Een ecomodernistisch manifest

Samen met Bart Coenen, hoofdredacteur van BackCover.be en van Wonder en is gheen Wonder, vertaalde ik An Ecomodernist Manifesto, een manifest geschreven door het Breakthrough Institute. Onze vertaling verscheen op de website ecomodernism.org en later, in gewijzigde vorm, in het boek Ecomodernisme. Het nieuwe denken over groen en groei (Nieuw Amsterdam, 2017).

* * *

De uitspraak dat de Aarde een menselijke planeet is, wordt elke dag een beetje meer waar. Mensen zijn gemaakt van de Aarde en de Aarde is herschapen door mensenhanden. Wetenschappers stellen dat de Aarde een nieuw geologisch tijdvak heeft betreden: het Antropoceen, het Tijdperk van de Mens.

Wij academici, wetenschappers, campagnevoerders en burgers schrijven dit manifest in de overtuiging dat verstandig toegepaste kennis en technologie kunnen zorgen voor een goed en zelfs een groots Antropoceen. In een goed Antropoceen gebruikt de mens zijn groeiende sociale, economische en technologische vaardigheden om het leven beter te maken, het klimaat te stabiliseren en de natuur te beschermen.

Hierbij onderschrijven wij een oud ideaal, namelijk het idee dat de mensheid haar impact op het milieu moet verkleinen om plaats te maken voor natuur. Maar tegelijk verwerpen we het idee dat menselijke samenlevingen in harmonie moeten leven met de natuur om zo een economische en ecologische ineenstorting te vermijden.

Deze twee idealen zijn niet langer verzoenbaar. Natuurlijke systemen kunnen niet beschermd of verbeterd worden wanneer de mens er voor zijn levensonderhoud en welzijn in toenemende mate van afhangt.

Het intensiveren van tal van menselijke activiteiten (zoals landbouw, energiewinning, bosbouw en stadsontwikkeling) met als doel minder land te gebruiken en de impact op het milieu te verminderen, is de sleutel tot het loskoppelen van menselijke ontwikkeling en natuur. Deze socio-economische en technologische processen staan centraal in de economische modernisering en de milieubescherming. Samen zullen zij ons in staat stellen om de klimaatverandering binnen de perken te houden en armoede te verlichten.

Hoewel wij in het verleden onafhankelijk van elkaar schreven, worden onze visies en ideeën steeds meer als een geheel bediscussieerd. We noemen onszelf ecopragmatici en ecomodernisten. Wij schreven dit manifest om onze ideeën te verduidelijken en om toe te lichten hoe we de buitengewone krachten van de mensheid in dienst van een goed Antropoceen kunnen stellen.

1.

De laatste twee eeuwen floreert de mensheid. De gemiddelde levensverwachting steeg van 30 tot 70 jaar. Dat resulteerde in een grote en groeiende bevolking die kan overleven in zeer verschillende omgevingen. De mensheid heeft een buitengewone vooruitgang geboekt in het terugdringen van besmettelijke ziekten en hun gevolgen. Mensen zijn ook weerbaarder geworden tegenover extreme weersomstandigheden en natuurrampen.

Geweld nam in al haar vormen aanzienlijk af en is waarschijnlijk op haar laagste punt ooit, ondanks de verschrikkingen van de 20ste eeuw en het huidige terrorisme. Globaal gezien schoven mensen op van autocratische regeervormen naar de liberale democratie, gekenmerkt door de rechtsstaat en een groeiende vrijheid.

Persoonlijke, economische en politieke vrijheden verspreidden zich wereldwijd en worden vandaag ruim geaccepteerd als universele waarden. Modernisering bevrijdt vrouwen van traditionele rolpatronen, terwijl zij zelf steeds meer zeggenschap krijgen over de eigen vruchtbaarheid. Een historisch hoog aantal mensen – zowel in percentage als in absolute cijfers – is bevrijd van onzekerheid, schaarste en uitbuiting.

Tegelijkertijd heeft het menselijk succes een ernstige tol geëist van de natuurlijke, nietmenselijke omgeving en van de wilde dieren. Mensen hebben ongeveer de helft van het ijsvrije land in gebruik genomen. Vooral voor begrazing, het telen van gewassen en de productie van hout. 20 percent van het land dat ooit bebost was, is nu omgezet voor menselijk gebruik. Alleen al de laatste 40 jaar namen de populaties van vele zoogdieren, amfibieën en vogels met de helft af. Meer dan 100 soorten van deze klassen zijn uitgestorven in de 20ste eeuw en ongeveer 785 soorten sinds 1500. Terwijl we dit schrijven blijven nog maar vier noordelijke witte neushoorns over.

Omdat mensen volledig afhankelijk zijn van de levende biosfeer, moeten we ons afvragen hoe het mogelijk is dat ze zo veel schade aanrichten aan natuursystemen zonder zichzelf schade toe te brengen.

De rol van technologie in het reduceren van de menselijke afhankelijkheid van de natuur verklaart deze paradox. Menselijke technologieën – van degene die landbouw in staat stelden het jagen en verzamelen te vervangen tot de technologieën die de huidige geglobaliseerde economie voortstuwen – hebben ervoor gezorgd dat mensen minder afhankelijk zijn van de vele ecosystemen die hen ooit helemaal onderhielden, zelfs wanneer diezelfde ecosystemen daardoor zwaar beschadigd werden.

Ondanks de vaak gehoorde bewering sinds de jaren 1970 dat er fundamentele “grenzen aan de groei” zouden zijn, zijn er tot nu toe opvallend weinig bewijzen dat in de nabije toekomst de menselijke bevolking en de economische expansie de capaciteit om voedsel te verbouwen of om levensnoodzakelijke materialen te produceren zou overvleugelen.

Als er al fysieke grenzen aan menselijke consumptie zijn, dan zijn deze zo theoretisch dat ze functioneel irrelevant worden. De hoeveelheid zonnestralen die op de aarde botst bijvoorbeeld, is uiteindelijk wel eindig, maar op zich legt dit geen beperking op aan menselijke ondernemingen. De menselijke beschaving kan gedurende eeuwen en zelfs millennia draaien op energie die opgewekt wordt door kernsplitsing in uranium- of thoriumreactoren of door kernfusie (waterstof deuteriumfusie). Een goed beleid kan ervoor zorgen dat mensen niet het risico lopen op een gebrek aan landbouwgrond. Met genoeg land en ongelimiteerde energie is het mogelijk om alternatieven te zoeken voor andere materialen die nodig zijn voor het menselijk welzijn en die schaars en duur dreigen te worden.

Er zijn echter ernstige milieudreigingen die op de lange termijn het menselijk welzijn kunnen schaden, zoals antropogene klimaatverandering, de verarming van de ozonlaag in de stratosfeer en oceaanverzuring. Hoewel het moeilijk is om deze risico’s te becijferen, is er genoeg bewijs dat ze een wezenlijk risico op een globale catastrofale impact op leefgemeenschappen en ecosystemen inhouden. Zelfs graduele, niet-catastrofale gevolgen die geassocieerd kunnen worden met deze bedreigingen, zullen waarschijnlijk uitmonden in aanzienlijke menselijke en economische kosten en in stijgende ecologische verliezen.

Grote delen van de wereldbevolking lijden echter onder meer directe lokale milieu- en gezondheidsrisico’s. Luchtverontreiniging, zowel binnenshuis als buitenshuis, veroorzaakt jaarlijks nog steeds heel wat ziekte en de voortijdige dood van miljoenen mensen. Watervervuiling en ziekten die ontstaan in verontreinigde en gedegradeerde stroomgebieden veroorzaken gelijkaardig lijden.

2.

Hoewel de menselijke impact op het milieu in zijn totaal blijft stijgen, is er een waaier aan trends die op lange termijn voor een substantiële ontkoppeling van menselijk welzijn en milieu-impact kunnen zorgen.

Ontkoppeling manifesteert zich zowel in relatieve als in absolute termen. Relatieve ontkoppeling houdt in dat de menselijke impact op het milieu trager stijgt dan de gehele economische groei. Met andere woorden, voor elke eenheid van economische output is er minder impact op het milieu (bijvoorbeeld ontbossing, vervuiling of verlies aan dieren). De globale impact kan nog wel groter worden, maar verloopt trager dan anders het geval zou zijn. We spreken over absolute ontkoppeling wanneer de totale geaccumuleerde milieuimpact piekt en daarna afneemt, zelfs wanneer de economie verder blijft groeien.

Ontkoppeling kan gestimuleerd worden door technologische en demografische trends. Meestal is het een resultaat van een combinatie van beide.

De groeisnelheid van de menselijke bevolking heeft zijn hoogtepunt al bereikt. De huidige groei bedraagt één percent per jaar, lager dan de 2,1 percent in de jaren 1970. De vruchtbaarheidscijfers in landen die samen meer dan de helft van de wereldbevolking uitmaken, liggen lager dan het vervangingsniveau. De huidige bevolkingsgroei kan voornamelijk toegeschreven worden aan een langere levensduur en een daling van de kindersterfte; niet aan stijgende vruchtbaarheidscijfers. Gezien de huidige trends is het best mogelijk dat de omvang van de menselijke bevolking deze eeuw een hoogtepunt bereikt en dan begint af te nemen.

Trends in bevolkingsaantallen zijn onlosmakelijk verbonden met andere demografische en economische dynamieken. Het is de eerste keer in de geschiedenis van de mensheid dat meer dan de helft van de wereldbevolking in steden woont. Men verwacht dat tegen 2050 70 percent in steden zal wonen, een aantal dat waarschijnlijk stijgt tot 80 percent of meer tegen het einde van de eeuw. Steden kennen zowel een hoge bevolkingsdichtheid als lage vruchtbaarheidscijfers.

Steden beslaan slechts 1 à 3 percent van het aardoppervlak en toch bieden zij plaats aan bijna 4 miljard mensen. Zo stimuleren en symboliseren ze de menselijke loskoppeling van de natuur. Steden voorzien ook veel efficiënter dan plattelandseconomieën in onze materiële behoeften en ze verminderen onze impact op het milieu.

De groei van steden en de economische en ecologische voordelen die daar het gevolg van zijn, zijn onlosmakelijk verbonden aan verbeteringen in de landbouwproductiviteit. Omdat in de landbouw efficiënter gebruik wordt maakt van land en arbeid, ruilde landelijke bevolking het platteland in voor de stad. In 1880 werkte ruw genomen de helft van de bevolking van de Verenigde Staten op het land, vandaag is dat minder dan twee percent.

Verlost van hard labeur in de landbouw kwam een enorm menselijk potentieel vrij voor andere ondernemingen. De steden van vandaag zouden niet bestaan zonder de radicale vernieuwingen in delandbouw. Modernisering daarentegen, is niet mogelijk in een op zelfvoorziening gebaseerde landbouw.

Deze verbeteringen in de landbouwsector zorgden niet alleen voor een vermindering van de vereiste arbeid per eenheid geproduceerde output, maar ook voor een vermindering van het nodige land. Dit is geen nieuwe trend: stijgende opbrengsten zorgen al duizenden jaren voor een reductie van het land dat nodig is om de mens te voeden. Het gemiddelde landgebruik per hoofd ligt een pak lager dan 5000 jaar geleden, ondanks het feit dat de moderne mens een veel rijker dieet heeft. Dankzij technologische verbeteringen in de landbouw sinds 1960 halveerde de gemiddelde hoeveelheid land dat nodig is om gewassen te telen en om dieren te voederen.

Intensivering van de landbouw en het afnemend gebruik van hout als brandstof, heft gezorgd voor een netto herbebossing in vele delen van de wereld. Ongeveer 80 percent van New England is vandaag bebost, tegenover ongeveer 50 percent aan het einde van de 19de eeuw. Gedurende de laatste 20 jaar is de hoeveelheid land voor bosbouw en houtproductie met 50 miljoen hectare afgenomen, een gebied zo groot als Frankrijk. De “bostransitie” – van netto ontbossing tot netto bebossing – lijkt even kenmerkend voor ontwikkeling als de demografische transitie (waarbij het geboortecijfer vermindert) kenmerkend is voor de afname van armoede.

Ons gebruik van andere hulpbronnen kwam op een gelijkaardige manier tot een hoogtepunt. De hoeveelheid water nodig voor een gemiddeld dieet nam met bijna 25 percent af gedurende de laatste halve eeuw. Stikstofvervuiling blijft verantwoordelijk voor eutrofiëring en grote dode zones in bijvoorbeeld de Golf van Mexico. Terwijl de totale hoeveelheid vervuiling door stikstof toeneemt, neemt het gebruik per productie-eenheid aantoonbaar af in de ontwikkelde landen.

In tegenstelling tot de vaak geuite angst dat een eindeloze groei zal botsen met een eindige planeet, kan de vraag naar tal van goederen verzadigd geraken wanneer gemeenschappen rijker worden. Vleesconsumptie bijvoorbeeld, is over haar hoogtepunt heen in vele rijke landen en verschuift van rundvlees naar proteïnebronnen waarvoor minder land nodig is.

Eens aan de vraag naar goederen voldaan is, dan zien we in ontwikkelde economieën hogere uitgaven voor diensten en kennissectoren. Die vereisen minder materiaalgebruik en staan in voor een groeiend aandeel in de economische activiteit. Deze dynamiek is mogelijk nog sterker in de opkomende economieën. Zij kunnen hun voordeel doen bij het feit dat ze meteen kunnen gebruikmaken van grondstof-efficiënte technologieën.

Neemt men al deze trends samen, dan betekent dit dat de totale menselijke impact op de omgeving, inclusief het landgebruik, overexploitatie en vervuiling, deze eeuw kan pieken en vervolgens afnemen. Door deze opkomende processen te begrijpen en te bevorderen kunnen we de Aarde vergroenen en tal van wilde dieren herintroduceren. Zelfs wanneer de ontwikkelingslanden moderne levensstandaarden bereiken en wanneer er wereldwijd een einde komt aan materiële armoede.

3.

Het proces van ontkoppeling zoals we het hierboven beschreven, vecht het idee aan dat vroegere menselijke leefgemeenschappen minder wogen op het land dan moderne samenlevingen. Als oudere gemeenschappen al minder impact hadden op hun omgeving, dan was dat louter en alleen omdat deze gemeenschappen beduidend kleinere populaties moesten onderhouden.

Populaties met minder geavanceerde technologieën hadden zelfs een veel grotere individuele ecologische voetafdruk dan gemeenschappen nu. Laat ons niet vergeten dat een bevolking van niet meer dan een à twee miljoen Noord-Amerikanen in het late Pleistoceen de grote zoogdieren bejaagden en uitroeiden. Tegelijk kapten ze over heel het continent bossen of brandden deze plat. De mens bleef de omgeving ingrijpend veranderen doorheen het Holoceen, in die mate dat drie vierde van de ontbossing wereldwijd plaatsvond vóór de Industriële Revolutie.

De technologie die onze voorouders gebruikten om aan hun behoeften te voldoen, ondersteunde veel lagere levensstandaarden met een veel hogere impact op het milieu per hoofd. Wars van massale menselijk sterfte zou elke poging om menselijke gemeenschappen met behulp van deze technologieën terug te koppelen aan de natuur een regelrechte ecologische en menselijke catastrofe tot gevolg hebben.

Over heel de wereld worden ecosystemen bedreigd omdat mensen er overdreven veel op steunen. Mensen die afhangen van brandhout en houtskool als brandstof, kappen en vernielen bossen. Mensen die bushmeat eten, bejagen zoogdieren tot op de rand van uitsterven. Of het nu de inheemse bevolking is die ervan profiteert of een buitenlands bedrijf, de nog steeds voortdurende menselijke afhankelijkheid van de natuurlijke omgeving vormt het hoofdprobleem voor de natuurbescherming.

Anderzijds bieden moderne technologieën die efficiënter gebruik maken van natuurlijke ecosysteemdiensten een echte kans om onze impact op de biosfeer te reduceren. Het omarmen van deze technologieën is een weg die kan leiden naar een goed Antropoceen.

Uiteraard hebben de moderniseringsprocessen die de mensheid steeds meer losmaakten van de natuur een negatieve kant aangezien ze ook de natuurlijke omgeving aantastten. Fossiele brandstoffen, mechanisatie en fabricage, kunstmeststoffen en pesticiden, elektrificatie, modern transport en communicatietechnologieën hebben in de eerste plaats een grotere bevolkingsgroei en meer consumptie mogelijk gemaakt. Als de technologieënsinds de Donkere Middeleeuwen niet verbeterd waren, dan was de menselijke bevolking zonder twijfel ook niet sterk gegroeid.

Het is ook waar dat grote aantallen van steeds welvarender stedelingen een groter beroep doen op ver afgelegen ecosystemen. De ontginning van natuurlijke hulpbronnen is immers geglobaliseerd. Anderzijds kregen mensen toegang tot voedsel, beschutting, warmte, licht en mobiliteit via technologieën die veel efficiënter zijn qua bron- en landgebruik dan eender wanneer in de menselijke geschiedenis.

Het menselijk welzijn loskoppelen van de vernieling van de natuur vereist een bewuste versnelling van opkomende ontkoppelingsprocessen. In sommige gevallen is het doel de ontwikkeling van technologische substituten. Bijvoorbeeld: om de ontbossing en luchtvervuiling binnenshuis tegen te gaan is er een substitutie (vervanging) nodig van hout en houtskool door moderne energiebronnen.

In andere gevallen zou de mensheid hulpbronnen productiever moeten gebruiken. Zo kan verhoging van de oogst de omzetting van bos tot grasland en landbouwgrond tegengaan. Mensen moeten manieren vinden om de natuur los te maken van de economie.

Verstedelijking, intensivering van de landbouw, kernenergie, aquacultuur en ontzilting zijn allemaal processen met een aangetoond potentieel om de menselijke druk op het milieu te verkleinen en zo meer ruimte te creëren voor niet-menselijke soorten. De ontwikkeling van voorsteden, landbouw met een lage opbrengst en vele vormen van hernieuwbare energie vragen daarentegen over het algemeen meer land en hulpbronnen en laten minder ruimte over voor natuur.

Deze patronen suggereren dat mensen even geneigd zijn natuur te sparen omdat ze niet nodig is om hun noden te vervullen, als dat ze natuur willen sparen om esthetische en spirituele redenen. De delen van de planeet die mensen nog niet ingrijpend veranderden, bleven meestal gespaard omdat mensen er nog geen economisch nuttig gebruik voor vonden – namelijk bergen, woestijnen, boreale wouden en andere “marginale” regio’s.

Ontkoppeling verhoogt de mogelijkheid dat de impact van de mens een piek bereikt zonder dat hij nog meer relatief ongerepte gebieden binnendringt. Ongebruikte natuur is gespaarde natuur.

4.

Een ruime toegang tot moderne energiebronnen is een essentiële vereiste voor menselijke ontwikkeling en voor de loskoppeling van menselijke ontwikkeling en natuur. De beschikbaarheid van goedkope energie laat arme mensen in de hele wereld toe om te stoppen met bossen te gebruiken als energiebron. Het stelt mensen in staat om meer voedsel te verbouwen op minder land, dankzij energie-intensieve input van meststoffen en tractoren. Energie laat mensen toe afvalwater te recycleren en zeewater te ontzilten om zo rivieren en bronnen te sparen. Het laat mensen toe om metaal en plastic op een goedkopere manier te recycleren in plaats van nieuwe minerale bronnen te ontginnen, verwerken en raffineren. Als we vooruit kijken, dan kan moderne energie stikstof uit de atmosfeer capteren om zo de hoeveelheid geaccumuleerde stikstof (die de klimaatverandering aandrijft), te verminderen.

De laatste drie eeuwen loopt de groeiende energieproductie wereldwijd gelijk met stijgende CO2-concentraties in de atmosfeer. In diezelfde periode werkten verschillende landen aan het koolstofarmer maken van hun economieën. Maar het tempo waarop ze dat gedaan hebben, lag niet hoog genoeg om ervoor te zorgen dat de cumulatieve koolstofemissies laag genoeg blijven om onder het internationaal vastgestelde doel van minder dan 2°C opwarming uit te komen. Een noodzakelijke beperking van de gevolgen van de klimaatverandering vereist dan ook dat mensen de bestaande processen voor het koolstofarmer maken sterk moeten versnellen.

Er heerst echter nog veel verwarring over hoe we dit kunnen verwezenlijken. In ontwikkelingslanden is de stijgende energieconsumptie nauw verbonden aan stijgende inkomens en hogere levensstandaarden. Hoewel het gebruik van vele andere materialen zoals stikstof, hout en land naar een hoogtepunt groeit, suggereert het centrale belang van energie in de menselijke ontwikkeling en haar vele toepassingen als een substituut voor materiële en menselijke middelen dat de energieconsumptie zal blijven stijgen doorheen een groot stuk van de 21ste eeuw en waarschijnlijk zelfs tot het einde ervan.

Vandaar dat elk conflict tussen klimaatmitigatie en de ontwikkelingsprocessen (via dewelke miljarden mensen wereldwijd moderne levensstandaarden bereiken) zal beslecht worden in voordeel van die ontwikkeling.

Klimaatverandering en andere ecologische uitdagingen zijn niet de meest belangrijke of meest onmiddellijke zorg voor het merendeel van de wereldbevolking. Dat zouden ze ook niet mogen zijn. Een nieuwe kolencentrale in Bangladesh kan dan wel luchtvervuiling en stijgende co2-emissies met zich meebrengen, ze zal ook mensenlevens redden. Voor miljoenen mensen die leven zonder licht en die niet anders kunnen dan mest te verbranden om hun voedsel te bereiden, bieden elektriciteit en moderne brandstoffen een weg naar een beter leven. Wat de precieze oorsprong ervan ook moge zijn en zelfs als die energiebronnen tegelijkertijd nieuwe ecologische uitdagingen met zich meebrengen.

Een betekenisvolle beperking van de klimaatverandering is in de grond een technologische uitdaging. Hiermee bedoelen we dat zelfs drastische, wereldwijde consumptiebeperking onvoldoende zou zijn om tot een aanzienlijke klimaatmitigatie te komen. Zonder fundamentele technologische veranderingen is er geen geloofwaardige weg naar een klimaatmitigatie van betekenis. Men is het niet eens over welke technologiemix de beste is en wij hebben alleen weet van gekwantificeerde klimaatmitigatiescenario’s waarbij technologische veranderingen verantwoordelijk zijn voor het overgrote deel van de uitstootreducties.

De specifieke technologische keuzes die we kunnen maken met het oog op klimaatmitigatie, blijven het onderwerp van verhitte discussies. Theoretische scenario’s reflecteren gewoonlijk de technologische voorkeur en analytische aannames van hun bedenkers. Al te vaak vergeten deze om de kosten, de tijd en de schaal in te calculeren die nodig zijn om koolstofarme energietechnologieën te implementeren.

De geschiedenis van energietransities suggereert dat er altijd al consistente patronen waren in de wegen die samenlevingen namen richting schonere energiebronnen. Zowat alle gemeenschappen die hun koolstofuitstoot verminderden deden dat door brandstoffen van lagere kwaliteit (i.e. meer koolstofintensief en met een lagere energiedichtheid) te vervangen door brandstoffen met een hogere kwaliteit (i.e. minder koolstofintensief en met een hogere energiedichtheid). Dit toont de weg naar een versnelde vermindering in de toekomst. De transitie naar een wereld die aangedreven wordt door koolstofvrije energiebronnen vereist technologieën met een hoge energiedichtheid die opgeschaald kunnen worden tot in de tientallen terawatt om de groeiende economie te doen draaien.

Met de meeste vormen van hernieuwbare energie is dit helaas niet haalbaar. Biobrandstoffen en vele andere hernieuwbare energiebronnen zouden te veel land nodig hebben en een dusdanige milieu-impact dat wij betwijfelen of ze wel een weg kunnen vormen naar een koolstofvrije toekomst met een kleine voetafdruk.

Efficiënte zonnecellen gemaakt van veelvoorkomende materialen zijn hierop een uitzondering. Ze hebben de mogelijkheid om vele tientallen terawatts te produceren op een paar procent van het aardoppervlak. Hedendaagse technieken op het gebied van zonneenergie vereisen fundamentele innovaties om aan deze standaard te voldoen en vereisen de ontwikkeling van goedkope opslagtechnologieën die in staat zijn om op grote schaal een erg variabele energieproductie te ondervangen.

Kernsplijting is vandaag de dag de enige koolstofvrije technologie die effectief beantwoordt aan de meeste of zelfs aan alle energievereisten die een moderne economie stelt. En toch maakt een waaier aan sociale, economische en institutionele uitdagingen de inzet van hedendaagse nucleaire technologieën – op een schaal die nodig is om een significante beperking van de gevolgen van de klimaatverandering te verwezenlijken – onwaarschijnlijk. Een nieuwe generatie van nucleaire technologieën die veiliger en goedkoper zijn, blijkt nodig om kernenergie te brengen tot een punt waarop het zijn potentieel vervult als klimaatmatigende technologie.

Op lange termijn vertegenwoordigen zonne-energie (van de volgende generatie), geavanceerde kernsplijting en kernfusie de meest plausibele manieren om aan de gezamenlijke doelstellingen van klimaatstabilisatie en de radicale loskoppeling van mens en natuur te voldoen. Als de geschiedenis van energietransities een leidraad is, dan zal de overgang evenwel tijd vragen. Tijdens die transitie kunnen andere energiebronnen belangrijke sociale en ecologische voordelen bieden. Zo kunnen bijvoorbeeld waterkrachtcentrales een goedkope bron zijn van koolstofarme energie voor arme landen, zelfs als hun ecologische voetafdruk qua land- en watergebruik relatief groot is. Fossiele brandstoffen in combinatie met koolstofafvang en -opslag kunnen op een gelijkaardige manier voordelen bieden ten opzichte van fossiele brandstoffen of energie gewonnen uit biomassa.

Het ethische en pragmatische pad naar een eerlijke en duurzame globale energie-economie vraagt dat mensen zo snel mogelijk overschakelen op bronnen die goedkoop, proper, energiedicht en overvloedig aanwezig zijn. Zo’n weg heeft blijvende publieke steun nodig voor de ontwikkeling en toepassing van propere energietechnologieën. In een breder kader is deze publieke steun nodig voor wereldwijde modernisering en ontwikkeling.

5.

We schrijven dit document vanuit een warme liefde voor natuur en vanuit een nauwe emotionele band met de natuur. De natuur waarderen, ontdekken, proberen te begrijpen en te cultiveren is voor velen overweldigd. Zo leggen ze contact met hun diepere evolutionaire geschiedenis. Zelfs wanneer mensen de wilde natuur nooit direct ervaren, noemen ze het bestaan ervan belangrijk voor hun psychologisch en spiritueel welzijn.

Mensen zullen tot op zekere hoogte altijd materieel afhankelijk zijn van de natuur. Zelfs als een volledig synthetische wereld mogelijk zou blijken, dan nog zouden velen onder ons verkiezen om meer gekoppeld aan de natuur te leven dan dit technologich en voor hun levensonderhoud strikt noodzakelijk zou zijn. Ontkoppeling maakt echter wel mogelijk dat de menselijke materiële afhankelijkheid van de natuur minder destructief wordt.

Het pleidooi voor een actievere, bewustere en versnelde ontkoppeling is daarom meer gebaseerd op spirituele en esthetische motieven dan op materialistische of utilitaire. Huidige en toekomstige generaties zouden voorspoedig kunnen overleven met veel minder biodiversiteit en minder wilde natuur. Maar dat is niet een wereld die we willen, of een wereld die we moeten accepteren als mensen het ontkoppelingsproces omarmen.

Wat we hier natuur noemen, of zelfs wilde natuur, omvat landschappen, zeegezichten, biomen en ecosystemen die gedurende eeuwen en millennia regelmatig (en eerder wel dan niet) door menselijke invloeden veranderd werden. Wetenschappen gericht op natuurbehoud en de concepten van natuurbehoud, complexiteit en oorspronkelijkheid zijn nuttig, maar kunnen op zich niet bepalen welke landschappen te bewaren en hoe dit te doen.

In de meeste gevallen is er geen een enkel beginpunt van voor de periode van de menselijke veranderingen naar waar de natuur zou kunnen terugkeren. Pogingen om landschappen te herstellen naar een vroegere staat (van “oorspronkelijkheid”) kunnen de verwijdering inhouden van recent gearriveerde soorten (“invasieven”). Dat kan een netto reductie van de lokale biodiversiteit betekenen. In andere gevallen kunnen gemeenschappen beslissen om de oorspronkelijkheid op te offeren voor iets nieuws en voor biodiversiteit.

Uitdrukkelijke pogingen om landschappen te bewaren voor hun niet-utilitaire waarde zijn onvermijdelijk antropogene keuzes. En daarom zijn alle inspanningen tot instandhouding fundamenteel antropogeen. Het beschermen van de natuur is niet meer of minder een menselijke keuze in dienst van menselijke voorkeuren dan het platwalsen van die natuur. Mensen zullen wilde streken en landschappen beschermen door hun medeburgers ervan te overtuigen dat die plaatsen en de wezens die er rondwaren die bescherming waard zijn. Mensen kunnen kiezen voor enkele ecodiensten (zoals waterzuivering en bescherming tegen overstromingen) die voorzien worden door natuurlijke systemen (zoals bosrijke waterscheidingen, riffen, moerassen en watergebieden), zelfs wanneer die natuurlijke systemen duurder zijn dan de bouw van waterzuiveringsstations, zeeweringen en dijken. Maar eenvormige pasklare oplossingen zijn er niet.

Verschillende lokale, historische en culturele voorkeuren zullen de omgeving vormgeven. Terwijl we geloven dat het intensiveren van landbouw om land uit te sparen belangrijk is voor de natuurbescherming, erkennen we dat tal van gemeenschapen zullen blijven kiezen voor een “gedeeld” landgebruik om zo fauna en flora te beschermen binnen de landbouw eerder dan de gronden terug te geven aan de wilde natuur in de vorm van grasland, struikgewas of bos. Waar ontkoppeling de druk op landschappen en ecosystemen doet afnemen om tegemoet te komen aan menselijke basisbehoeften, moeten landeigenaars, gemeenschappen en regeringen nog steeds beslissen voor welke esthetisch of economisch doel ze het land willen gebruiken.

Versnelde ontkoppeling op zich zal niet genoeg zijn om voor meer wilde natuur te zorgen. Er moet nog steeds een beleid zijn voor de bescherming ervan en een natuurbeweging die meer wilde natuur eist om esthetische en spirituele redenen. Tegelijk met het ontkoppelen van de menselijke materiële behoeften vraagt een blijvend engagement om de wildernis, de biodiversiteit en een mozaïek aan mooie landschappen te beschermen de ontwikkeling van een diepere emotionele band ermee.

6.

Er is nood aan en een menselijke capaciteit voor een versnelde, actieve en bewuste ontkoppeling. Technologische vooruitgang is niet onvermijdelijk. De ontkoppeling van milieu-impact en economische output komt niet vanzelf tot stand uit marktgestuurde vernieuwing of een efficiënt antwoord op schaarste. De lange reeks menselijke aanpassingen aan de natuurlijke omgeving met behulp van technologie begon lang voor er iets bestond dat enige gelijkenis vertoonde met een markt of een prijssignaal. Door stijgende vraag, schaarste, inspiratie en serendipiteit zijn mensen de wereld al millennia lang aan het herschapen.

Technologische oplossingen voor milieuproblemen moeten ook binnen een bredere sociale, economische en politieke context beschouwd worden. We denken dat het onproductief is dat landen zoals Duitsland en Japan en staten zoals Californië installaties voor kernenergie sluiten. Zo maken ze hun energiesectoren terug koolstofrijker en koppelen ze hun economie opnieuw aan fossiele brandstoffen en biomassa. Anderzijds tonen deze voorbeelden duidelijk aan dat technologische keuzes niet bepaald worden door verre internationale organen, maar eerder door nationale en lokale instituten en cultuur.

Al te vaak wordt modernisering vereenzelvigd met kapitalisme, machtige bedrijven en laissez-faire-economie, zowel door de verdedigers als door de critici ervan. Wij verwerpen zulke vereenvoudigingen. Wat wij bedoelen met modernisering is de lange-termijnevolutie van sociale, economische, politieke en technologische maatregelen in menselijke gemeenschappen die het materiële welzijn, de volksgezondheid, de productiviteit van hulpbronnen, economische integratie, gedeelde infrastructuur en persoonlijke vrijheid fundamenteel verbeteren.

Modernisering bevrijdde steeds meer mensen van een leven vol armoede en harde labeur in de landbouw, bevrijdde vrouwen van een onderworpen positie, kinderen en etnische minderheden van onderdrukking en gemeenschappen van een grillig en willekeurig bestuur. Grotere productiviteit van hulpbronnen geassocieerd met moderne socio-technologische systemen bood leefgemeenschappen de mogelijkheid om aan menselijke noden tegemoet te komen met minder input van hulpbronnen en met minder impact op de natuur. Productievere economieën zijn rijkere economieën die beter in staat zijn om menselijke noden te ledigen. Grotere delen van hun economische surplus kunnen besteed worden aan niet-economische voorzieningen, zoals een betere menselijke gezondheid, grotere menselijke vrijheden en kansen, kunsten, cultuur en de bescherming van de natuur.

Moderniseringsprocessen zijn verre van volledig, zelfs in geavanceerde en hoogontwikkelde economieën. De consumptie van materiaal heeft nog maar net een hoogtepunt bereikt in de rijkste samenlevingen. Het ontkoppelen van menselijk welzijn en milieu-impact vereist een doorgedreven engagement voor technologische vooruitgang en de voortdurende evolutie van sociale, economische en politieke instituten.

Versnelde technologische vooruitgang vergt een actieve, assertieve en agressieve deelname van privéondernemers, de markten, de civiele samenleving en de staat. We verwerpen de misvatting van de planeconomie van de jaren 1950 maar geloven in een sterke rol voor de overheid voor de aanpak van milieuproblemen en voor de versnelling van technologische innovatie. Ook zien we een sterke overheidsrol bij onderzoek naar betere technologieën, subsidies en andere maatregelen om deze innovaties op de markt te krijgen en voor de ontwikkeling van regelgeving om gevaren voor het milieu te beperken. Verder is een internationale samenwerking bij technologische innovatie en technologieoverdracht essentieel in de landbouw- en energiesector.

7.

Wij bieden dit manifest aan in de overtuiging dat menselijke voorspoed én een ecologisch bruisende planeet niet alleen mogelijk zijn, maar dat ze ook onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Wij geloven dat zo’n toekomst mogelijk is door ons te verbinden aan reële processen die al gestart zijn met het loskoppelen van menselijk welzijn en de vernieling van het milieu. Wij omarmen dan ook een optimistische visie op het menselijk kunnen en de toekomst.

Wij hopen dat dit document zal bijdragen aan een verbetering van de kwaliteit en de teneur van de dialoog over milieubescherming in de 21ste eeuw. Al te vaak worden discussies over het milieu gedomineerd door extremen en geplaagd door dogmatisme. Zij werken onverdraagzaamheid in de hand. Wij hechten een grote waarde aan de liberale principes van democratie, verdraagzaamheid en pluralisme en beschouwen deze principes als sleutelelementen in het bereiken van een groots Antropoceen. We hopen dat deze verklaring een stap vooruit is in de dialoog over hoe we universele menselijke waardigheid kunnen bereiken op een biodiverse en bruisende planeet.

 

Vertaald door Frank Verhoft en Bart Coenen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Protected by WP Anti Spam