Erich von Däniken: Waren de goden kosmonauten?

Andermaal eentje uit het teruggevonden archief van mijn vorige blog “Book Liberation Movement. Over vergeten en te vergeten boeken”.

* * *

Het moet 30 jaar geleden zijn dat ik het boek van Erich von Däniken Waren de goden kosmonauten? voor het eerst gelezen heb. En dat dient gevierd!

Nu ja, echt zeker ben ik niet. Mogelijk is het een valse herinnering of een telfout. Maar goed, al bij al is onze jaartelling ook gebaseerd op verzonnen herinneringen en/of telfouten en daar maken we ons ook niet te druk over terwijl we champagne nippend onze vingers afschieten met illegaal vuurwerk. Hoe dan ook, vijftien, zestien jaar moet ik geweest zijn, de ideale leeftijd voor dit soort fantastische verhalen.

Ik was dus blij, laatst, toen ik von Dänikens boek voor een euro of wat op de kop kon tikken in de kringloopwinkel Opnieuw&Co, tegenwoordig mijn geliefkoosde boekhandel én mijn belangrijkste bron van goedkoop esoterisch, paranormaal en pseudowetenschappelijk drukwerk. Met het nodige geluk heb ik daar al boeken van Velikovsky, Geller, Tenhaeff, Berlitz, Baigent, Weverberg en andere absoluut te lezen fantasten op de kop kunnen tikken. De verplichte klassiekers aan dumpingprijzen.

Het boek Waren de goden kosmonauten? (Erinnerungen an die Zukunft) verscheen in bloemenjaar 1969. Maar von Däniken was niet de eerste die ongegeneerd speculeerde en fabuleerde over de buitenaardse bezoekers met goddelijke kwaliteiten. Een van de eerste auteurs die enige bekendheid verwierf met zijn schrijfselen rond vermeende goddelijke bezoekers was Morris K. Jessup, master in de astronomie, verkoper van auto-onderdelen, zelfverklaarde ufologist en een van de sleutelfiguren in de hoax rond het zogenaamde Philadelphia experiment. Reeds in 1956 schreef hij UFO and the Bible waarin hij wilde aantonen dat “(1) there is a causal common denomiantor for many of the Biblical wonders” en “(2) this common cause is related to the phenomena of the UFO, both directly and indirectly”.

In 1960 speculeerden Louis Pauwels en Jacques Bergier Le matin de magiciens over “visiteurs venus du Dehors”, “visiteurs interplanétaires avaient installé un réseau sur la Terre” en “astronautes venus du Cosmos” in prehistorische tijden. Het boek bevat verder een mikmak aan thema’s die in de jaren 70 verder zouden geëxploreerd (of geëxploiteerd, zo u wil) worden door tal van auteurs en uitgeverijen: paranormale verschijnselen, verborgen krachten van de menselijke geest, verdwenen beschavingen, etc. Maar u kan het rustig zelf nalezen: de hele “introduction au réalisme fantastique” kan u hier integraal downloaden.

Ook Robert Charroux (pseudoniem van Robert Joseph Grugeau) was von Däniken voorafgegaan met Histoire inconnue des hommes depuis cent mille ans. Dat boek werd gepubliceerd in 1963, maar kende aanvankelijk geen overdonderend succes. Toch werd het vertaald in het Engels en het Duits. Histoire inconnue werd opnieuw uitgegeven in 1970 naar aanleiding van von Dänikens werk. In het Nederlands verscheen het datzelfde jaar als Onbekend verleden. Geheimen uit 100 eeuwen bij Kluwer in de reeks Ankh. In diezelfde periode zouden beide auteurs nog een paar boeken produceren waarin ze verder borduurden op hetzelfde thema: o.a. Terug naar de sterren (Zurück zu den Sternen, 1970) en Vergeten werelden (Le livre des mondes oubliés, 1971).

Maar het was von Däniken die de kosmische loterij won: het waren zijn boeken die insloegen als een bom. Het waren zijn schrijfselen die een enorme impact hadden. Ook een economische: 60 miljoen verkochte exemplaren wereldwijd is niet niks. De website van Ankh Hermes, een van de belangrijkste Nederlandstalige uitgevers van boeken over esoterische en paranormale onderwerpen, lijkt zelfs te suggereren dat het boek er (mede) voor zorgde dat de firma zich kon bestendigen na de breuk met de grote Kluweruitgeverij en zich dus voluit kon concentreren op de productie van gedrukte esoterica. Hoe dan ook, 10 drukken alleen al in 1969, het blijft indrukwekkend.

En bijna 30 jaar lang werd het boek herdrukt en bleef von Däniken het onderwerp recycleren, met onder andere Terug naar de sterren (1969), Mijn visie in woord en beeld (1973), De dag dat de goden kwamen (1984), De terugkeer van de goden (1992), De goden wáren astronauten (2001).

In 1971 vond Kluwer het toch nodig om Pieter Colls Hebben zij gelijk? (Geschäfte mit der Phantasie) uit te geven. En dat boek is “geen spitsvondige, wetenschappelijk uiteenzetting”, verzekert de voorflap ons, “maar een nuchtere beschouwing”. “Een aanval op von Däniken, Charroux e.a.”, stelt de cover eerder lapidair. Afbeeldingen van kosmonauten met bolvormige helmen worden plots jagers met een capuchon, buitenaardse astronomische kennis wordt herleid tot zijn ware, menselijke proporties, Egyptische beelden en stenen kunnen ook zonder goddelijke kosmokrachten verplaatst worden. Het boek van Colls bevat dan zelf weer enkele zeer dubieuze theorieën, maar dat is materiaal voor een ander artikel.

Terug naar het boek van von Däniken, en naar twee, drie punten die mij nu, een kwarteeuw later, wél opvallen: het voorwoord en de opbouw van de argumenten in het boek. Het voorwoord is geschreven door prof. dr. Fred L. Polak, een toch wel notoir futuroloog. En zelden heb ik zo’n vernietigende prelude gelezen. De zin “Om zijn ideeën te steunen wordt eenvoudig van alles en nog wat er door hem met de haren bijgesleept” is niet echt een lofbetuiging. Ook maakt Polak met de hoofdstelling van von Däniken gelijk komaf. Het is niet meer dan “louter fantasie”, “sciencefiction, “ja, complete nonsens”. En we zijn nog geen 2 pagina’s ver.

Maar dan draait ook de goede professor gedeeltelijk bij: von Däniken heeft enkele interessante vondsten gedaan en misschien kunnen die interessante vondsten wel iets betekenen in de ontwikkeling der wetenschap. Wat die interessante vondsten nu precies zijn, daarover laat prof. dr. Polak ons in het ongewisse.

Dat nu net von Dänikens boeken aansloegen is verwonderlijk. ’s Mans schrijfstijl is bijna even bot en primitief als zijn manier van argumenteren. Het procedé dat hij volgt is niet alleen onderontwikkeld en grof, maar ook en vooral vervelend en eentonig. Met zoveel denkfouten per pagina was de lectuur van Waren de goden kosmonauten? anno nu geen makkie. Meermaals is de moed mij in de schoenen gezonken, meermaals heb ik het boek wild vloekend dichtgeklapt. Geduldig kritisch denken? Me ouwe hoela!

Hij begint met een speculatie en alleen al het vermelden van die speculatie is genoeg om daar een feit van te maken waarop verder gebouwd kan worden met een nieuwe speculatie. Buitenaards leven is mogelijk — plaats genoeg, het universum is tenslotte vrij groot — dus, concludeert von Däniken, er ís buitenaards leven. Het is denkbaar dat enkele vormen van buitenaards leven mensachtig zijn, dus, er ís een ras van mensachtige aliens. Het is denkbaar dat deze wezens technologisch geavanceerd zijn, dus zíjn ze dat, etc. En zo bouwt-ie zijn intellectueel oneerlijk kaartenhuisje op, ad nauseam, met hier en daar een erkertje: wat hij niet kent, verklaart hij toch vanuit zijn gefantaseerde theorie. En neen, voor onze Zwitser is onwetendheid geen obstakel.

Cultureel heeft het boek, of beter, het hele idee, zeker wél zijn waarde en het blíjft een fantastisch verhaal, groots maar verzonnen. Hoewel de idee ruimtevaarders = goden niet meer springlevend is (denk maar aan de laatste, zij het licht comateuze Indiana Jones) is het toch een meme dat blijft plakken. En met veel plezier verwijs ik naar bijvoorbeeld de mensen van MonsterTalk, meer bepaald naar de episode Ancient Alien Astronauts.

Gedreven door jeugdsentiment herlees ik zelf graag Rosinski’s en Van Hammes stripreeks Thorgal, over een vermetele Viking annex gestrand Sterrenkind, en vooral dan de cyclus over de laatste der pseudogoddelijke ruimtereizigers ergens in zuidelijk Amerika (album 9 t.e.m. 13). In deze cyclus wordt niet alleen uitgebreid verwezen naar de ideeën van Von Däniken en Zecharia Sitchin, maar ook naar die van een Jim Woodmann (luchtballonnen annex schepen in zuidelijk Amerika).

Leuk, degelijk entertainment en met een beetje geluk vindt u ze in een kringloopwinkel.

Het citaat:

Zonder twijfel was de Ark des Verbonds elektrisch geladen! Indien men namelijk de door Mozes overgeleverde aanwijzingen thans reconstrueert, ontstaat er een spanning van vele honderden volts. De condensator werd door de gouden platen gevormd, waarvan de ene een positieve en de andere een negatieve lading had. Zou een der beide cherubijnen op het verzoendeksel nu ook nog gewerkt hebben als een magneet, dan zou de luidspreker — wellicht zelfs een soort ‘langeafstandsgesprekinstallatie’ tussen Mozes en het ruimteschip — volmaakt zijn geweest.

 

Erich von Däniken, Waren de goden kosmonauten? Onopgeloste raadsels uit het verleden. Uitgeverij N. Kluwer, 1970.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Protected by WP Anti Spam