige gelijkenissen verder uit te spitten.

De Romeinen verzetten eveneens ronduit indrukwekkend werk in verband met grammatica, taalbeschrijving en taalbeschouwing. Hun taalkundige ideeën over de gelijkenissen tussen het Latijn en het Grieks zijn wel overgeleverd, maar ook hier getuigen de bevindingen van een totaal gebrek aan historisch-taalkundig besef. Uiteraard hoeft dat niet te verbazen: de taalkunde stond toen zelfs nog niet in haar kinderschoenen.

Marcus Terentius Varro (116 – 27 v.Chr.), één van de bekendste en interessantste schrijvers over taal, dacht dat het Latijn een Grieks dialect was. Zijn redenering was eenvoudig: er zijn heel wat woorden in de twee talen die op elkaar lijken dus elk Latijns woord dat op een Grieks woord lijkt, moet wel een Grieks leenwoord zijn. Ergo, Latijn is een Grieks dialect. Eenzelfde gedachtegang ten aanzien van het Grieks en het Frygisch vinden we terug in Plato’s Kratulos. Varro was er zich uiteraard niet van bewust dat het Grieks en het Latijn erfwoorden delen en dat het Latijn tal van woorden aan het Grieks ontleende.

Laat het mij vertalen naar het Nederlands en het Engels: computer is overduidelijk een leenwoord uit het Engels, net zoals peer review en cash. Deze woorden worden vrij courant gebruikt door sprekers van het Nederlands. Maar als we nu élk woord dat het Nederlands gemeen heeft met het Engels als een leenwoord gaan beschouwen, dus ook water, moeder, denken, etc., dan zouden we, Varro’s redenering indachtig, op basis van de woordenschat kunnen concluderen dat het Nederlands een Engels dialect is. Quod non. De door Varro voorgestelde taalkundige relatie tussen Grieks en Latijn was geen toevalstreffer: de Griekse cultuur werd in die periode als superieur aan de Romeinse beschouwd. En dat is een tweede aspect om te onthouden: van een superieur geachte cultuur wordt vaak ook de taal als superieur beschouwd. Het idee van superioriteit stond onderzoek in de weg.

De verleiding van de vergelijking

Het lijkt ook nu nog voor vele moderne taalkundige leken een aantrekkelijke gedachte om het eigen bescheiden karretje te kunnen vasthaken aan een grootsere kar. Die eer wordt bijvoorbeeld vrij vaak gereserveerd voor het Sumerisch, een wat mysterieuze, uitgestorven taal, geschreven in spijkerschrift en gesproken door een oude en cultureel hoogstaande beschaving. Hoewel het volgens de meeste experts ter zake een geïsoleerde taal is, dus een taal zonder gekende verwanten, brengen zelfverklaarde vorsers het Sumerisch maar al te graag in verband met andere talen, meestal wars van enig historisch besef en wars van die andere storende zandkorrels in de menselijke hersenmechaniekjes die alternatieve theorieën genereren, namelijk feiten. Eenzelfde lot zijn heel wat andere talen beschoren, maar het Baskisch, Japans en Hebreeuws duiken het vaakst op in deze context.

Pseudotaalkundigen die verbanden zoeken tussen hun geliefkoosde taal en een andere, gaan vaak op een gelijkaardige manier te werk: enthousiast leggen ze ellenlange, tweetalige lijsten aan, tsjokvol woorden die op elkaar lijken. Op zich is dat geen slecht uitgangspunt. Bekijk gewoon even deze twee Duitse, Engelse en Nederlandse woorden, Mann, man, man en haben, have, hebben, en probeer dan niet te denken aan een onderlinge verwantschap.

Een snel gegoogeld maar al te typisch voorbeeld van zo’n tweetalige lijst vinden we op de webpagina’s van ene Angus J. Huck. Volgens hem wijzen de woordparen ada / aita (vader), ge / gau (nacht) op een speciale verwantschap tussen het Sumerisch en het Baskisch. Dat hij al vrij creatief moest zijn bij het opstellen van de lijst met woordparen, lijkt hem niet te deren: voor hem zijn zelfs garash (Sumerisch, stro) en garo (Baskisch, varen), gari (Baskisch, koren), mogelijk verwante woorden. Een tweede en derde probleem dat liefhebbers van zulke lijsten niet lijken te raken, zijn de gebrekkige historische component en het feit dat woorden uit twee talen die duizenden kilometers én jaren uit elkaar liggen niet zomaar, zonder enige context naast elkaar kunnen gepleurd worden.

Daarbij komt nog eens het eenvoudige feit dat de kans om twee gelijkvormige woorden te vinden in twee willekeurige talen vele malen hoger is dan algemeen gedacht, als men maar lang genoeg zoekt en als men de voorwaarden voor opname flexibel genoeg maakt of simpelweg achterwege laat. Linguïst Don Ringe heeft hierover aardige dingen geschreven, onder andere On Calculating the Factor of Chance in Language Comparison (1992). En die toevalstreffers zijn soms ronduit indrukwekkend: zo heeft het Engelse bad (slecht) niets te maken met het Perzische bad (slecht). Het Latijnse deus lijkt op het Griekse theos, het Duitse haben op het Latijnse habere, maar opnieuw, deze twee woordparen zijn geen cognaten, zijn dus etymologisch niet verwant.

Het probleem is dat vele pseudotheorieën staan en vallen met dit soort lijsten. Of beter, de theorieën staan en blijven overeind in de hoofden van hun bedenkers. Pseudotaalkundige theorieën van de pedestal laten vallen waarop de bedenker ze met veel zorg geplaatst heeft, lukt zelden of nooit. Nog minstens twee redenen waarom tweetalige lijsten als die van Angus J. Huck weinig tot geen waarde hebben en zelden of nooit productief zijn, bespreek ik op het einde van dit artikel.

Lettersoep

Er zijn zelfs politiek en religieus gemotiveerde taalvorsers die van de eigen taal de locomotief maken die de hele taalgeschiedenis voorttrekt, zoals de Canadees-Joodse Isaac Mozeson en zijn Turkse tegenhanger Polat Kaya. De eerste verbaast er zich na dertig jaar nog steeds over dat taalkundigen zijn theorie omtrent het primaat van het Oudhebreeuws niet aanvaarden. Nochtans meent hij over voldoende bewijzen te beschikken dat Oudhebreeuws dé proto-wereldtaal bij uitstek is, de eerste menselijke taal dus. In zijn theorie werd wereldwijd Hebreeuws gesproken vóór de werken aan de toren van Babel. De andere is dan weer een Pan-Turkist die voor elk woord, uit welke taal dan ook, een Turkse oorsprong verzint. Beiden gebruiken in eerste instantie de hierboven geschetste werkwijze van meertalige woordenlijstjes.

Taalkunde volgens Isaac Mozeson, een voorbeeld.

Het spreekt vanzelf dat ze in tweede instantie een gigantisch aantal adhoc-procedés moeten verzinnen om toch nog bij hun doel uit te komen. Polat Kaya erkent dat enigszins maar vat de verzameling methodologisch onverantwoorde verzinselen samen met de gewichtig klinkende term “anagrammatisatie” (anagrammatizing). Kort gezegd: eender welke letter van een woord kan vervangen worden door eender welke andere letter, als het maar goed uitkomt, en ‘goed’ betekent hier Turks. En nee, onze brave would-be-linguïst kan inderdaad nog geen letter van een klank onderscheiden.

Een voorbeeld: het Engelse woord encrypt komt van het Griekse kryptein, maar de Engelsen hebben dat Griekse woord bewust gevormd via “anagrammatisatie”: de ‘ein’ van krypt + ein werd naar voren geplaatst, dus en + crypt. De volgende stap in de redering zal u dan ook niet verbazen: het Griekse kryptein is dan weer een bewuste anagram van de Turkse frase kirip etin (breken, plus een hele uitleg die ik u bespaar)[1]. Net zoals spelen met de lettertjes in de tomatensoep en naar eigen goeddunken en smaak extra lettertjes bijstrooien of “gecorrumpeerde letters” uit het bord scheppen, lijkt ook Kaya’s methodologie mij geen degelijke basis voor een productief historisch-taalkundig onderzoek.

Komt daarbij dat Polat Kaya zijn tekort aan taalkundige basiskennis combineert met een teveel aan complottheorieën: volgens hem proberen geheime genootschappen, gemotiveerd door een allesverterende afkeer van de Turkse taalkundige en culturele superioriteit al zo’n 4000 à 5000 jaar lang te verheimelijken dat het Turks de moeder aller talen en culturen is. Figuren als Mozeson, Kaya en vele andere zelfverklaarde onderzoekers van het zoveelste knoopsgat misbruiken het koppel historische en vergelijkende taalkunde om het voor hun politieke of religieuze wagen te spannen en te mishandelen.

Polat Kaya’s verzamelde waangedachten gaan au fond terug op een heel bijzondere taaltheorie die in de jaren 1930 door Mustafa Kemal Atatürk gepropageerd werd. De taalzuivering van het Ottomaanse Turks, ten koste van talloze, vooral Arabische en Perzische leenwoorden, en de invoering van het Latijns schrift ter vervanging van het Arabische gingen hem niet ver genoeg. Enter Güneş Dil Teorisi, de Zonnetaaltheorie. Omdat het te moeilijk bleek om élk woord in het Turkse lexicon te zuiveren, liet men bij decreet vastleggen dat de oorsprong van elk woord Turks was. Om de daaropvolgende hetze te ontzenuwen, bepaalde men vervolgens dat een oude vorm van het Turks (lees: Turks) de eerst gesproken taal ter wereld was en dat alle andere talen uit dat Turks zijn voortgekomen, inclusief de talen van de grote beschavingen, zoals het Sumerisch, Egyptisch en Grieks. Zo’n 70 à 80 jaar nadat zelfs Atatürk de theorie heeft verlaten, zijn er dus nog steeds overtuigde Pan-Turkisten zoals Kaya die hun vrije tijd besteden aan het bewijzen van deze merkwaardige pseudotaalkundige theorie.

Etymologie à la Plato

Maar terug naar ons historisch overzicht, terug naar de Klassieken. Bij het schrijven over de (prille) geesteswetenschappen in de Griekse wereld is het zo goed als onmogelijk om geen lokale filosoof te vermelden. Plato dus en zijn Kratulos is één lange beschouwing over taal waarbij de conversanten zich afvragen of woorden en benamingen uit de natuur der dingen voorkomen of louter het gevolg zijn van afspraken, ergo arbitrair. Food for thought waar eeuwen later ook de Middeleeuwers nog stevig op kauwden. Dat is goed om weten als u van plan bent om Umberto Eco’s De naam van de Roos te herlezen, maar ik wil hier evenwel ingaan op hoe Plato etymologische verklaringen van woorden geeft die voor ons modernen heel bijzonder lijken.

Terwijl we in modernere tijden onder etymologie de verklaring voor de vorm van een woord doorheen de geschiedenis verstaan, lag dat voor Plato en de zijnen net iets anders. Zij wilden vooral de ware betekenis van het woord achterhalen, niet zozeer de historische. Is lucht aer, vraagt Sokrates zich af, “[o]mdat lucht de dingen opheft (airei) van de aarde of omdat lucht altijd stroomt (aer rei)?”[2] Een woord zoals fronesis, ‘nadenken’, wordt dan weer uitgelegd met behulp van frasen die er enerzijds een klein beetje op lijken en die anderzijds Sokrates’ denkbeelden willen verduidelijken: denken over stroming en beweging (foras rou noèsis) en nut van beweging (foras onèsis). Zelfs als uw kennis van het Grieks helemaal verschrompeld of onbestaande is, dan nog mag het geheel duidelijk zijn dat deze etymologieën een totaal andere functie hadden dan de onze nu. Het is evenwel minder duidelijk in hoeverre het personage Sokrates hier danig met de voeten van zijn gesprekspartner aan het rammelen was, of Plato met die van zijn lezers. Daarover heerst nog steeds heel wat academische onenigheid.

Ook na Plato werd deze manier van associatief etymologiseren gebezigd. Het meest markante voorbeeld vinden we – en we spoelen de band wel heel snel door – in de geschriften van Jean-Pierre Brisset, “de man die [op 13 april 1913] is uitgeroepen tot Prins der Denkers omdat hij op taalkundige gronden heeft bewezen dat de mens van de kikker afstamt”[3]. Matthijs van Boxsel, van wie ik het vorige citaat leende, schetst in zijn boek Morosofie op een meelevende manier het aandoenlijke verhaal van deze even doldwaze als dieptragische taalvorser die op handen werd gedragen en werd gebruikt door surrealisten zoals André Breton en Raymond Queneau. Brissets bekendste werken zijn La grammaire logique (1878) en La science de Dieu (1900)[4].

Van de kikker dus. Brissets werkwijze kan ik in de context van dit artikel enkel zeer onnauwkeurig omschrijven als een wilde rollercoaster aan associaties op basis van woordklanken, etymologie à la Plato, maar dan met extra paddo’s. Elders vond ik in dit verband de frase “délire logique”. Hoe dan ook, Brisset wilde aantonen dat de Franse taal genoeg aanknopingspunten heeft om aan te tonen dat mensen van oorsprong waterwezens zijn, verwant of zelfs afstammend van kikvorsen. Een zeer kort voorbeeld (in het Frans, wegens onvertaalbaar): Brisset vraagt zich in La science de Dieu af waar onze voorouders huisden.

Voyons où ces ancêtres étaient logés”: l’eau j’ai = j’ai l’eau ou je suis dan l’eau. L’haut j’ai = je suis haut, au-dessus de l’eau, car les ancêtres construisirent les premières loges sur les eaux.

Daarop gaat hij nog tientallen regels verder met gelijkaardige associaties, onder meer l’os j’ai, le au jet, l’eau jet, loge ai, l’eau-jeu, lot j’ai, l’auge ai. Het mag u niet verbazen dat het boek, 250 pagina’s dik, een zekere inspanning van de lezer vraagt.

Psychoanalytische taalkunde

Veel minder extreem, maar taalkundig evenmin geheel verantwoord, zijn de etymologieën die vaak opduiken in de Lacaniaans geïnspireerde écriture. Vaak wordt hier een vrijwel geheel of gedeeltelijk correcte etymologie gebruikt als basis, een eerste couche als het ware, waarop men dan extra kleurrijke betekenislagen aanbrengt. In se gaat het niet zozeer over etymologieën, maar eerder over associaties die al snel het taalkundige zeer ver achter zich laten. Twee representatieve voorbeelden: het woord infancy, aldus ene Miquel Bassols[5], komt van infant “(in-fari), iemand die niet in staat is om te spreken” (en taalkundig klopt dat min of meer), maar ook iemand “die niet in staat is om te articuleren, om te spreken in het publiek”. Euh, nee. Dat verzint u erbij, meneer de psychoanalist. Iemand die “niet in staat om zichzelf in het openbaar te representeren als een subject van een discours. Kind-zijn wordt dus eerst vastgelegd als een plaats voorafgaand aan en buiten enige discours” (mijn vertaling, mijn verbazing). Dit heeft niets meer te maken met taalkunde. Dit is een potje loos associëren. Het is holle dikdoenerij op de kap van legitiem etymologisch werk.

In andere gevallen probeert men, net zoals Plato en Brisset, de wijze en de dwaas, klankassociaties te laten doorgaan voor etymologieën die als betekenisvol kunnen worden ervaren. Dany Nobus poogt in het boek Key Concepts of Lacanian Psychoanalysis (1998) iets extra zinnigs te zeggen over de scheiding moeder-kind, separation, aangezien het een Engelse tekst is. De auteur slaagt er enkel in om via een foute etymologie en vermeende betekenisvolle referenties naar gelijkklinkende woorden (se parere en se parer) tot een taalgebonden spitsvondigheidje te komen waarbij hij “other” linkt aan “(m)other”[6]. Iemand zou onze Lacanianen moeten vertellen dat ook etymologie niet hun sterkste kant lijkt te zijn.

De ijsberg en zijn topje

Het kan beargumenteerd worden dat ruim een millennium na Varro, met de studie van de Romaanse talen (o.a. Frans, Spaans, Italiaans) en hun verhouding tot het Latijn, de vergelijkende taalkunde uit de startblokken slofte. Niet alleen de talloze overeenkomsten qua woordenschat begonnen op te vallen, maar vooral ook de gelijkaardige grammaticale en morfologische kenmerken (bijvoorbeeld de uitgangen van de werkwoordvervoegingen). De combinatie van beide leek alle onderzoekers de conclusie op te leggen dat de Romaanse talen onderling verwant zijn en dat ze teruggaan op één moedertaal. En uiteraard kenden ze die taal – het Latijn – maar al te goed, zelfs al was het vooral in de literaire en niet in de Roomse en provinciale gesproken vormen.

Komt daarbij dat ook de geschiedenis van het Romeinse Rijk in voldoende mate bekend was. Al bij al had men een mooi kader dat men begon toe te passen op andere taalgroepen, zoals de Germaanse talen (Duits, Engels, Nederlands, e.a.) en de Slavische, waarvan de gemeenschappelijke moedertalen niet gekend waren. Taalverwantschap was een idee dat al heel lang circuleerde. In 1770 deed de Hongaarse Jezuïet János Sajnovics een eerste, vrij zinnige poging om het Laps en het Hongaars met elkaar te verbinden, niet alleen op basis van de woordenschat, maar ook via de grammatica: Demonstratio idioma Ungarorum et Lapporum idem esse (Bewijs dat de taal der Hongaren en die der Lappen hetzelfde zijn).

De Angelsaksische traditie laat de historische taalkunde vaak beginnen met een observatie gemaakt door William Jones, een Britse rechter in India. We schrijven ondertussen al 1786, ruim 16 jaar na Sajnovics’ werk. Jones schreef dat Sanskriet verwant leek te zijn met het Latijn en het klassieke Grieks, en waarschijnlijk ook met het Gotisch en het Perzisch. Hij opperde de idee dat al deze talen hun oorsprong zouden vinden in een nog oudere en mogelijk verdwenen taal. Dat laatste inzicht heeft hem natuurlijk zeer terecht beroemd gemaakt. Minder nieuw, maar belangrijk genoeg om het nog eens te onderstrepen: hij stond historisch en comparatief taalonderzoek voor op basis van woordenschat én grammaticale kenmerken, een factor die ontbreekt in tal van tweetalige woordenlijstjes van onze dappere, maar misleidende pseudotaalkundige vorsers.

Westerlingen hadden in de 18de en 19de eeuw niet enkel kennis gemaakt met het Sanskriet, maar ook met de rijke en gedetailleerde Indische taalkundige traditie, waarvan de meerwaarde vooral lag in twee aspecten die onderbestudeerd werden in de toenmalige Westerse traditie: de fonetiek en de fonologie. Letters werden klanken en die klanken leken zich plots te gedragen volgens bepaalde regels. Klankwetten, zoals de Duitse neogrammatici ze optimistisch begonnen te noemen, jaren na het voorbereidende werk van Franz Bopp, Friedrich Schegel en Jacob Grimm. Ondertussen was het geestelijke klimaat onder de eerste historisch-taalkundigen veranderd: de ideeën van de Romantiek, die de drang naar kennis omtrent de historische fasen van de eigen talen aanzwengelde, moest plaats maken voor “een interesse in het proces van de taalverandering, een gedachte die het sterkst tot uiting kwam in de evolutionaire ideeën van een jonge Charles Darwin”.[7]

Klankwet of niet, in de tweede helft van de negentiende eeuw ging men op zoek naar systematische verschillen en bij schijnbare uitzonderingen stak men een tandje bij om die afwijking toch te kunnen verklaren. En ook daar ontbreekt het de meeste pseudotaalkundigen en opstellers van tweetalige lijstjes aan. Taalkundigen wisten plots te vertellen waarom het Duitse haben en het Latijnse habere níet verwant zijn, ondanks de oppervlakkige overeenkomsten. De Latijnse k-klank correspondeert met de Nederlandse h-klank, tenminste in beginpositie. Hebben (en het Duitse haben) en het Latijnse capere, maar ook hart en cor, die woorden zijn wel verwant.

Door het intensief bestuderen van regelmatige klankwisselingen tussen woorden van talen uit vergelijkbare perioden en door de steeds snellere verspreiding van de bevindingen – en dus de mogelijkheid tot correcties en aanvullingen – boekte de historische en vergelijkende taalkunde op een korte tijd een enorme vooruitgang. Uiteraard speelde ook de steeds grotere kwaliteit van de tekstuitgaven daarin een cruciale rol. Intensieve, internationale samenwerking is overigens nog een aspect dat taalmorosofen uit het oog lijken te verliezen. Vanaf het midden van de 19de eeuw was het zelfvertrouwen groot genoeg om William Jones’ “nog oudere en mogelijk verdwenen taal” te reconstrueren: het Proto-Indo-Europees.

Leestips

Praten over woordherkomst, taalgeschiedenis en taalverwantschap is meer dan praten over de gelijkenis tussen twee woordenreeksen, ook als die lijst enkele riemen papier beslaat, of in het moderne parlando, ettelijke megabytes. Het is meer dan een snelle zoektocht in een etymologisch woordenboek, hoe degelijk deze instrumenten ook mogen zijn wanneer men ze gebruikt in een taalkundige context. Etymologie is echter slechts het topje van de historisch-taalkundige ijsberg.

Het ontbreekt niet aan oerdegelijke inleidingen tot de historische en of vergelijkende taalkunde, bijvoorbeeld Oswald J.L. Szemerényi’s Introduction to Indo-European Linguistics (Oxford University Press, 1996). In het Nederlands zijn er de klassieke (maar op bepaalde punten controversiële) inleiding van R.S.P. Beekes, Vergelijkende taalwetenschap. Tussen Sanskrit en Nederlands (Het Spectrum, 1990) en Cor Van Bree’s Historische Taalkunde (Acco, 1996). Uiteraard bestrijken zij niet de meest recente technieken, zoals het doorgedreven gebruik van statistieken en van bepaalde inzichten en technologieën uit de computationele taalkunde. Minder academisch maar des te leesbaarder is de net verschenen Atlas van de Nederlandse taal (Lannoo, 2017), met daarin enkele zéér verhelderende hoofdstukken over historische en vergelijkende taalkunde. Uiteraard ligt de focus in dat werk op onze moerstaal.

Mark Newbrook, tot slot, schreef jarenlang stukjes over pseudotaalkunde voor het Australische magazine The Skeptic. Het hele archief van dit uitstekende blad is beschikbaar via http://www.skeptics.com.au/. De stukken van Newbrook vindt
u vanaf 2004 (Vol. 24/4). Hij verzamelde zijn enorm uitgebreide kennis in het boek Strange Linguistics. A skeptical linguist looks at non-mainstream ideas about language (Lincom, 2013).

* * *

[1] De Turkse correspondenten die ik gevraagd had om Kaya’s “Turkse frasen” te becommentariëren, de sluitstukken van zijn theorie, grapten dat de meerderheid zelf anagrammen leken te zijn van Turkse woorden of uitdrukkingen. Kaya’s online bibliotheek vindt u op http://polatkaya.net/.

[2] Plato, Kratulos, 410 B, C. De vertaling is van Mario Molegraaf. Plato, Verzameld Werk III. Amsterdam, Querido 2012.

[3] Matthijs van Boxsel, Morosofie. De encyclopedie van de domheid. Dwaze wijzen en wijze dwazen in Nederland en Vlaanderen. Amsterdam, Querido 2002. Uiteraard kan ik hier Rudy Kousbroeks De logologische ruimte. Opstellen over taal (1984) niet onvermeld laten, waarin hij op geheel onnavolgbare wijze Brisset eer aandoet.

[4] De twee bekendste werken van Jean-Pierre Brisset zijn La grammaire logique (1878) en La science de Dieu (1900) en kunnen gedownload worden via de uitstekende Franse archiefwebsite http://gallica.bnf.fr/. Beide boeken zijn nog steeds verkrijgbaar in papieren versie!

[5] Miquel Bassols, “Childhood Under Control” (2012). http://www.amp-nls.org/page/gb/109/lacanquotidien-in-english/0/9. Geraadpleegd op 21 mei 2017.

[6] Dany Nobus, Key Concepts of Lacanian Psychoanalysis (2017), p. 181.

[7] Winfred P. Lehmann, Theoretical Bases of IndoEuropean Linguistics (1996), p. 5.

Alternatieve vrijdenkerij

Dit stuk verscheen eerder in Wonder en is gheen Wonder (lentenummer 2016), het ledenblad van SKEPP.

* * *

In mijn denkwereld geen Alwetende God of Opperbouwmeester. Eerder een Almachtige Letterzetter, met hoog in het zwerk de Elysische Boekerijen en diep onder de zoden een Eeuwige Cursus ‘Creatief met papier-maché’. Maar zolang mijn tijd niet gekomen is, stel ik het met wat uit de werkplaatsen van de ondermaanse boekenproducenten rolt, ook al is dat niet altijd even beklijvend.

Neem nu Zo heb je de Bijbel nog nooit gelezen van Mauro Biglino (2016). Afgaand op de cover gaan we het boek niet beoordelen, zelfs al schreeuwt-ie ons toe dat het “de bestseller uit Italië” is die “[in-] sloeg als een bom in de Italiaanse boekenwereld”. Blijkbaar heeft men daar de dood van Umberto Eco nog steeds niet verwerkt. Over de inhoud kunnen we eveneens kort zijn: het boek is een flauw afkooksel van wat zo’n dertig jaar geleden in de moosput van de alternatieve denkerij is achtergebleven.

De moderne mens als alienslaaf

“Komen onze goden van de sterren?”, vraagt Biglino zich nóg maar eens af. Niet alleen leert de wet van Betteridge dat het antwoord op vragende (onder-) titels veelal negatief is, ook de decennia-oude en afdoende kritiek op soortgelijke confabulaties van onder andere Zecharia Sitchin en Erich von Däniken doet vermoeden dat het verhaal weinig meer dan een ongeïnteresseerde geeuw kan opwekken.

De auteur beweert de Bijbel opnieuw te hebben vertaald, woord voor woord, en claimt dat hij nieuwe bewijzen gevonden heeft voor een wel héél speciale creatie. De moderne mens is het resultaat van genetische manipulatie door buitenaardsen. De Homo habilis werd ge-ggo’d tot de Homo sapiens, een mensensoort die beter geschikt was om voor die E.T.’s het zware graafwerk in de goudmijnen van zuidelijk Afrika uit te voeren. Neem gerust uw tijd om de vorige zin te herlezen. Ik ben er nog niet uit wie in mijn verbeelding het felst naar adem hapt: de gemiddelde evangelische pastor die de Bijbel ook woord na woord gelezen heeft, of de verzamelde top van Monsanto.

Een open en pure geest

Boeiender dan de cover én het boek is de titelpagina, waarop ons verzekerd wordt dat het werk “EEN ZOEKTOCHT VOOR VRIJDENKERS!!” is. En bij die gedachte willen we wél even stilstaan. Een vrijdenker, schrijft de uitgever-redacteur in het voorwoord, is iemand die “met een open en pure geest” de wereld benadert. En dat is naar het schijnt van belang voor “de ontwikkelingscyclus”. Volgens diezelfde redacteur smoort de maatschappij met haar religies, ideologieën en vastgeroeste ideeën het vermogen van kinderen “om spontaan existentiële vragen te stellen”. Als de mensheid zich kan ontdoen van die beperkende factoren zal “de evolutie […] resulteren in de ontwikkeling van het bewustzijn, dat zal acteren (sic) als een gewetensvol fenomeen, terwijl we tot nu toe alleen maar hebben rondgedoold in de modder van de onwetendheid.” Wat een alternatieve vrijdenker dus blijkbaar zeker niet moet doen, is coherente gedachten uitdrukken in verstaanbare zinnen.

De idee van een “open en pure geest” is alomtegenwoordig in de wereld van alternatieve denkers, genezers, complotdenkers en andere zelfverklaarde waarheidszoekers. Mij lijkt het in de eerste plaats een perverse uitloper te zijn van het nepdebat over nature versus nurture. De boze nurture omhult de pure geest als een dichte mist en pas als die mistbanken verdwenen zijn, of beter, verdreven zijn met de hulp van een spirituele lichtwerker, kan er overgegaan worden tot het verwerven van Diepere Kennis en Dito Inzichten. De pure geest is de meest natuurlijke staat, de kinderlijk onbevangen toestand, vrij van de erfzonde van het kritisch en rationeel denken en vrij van de last van reeds verworven kennis.

In de tweede plaats wordt hiermee de troop van het derde oog en de zesde chakra weer opgegraven en in een nieuw jasje gestoken. Dat derde oog is in bepaalde delen van Lalaland dé manier om tot Ongefilterd Weten te komen. Het alternatieve woordenboek geeft ‘instinct’ en ‘intuïtie’ als mogelijke synoniemen. Hét criterium om elke conclusie gebaseerd op zo’n onbevangen waarnemingen te beoordelen, is dan weer kinderlijk eenvoudig: komt het overeen met de voorgestelde alternatieve theorie? Twee mogelijke antwoorden: (1) ja: proficiat, u bent ontwaakt of (2) nee: het spijt me, u hebt nog te veel last van “vastgeroeste ideeën” en u zal het proces moeten herhalen tot u uitkomt bij antwoord (1).

Van straffe ideeën naar Ware Inzichten

Maar dit is een boekenrubriek en geen analyse van een cursus ‘creatief omspringen met de alternatieve werkelijkheid of toegepast postmodernisme’. Het pad dat Mauro Biglino in zijn boek voor de vrijdenker uitstippelt om tot diepere inzichten te komen, is niet bepaald een yellow brick road. Eerder is het een soort bricolage van argumenten die in de kringen van alternatieve denkers populair lijken te zijn: wilde speculaties (niet te verwarren met hypothesen) worden opgebouwd uit een disparate mengeling van wetenschappelijke ideeën of valabele (niet te verwarren met valide) wetenschappelijke hypothesen, feitjes, foute interpretaties en insinuerende vragen. In dit specifieke boek komen daar nog foute etymologieën en vertalingen bij van woorden uit zo ongeveer elke taal die tussen 3000 v.Chr en 300 n.Chr. in Tweestromenland en omstreken geschreven werd.

Bij wijze van voorbeeld: NASA laat weten dat verschillende astronomen vermoeden dat er zich in ons zonnestelsel een negende planeet bevindt, planeet X of planeet Negen. Het agentschap vermeldt dat dit momenteel wordt onderzocht. Voor Biglioni is dit het uitgangspunt voor tal van suggestieve vragen genre ‘Wat houdt NASA achter voor ons?’ en ‘Hadden de Soemeriërs dan toch gelijk over planeet Niburu?’ om over te gaan naar een foute vertaling van het Soemerische woord Niburu (wat eigenlijk Akkadisch is) en dan maar te concluderen dat planeet Niburu bestaat en dat de “goden” mogelijk van Niburu kwamen. Dit laatste aspect wordt dan weer “onderzocht” in een volgende rollercoaster van straffe ideeën die opnieuw leidt tot een Waar Inzicht.

Geen stof voor boeken- en taalminnaars

Uiteindelijk is het meest verbazingwekkende aan dit boek dat het gepubliceerd werd. Anno nu is er inderdaad nog steeds een Nederlandstalige uitgeverij te vinden die het tot haar taak rekent de niche van overbodige boeken op te vullen: uitgeverij Aspekt. Deze boekenfirma grossiert in pseudowetenschappelijke uitgaven en dito geschiedkundige teksten waarvan het lettertype zeer groot is en de lay-out heel ruim uitgemeten. En dat maakt hun boeken te dik en dus te duur. Bij Aspekt worden boekenliefhebbers niet bepaald verwend.

Taalminnaars evenmin. Aspekt is bij mijn weten de enige uitgeverij in de Lage Landen waarvan de redacteur (“de editor” in het eigen patois) de taalvaardigheid heeft van een gemiddelde samenzweringsdenker op Facebook. Het aantal correcte Nederlandse zinnen is op één hand te tellen, het aantal mystificerende puntjes in het gemiddelde beletselteken (…) niet. Samenstellingen vertonen symptomen van die andere Hollandse ziekte: “samenstellingsfobie”, volgens taaldokter en schrijfster Ann De Craemer, “de angst om woorden aan elkaar te schrijven”. Iemand zou de brave man moeten vertellen dat het gebruik van een “basis woordenboek” (sic) niets te maken heeft met binnen of buiten “de box” (sic) denken ……. (sic).

In het boek verwijst de schrijver naar enkele Latijnse auteurs, maar zij krijgen de Engelse namen toebedeeld, zoals “Hesiod” en “Ovid”, en een enkele keer zelfs de Italiaanse (“Guiseppe Flavio”, inderdaad Josephus Flavius). Het boek Zo hebt u de Bijbel nog nooit gelezen is dan ook een vertaling van de Engelse vertaling van de originele Italiaanse tekst. En dat geeft een betoog waarin vertalingen een cruciale rol zouden spelen, een extra dimensie. Eentje waarvan ik, met mijn vier ogen, geen dogmavrij vrijdenkersorgasme, maar wel een zeurderige hoofdpijn krijg.

Geschiedenis als koortsdroom

Op 11 september 2016 gaf antroposofische complotdenker Loek Dullaert een lezing over de aanslagen van 11 september 2001. Dit artikel is een korte samenvatting van zijn lezing. Eerder verscheen dit stuk in Wonder en is gheen wonder, winter 2016.

* * *

Volgens Loek Dullaart is de wereldgeschiedenis een multigenerationeel supercomplot, een eeuwige strijd tussen Luciferische krachten en spirituele impulsen die de mens naar een hoger bewustzijnsniveau moeten tillen. Dat hypercomplot, waarbij 9/11 slechts één episode is, ontrafelt hij met behulp van Rudolf Steiners politieke en spirituele theorieën.

Zijn lezing over 11 september 2001 begint in 1913, het jaar waarin de Amerikaanse Federal Reserve wordt opgericht en de staat in handen valt van een machtige groep Joodse bankiers. Via false flagoperaties en andere manipulaties bepalen zij de geschiedenis. Ze financieren de Eerste Wereldoorlog en stimuleren het Bolsjevisme. In 1916 wordt de Lusitania tot zinken gebracht, volgens historici door een Duitse U-boot, volgens Dullaart door de Amerikanen zelf. In 1941 vallen ze het eigen Pearl Harbor aan. Beide incidenten markeren het begin van de Amerikaanse deelname aan een wereldoorlog. Na het vermeende incident in de Golf van Tonkin (1964) sturen de VS soldaten naar Vietnam. Het plan voor een aanslag op een eigen schip voor de kust van Cuba wordt tegengehouden door John F. Kennedy. Waar die voorkeur voor schepen vandaan komt, weet Dullaart niet te vertellen.

Maar terug naar Steiner en de naweeën van Wereldoorlog I. Tijdens de onderhandelingen die leiden naar het Verdrag van Versailles (1919), worden de voorstellen van Steiner om het Centraal Europese spirituele gedachtengoed te redden van het Anglo-Amerikaanse materialisme door de eigen diplomaten genegeerd. Steiner is dan ook niet de enige Oostenrijker die de daaropvolgende vernedering van Versailles tot in het diepst van zijn ziel zal voelen. En dat is toevallig dezelfde plaats waar hij een verklaring vindt: Woodrow Wilson, de Amerikaanse president in die periode, is een incarnatie van een van de vroegste volgelingen van Mohammed. En we weten allemaal hoe zeer die oude Moslims erop gebrand waren om (Oost-) Europa te vernietigen.

Na de Koude Oorlog, een strijd tussen het Anglo-Amerikaans conglomeraat en het Oost-Europese spiritualisme, moet een nieuwe vijand gezocht worden. En dat vinden de Luciferianen van Wall Street in een ánder opkomend oosters spiritualisme: de islam. In de honderd jaar tussen Wilson en de 20ste eeuw heeft er zich namelijk een Steineriaanse omkering voorgedaan. Terwijl de vroege moslims uit waren op de vernietiging van het Oost-Europese spiritualisme, willen de huidige Westerse materialisten korte metten maken met het Oosterse islamspiritualisme. Vandaar o.a. 9/11, de Golfoorlogen en de oprichting van IS, ook een Amerikaanse operatie.

Dullaart zelf vermeldt verschillende keren dat deze versie van de recente wereldgeschiedenis binnen de Nederlandse antroposofische kringen op zeer weinig bijval kan rekenen. Een magere troost.

15 jaar 9/11: “We mogen niet in complotten denken…”

Op 10 en 11 september 2016 bezochten Brecht Decoene en ik twee conferenties die in het teken van 15 jaar 9/11 stonden. Aan de hand van enkele opgetekende frasen persten we volgend artikel uit ons toetsenbord. Dit stuk verscheen eerder in Wonder en is gheen wonder, winter 2016.

* * *

In het weekend van 10 en 11 september 2016 vonden in Nederland twee conferenties plaats over vijftien jaar 9/11. In Utrecht werd ons “Bevrijding van Bedrog” beloofd. De conferentie in de Jaarbeurs was opvallend goed georganiseerd – door wie is niet geheel duidelijk – en kende een ruime opkomst, zo’n 300 man. “Licht op 9/11” te Zeist was bescheidener in opzet: “een geslaagde dag met 75 deelnemers”, zo meldde de website achteraf. Deze samenkomst werd georganiseerd door Rudolf Steiner-expert Loek Dullaart en drie collega-leraren uit het circuit van vrije, antroposofische scholen.

Het centrale thema van beide conferenties was het algemene gevoel van onvrede dat nog steeds heerst onder 9/11-truthers: het onbehagen bij de “schandelijke leugens” met betrekking tot de aanvallen op de WTC-torens, het Pentagon en vermoedelijk het Witte Huis op 11 september 2001. Zij beschouwen de officiële versie, zoals onder meer verwoord in het 9/11 Commission Report en het NIST Report, als fout, vals en bij elkaar gelogen om een groot kwaad te verbergen en een groter kwaad mogelijk te maken. Terwijl malafide politici en andere vileine wereldheersers geslaagd zijn in hun opzet, hebben de reguliere media schandelijk gefaald in hun verslaggeving, aldus de aankondigingen op de websites van beide evenementen.

“Kritisch, niet gek”

“In het eerste stuk van mijn presentatie wil ik u, geacht publiek, kalm en beheerst feiten voorleggen, die ik systematisch zal onderbouwen om zo te komen tot een gedegen en verantwoorde conclusie.”[1] Maak u geen illusie, zo begon en eindigde geen enkele van de acht of zo lezingen. Bijna elke spreker stak van wal met een hoogst persoonlijke, emotionele getuigenis over het ontwaken en de zoektocht. Met het Waarheidsvinden, zoals dat heet in het jargon van complotgelovigen.

Zo begon Wico Valk over zijn vorige leven als Jan Bovenmodaal en architect in een knusse en zorgenvrije bubbel, genre huisje, tuintje, vrouwtje, kinderen, “tot in 2006 die cocon openknapte”. Voor Valk markeerde 2006 de invasie van Afghanistan door de Verenigde Staten en bondgenoten: “toen begon er iets te knagen”. En dat is merkwaardig, aangezien “Operation Enduring Freedom – Afghanistan” al vijf jaar eerder was begonnen, een kleine maand namelijk na de 9/11-aanslagen. De invasie van Irak, mocht hij zich in het vuur van het moment vergist hebben, dateert ook al van 2003. Valk verloor naar eigen zeggen op korte tijd alle geloof in de reguliere media en net zoals de talloze andere 9/11-truthers wilde hij zélf zijn eigen weg en zijn eigen waarheid zoeken. En dus stortte ook hij zich op zelfverklaarde kritische, alternatieve nieuwswebsites (genre wanttoknow.nl, Architects & Engineers for 9/11 Truth), YouTube-films (o.a. Loose Change) en andere bronnen wiens enige bestaansreden het verspreiden en in stand houden van complottheorieën is.

Het is goed mogelijk dat de ZEMBLA-reportage “Het complot van 11 september” uit 2006 het samenzweringsdenken in Nederland aangewakkerd heeft. En in die uitzending van de VARA, een epigoon van de vermaledijde reguliere media, draafde ingenieur Coen Vermeeren op en door. 10 jaar later zou hij dus één van de topsprekers zijn tijdens beide evenementen. Zowel in Utrecht als in Zeist kreeg hij ruim de tijd krijgen om zijn nagelnieuwe boek 9/11 is gewoon een complot voor te stellen.

Ook Vermeeren begon met een emotionele hartenkreet: hij weet zich namelijk het slachtoffer van het academische establishment. Volgens hem mogen ingenieurs de moderne wereld wel vorm geven, maar ze worden hard aangepakt als ze zich moeien met zaken die hen niet aangaan, zoals geopolitieke spelletjes en wereldomvattende complotten. Vreemd genoeg bestiert hij al jarenlang de Studium Generale van de Technische Universiteit van Delft, wat van hem nu niet bepaald een academische paria maakt.

Zowel Vermeeren als Valk vonden het vervelend dat ze sinds het begin van hun kritische houding tegenover de officiële versie quasi continu moesten bewijzen dat ze niet gek zijn, dat ze geen halvegaren zijn, maar goedmenende, onafhankelijke waarheidszoekers. Hun theorieën zijn volgens henzelf geen bij de haren getrokken complottheorieën, maar doordachte en beargumenteerde openbaringen tal van geopolitieke (wan)toestanden, rampen en oorlogen. Zij zijn geen complotzotten. Aan de reacties in de zaal te horen, waren zij niet de enigen met deze negatieve ervaringen.

Wie daar minder last van leek te hebben, was Guido Jonkers, de man achter wanttoknow.nl. In tegenstelling tot burgermannetjes Vermeeren en Valk leek Jonkers me niet zo gepreoccupeerd door de perceptie van de goegemeente. Hij zit dan ook comfortabel achter de knoppen van één van Nederlands meest succesvolle alternatieve nieuwswebsites. Dat de collega’s van hoaxwiki.nl deze beschouwen als “een complottheorieënwebsite die zowat alle denkbare onzin bij elkaar sprokkelt en publiceert”, “een broedhaard voor hoaxes, pseudowetenschap, complottheorieën en kwakzalverij”, waarbij “paranoïde complottheorieën zoals 9/11, chemtrails, en de fictieve Illuminati en New World Order” gepropageerd worden, lijkt Jonkers ook niet te raken.

Een ander verschil met Valk en Vermeeren was dat de gebeurtenissen van 9 september 2001 hem naar eigen zeggen onmiddellijk hadden wakker gemaakt. Dus ook hier geen omstandige, stereotiepe uitleg over hoe lang het ontwaken heeft geduurd, hoeveel energie, slapeloze nachten en hoon de bewustwording heeft gevergd. Voor Jonkers was 9/11 op de dag zelf al “een energetische transformator”, een “move op het spirituele vlak”, wat die schijnbaar betekenisvolle frasen ook mogen betekenen.

Alle sprekers beschouwden zichzelf als kritische denkers, als ontcijferaars van kwade en ingewikkelde samenzweringen die al decennia, voor sommigen zelfs een eeuw lang, bedacht en uitgevoerd worden. Au fond willen ze een betere wereld en ze denken die te bereiken door de vaak imaginaire exploten van de duivelse, allesoverheersende elite aan de kaak te stellen. Ik zie geen enkele reden om de termen “complottheorieën” en “complotdenkers” op te geven, hoezeer zij ook van die benamingen af willen net omdat ze geassocieerd worden met paranoia en waanzin. Maar gek zijn de meeste complotdenkers niet, amusant evenmin. Eerlijk gezegd, wanneer deze mensen in hun complotmodus zitten, zijn ze vaak verre van aangenaam. Maar dat zijn doordravende skeptici ook. Aluhoedjes, complotzotten of gekken: zelf worstelen ook wij nog met deze weinig flaterende, maar gemakkelijke woorden. Anderzijds wordt het tijd dat iedereen beseft dat deze beledigingen contraproductief en nefast zijn, en dat ze elke conversatie onmogelijk maken.

“We moeten naar de grote lijnen kijken”

Er is een markant en fundamenteel aspect aan de samenzweringsmentaliteit. Complotdenkers lijken kritische denkers. Ze zijn bijvoorbeeld heel goed in het stellen van intrigerende vragen die – soms slechts op het eerste gezicht – een antwoord verdienen. Dingen in vraag stellen is op zich achtenswaardig. Al te vaak merk je echter dat ze dat niet doen vanuit een authentiek kritische reflex, maar enkel en alleen om de officiële versie minder geloofwaardig te maken. Men is soms zodanig kritisch dat men zelfs de wetenschap in zijn geheel afwijst. Dit komt eigenlijk neer op een gemaskeerde vorm van dogmatisch denken. Dogmatiek hanteert twee methodes bij kritiek: ofwel reageert men op een intimiderende manier, ofwel zijn de opmerkingen terecht, maar irrelevant. Die starre en agressieve houding kwam ook in dit weekend enkele malen opborrelen.

Magchiel Mathijsen of Matthijsen (zelfs op de website is men niet zeker hoe de achternaam van de dagvoorzitter te Zeist correct wordt gespeld) was al geen al te goede spreker. Dat in tegenstelling tot Loek Dullaart die een stijlvolle retoriek beheerste en een uitgesproken charisma over zich had. Magchiel verloor al gauw zijn eigen publiek, dat zich geheel terecht niet belemmerd voelde om te vragen welke link zijn betoog eigenlijk met Rudolf Steiner had. Op een onbeholpen manier trachtte hij zich van die opmerking los te worstelen. De connectie met de antroposofie was er niet en kwam later evenmin bovendrijven. Toen hij even later brabbelde dat William Rodriguez (voormalige conciërge van de Noordelijke Twin Tower en een zogenaamde klokkenluider) gestorven was, wees iemand er hem terecht op dat die man nog leefde. Zijn reactie? “Dat interesseert me niet!” Het kwam er behoorlijk driftig en offensief uit. Fouten zijn blijkbaar niet relevant. Vreemd dat dat niet duidelijk was voor het publiek.

Iets vergelijkbaar biechtte Vermeeren tijdens zijn lezing zelf spontaan op: “Er zullen altijd wel nog fouten staan in mijn boek, maar dat is niet erg.” De verbazing op onze gezichten valt niet onder woorden te brengen. Elke wetenschapper of kritische denker wordt overvallen door een diepe gêne en zit onaangenaam verveeld bij de vaststelling dat in zijn boek onjuistheden te vinden zijn. Vermeerens kanttekening is uiteraard een doorzichtige zet om zich aan de hand van deze immunisatiestrategie onmiddellijk tegen kritiek in te dekken. Het meest frappante en oneerlijke hieraan is dat veel complotdenkers maniakaal op zoek gaan naar eigenaardigheden in de officiële versie en springen op de kleinste fout die de officiële media maken om hen op basis daarvan te kunnen beschuldigen van leugens en bedrog op grote schaal, propaganda en opzettelijke, systematische misleiding, maar essentiële tekortkomingen in hun eigen ‘bewijsvoering’ als onbenullig en verwaarloosbaar beschouwen. Dat de eigen versies gelardeerd zijn met flagrante fouten, overdrijvingen, foute interpretaties van beeldmateriaal en manipulatief gemonteerd beeldmateriaal is blijkbaar enkel maar een detail.

Het is met deze slinkse asymmetrische mentaliteit waar wij een probleem mee hebben: de kleinste lacune in de officiële versie is een bewijs van een complot. Een klein foutje in de alternatieve theorie heeft geen impact op het grotere geheel. Fouten in een complottheorie tonen niet aan dat er geen complot is. De bottomline van elke alternatieve theorie blijft onveranderlijk en dogmatisch: verzand vooral niet in futiele discussies, maar handel naar het feit dat de officiële versie niet klopt! Kijk naar the bigger picture! Er ís hoe dan ook een complot.

“Je bent je eigen autoriteit”

Verschillende sprekers, waaronder Coen Vermeeren, hadden het over mind control. Op een perfide manier probeert de overheersende elite de ideeën van ons, gewone mensen, te beïnvloeden en te exploiteren. Niemand expliciteerde de manier waarop dat zou gebeuren: voor een publiek van heterogene complotdenkers is vaagheid een voordeel. Of de mind control nu geschiedt via de media, wat afhankelijk van de situatie en het land tot op zekere hoogte nog geen al te dwaze gedachte hoeft te zijn, of via ingewikkelde machines die op een fysieke manier onze gedachten manipuleren, speelt weinig rol, zolang het idee van gedachtencontrole maar overeind blijft. De bewustwording van die mind control is volgens vele waarheidszoekers het startschot om kritisch beginnen te denken en complotten te ontrafelen, of beter, om tot inzicht en waarheid te komen.

Het enige mogelijke tool bij het kritisch beschouwen is het eigen ik, het eigen denkvermogen. En dat is bijna een sacrosanct gegeven. Indrukken en informatie allerhande komen binnen en worden verwerkt. Op basis van intuïtie volgens de ene of van een verhoogde vorm van spiritualiteit volgens de andere worden leugens (veelal de officiële versie zoals verspreid door staat en media) gescheiden van de nuttige informatie (veelal alles wat een complot bevestigt en verder uitwerkt). Het eigen soevereine denkvermogen, ontdaan of bevrijd van de mind control, fungeert dus als een filter. Dat het vertrouwen in het eigen, onafhankelijke denkvermogen groot is, illustreerde televisie- en theatermaker George van Houts met zijn boutade “Dat kan niet, want anders zou ik het weten”.

Niemand legde tijdens de conferenties uit hoe men precies via intuïtie tot kennis komt, hoe men precies kan of moet filteren aan de hand van een verhoogd spiritueel vermogen, en ook de vakliteratuur van complotliefhebbers zwijgt hierover in alle talen. Daardoor kunnen wij het enkel maar beschouwen als een mysterieuze black box, of als een omslachtige manier om tot de kringredenering te komen dat complotdenkers “ontwaakt” zijn net omdat ze in termen van complotten denken. Als je de berichten in de reguliere media goed verwerkt, dan kan je enkel besluiten dat de elite de actualiteit en wereldpolitiek beheerst door middel van groots opgezette complotten. Idem dito wanneer je de alternatieve nieuwsmedia doorploegt. Kom je op basis van deze data tot een andere conclusie, dan lijd je onder de mind control. Het was opvallend dat de mogelijkheid garbage in, garbage out door geen enkele spreker te berde werd gebracht. Het eigen denkvermogen gecombineerd met intuïtie maakt dat iedereen zijn eigen autoriteit is. Voor zover men ontwaakt is, uiteraard.

De gedachtencontrole en -manipulatie verhinderen de sheeple, de niet-ontwaakten, te beseffen dat rampen en tegenslagen, wereldwijde uitbuiting en armoede, aanslagen en moordpartijen terug te voeren zijn tot een elite. Voor het beperkte publiek van antroposofisch geïnclineerden in Zeist was het duidelijk: die elite is het Anglo-Amerikaanse conglomeraat geruggesteund door machtige Joodse bankiers, waar Rudolf Steiner ook al mee worstelde in de periode na de Eerste Werldoorlog. In Utrecht hield men zich meer op de vlakte en beperkte men zich tot vagere termen, misschien wel omdat het publiek diverser was. Of minder ontwaakt?

“Van awareness naar action

Onheilsprofeten gedijen in onzekere tijden en er is niets dat complotdenkers ervan lijkt te weerhouden om die onzekerheid zélf aan te zwengelen en uit te buiten. “Mensen sterven van angst”, bulderde de onafhankelijke journalist F. William Engdahl. “En wat vrezen ze het meest? Kanker!”. Even bekroop ons het gevoel dat de brave man zich van congres vergist had. Anderzijds lijkt voor vele complotdenkers het enkelvoud van het woord ‘complotten’ niet te bestaan. De afstand tussen 9/11 en pakweg Big Pharma bedraagt vaak slechts een hersenspinsel of twee. Kanker, dus. “Een derde van de mensen sterft omwille van de schok die de zogenaamde diagnose veroorzaakt. Een derde legt het loodje door de ‘kuur’ van Big Pharma. En een derde trekt er zich niets van aan, leeft vrolijk verder en sterft jaren later een natuurlijke dood.”

Het werd volgens alle sprekers hoog tijd dat men zich gaat verzetten tegen de medische, politieke en economische onderdrukking en verknechting door de elite en ook onder het publiek was de spanning en de drang naar grootse revolutionaire daden voelbaar. Democratische verkiezingen leggen volgens een Coen Vermeeren geen zoden meer aan de dijk, die worden toch gemanipuleerd. Zelf stemt hij al lang niet meer, want stemmen, aldus het Complotorakel van Delft, betekent dat men zijn stem weggeeft, “en, nou, ik héb toch een stem”? Het al te flauwe woordspelletje werd op een langdurig applaus onthaald. “Die Coen, die zegt het toch maar weer!”. Hoe dan ook, het was duidelijk dat de meerderheid van het publiek geloofde dat de liberale democratie ons niet kan of zal bevrijden uit het web van complotten.

Het verzet tegen de elite kan enkel een grassroots-beweging zijn, slechts van onderuit kan men verandering bewerkstelligen. Het publiek werd opgeroepen om de stilte te verbreken, om vrienden en familie aan te spreken en bewust te maken. Om hen uit te leggen hoe ze gemanipuleerd worden door de heersende elite. Dat belooft dus, zo met de feestdagen in het vooruitzicht. Verder moeten kamerleden, universiteiten en bedrijven aangeschreven worden. Bottom-up acties zijn nuttig én noodzakelijk: gelijkgezinden en ontwaakten moeten zich verenigen en gebruik maken van de verschillende expertises in de groep: webmasters, mensen die kunnen schrijven (en spellen), organisatoren van marsen en conferenties. Leraars moeten betrokken worden, omdat de jeugd van tegenwoordig 9/11 niet heeft meegemaakt en dat dus enkel kent van de geschiedenisboekjes die geschreven werden door de elite. Met andere woorden, de jeugd moet óók dringend bewust gemaakt worden.

Op het gebied van de verslaglegging scheelt er eveneens iets: de voormalige vierde macht, de journalisten en de media, zitten gevangen in het dictatorale systeem ons opgelegd door de elite. Er is geen geld voor onderzoeksjournalistiek en journalisten werken al dan niet gedwongen, vaak zelfs onbewust, in dienst van de despotische machthebbers. Toen de moderatrice Noraly Beyer opmerkte dat de journalistiek in Nederland vrij is, bleef het oorverdovend stil. En als journaliste met Surinaamse roots kan zij werken in het makke polderland vergelijken met het journalistieke bedrijf in de brutale dictatuur van het Zuid-Amerikaanse land in de jaren 80 en 90. Denkt zij nu echt dat een reële dictatuur erger kan zijn dan een imaginaire?

Voor het journalistieke probleem worden eveneens alternatieven aangereikt: verslaggevers moeten een andere vorm van journalistiek ontwikkelen, eentje die niet parasiteert op de output van de grote, manipulerende nieuwsagentschappen: open source journalistiek. Als model werden alternatieve nieuwswebsites als wanttoknow.nl voorgesteld. Op het moment dat we dit artikel aan het schrijven zijn voert deze epigoon van de irreguliere pers koppen als “Valse vlag operaties: Chemische wapens Syrië waren Valse-Vlag..!!”, “USA-verkiezingsfraude..??? Kijk en beslis zelf.!!” en “CIA-baas bevestigt: Chemtrails bestaan..!!”. De idiosyncratische interpunctie krijgt u er gratis bij..!! Dit is dus een van de journalistieke bronnen die stellen dat jij je eigen autoriteit bent in het correct beoordelen van alternatieve nieuwsberichten die opgesteld werden op basis van intuïtie en een vaag tot sterk gevoel van onbehagen.

Tijdens de twee conferenties werd met zichtbaar genoegen aangekondigd dat o.a. de organisatie “Architects and Engineers for 9/11 Truth” met behulp van enkele advocaten in Amerika juridische stappen voorbereid. Onder activisten allerhande is het voeren van showprocessen een ware rage geworden, denk maar aan het recente Monsanto Tribunaal, waar verschillende organisaties die verbonden zijn aan de biolobby, aanklager en rechter speelden. Tijdens de Internationale Conferentie van Platte Aarders (zie het artikel Flat Earth Conference – Deel 1: Platte Aarde) werd zelfs maar het vermelden van een juridisch proces tegen de NASA toegejuigd. Ondertussen werd zo’n theatraal schijnproces al eens opgevoerd in Maleisië (2012). Tijdens de grote conferentie te Utrecht werd vaak opgeroepen om de eigen onenigheden opzij te zetten en de vele (en woeste) infights omtrent de identiteit van de echte daders te staken. Maar toch was het duidelijk dat men niet zo precies wist wie men nu voor de rechter zou kunnen slepen: de regering Bush werd uiteraard vermeld, evenals de héle groep van toenmalige Neo-Conservatieven. Verder waren er enkele moslims aanwezig die stelden dat de Mossad verantwoordelijk was voor 9/11, anderen houden het op één van de vele Amerikaanse veiligheidsdiensten, of een combinatie naar keuze.

Tijdens de conferentie van de antroposofen te Zeist was men blij dat een proces overwogen werd, maar ook daar was men niet echt duidelijk wie nu die “Luciferische krachten” zijn die aangeklaagd moeten worden. Joden, dat spreekt, het zijn tenslotte volgelingen van Rudolf Steiner. Maar wie nog? Gezien de weinig democratische instelling van de meeste 9/11-activisten, de vaagheid van de aanwijzingen en bewijzen, het minieme verschil tussen rechters en aanklagers enerzijds, en het enorme aantal mogelijke aangeklaagden anderzijds, lijkt men te mikken op het soort juridische procedure dat zich doorgaans in een voetbalstadion afspeelt. Complotland is een ranzige bananenrepubliek.

Als puntje bij paaltje komt, speelt het blijkbaar weinig rol wat de details van de samenzwering zijn, zolang men maar aanvoert dat er een is en zolang die verschillende details maar een aanleiding kunnen blijven vormen om het ongenoegen te uiten op internetfora, sociale media en conferenties. Op dezelfde manier zijn er ook samenzweerders, maar wie die nu precies zijn is niet zo belangrijk. Iedereen lijkt zo zijn favorieten te hebben: Illuminati, Vrijmetselaars, Neo-Cons, de Mossad, de VN, Joodse bankiers, spirituele superentiteiten, of Luciferische krachten. Een van deze, of enkele of iedereen samen, onderdrukken de massa van brave, ontwakende burgeractivisten en keyboard warriors. Zij worden opgeroepen om vooral “niet in complotten te denken”, maar paradoxaal genoeg houden ze zich voltijds bezig met het uitvlooien van samenzweringen. Verder lijken ze geen enkele verantwoordelijkheid te willen opnemen voor politieke en economische misstoestanden die buiten dat complotkader vallen. Het leven wordt bepaald door het complot. Het Complot bestaat, de samenzwerende elite zal en moet ter verantwoording geroepen worden, tot meerdere glorie van de ontwaakte waarheidszoekers, en de eigen autoriteit en soevereiniteit. Kortom, tot meerdere glorie van de dappere toetsenbordactivist.

* * *

[1] Deze insteek heb ik overgenomen uit het schitterende boek van Sara E. Gorman en Jack M. Gorman, Denying tot he Grave. Why We Ignore the Facts That Will Save Us (2017). In hun boek geven zij een blauwdruk van een gemiddelde lezing door een ervaren pseudowetenschapper, wat akelig dicht in de buurt komt van een doorsnee presentatie door een complotdenker. Beide auteurs benadrukken het belang van sterke emoties in het opnemen én verwerken van boodschappen door (veelal) charismatische woordvoerders in deze of gene groep van alternatieve activisten. Bijna elk rationeel tegenbetoog dat geen rekening houdt met deze emotionele factoren, is gedoemd zijn doel te missen, aldus de auteurs.

International Flat Earth Conference, een verslag (2)

Dit is het tweede deel van mijn verslag over de International Flat Earth Conference. Dit deel gaat over de concurrerende theorie van de Holle Aarde. Het artikel verscheen eerder in Wonder en is gheen Wonder, het blad van SKEPP.

* * *

aardse-waarheid-6-jpg-png

De derde spreker op de International European Flat Earth Conference was Lord Steven Christ, een man die zichzelf arrogant en de wedergekeerde Jezus Christus noemt. Nog een verschil met de meeste andere aanwezigen: hij was uitgenodigd om de theorie van de holle aarde te verdedigen. En omdat er maar drie sprekers kwamen opdagen, kreeg zijn betoog plots meer gewicht en aandacht.

Volgens de meeste platte-aarders is deze wereld een schijf, afgedekt met een koepel van glas of doorzichtig aluminium, daarover bestaat nog discussie. De zon, de maan, de sterren bevinden zich aan de binnenkant van die stolp. Dat is alles, meer dan zo’n plusminus halve bol is er volgens velen van hen waarschijnlijk niet. Lord Steven Christ stelt dan weer dat het gehele universum, met alles erop en eraan, ruim dubbel zo groot is. De aarde is een volledige bol, dat wel, maar wij leven in die holle, stationaire sfeer. In het centrum bevindt zich naast de Hemel en een dubbele energiepiramide, ook nog eens wat wij het heelal noemen. Deze kern, het hart van de aarde, wordt afgeschermd door middel van glas waarop zich in de loop der tijden ijs heeft afgezet.

aardse-waarheid-7-jpg-png

Moderne adepten van de theorie van de platte aarde grijpen vaak terug naar het basiswerk van de Engelsman Samuel Rowbotham Zetetic Astronomy: Earth Not a Globe (1865). Lord Steven Christ haalt zijn mosterd en zijn messiascomplex bij Cyrus “Koresh” Teed (1839-1908), schrijver van The Cellular Cosmogony; or, The Earth a Concave Sphere (1898)[1]. Teed was een van die kleurrijke figuren aan het einde van de 19de eeuw die zich bezighield met eclectische geneeskunde, alchemie en het oprichten van het zoveelste New Jerusalem. Anderzijds vermeldt Lord Steven Christ verschillende malen dat de kennis hem goddelijk geopenbaard werd en dat het hem vervolgens drie extra dagen kostte om tot de waarheid door te dringen. Al bij al niet zó bijzonder is voor iemand die per slot van rekening de wedergekeerde Jezus Christus beweert te zijn.

Al snel wordt duidelijk dat Lord Steven Christ een tweede roeping heeft: hij wil via deze conferentie platte-aarders behoeden voor de diepe schaamte en de helse pijn van een tweede vergissing. “Don’t get fooled again”, waarschuwt hij bij monde van The Who, niet zijn enige popreferentie. Hij toont daarbij een filmpje waarin een volgeling zijn bekering beschrijft, een bekering dankzij het proces van logisch denken en van deductieve en empirische beschouwingen. Als je het onmogelijke elimineert, dan blijft, hoe onwaarschijnlijk het ook moge zijn, enkel de waarheid over, concludeert Lord Sherlock Christ. Hij wil de platte-aarders diets maken dat ze een “Hegeliaanse dialectiek moeten ondergaan” en dat klinkt inderdaad zeer pijnlijk. Van een ronde aarde (een foute these waar hij al bij al weinig aandacht aan besteedt) via een platte aarde (een antithese die eveneens een vals paradigma is) naar de synthese, de enige echte waarheid van een holle aarde. De theorie van de platte aarde ziet hij als een stepping stone in de richting van de enige echte ware theorie: die van een concave, cellulaire wereld.

Zijn lezing, al bij al een schamele performance van een arrogante hufter, is erop gericht is om op zo’n kort mogelijke tijd zoveel mogelijk aanwezigen te irriteren. En dat lukt hem moeiteloos. De spanning in de zaal stijgt zienderogen en hij gooit meer olie op het vuur door zijn uitleg te larderen met citaten uit het Heilige Boek. Meer dan eens ontstaan er vijandigheden tussen hem en toehoorders wiens geloof in een platte aarde ook religieus en Bijbels gemotiveerd is. Citaten uit de Schrift worden door de zaal geslingerd en gepareerd met andere verzen. Naast mij sist een rood aangelopen platte Bijbelkenner “valse profeet” en “Satan, ga terug”. Zoveel plezier hebt u tijdens uw lessen aardrijkskunde nooit gehad!

De onenigheid tussen de aanwezige holle-aarders en platte-aarders neemt toe wanneer bepaalde technische details ter sprake komen, zowel tijdens de lezingen als tijdens de discussies achteraf. De holle-aarders geloven wél dat er een vorm van ruimtevaart bestaat. Volgens hen is men erin geslaagd om dóór die glazen koepel te vliegen en dat dankzij raketingenieur Wernher von Braun. De aurora borealis of het noorderlicht is niets anders dan de reflectie van de zon in de daardoor veroorzaakte scheuren in de koepel. Ja, u leest het goed en nee, de platte-aarders zijn ook niet overtuigd.

Nog een heikel punt was het ijs dat zich op de glazen kern van de holle aarde heeft afgezet. Dat smelt namelijk door global warming en door het feit dat de zon af en toe stilstaat, zoals beschreven in de Bijbel, aldus Lord Steven Christ en zijn gevolg. Dat ijs dondert steeds vaker neer op aarde in de vorm van megacryometeoren, grote ijsblokken, soms tientallen kilogrammen zwaar, die af en toe uit de lucht vallen. Wij, mensen, kunnen zich op twee manieren beschermen tegen die vallende ijsblokken. In eerste instantie moeten er méér chemtrails gesproeid worden, aldus een monkelende Lord, zij beschermen tegen de opwarming van het ijs aan de hemelkoepel. Consternatie en ongeloof alom. De Tweede Christus overtuigt niet, ondanks zijn credentials. De Poolse Bijbel- en chemtrailaficionado verdraagt het niet langer en loopt woedend de zaal uit. Een tweede tactiek is het bouwen van ondergrondse schuilplaatsen, maar volgens de meeste platte-aarders dienen deze kelders enkel en alleen de elite, de Rothschilds c.s. Volgens de anderen moet iedereen eraan meewerken. Platte-aarders zien hun heil in een spirituele vlucht vooruit, de apocalyptische holle-aarders zijn meer geïnteresseerd in het redden van het vege lijf. Opnieuw wordt de lezing onderbroken door kabaal en discussie.

Slechte energie begint de zaal te vullen. Weggelopen platte-aarders sijpelen terug binnen en de woordenwisseling wordt agressiever. En dommer: of we de theorie van de platte aarde niet kunnen verenigen met de theorie van de holle aarde, probeert nog iemand te sussen. Sommige aanwezigen proberen de situatie dan weer te bezweren met het roepen van “respect” en “liefde”, maar de open geesten van de lichtzoekers zijn dichtgeklapt. Het zou niet meer goedkomen. Tijdens de eindbespreking verlaat Lord Steven Christ en zijn gevolg zelfs de zaal. De man had via YouTube aangekondigd dat hij kabaal zou komen maken. Mij leek zijn missie dan ook geslaagd.

 

En mijn missie? Naast een schriftje tjokvol aantekeningen voor een artikel heb ik vooral het idee naar huis teruggebracht dat de theorie van de platte en holle aarde voor deze mensen een bloedserieuze, bijna existentiële aangelegenheid is, zeker dus geen grap. Een bolle, heliocentrische aarde in een schier onmetelijk universum waarin en waardoor de mens, een vermeende ex-aap, zijn speciale en centrale plaats zou verloren zijn, lijkt tal van deze religieus-spiritueel geïnspireerde en gemotiveerde mensen heel wat angst aan te jagen. Het is in strijd met hun perceptie en intuïtie van een geocentrische platte schijf. Elke persoon of instantie die hun waarneming in vraag durft te stellen, of erger nog, aan te vallen, tast hun soevereiniteit aan, hun vrijheid te denken wat zij willen denken op basis van de eigen zintuigen en het eigen verstand. Net als hun aarde lijken zij onder een stolp vast te zitten, gevangen in hun eigen ideologie die kost wat kost afgeschermd moet worden van vreemde invloeden. De vele complotten die zij menen te ontwaren zwengelen die angst alleen maar aan. Geloof in een platte of holle aarde, overgoten met een dikke saus van complotten en samenzweringen, lijkt mij een overtuiging van verkrampte mensen die niet hoe weten te reageren op een ander, rationeel en wetenschappelijk onderbouwd wereld- en mensbeeld.

Anderzijds, deze mensen domme kloten noemen, of idioten, of gekkies, lijkt mij dan weer een reactie van zogenaamd kritische denkers die niet weten hoe ze daar mee moeten omgaan.

_______________

[1] Beide werken zijn moeiteloos terug te vinden via internets schatkamer http://archive.org.