Een ecomodernistisch manifest

Samen met Bart Coenen, hoofdredacteur van BackCover.be en van Wonder en is gheen Wonder, vertaalde ik An Ecomodernist Manifesto, een manifest geschreven door het Breakthrough Institute. Onze vertaling verscheen op de website ecomodernism.org en later, in gewijzigde vorm, in het boek Ecomodernisme. Het nieuwe denken over groen en groei (Nieuw Amsterdam, 2017).

* * *

De uitspraak dat de Aarde een menselijke planeet is, wordt elke dag een beetje meer waar. Mensen zijn gemaakt van de Aarde en de Aarde is herschapen door mensenhanden. Wetenschappers stellen dat de Aarde een nieuw geologisch tijdvak heeft betreden: het Antropoceen, het Tijdperk van de Mens.

Wij academici, wetenschappers, campagnevoerders en burgers schrijven dit manifest in de overtuiging dat verstandig toegepaste kennis en technologie kunnen zorgen voor een goed en zelfs een groots Antropoceen. In een goed Antropoceen gebruikt de mens zijn groeiende sociale, economische en technologische vaardigheden om het leven beter te maken, het klimaat te stabiliseren en de natuur te beschermen.

Hierbij onderschrijven wij een oud ideaal, namelijk het idee dat de mensheid haar impact op het milieu moet verkleinen om plaats te maken voor natuur. Maar tegelijk verwerpen we het idee dat menselijke samenlevingen in harmonie moeten leven met de natuur om zo een economische en ecologische ineenstorting te vermijden.

Deze twee idealen zijn niet langer verzoenbaar. Natuurlijke systemen kunnen niet beschermd of verbeterd worden wanneer de mens er voor zijn levensonderhoud en welzijn in toenemende mate van afhangt.

Het intensiveren van tal van menselijke activiteiten (zoals landbouw, energiewinning, bosbouw en stadsontwikkeling) met als doel minder land te gebruiken en de impact op het milieu te verminderen, is de sleutel tot het loskoppelen van menselijke ontwikkeling en natuur. Deze socio-economische en technologische processen staan centraal in de economische modernisering en de milieubescherming. Samen zullen zij ons in staat stellen om de klimaatverandering binnen de perken te houden en armoede te verlichten.

Hoewel wij in het verleden onafhankelijk van elkaar schreven, worden onze visies en ideeën steeds meer als een geheel bediscussieerd. We noemen onszelf ecopragmatici en ecomodernisten. Wij schreven dit manifest om onze ideeën te verduidelijken en om toe te lichten hoe we de buitengewone krachten van de mensheid in dienst van een goed Antropoceen kunnen stellen.

1.

De laatste twee eeuwen floreert de mensheid. De gemiddelde levensverwachting steeg van 30 tot 70 jaar. Dat resulteerde in een grote en groeiende bevolking die kan overleven in zeer verschillende omgevingen. De mensheid heeft een buitengewone vooruitgang geboekt in het terugdringen van besmettelijke ziekten en hun gevolgen. Mensen zijn ook weerbaarder geworden tegenover extreme weersomstandigheden en natuurrampen.

Geweld nam in al haar vormen aanzienlijk af en is waarschijnlijk op haar laagste punt ooit, ondanks de verschrikkingen van de 20ste eeuw en het huidige terrorisme. Globaal gezien schoven mensen op van autocratische regeervormen naar de liberale democratie, gekenmerkt door de rechtsstaat en een groeiende vrijheid.

Persoonlijke, economische en politieke vrijheden verspreidden zich wereldwijd en worden vandaag ruim geaccepteerd als universele waarden. Modernisering bevrijdt vrouwen van traditionele rolpatronen, terwijl zij zelf steeds meer zeggenschap krijgen over de eigen vruchtbaarheid. Een historisch hoog aantal mensen – zowel in percentage als in absolute cijfers – is bevrijd van onzekerheid, schaarste en uitbuiting.

Tegelijkertijd heeft het menselijk succes een ernstige tol geëist van de natuurlijke, nietmenselijke omgeving en van de wilde dieren. Mensen hebben ongeveer de helft van het ijsvrije land in gebruik genomen. Vooral voor begrazing, het telen van gewassen en de productie van hout. 20 percent van het land dat ooit bebost was, is nu omgezet voor menselijk gebruik. Alleen al de laatste 40 jaar namen de populaties van vele zoogdieren, amfibieën en vogels met de helft af. Meer dan 100 soorten van deze klassen zijn uitgestorven in de 20ste eeuw en ongeveer 785 soorten sinds 1500. Terwijl we dit schrijven blijven nog maar vier noordelijke witte neushoorns over.

Omdat mensen volledig afhankelijk zijn van de levende biosfeer, moeten we ons afvragen hoe het mogelijk is dat ze zo veel schade aanrichten aan natuursystemen zonder zichzelf schade toe te brengen.

De rol van technologie in het reduceren van de menselijke afhankelijkheid van de natuur verklaart deze paradox. Menselijke technologieën – van degene die landbouw in staat stelden het jagen en verzamelen te vervangen tot de technologieën die de huidige geglobaliseerde economie voortstuwen – hebben ervoor gezorgd dat mensen minder afhankelijk zijn van de vele ecosystemen die hen ooit helemaal onderhielden, zelfs wanneer diezelfde ecosystemen daardoor zwaar beschadigd werden.

Ondanks de vaak gehoorde bewering sinds de jaren 1970 dat er fundamentele “grenzen aan de groei” zouden zijn, zijn er tot nu toe opvallend weinig bewijzen dat in de nabije toekomst de menselijke bevolking en de economische expansie de capaciteit om voedsel te verbouwen of om levensnoodzakelijke materialen te produceren zou overvleugelen.

Als er al fysieke grenzen aan menselijke consumptie zijn, dan zijn deze zo theoretisch dat ze functioneel irrelevant worden. De hoeveelheid zonnestralen die op de aarde botst bijvoorbeeld, is uiteindelijk wel eindig, maar op zich legt dit geen beperking op aan menselijke ondernemingen. De menselijke beschaving kan gedurende eeuwen en zelfs millennia draaien op energie die opgewekt wordt door kernsplitsing in uranium- of thoriumreactoren of door kernfusie (waterstof deuteriumfusie). Een goed beleid kan ervoor zorgen dat mensen niet het risico lopen op een gebrek aan landbouwgrond. Met genoeg land en ongelimiteerde energie is het mogelijk om alternatieven te zoeken voor andere materialen die nodig zijn voor het menselijk welzijn en die schaars en duur dreigen te worden.

Er zijn echter ernstige milieudreigingen die op de lange termijn het menselijk welzijn kunnen schaden, zoals antropogene klimaatverandering, de verarming van de ozonlaag in de stratosfeer en oceaanverzuring. Hoewel het moeilijk is om deze risico’s te becijferen, is er genoeg bewijs dat ze een wezenlijk risico op een globale catastrofale impact op leefgemeenschappen en ecosystemen inhouden. Zelfs graduele, niet-catastrofale gevolgen die geassocieerd kunnen worden met deze bedreigingen, zullen waarschijnlijk uitmonden in aanzienlijke menselijke en economische kosten en in stijgende ecologische verliezen.

Grote delen van de wereldbevolking lijden echter onder meer directe lokale milieu- en gezondheidsrisico’s. Luchtverontreiniging, zowel binnenshuis als buitenshuis, veroorzaakt jaarlijks nog steeds heel wat ziekte en de voortijdige dood van miljoenen mensen. Watervervuiling en ziekten die ontstaan in verontreinigde en gedegradeerde stroomgebieden veroorzaken gelijkaardig lijden.

2.

Hoewel de menselijke impact op het milieu in zijn totaal blijft stijgen, is er een waaier aan trends die op lange termijn voor een substantiële ontkoppeling van menselijk welzijn en milieu-impact kunnen zorgen.

Ontkoppeling manifesteert zich zowel in relatieve als in absolute termen. Relatieve ontkoppeling houdt in dat de menselijke impact op het milieu trager stijgt dan de gehele economische groei. Met andere woorden, voor elke eenheid van economische output is er minder impact op het milieu (bijvoorbeeld ontbossing, vervuiling of verlies aan dieren). De globale impact kan nog wel groter worden, maar verloopt trager dan anders het geval zou zijn. We spreken over absolute ontkoppeling wanneer de totale geaccumuleerde milieuimpact piekt en daarna afneemt, zelfs wanneer de economie verder blijft groeien.

Ontkoppeling kan gestimuleerd worden door technologische en demografische trends. Meestal is het een resultaat van een combinatie van beide.

De groeisnelheid van de menselijke bevolking heeft zijn hoogtepunt al bereikt. De huidige groei bedraagt één percent per jaar, lager dan de 2,1 percent in de jaren 1970. De vruchtbaarheidscijfers in landen die samen meer dan de helft van de wereldbevolking uitmaken, liggen lager dan het vervangingsniveau. De huidige bevolkingsgroei kan voornamelijk toegeschreven worden aan een langere levensduur en een daling van de kindersterfte; niet aan stijgende vruchtbaarheidscijfers. Gezien de huidige trends is het best mogelijk dat de omvang van de menselijke bevolking deze eeuw een hoogtepunt bereikt en dan begint af te nemen.

Trends in bevolkingsaantallen zijn onlosmakelijk verbonden met andere demografische en economische dynamieken. Het is de eerste keer in de geschiedenis van de mensheid dat meer dan de helft van de wereldbevolking in steden woont. Men verwacht dat tegen 2050 70 percent in steden zal wonen, een aantal dat waarschijnlijk stijgt tot 80 percent of meer tegen het einde van de eeuw. Steden kennen zowel een hoge bevolkingsdichtheid als lage vruchtbaarheidscijfers.

Steden beslaan slechts 1 à 3 percent van het aardoppervlak en toch bieden zij plaats aan bijna 4 miljard mensen. Zo stimuleren en symboliseren ze de menselijke loskoppeling van de natuur. Steden voorzien ook veel efficiënter dan plattelandseconomieën in onze materiële behoeften en ze verminderen onze impact op het milieu.

De groei van steden en de economische en ecologische voordelen die daar het gevolg van zijn, zijn onlosmakelijk verbonden aan verbeteringen in de landbouwproductiviteit. Omdat in de landbouw efficiënter gebruik wordt maakt van land en arbeid, ruilde landelijke bevolking het platteland in voor de stad. In 1880 werkte ruw genomen de helft van de bevolking van de Verenigde Staten op het land, vandaag is dat minder dan twee percent.

Verlost van hard labeur in de landbouw kwam een enorm menselijk potentieel vrij voor andere ondernemingen. De steden van vandaag zouden niet bestaan zonder de radicale vernieuwingen in delandbouw. Modernisering daarentegen, is niet mogelijk in een op zelfvoorziening gebaseerde landbouw.

Deze verbeteringen in de landbouwsector zorgden niet alleen voor een vermindering van de vereiste arbeid per eenheid geproduceerde output, maar ook voor een vermindering van het nodige land. Dit is geen nieuwe trend: stijgende opbrengsten zorgen al duizenden jaren voor een reductie van het land dat nodig is om de mens te voeden. Het gemiddelde landgebruik per hoofd ligt een pak lager dan 5000 jaar geleden, ondanks het feit dat de moderne mens een veel rijker dieet heeft. Dankzij technologische verbeteringen in de landbouw sinds 1960 halveerde de gemiddelde hoeveelheid land dat nodig is om gewassen te telen en om dieren te voederen.

Intensivering van de landbouw en het afnemend gebruik van hout als brandstof, heft gezorgd voor een netto herbebossing in vele delen van de wereld. Ongeveer 80 percent van New England is vandaag bebost, tegenover ongeveer 50 percent aan het einde van de 19de eeuw. Gedurende de laatste 20 jaar is de hoeveelheid land voor bosbouw en houtproductie met 50 miljoen hectare afgenomen, een gebied zo groot als Frankrijk. De “bostransitie” – van netto ontbossing tot netto bebossing – lijkt even kenmerkend voor ontwikkeling als de demografische transitie (waarbij het geboortecijfer vermindert) kenmerkend is voor de afname van armoede.

Ons gebruik van andere hulpbronnen kwam op een gelijkaardige manier tot een hoogtepunt. De hoeveelheid water nodig voor een gemiddeld dieet nam met bijna 25 percent af gedurende de laatste halve eeuw. Stikstofvervuiling blijft verantwoordelijk voor eutrofiëring en grote dode zones in bijvoorbeeld de Golf van Mexico. Terwijl de totale hoeveelheid vervuiling door stikstof toeneemt, neemt het gebruik per productie-eenheid aantoonbaar af in de ontwikkelde landen.

In tegenstelling tot de vaak geuite angst dat een eindeloze groei zal botsen met een eindige planeet, kan de vraag naar tal van goederen verzadigd geraken wanneer gemeenschappen rijker worden. Vleesconsumptie bijvoorbeeld, is over haar hoogtepunt heen in vele rijke landen en verschuift van rundvlees naar proteïnebronnen waarvoor minder land nodig is.

Eens aan de vraag naar goederen voldaan is, dan zien we in ontwikkelde economieën hogere uitgaven voor diensten en kennissectoren. Die vereisen minder materiaalgebruik en staan in voor een groeiend aandeel in de economische activiteit. Deze dynamiek is mogelijk nog sterker in de opkomende economieën. Zij kunnen hun voordeel doen bij het feit dat ze meteen kunnen gebruikmaken van grondstof-efficiënte technologieën.

Neemt men al deze trends samen, dan betekent dit dat de totale menselijke impact op de omgeving, inclusief het landgebruik, overexploitatie en vervuiling, deze eeuw kan pieken en vervolgens afnemen. Door deze opkomende processen te begrijpen en te bevorderen kunnen we de Aarde vergroenen en tal van wilde dieren herintroduceren. Zelfs wanneer de ontwikkelingslanden moderne levensstandaarden bereiken en wanneer er wereldwijd een einde komt aan materiële armoede.

3.

Het proces van ontkoppeling zoals we het hierboven beschreven, vecht het idee aan dat vroegere menselijke leefgemeenschappen minder wogen op het land dan moderne samenlevingen. Als oudere gemeenschappen al minder impact hadden op hun omgeving, dan was dat louter en alleen omdat deze gemeenschappen beduidend kleinere populaties moesten onderhouden.

Populaties met minder geavanceerde technologieën hadden zelfs een veel grotere individuele ecologische voetafdruk dan gemeenschappen nu. Laat ons niet vergeten dat een bevolking van niet meer dan een à twee miljoen Noord-Amerikanen in het late Pleistoceen de grote zoogdieren bejaagden en uitroeiden. Tegelijk kapten ze over heel het continent bossen of brandden deze plat. De mens bleef de omgeving ingrijpend veranderen doorheen het Holoceen, in die mate dat drie vierde van de ontbossing wereldwijd plaatsvond vóór de Industriële Revolutie.

De technologie die onze voorouders gebruikten om aan hun behoeften te voldoen, ondersteunde veel lagere levensstandaarden met een veel hogere impact op het milieu per hoofd. Wars van massale menselijk sterfte zou elke poging om menselijke gemeenschappen met behulp van deze technologieën terug te koppelen aan de natuur een regelrechte ecologische en menselijke catastrofe tot gevolg hebben.

Over heel de wereld worden ecosystemen bedreigd omdat mensen er overdreven veel op steunen. Mensen die afhangen van brandhout en houtskool als brandstof, kappen en vernielen bossen. Mensen die bushmeat eten, bejagen zoogdieren tot op de rand van uitsterven. Of het nu de inheemse bevolking is die ervan profiteert of een buitenlands bedrijf, de nog steeds voortdurende menselijke afhankelijkheid van de natuurlijke omgeving vormt het hoofdprobleem voor de natuurbescherming.

Anderzijds bieden moderne technologieën die efficiënter gebruik maken van natuurlijke ecosysteemdiensten een echte kans om onze impact op de biosfeer te reduceren. Het omarmen van deze technologieën is een weg die kan leiden naar een goed Antropoceen.

Uiteraard hebben de moderniseringsprocessen die de mensheid steeds meer losmaakten van de natuur een negatieve kant aangezien ze ook de natuurlijke omgeving aantastten. Fossiele brandstoffen, mechanisatie en fabricage, kunstmeststoffen en pesticiden, elektrificatie, modern transport en communicatietechnologieën hebben in de eerste plaats een grotere bevolkingsgroei en meer consumptie mogelijk gemaakt. Als de technologieënsinds de Donkere Middeleeuwen niet verbeterd waren, dan was de menselijke bevolking zonder twijfel ook niet sterk gegroeid.

Het is ook waar dat grote aantallen van steeds welvarender stedelingen een groter beroep doen op ver afgelegen ecosystemen. De ontginning van natuurlijke hulpbronnen is immers geglobaliseerd. Anderzijds kregen mensen toegang tot voedsel, beschutting, warmte, licht en mobiliteit via technologieën die veel efficiënter zijn qua bron- en landgebruik dan eender wanneer in de menselijke geschiedenis.

Het menselijk welzijn loskoppelen van de vernieling van de natuur vereist een bewuste versnelling van opkomende ontkoppelingsprocessen. In sommige gevallen is het doel de ontwikkeling van technologische substituten. Bijvoorbeeld: om de ontbossing en luchtvervuiling binnenshuis tegen te gaan is er een substitutie (vervanging) nodig van hout en houtskool door moderne energiebronnen.

In andere gevallen zou de mensheid hulpbronnen productiever moeten gebruiken. Zo kan verhoging van de oogst de omzetting van bos tot grasland en landbouwgrond tegengaan. Mensen moeten manieren vinden om de natuur los te maken van de economie.

Verstedelijking, intensivering van de landbouw, kernenergie, aquacultuur en ontzilting zijn allemaal processen met een aangetoond potentieel om de menselijke druk op het milieu te verkleinen en zo meer ruimte te creëren voor niet-menselijke soorten. De ontwikkeling van voorsteden, landbouw met een lage opbrengst en vele vormen van hernieuwbare energie vragen daarentegen over het algemeen meer land en hulpbronnen en laten minder ruimte over voor natuur.

Deze patronen suggereren dat mensen even geneigd zijn natuur te sparen omdat ze niet nodig is om hun noden te vervullen, als dat ze natuur willen sparen om esthetische en spirituele redenen. De delen van de planeet die mensen nog niet ingrijpend veranderden, bleven meestal gespaard omdat mensen er nog geen economisch nuttig gebruik voor vonden – namelijk bergen, woestijnen, boreale wouden en andere “marginale” regio’s.

Ontkoppeling verhoogt de mogelijkheid dat de impact van de mens een piek bereikt zonder dat hij nog meer relatief ongerepte gebieden binnendringt. Ongebruikte natuur is gespaarde natuur.

4.

Een ruime toegang tot moderne energiebronnen is een essentiële vereiste voor menselijke ontwikkeling en voor de loskoppeling van menselijke ontwikkeling en natuur. De beschikbaarheid van goedkope energie laat arme mensen in de hele wereld toe om te stoppen met bossen te gebruiken als energiebron. Het stelt mensen in staat om meer voedsel te verbouwen op minder land, dankzij energie-intensieve input van meststoffen en tractoren. Energie laat mensen toe afvalwater te recycleren en zeewater te ontzilten om zo rivieren en bronnen te sparen. Het laat mensen toe om metaal en plastic op een goedkopere manier te recycleren in plaats van nieuwe minerale bronnen te ontginnen, verwerken en raffineren. Als we vooruit kijken, dan kan moderne energie stikstof uit de atmosfeer capteren om zo de hoeveelheid geaccumuleerde stikstof (die de klimaatverandering aandrijft), te verminderen.

De laatste drie eeuwen loopt de groeiende energieproductie wereldwijd gelijk met stijgende CO2-concentraties in de atmosfeer. In diezelfde periode werkten verschillende landen aan het koolstofarmer maken van hun economieën. Maar het tempo waarop ze dat gedaan hebben, lag niet hoog genoeg om ervoor te zorgen dat de cumulatieve koolstofemissies laag genoeg blijven om onder het internationaal vastgestelde doel van minder dan 2°C opwarming uit te komen. Een noodzakelijke beperking van de gevolgen van de klimaatverandering vereist dan ook dat mensen de bestaande processen voor het koolstofarmer maken sterk moeten versnellen.

Er heerst echter nog veel verwarring over hoe we dit kunnen verwezenlijken. In ontwikkelingslanden is de stijgende energieconsumptie nauw verbonden aan stijgende inkomens en hogere levensstandaarden. Hoewel het gebruik van vele andere materialen zoals stikstof, hout en land naar een hoogtepunt groeit, suggereert het centrale belang van energie in de menselijke ontwikkeling en haar vele toepassingen als een substituut voor materiële en menselijke middelen dat de energieconsumptie zal blijven stijgen doorheen een groot stuk van de 21ste eeuw en waarschijnlijk zelfs tot het einde ervan.

Vandaar dat elk conflict tussen klimaatmitigatie en de ontwikkelingsprocessen (via dewelke miljarden mensen wereldwijd moderne levensstandaarden bereiken) zal beslecht worden in voordeel van die ontwikkeling.

Klimaatverandering en andere ecologische uitdagingen zijn niet de meest belangrijke of meest onmiddellijke zorg voor het merendeel van de wereldbevolking. Dat zouden ze ook niet mogen zijn. Een nieuwe kolencentrale in Bangladesh kan dan wel luchtvervuiling en stijgende co2-emissies met zich meebrengen, ze zal ook mensenlevens redden. Voor miljoenen mensen die leven zonder licht en die niet anders kunnen dan mest te verbranden om hun voedsel te bereiden, bieden elektriciteit en moderne brandstoffen een weg naar een beter leven. Wat de precieze oorsprong ervan ook moge zijn en zelfs als die energiebronnen tegelijkertijd nieuwe ecologische uitdagingen met zich meebrengen.

Een betekenisvolle beperking van de klimaatverandering is in de grond een technologische uitdaging. Hiermee bedoelen we dat zelfs drastische, wereldwijde consumptiebeperking onvoldoende zou zijn om tot een aanzienlijke klimaatmitigatie te komen. Zonder fundamentele technologische veranderingen is er geen geloofwaardige weg naar een klimaatmitigatie van betekenis. Men is het niet eens over welke technologiemix de beste is en wij hebben alleen weet van gekwantificeerde klimaatmitigatiescenario’s waarbij technologische veranderingen verantwoordelijk zijn voor het overgrote deel van de uitstootreducties.

De specifieke technologische keuzes die we kunnen maken met het oog op klimaatmitigatie, blijven het onderwerp van verhitte discussies. Theoretische scenario’s reflecteren gewoonlijk de technologische voorkeur en analytische aannames van hun bedenkers. Al te vaak vergeten deze om de kosten, de tijd en de schaal in te calculeren die nodig zijn om koolstofarme energietechnologieën te implementeren.

De geschiedenis van energietransities suggereert dat er altijd al consistente patronen waren in de wegen die samenlevingen namen richting schonere energiebronnen. Zowat alle gemeenschappen die hun koolstofuitstoot verminderden deden dat door brandstoffen van lagere kwaliteit (i.e. meer koolstofintensief en met een lagere energiedichtheid) te vervangen door brandstoffen met een hogere kwaliteit (i.e. minder koolstofintensief en met een hogere energiedichtheid). Dit toont de weg naar een versnelde vermindering in de toekomst. De transitie naar een wereld die aangedreven wordt door koolstofvrije energiebronnen vereist technologieën met een hoge energiedichtheid die opgeschaald kunnen worden tot in de tientallen terawatt om de groeiende economie te doen draaien.

Met de meeste vormen van hernieuwbare energie is dit helaas niet haalbaar. Biobrandstoffen en vele andere hernieuwbare energiebronnen zouden te veel land nodig hebben en een dusdanige milieu-impact dat wij betwijfelen of ze wel een weg kunnen vormen naar een koolstofvrije toekomst met een kleine voetafdruk.

Efficiënte zonnecellen gemaakt van veelvoorkomende materialen zijn hierop een uitzondering. Ze hebben de mogelijkheid om vele tientallen terawatts te produceren op een paar procent van het aardoppervlak. Hedendaagse technieken op het gebied van zonneenergie vereisen fundamentele innovaties om aan deze standaard te voldoen en vereisen de ontwikkeling van goedkope opslagtechnologieën die in staat zijn om op grote schaal een erg variabele energieproductie te ondervangen.

Kernsplijting is vandaag de dag de enige koolstofvrije technologie die effectief beantwoordt aan de meeste of zelfs aan alle energievereisten die een moderne economie stelt. En toch maakt een waaier aan sociale, economische en institutionele uitdagingen de inzet van hedendaagse nucleaire technologieën – op een schaal die nodig is om een significante beperking van de gevolgen van de klimaatverandering te verwezenlijken – onwaarschijnlijk. Een nieuwe generatie van nucleaire technologieën die veiliger en goedkoper zijn, blijkt nodig om kernenergie te brengen tot een punt waarop het zijn potentieel vervult als klimaatmatigende technologie.

Op lange termijn vertegenwoordigen zonne-energie (van de volgende generatie), geavanceerde kernsplijting en kernfusie de meest plausibele manieren om aan de gezamenlijke doelstellingen van klimaatstabilisatie en de radicale loskoppeling van mens en natuur te voldoen. Als de geschiedenis van energietransities een leidraad is, dan zal de overgang evenwel tijd vragen. Tijdens die transitie kunnen andere energiebronnen belangrijke sociale en ecologische voordelen bieden. Zo kunnen bijvoorbeeld waterkrachtcentrales een goedkope bron zijn van koolstofarme energie voor arme landen, zelfs als hun ecologische voetafdruk qua land- en watergebruik relatief groot is. Fossiele brandstoffen in combinatie met koolstofafvang en -opslag kunnen op een gelijkaardige manier voordelen bieden ten opzichte van fossiele brandstoffen of energie gewonnen uit biomassa.

Het ethische en pragmatische pad naar een eerlijke en duurzame globale energie-economie vraagt dat mensen zo snel mogelijk overschakelen op bronnen die goedkoop, proper, energiedicht en overvloedig aanwezig zijn. Zo’n weg heeft blijvende publieke steun nodig voor de ontwikkeling en toepassing van propere energietechnologieën. In een breder kader is deze publieke steun nodig voor wereldwijde modernisering en ontwikkeling.

5.

We schrijven dit document vanuit een warme liefde voor natuur en vanuit een nauwe emotionele band met de natuur. De natuur waarderen, ontdekken, proberen te begrijpen en te cultiveren is voor velen overweldigd. Zo leggen ze contact met hun diepere evolutionaire geschiedenis. Zelfs wanneer mensen de wilde natuur nooit direct ervaren, noemen ze het bestaan ervan belangrijk voor hun psychologisch en spiritueel welzijn.

Mensen zullen tot op zekere hoogte altijd materieel afhankelijk zijn van de natuur. Zelfs als een volledig synthetische wereld mogelijk zou blijken, dan nog zouden velen onder ons verkiezen om meer gekoppeld aan de natuur te leven dan dit technologich en voor hun levensonderhoud strikt noodzakelijk zou zijn. Ontkoppeling maakt echter wel mogelijk dat de menselijke materiële afhankelijkheid van de natuur minder destructief wordt.

Het pleidooi voor een actievere, bewustere en versnelde ontkoppeling is daarom meer gebaseerd op spirituele en esthetische motieven dan op materialistische of utilitaire. Huidige en toekomstige generaties zouden voorspoedig kunnen overleven met veel minder biodiversiteit en minder wilde natuur. Maar dat is niet een wereld die we willen, of een wereld die we moeten accepteren als mensen het ontkoppelingsproces omarmen.

Wat we hier natuur noemen, of zelfs wilde natuur, omvat landschappen, zeegezichten, biomen en ecosystemen die gedurende eeuwen en millennia regelmatig (en eerder wel dan niet) door menselijke invloeden veranderd werden. Wetenschappen gericht op natuurbehoud en de concepten van natuurbehoud, complexiteit en oorspronkelijkheid zijn nuttig, maar kunnen op zich niet bepalen welke landschappen te bewaren en hoe dit te doen.

In de meeste gevallen is er geen een enkel beginpunt van voor de periode van de menselijke veranderingen naar waar de natuur zou kunnen terugkeren. Pogingen om landschappen te herstellen naar een vroegere staat (van “oorspronkelijkheid”) kunnen de verwijdering inhouden van recent gearriveerde soorten (“invasieven”). Dat kan een netto reductie van de lokale biodiversiteit betekenen. In andere gevallen kunnen gemeenschappen beslissen om de oorspronkelijkheid op te offeren voor iets nieuws en voor biodiversiteit.

Uitdrukkelijke pogingen om landschappen te bewaren voor hun niet-utilitaire waarde zijn onvermijdelijk antropogene keuzes. En daarom zijn alle inspanningen tot instandhouding fundamenteel antropogeen. Het beschermen van de natuur is niet meer of minder een menselijke keuze in dienst van menselijke voorkeuren dan het platwalsen van die natuur. Mensen zullen wilde streken en landschappen beschermen door hun medeburgers ervan te overtuigen dat die plaatsen en de wezens die er rondwaren die bescherming waard zijn. Mensen kunnen kiezen voor enkele ecodiensten (zoals waterzuivering en bescherming tegen overstromingen) die voorzien worden door natuurlijke systemen (zoals bosrijke waterscheidingen, riffen, moerassen en watergebieden), zelfs wanneer die natuurlijke systemen duurder zijn dan de bouw van waterzuiveringsstations, zeeweringen en dijken. Maar eenvormige pasklare oplossingen zijn er niet.

Verschillende lokale, historische en culturele voorkeuren zullen de omgeving vormgeven. Terwijl we geloven dat het intensiveren van landbouw om land uit te sparen belangrijk is voor de natuurbescherming, erkennen we dat tal van gemeenschapen zullen blijven kiezen voor een “gedeeld” landgebruik om zo fauna en flora te beschermen binnen de landbouw eerder dan de gronden terug te geven aan de wilde natuur in de vorm van grasland, struikgewas of bos. Waar ontkoppeling de druk op landschappen en ecosystemen doet afnemen om tegemoet te komen aan menselijke basisbehoeften, moeten landeigenaars, gemeenschappen en regeringen nog steeds beslissen voor welke esthetisch of economisch doel ze het land willen gebruiken.

Versnelde ontkoppeling op zich zal niet genoeg zijn om voor meer wilde natuur te zorgen. Er moet nog steeds een beleid zijn voor de bescherming ervan en een natuurbeweging die meer wilde natuur eist om esthetische en spirituele redenen. Tegelijk met het ontkoppelen van de menselijke materiële behoeften vraagt een blijvend engagement om de wildernis, de biodiversiteit en een mozaïek aan mooie landschappen te beschermen de ontwikkeling van een diepere emotionele band ermee.

6.

Er is nood aan en een menselijke capaciteit voor een versnelde, actieve en bewuste ontkoppeling. Technologische vooruitgang is niet onvermijdelijk. De ontkoppeling van milieu-impact en economische output komt niet vanzelf tot stand uit marktgestuurde vernieuwing of een efficiënt antwoord op schaarste. De lange reeks menselijke aanpassingen aan de natuurlijke omgeving met behulp van technologie begon lang voor er iets bestond dat enige gelijkenis vertoonde met een markt of een prijssignaal. Door stijgende vraag, schaarste, inspiratie en serendipiteit zijn mensen de wereld al millennia lang aan het herschapen.

Technologische oplossingen voor milieuproblemen moeten ook binnen een bredere sociale, economische en politieke context beschouwd worden. We denken dat het onproductief is dat landen zoals Duitsland en Japan en staten zoals Californië installaties voor kernenergie sluiten. Zo maken ze hun energiesectoren terug koolstofrijker en koppelen ze hun economie opnieuw aan fossiele brandstoffen en biomassa. Anderzijds tonen deze voorbeelden duidelijk aan dat technologische keuzes niet bepaald worden door verre internationale organen, maar eerder door nationale en lokale instituten en cultuur.

Al te vaak wordt modernisering vereenzelvigd met kapitalisme, machtige bedrijven en laissez-faire-economie, zowel door de verdedigers als door de critici ervan. Wij verwerpen zulke vereenvoudigingen. Wat wij bedoelen met modernisering is de lange-termijnevolutie van sociale, economische, politieke en technologische maatregelen in menselijke gemeenschappen die het materiële welzijn, de volksgezondheid, de productiviteit van hulpbronnen, economische integratie, gedeelde infrastructuur en persoonlijke vrijheid fundamenteel verbeteren.

Modernisering bevrijdde steeds meer mensen van een leven vol armoede en harde labeur in de landbouw, bevrijdde vrouwen van een onderworpen positie, kinderen en etnische minderheden van onderdrukking en gemeenschappen van een grillig en willekeurig bestuur. Grotere productiviteit van hulpbronnen geassocieerd met moderne socio-technologische systemen bood leefgemeenschappen de mogelijkheid om aan menselijke noden tegemoet te komen met minder input van hulpbronnen en met minder impact op de natuur. Productievere economieën zijn rijkere economieën die beter in staat zijn om menselijke noden te ledigen. Grotere delen van hun economische surplus kunnen besteed worden aan niet-economische voorzieningen, zoals een betere menselijke gezondheid, grotere menselijke vrijheden en kansen, kunsten, cultuur en de bescherming van de natuur.

Moderniseringsprocessen zijn verre van volledig, zelfs in geavanceerde en hoogontwikkelde economieën. De consumptie van materiaal heeft nog maar net een hoogtepunt bereikt in de rijkste samenlevingen. Het ontkoppelen van menselijk welzijn en milieu-impact vereist een doorgedreven engagement voor technologische vooruitgang en de voortdurende evolutie van sociale, economische en politieke instituten.

Versnelde technologische vooruitgang vergt een actieve, assertieve en agressieve deelname van privéondernemers, de markten, de civiele samenleving en de staat. We verwerpen de misvatting van de planeconomie van de jaren 1950 maar geloven in een sterke rol voor de overheid voor de aanpak van milieuproblemen en voor de versnelling van technologische innovatie. Ook zien we een sterke overheidsrol bij onderzoek naar betere technologieën, subsidies en andere maatregelen om deze innovaties op de markt te krijgen en voor de ontwikkeling van regelgeving om gevaren voor het milieu te beperken. Verder is een internationale samenwerking bij technologische innovatie en technologieoverdracht essentieel in de landbouw- en energiesector.

7.

Wij bieden dit manifest aan in de overtuiging dat menselijke voorspoed én een ecologisch bruisende planeet niet alleen mogelijk zijn, maar dat ze ook onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Wij geloven dat zo’n toekomst mogelijk is door ons te verbinden aan reële processen die al gestart zijn met het loskoppelen van menselijk welzijn en de vernieling van het milieu. Wij omarmen dan ook een optimistische visie op het menselijk kunnen en de toekomst.

Wij hopen dat dit document zal bijdragen aan een verbetering van de kwaliteit en de teneur van de dialoog over milieubescherming in de 21ste eeuw. Al te vaak worden discussies over het milieu gedomineerd door extremen en geplaagd door dogmatisme. Zij werken onverdraagzaamheid in de hand. Wij hechten een grote waarde aan de liberale principes van democratie, verdraagzaamheid en pluralisme en beschouwen deze principes als sleutelelementen in het bereiken van een groots Antropoceen. We hopen dat deze verklaring een stap vooruit is in de dialoog over hoe we universele menselijke waardigheid kunnen bereiken op een biodiverse en bruisende planeet.

 

Vertaald door Frank Verhoft en Bart Coenen.

I <3 spirituele beurzen (Earth & Beyond IV)

Dit artikel verscheen in Wonder en is gheen wonder (herfst 2017) en is een herwerking van enkele blogartikels die hier eerder verschenen.

* * *

Ik hartje spirituele beurzen. Je moet er kritisch nadenken en je kan er heel wat mensen ontmoeten, meer dan tijdens een skeptisch congres. En het is uiteraard een primaire bron van informatie voor een skepticus. Hoewel ik hen misschien iets te graag bekritiseer, ben ik nog niet zo goed thuis in de wereld van de kleinhandelaars in het esoterische en het paranormale. Anderzijds wil ik op de hoogte blijven van nieuwe alternatief-spiritueel-medische hulpmiddelen en van plotwendingen in het steeds uitdijende parallelle universum der samenzweringstheorieën, die onlosmakelijk met de esoterisch-paranormale belevingswereld verbonden lijken te zijn.

Het leek mij dan ook een goed idee om op zaterdag 17 juni heel vroeg de trein te nemen richting Houten, bij Utrecht, waar de spirituele beurs Earth & Beyond IV zou plaatsvinden. Het evenement gaat over “bewustzijn, buitenaards contact, wetenschap en spiritualiteit, transformatie, archeologische (on) waarheden, financiële zaken, dimensies en (inter)dimensioneel contact, ufo’s, het universum en over gezondheid en genezing. Aardse en hemelse zaken dus!”, aldus de website. De agenda van de beurs belooft tal van lezingen, seminars en standen waar het kruim van de Nederlandse alternatieve scène het beste van zichzelf zou geven.(1) Mijn agenda vermeldt daarnaast ook nog een ontmoeting met enkele zeer fijne heerschappen van de Nederlandse Stichting Skepsis.

Een drietal stationskoffies verder vraag ik me geeuwend af waarom zulke groots opgezette paranormale beurzen wel in Nederland gehouden worden en niet in Vlaanderen. De laatste jaren wordt ons landje overspoeld door kleinere beurzen voor liefhebbers van het paranormale en esoterische, steevast georganiseerd door het Vlaamse bedrijf Para-Astro. En hoe universeel en kosmisch de claims van sommige aanwezige mediums en standhouders ook zijn, deze beurzen blinken vooral uit in kleinschaligheid én benepenheid.

Van stargates tot spirituele happy endings

Mijn trein- en busrit eindigen nabij een weinig inspirerend congresgebouw in een grijze kmo-zone. Eenmaal de typische cafetariageuren voorbij, zijn het reukkaarsen en wierrookstokjes die mijn sinussen prikkelen. De eerste beursruimte staat tjokvol tafels en banners en overal liggen luxueuze folders in vierkleurendruk. Het publiek is ondanks het vroege uur vrij talrijk aanwezig en er heerst een gezellige drukte. Harpmuziek vult de zaal.

Onder de koopwaar zie ik zeer mooie kristallen, veel boeken en hier een daar een tafel waar druk op gereiki’d wordt. Ik merk ook een koperen constructie op. Het blijkt te gaan om een Stargate, “één van de meest geavanceerde technieken in deze tijd om een snelle en grote groei in het bewustzijn van de mensheid te bewerkstelligen”. Verder ook heel veel informatie over cursussen die zich vooral ergens beyond lijken te situeren, eerder dan op earth. De tweede, kleinere ruimte fungeert dan weer als paranormale peeskamer waarin klanten worden gelezen met pendel, tarotkaarten of stralende elektronica en naar een spirituele happy ending worden gevoerd.

De drijvende kracht achter Earth & Beyond is Frans Heslinga. Op enkele jaren tijd is hij erin geslaagd om zijn paranormale beurs uit te bouwen tot Nederlands grootste, met een zestigtal standhouders in de lobby’s en tientallen lezingen en workshops in vijf conferentiezalen. Heslinga heb ik vorig jaar uitgebreid geportretteerd naar aanleiding van de European Flat Earth Conference.(2) Ook deze keer haalde hij in zijn openingstoespraak aan dat alles wat ons is aangeleerd, fout en vals blijkt te zijn. De Nieuwe Wereldorde, geholpen door grootbankiers, reductionistische wetenschappers, schimmige vrijmetselaars en de onvermijdbare joden, heeft er baat bij ons te misleiden. Vandaar zijn oproep, nog maar eens, om vooral zelf op onderzoek uit te gaan en spiritueel te evolueren van lichtwerkers naar energiewezens.

“Dat zijn de feiten, als we ze even aannemen en zo”

De eerste lezing die ik bezoek, wordt verzorgd door Gerard Aartsen (1957). Hij stelt zichzelf voor als een onderzoeker en docent uit Amsterdam die al zijn hele leven de leringen van de Oude Wijsheid bestudeert. Met zijn sessie “Buitenaardsen. Wat doen ze hier?” wil Aartsen zijn toehoorders inzage bieden in hoe hij informatie over ufo’s en aliens kritisch benadert. Voor Aartsen zijn twee zaken echter niet bediscussieerbaar: (1) er zijn positieve contacten met buitenaardsen en (2) machtige organisaties proberen de aliens en hun bedoelingen in een kwaad daglicht te stellen. Meteen al een serieuze domper op die beloofde kritische houding.

Aartsen beschouwt de informatie over contacten met ufo’s en buitenaardsen uit de vroege jaren 1950 als de meest authentieke. Auteurs als Desmond Leslie en George Adamski worden door hem op handen gedragen omdat ze puur zijn nog niet bezoedeld door de sensatiepers of door de negatieve invloeden vanwege de regeringen die de ufo-verhalen proberen te verbergen of te manipuleren.(3,4) Tijdgenoten beschouwden Leslie en Adamski dan weer als bedriegers.(5) In hun boeken tekenden zij verhalen op van buitenaardsen die zich zorgen beginnen te maken over het menselijk gedrag op aarde. Niet alleen het gebruik van kernenergie en atoomwapens, maar ook de wereldwijde vervuiling, het menselijke egoïsme en de staatsinrichtingen gebaseerd op hebzucht houden de gemiddelde E.T. uit zijn kosmische slaap. “Dat zijn de feiten, als we ze even aannemen en zo”, aldus Aartsen.

“Bemint elkander”

Net als zijn grote voorbeelden uit de jaren 1950 lardeert Aartsen zijn discours met referenties naar (theosofische) “wijsheidsleringen” van onder andere H.P. Blavatsky en Alice Bailey. Hij vermeldt ook nog “rationele wetenschappers” à la Semyon Kirlian en Rupert Sheldrake. De eerste is gekend omwille van zijn pseudowetenschappelijke aurafotografie en Sheldrake is de annalen van de wetenschap uit- en die van de pseudowetenschap ingegaan als bedenker van morfogenetische velden.

Aartsen loopt onmiskenbaar over van de goede bedoelingen, maar helaas levert zijn lezing weinig meer op dan de kinderlijk naïeve boodschap op het einde van De Snorrende Snor, een album in de reeks Suske en Wiske, waarin een ufo en geheimzinnige robots de hoofdrol spelen: “Bemint elkander”. Zijn uitleg blijft steken bij een goedmenende E.T. en bij de dogmatische trekjes van een stel theosofen met vermeende kennis van het “fijnstoffige”. Hij beschrijft niet meer dan een vlucht in het etherische, ver weg van de dagdagelijkse politieke werkelijkheid met zijn scherpe randjes en pragmatische compromissen. En zijn hoop dat een spirituele evolutie de mensheid zou kunnen veranderen, lijkt mij louter een vorm van dilettantisch escapisme.

De vierde en vijfde dimensie

De tweede op het lijstje is medium Jaco Elken. Hij introduceert zichzelf als de oprichter van De Spirituele & Intuïtieve Academie en vertelt dat hij zich gespecialiseerd heeft in Paramedisch en Psychosociaal Mediumschap®. “Een hele mondvol”, zegt hij. “Ik heb het zelf verzonnen.” Zelf-relativerende humor, het is zeldzaam op een spirituele beurs.

Maak u evenwel geen illusies, veel ruimte voor optimisme is er niet. Al snel wordt duidelijk dat ook hier het komende uur de gebruikelijke paranormale en esoterische woordenbrij zal geserveerd worden. Maar het dient gezegd, Elken brengt het met een enthousiasmerende schwung.

Dankzij het mediumschap maakte hij kennis met een vierde en een vijfde dimensie, namelijk tijd en ruimte, en in die nieuwe dimensies ving hij raad, hulp en adviezen op van allerlei gidsen. Doorheen de lezing zal min of meer duidelijk worden dat de eerste drie dimensies (3D) voor hem gelijkstaan aan het gewone, materialistische, niet-spirituele leven van de doorsnee sheeple en non-believer.

We leven in een waanzinnige tijd waarin mensen steeds zieker worden, zeker in vergelijking met 100 jaar geleden, weet Elken. Dat mensen nu langer leven dan 100 jaar geleden, is een detail dat niet in het plaatje past en dat hij dus vrolijk negeert. Wat hij niet negeert is het lichaam, de geest en de ziel. De verbindingen daartussen zijn gebroken en we moeten ons deze drie-eenheid dringend weer eigen maken, opnieuw helen. Ons lichaam geeft signalen, maar we vangen ze niet altijd op. Verder bevat het aura of de geest restanten van een vorig leven en soms is het nuttig om ook die te raadplegen. Maar daarvoor is gespecialiseerde hulp nodig. Enter medium Jaco.

“Slijm is snot en snot is gestolde emotie”

De trilling is hoger dan vroeger, zodat er meer energieën vrijkomen. Over welke trilling of energie het precies gaat, is mij – als paranormale leek – niet meteen duidelijk. Maar energie betekent warmte, liefde, straling. Jaco Elken ziet het als zijn taak om die energieën aan te wenden om mensen te helpen genezen. Hij wil iedereen leren om de innerlijke zintuigen aan te wenden en zo ‘in-zicht’ te krijgen in de intuïties en in zowaar alle ziektes. Jawel, allemaal. Naast de energetische medische basiskennis van het lichaam is er ook zoiets als de psychosociale betekenis van de organen, gewrichten, klieren en andere lichaamsdelen, zo lees ik dan weer op de website. Elken voert een “[d]irecte communicatie met de ziel, het Hoger Zelf, het lichaamsbewustzijn en met ziektes en organen”, gebruikt “symbolistische taal […] van de betreffende ziektebeelden” en zet dat om in “bruikbare en begrijpbare taal”.

Elken vervolgt zijn sessie en put daarbij uit jarenlange ervaring. Astma, weet hij, is het gevolg van opgroeien in een te klein huis. De longen staan voor ruimte en die hebben dus danig geleden onder het plaatsgebrek. Een slijmbeursontsteking is, zoals de naam het al aangeeft, een probleem met slijm. Nu, slijm is snot en snot is gestolde emotie, en dus moeten de emotionele problemen eerst aangepakt worden. Problemen met de gal? Dan moet de patiënt gewoon zijn gal spuwen. Last van de schouders betekent, wel, u raadt het al – samen met de kirrende aanwezigen in de zaal die of zijn woordspelletjes doorhebben of enkele duurbetaalde lessen op zijn school hebben gevolgd – dat de patiënt een te grote last op zijn schouders draagt. Dit is dus het resultaat van “symbolistische taal” omzetten in “bruikbare en begrijpbare taal”. De germanist in mij wordt hier heel stil van.

De lijst van aandoeningen die hij claimt te kunnen genezen of bezweren, doet waarschijnlijk menig dokter met negen plus jaren opleiding achter de rug gillen: De diepere paramedische en psychosociale betekenis (te geven) van ziektebeelden, als: gewrichtspijnen, artritis en reuma. Astma en bronchitis. Gewrichtspijnen en de zin en onzin van chronische ziektebeelden. Hart, long, lever, gal en milt verstoringen [sic]. Kankers en tumoren. Huidziekten en andere allergieën. Hoofdpijnen en migraine. Ontstekingen, spierziekten, stress gerelateerde problematieken. Depressies en vermoeidheid. Stemmingswisselingen, borderline en schizofrenie. etcetra [sic].(6)

De ratelende Elken geeft een pracht van een show weg: hij is grappig en rad van tong. Ik kan hier niet weergeven hoe hij zijn publiek charmeert, hoe hij in cirkels rond het onderwerp lijkt te draaien, grollend en grappend, om dan op het juiste moment met ‘ernstige’ uitspraken tot de kern van de zaak te komen. Tot zover de verpakking. Wat de inhoud betreft: die stinkt. Zijn boodschap is – zoals die van de meeste kwakzalvers – rot, hufterig en antisociaal. Het is onbegrijpelijk dat zulk een woordenpatser zijn alternatief-medische praktijken kan uitvoeren én dat hij ze mag aanleren in een eigen school, met steun van de Nederlandse belastingbetaler. In het kaderstuk “Het paard zegt sorry” beschrijf ik enkele korte sessies waarin hij mensen met klachten en aandoeningen benaderde als medium.

Tussen deze sessies door, strooit Elken de obligate alt-med canards rond als waren het snoepjes: we worden vergiftigd door metalen in deodoranten, shampoos en vaccinaties, we krijgen huidkanker door zonnecrèmes, die dan weer gemaakt zijn door de kankerindustrie. De grens tussen alt-med en complotdenken is ook hier héél dun.

“Het gaat over mijn waarheid”

Over de lezing van Han Peeters (1959) kunnen we kort zijn. Peeters zegt dat hij geen literatuur schrijft, maar faction, fictie gebaseerd op speculaties gebaseerd op feiten. Tijdens Earth & Beyond presenteerde hij zijn dertiende boek in acht jaar tijd: Planet X. De boekvoorstelling begon met het eerste hoofdstuk van zijn audioversie en meteen verliet een kwart van het publiek de zaal. Neen, Han Peeters schrijft geen literatuur. Het eerste hoofdstuk is een aaneenrijging van houterige dialogen en pedante uitweidingen die evenveel literaire humpf hebben als een doorsnee tekst van de Druivelaar.

De man doet een amechtige poging om sprookjesverhalen à la Zecharia Sitchin over een destructieve Planeet X te verbinden met zowat elke complottheorie die we de laatste 10 jaar gehoord hebben. En dat stelt hem dan weer in staat om van apocalypspornografie over te schakelen naar saaie complotfantasieën.

Wél vermeldenswaardig was zijn uitleg over de ontsnapping van Marc Dutroux in 1998 en zijn vlucht naar een domein beheerd door chemiereus Solvay, die, geheel tussen haakjes, gigantische hoeveelheden zoutzuur produceren, “wat heel handig is als je vijanden wil laten verdwijnen”. Tot zover Han Peeters en zijn geheel overbodige waarheid.

“Wat daarboven gebeurt, weerspiegelt wat er in mijn hoofd gebeurt”

“Men wil tekorten creëren.” “Monsanto heeft zaden ontwikkeld voor aluminiumrijke grond.” “Ze trekken onze energie naar beneden.” Aan het woord zijn Miranda Slob en Kees van de Water van ilovechemtrails.org, reïncarnatietherapeut Cor van der Horst, maker van chembusters Monique Calis en Gijs Verbeek van wearechange.nl. We zitten in een conferentiezaal en kunnen aan dit panel van experten alle vragen en opmerkingen kwijt over chemtrails, de witte sporen achter een vliegtuig die volgens heel wat complotdenkers vol zitten met giftige metalen zoals barium, aluminium en cadmium. Ook organisch materiaal, vooral ziekteverwekkers, of actieve nanopartikels zouden ermee uitgestrooid worden over nietsvermoedende burgers.

De gevolgen van de chemtrails zijn volgens hen niet min: vergiftiging, dementie, alzheimer, sinusinfecties, verschillende kankers, metaalsmaak in de mond, brandende longen, brainfog, ph-verandering en morgellons. Dat laatste is een ingebeelde huidaandoening waarbij men ervan overtuigd is dat er zich (parasitaire) vezels nestelen in wonden. Het is verder ook niet toevallig dat de chemtrails op ons worden losgelaten bij zonsopgang en zonsondergang. Dat zijn namelijk de beste momenten om aan sun-gazing te doen, aldus Gijs Verbeek, die er duidelijk zin in heeft. In de spiritueel-alternatieve folklore is staren naar de zon heilzaam.

Van Gijs, ex-leraar biologie die momenteel onderwijzers opleidt aan een hogeschool, leer ik verder dat het sproeien ook gebeurt via additieven in de brandstof van gewone, civiele lijnvliegtuigen. En omdat luchtvaartmaatschappijen betaald worden om met zo’n gepimpte brandstof te vliegen, kunnen ze de prijzen voor hun klanten laag houden. Het begrip ‘moordende concurrentie’ krijgt zo plots een heel andere betekenis. Wat ik niet leer van hem is hoe hij weet dat ook ufo’s ingezet worden.

“De vijand is zo machtig en de middelen zo perfide, dat we ervoor gekozen hebben om dit alles met liefde te benaderen, de situatie met liefde te aanvaarden én met liefde te overwinnen.” Aan het woord zijn Miranda Slob en Kees van de Water van ilovechemtrails.org. Maar totdat het zover is, legt Kees strijdlustig uit dat HAARP mee in de cabal zit en dat de actieve nanobots in combinatie met de nog te implementeren 5G en het Internet of Things voor een volledige mindcontrol zullen zorgen. “Wat daarboven gebeurt”, zegt Kees van de Water gewichtig, “weerspiegelt wat er in mijn hoofd gebeurt.” Wie ben ik om dat tegen te spreken? Hun informatie is trouwens gebaseerd op het denkwerk van Peter Vereecke, Vlaanderens meest vooraanstaande complotdenker.

De farmaceutische industrie en het even machtige Monsanto scheppen bak-ken poen met de aanmaak en verspreiding van chemtrails, maar gelukkig kunnen wij ons ertegen beschermen met chembusters, aldus Monique Calis, ontwerpster en verkoopster van chembusters. Prompt tovert ze twee verschillende modellen tevoorschijn, eentje in zakformaat en een tafelmodel. Het kleintje is handig en “je kan hem altijd meenemen. Ik heb ‘em altijd bij me”. Met haar werktuigen gaat ze in het verweer tegen chemtrails. Soms met succes, soms zonder. Hoe het werkt, begrijpt ze niet helemaal, maar ze is wel een fan van Tesla en het heeft iets te maken met vrije energie. De vakterm ‘energietikkeling’ moet maar volstaan.

Ondertussen begint er ook damp uit mijn oren te komen. Gelukkig heb ik dan al de mensen van Stichting Skepsis gevonden. Zonder hen zou ik het congresgebouw verlaten hebben. Hun relativerende humor en hun geduld geven me terug zin om langer te blijven rondhangen en nog een lezing of wat te ondergaan. Ik vond het bewonderenswaardig hoe zij hun cool wél konden bewaren en af en toe leukweg aan de discussies deelnamen. Via hen verneem ik tal van details die ik als Belg ver van huis nooit zou kunnen achterhalen. Hun sappige verslagen van overlappende lezingen doen mij vermoeden dat ik behalve heel wat halfbakken spirituele en paranormale nonsens, niets belangrijks gemist heb.

De Blije B en de Lijpe J

Op naar het volgende dus, iets over geld en de haaien van de bankwereld. “We moeten een beweging vormen. We moeten elkaar weer durven te omarmen”, zegt de wervende stem in het reclamefilmpje. Ronald Bernard mocht tijdens de beurs zijn Blije B voorstellen, “een burgerinitiatief van professionals, die een duurzame coöperatieve fair-trade pro-life volreserve spaar- en investeringsbank oprichten”, en ik spiek hier even op de website. Het is een burgerbeweging, een bank “in oprichting”: Door mee te doen, realiseren wij een rechtvaardige samenleving gebaseerd op welvaart. Voor ons, voor onze kinderen en de toekomst van de aarde. Wij zijn zelf de verandering. Doe jij mee?

Voor u meedoet met deze beweging, toch nog even dit. Tijdens zijn lezing projecteerde Ronald B Blij, zoals hij zich voorstelt op Facebook, een dia waarin hij de precaire situatie in de (bank) wereld verklaart met een overduidelijke verwijzing naar De Protocollen van de Wijzen van Sion. Het zou ondertussen toch algemeen geweten mogen zijn dat dit een verachtelijk werkje is dat uit de koker komt van een bende Jodenhaters die het gebruikten om hun antisemitische ideeën te verantwoorden. Reeds in 1921 werd afdoende aangetoond dat dit schrijfsel, naast plagiaat, ook nog eens een verzinsel was, en nee, geen verslag van een samenkomst waarbij enkele Joodse Ouderen een nieuwe wereldorde bedisselden. Grootindustrieel en notoire antisemiet Henri Ford liet het boekje vertalen en verspreidde zo’n half miljoen kopieën van het gedrocht. In nazi-Duitsland werd het eveneens gebruikt als propagandamiddel vanaf 1933. Voor Adolf Hitler, die het al besprak in Mein Kampf, waren de Protocollen een deel van de rechtvaardiging voor de Jodenvervolging.

Dat het topos van de lijpe Joodse bankier in de Facebookgroep van de Blije B af en toe opgerakeld wordt, daar kan de Blije B strikt genomen niet veel aan doen. En ja, ik ben héél mild: uiteraard kan de paginabeheerder dat soort racistische idioterieën van de wall verwijderen. Maar dat de oprichter zélf nog wat antisemitische kolen op het vuur gooit tijdens een lezing op een spirituele beurs, maakt dat de Blije B een ranzig kantje krijgt. Een beweging vormen? Door ons en voor ons? Met deze antisemitische prietpraat als reden waarom het zo slecht gaat in de (bank)wereld? Of gaan we voor het Blije Bełżec? Ik ben trouwens benieuwd wat het kernbestuur en de Raad van Aanbeveling van de Blije B vinden van dit soort antisemitisch geraaskal.

En hier eindigde voor mij de vierde Earth & Beyond, het grootste bewustzijnsevenement boven de Grote Rivieren. Ik vraag aan de Nederlandse skeptici hoe het zou komen dat zulke groots opgezette beurzen in Nederland gehouden worden en niet in Vlaanderen. We verzinnen een paar ad-hocantwoorden, maar terug thuis lees ik dat het al bij al een kwestie van seizoenen blijkt te zijn. In september organiseert het Vlaamse Para-Astro namelijk een groots evenement in hartje Kempen. Mijn ticket is al besteld.

Met heel veel dank aan Jan, Rob, Ron en Maarten van de Stichting Skepsis. En aan Mathijs, misschien geen Skepsis-lid in hart en nieren, maar zeker wel in de lachspieren. Bedankt voor de leuke dag!

 

(1) Elders op mijn blog heb ik de verschillende lezingen in groter detail beschreven.

(2) Zie “Plat of hol? Een scepticus bezoekt een internationale platte-aardeconferentie” in Wonder en is gheen Wonder, herfstnummer 2016.

(3) Hun boek Flying Saucers Have Landed (1953) kan gedownload worden via http://www.universepeople.com/english/svetelna_knihovna/en_flying_saucers_have_landed.htm.

(4) In vorige Wonder en is gheen Wonder, zomernummer 2017, verscheen het artikel “Bizarre buitenaardse bezoekers Geschiedenis van de buitenaardse ufohypothese” van Tim Trachet waarin de aanname van Aartsen meteen neergehaald wordt.

(5) Stefan Ketelaar schreef het vermakelijke artikel “Gezant van Venus. Koninklijke ontvangt voor een fantast”, een verslag van Adamski’s bezoek aan koningin Juliana in 1959. In Skepter 17.3 (2003), elektronisch raadpleegbaar via https://skepsis.nl/adamski/.

(6) Paramedisch & Psychosociaal Mediumschap, http://www.despiritueleacademie.nl/index.php/2013-11-09-11-36-24/paramedisch-psychosociaalmediumschap.html. Geraadpleegd op 9 juli 2017.

Fanmail: Over Johannes Goropius Becanus

De redactie van Wonder is gheen Wonder mocht onderstaande brief ontvangen, en gaf mij de gelegenheid om te reageren en het een het ander uit te zoeken. Deze uitwisseling van gedachten verscheen in het herfstnummer.

* * *

Beste,

Van uw tijdschrift mag men wetenschappelijke accuratesse en objectiviteit verwachten. Het artikel “Fake Linguistics” ging evenwel zwaar gebukt onder het vervelende AMAAI-syndroom (Abominable Mentality Against Antwerp’s Imperialism). De taalkundige bias tegen het Antwerps sloeg dus weer eens toe. Hoe anders te verklaren dat een beslagen linguïst als Frank Verhoft nergens enige vermelding maakt van Jan van Gorp (1519-1573), beter bekend onder zijn verlatijnste naam Ioanus Becanus?

Abraham Ortelius was zijn eerste maar niet zijn laatste grote bewonderaar. Ook vandaag nog wordt hij algemeen aangezien als “de vader van de vergelijkende taalkunde”. Deze wetenschapper publiceerde in 1569 zijn meesterwerk “Origines Antverpianae”, uitgegeven door Plantin – niet het eerste het beste uitgeverijtje. Hierin toont hij onbetwistbaar aan dat Adam en Eva in het Paradijs sappig Antwerps spraken. Alle andere talen zijn daaruit ontstaan!

Wil deze rechtzetting opnemen in uw tijdschrift opdat uw lezers voortaan met kennis van zaken over deze materie zouden geïnformeerd zijn. Dank u.

[naam]

* * *

Beste professor emeritus,

Bedankt voor uw reactie op mijn artikel Fake linguistics. Hoewel ik de deels humoristische ondertoon van uw schrijven heus wel gevat heb, wil ik toch reageren op de onverholen kritiek die er uit sprak.

Brab bio 1_GOROPIUS_afb Groeningemuseum BruggeDe humanist Jan van Gorp (1519-1573) is beter bekend onder zijn correct gelatiniseerde naam Johannes Goropius Becanus.(1) Hij leeft verder in de vakterm goropisme, ‘een belachelijk slechte etymologie’ en dat geeft meteen een idee van zijn reputatie als taalvorser.(2) De voorbeelden die meestal genoemd worden, zijn Adam, volgens Goropius een samenstelling van de twee enkelvoudige (dus pure) woorden ‘haat’ + ‘dam’ en Eva, ‘eeuw’ + ‘vat’. In de toenmalige benaming voor het Nederlands, namelijk Nederduits of Duits, meende hij ‘douts’, ‘d’oudste (taal)’ te moeten terugvinden.

Voor hem, net zoals voor Plato,(3) diende etymologie om een denkbeeld of theorie te verduidelijken. In het geval van Goropius moesten zijn woordverklaringen eerder een heilsgeschiedenis uit de doeken doen dan een woordgeschiedenis.

Ik heb de alinea over Goropius geschrapt uit mijn tekst, wat minder te maken had met een gebrek aan “wetenschappelijke accuratesse”, dan met het feit dat ik ruim tweeduizend jaar linguïstiek en bakken pseudotaalkundige bagger moest persen in het beperkte aantal bladzijden dat voor een artikel gereserveerd wordt. Het heeft ook ‘ielemoal niks van doeng mé “het vervelende AMAAI-syndroom”. Ik vind trouwens dat folkloristisch Antwerps chauvinisme niet verward hoeft te worden met kritisch denken.(4)

De tweede reden waarom ik Goropius niet vermeld heb, is dat hij opduikt in zowat alle Nederlandstalige, populariserende artikelen over malle taaltheorieën. Wat mij betreft hoeft hij dan niet meer in Wonder te staan.

De derde reden is iets complexer en staat schijnbaar haaks op de tweede. Het is ook de aanleiding waarom ik deze repliek toch heb willen schrijven. De internationale, veeltalige intellectueel en koninklijke lijfarts Johannes Goropius Becanus verdient inderdaad beter dan afgeschilderd te worden als een malloot die maar wat aanmodderde in de taalkunde, een vakgebied dat oorspronkelijk niet het zijne was. Daar zijn velen het vandaag over eens. Anderzijds zijn wij, modernen, het aan Goropius verplicht zijn taaltheorieën accuraat weer te geven en dat gebeurt helaas nog veel te weinig. Mijn artikel was niet de geschikte plaats om die discussie uit de doeken te doen.

Maar kijk, Johannes Goropius Becanus wordt nu wél vermeld in dit tijdschrift en ik stel voor dat we dan maar in één ruk doorgaan tot we, met de woorden van Andreas Dunius, aan het gaatje zijn.

becaIn de inleiding van de Goropius’ biografie geeft Toon van Hal geen al te slechte reden waarom de taalkundige ideeën van Goropius waarschijnlijk zo vaak fout worden weergegeven: Van Hal heeft de scriptie van de te vroeg overleden Eddy Frederickx uitvoerig aangepast en uitgegeven en hij acht, enigszins humoristisch, de kans reëel dat Fredericks “wellicht de enige lezer is die de twee vuistdikke pillen van de Antwerpse arts heeft doorgewerkt”.(5) Hoewel het Latijn van Goropius best proper is, telt de eerste brik van twee, Origines Antwerpianae sive Cimmeriorum Becceselana, ruim 1000 bladzijden. Ik moet toegeven dat ik ook liever naar het mooie drukwerk kijk dan dat ik de Latijnse tekst effectief lees. Vandaar dat ik voor dit artikel mijn toevlucht heb genomen tot de gedeeltelijke vertaling zoals verschenen in Van Adam tot Antwerpen (2014) door Nico de Glas.(6)

En met de Origines Antwerpianae zijn we terug bij ons dubbel uitgangspunt: Goropius heeft nooit beweerd dat Adam en Eva in het aards paradijs Antwerps praatten en de idee dat alle andere talen uit het Antwerps, Brabants of Nederlands ontstaan zouden zijn, komt niet voor in zijn geschriften.

Deze foute voorstelling van Goropius’ theorieën kan geen enkele leek kwalijk genomen worden omdat ze ook nu nog opgevoerd wordt in populariserende werken over taal en taalkunde, zoals bijvoorbeeld in de verder uitstekende Atlas van de Nederlandse Taal uit 2017. Daarin wordt hij zelfs afgebeeld met een zotskap op zijn hoofd.(7) Het zou me niet verbazen dat de immer weerkerende voorbeelden geciteerd in de eerste alinea, Adam, Eva en Duits, die foute ideeën alleen maar versterken.

Cornelis_van_Haarlem_-_De_zondevalVolgens Goropius was de eerste taal, die van Adam en Eva, de perfecte, de volmaakte. Hij situeerde hun Tuin van Eden echter in India! De boom van goed en kwaad was volgens hem de Indische vijgenboom en waar vind je meer slangen dan in India? Na de zondvloed zwermden de kinderen van Noah uit over de hele wereld. De nazaten van Noah’s zoon Japeth spraken nog steeds die perfecte taal, wat Goropius af en toe ook (Indo-)Scythisch noemde, en zij verspreidden zich over Europa. Op hun beurt stichtte een groep van hun nakomelingen, de Atuatuken, Antwerpen. Zij spraken een nauw verwante vorm van het Indoscythisch, namelijk het Cimbrisch, of Cimmerisch. Het is niet altijd even duidelijk wat hij nu net bedoelt met Cimbrisch; soms lijkt hij te praten over Nederduits, gesproken tussen de Schelde en het huidige Estland, soms specifiek over het Brabants dialect en heel zelden over het Antwerps. In bepaalde passages lijkt hij te mijmeren over het feit dat de Nederduitse dialecten uit elkaar lijken te groeien, wat hij dan weer linkt aan de groeiende religieuze verschillen tussen katholieken en de protestantse stromingen. We mogen echter niet al te veel consistentie verwachten in de geschriften van Becanus, die soms lijken op een ongecontroleerde stroom van halve gedachten en argumenten. Hoe dan ook, de oudste taal is zeker geen “sappig Antwerps” én de taal die in Antwerpen wordt gesproken is volgens Becanus de taal van immigranten.

Wat dan met de tweede bewering, namelijk dat alle talen uit de lokale Antwerpse taal zouden voortkomen? Goropius was een polyglot, hij kende zeker Latijn, Grieks en Hebreeuws. Als fervent boekenverzamelaar was hij vrijwel zeker op de hoogte van heel veel andere, wildvreemde talen die gesproken werden over een steeds groter wordende wereld en die gretig beschreven werden door Europese ontdekkingsreizigers. Hij zag overeenkomsten tussen deze en gene taal, maar hij besefte ook dat sommige talen helemaal niets met elkaar te maken konden hebben (of leken te hebben). Verder kende hij zijn klassieken en zijn Bijbel. Hij nam zich de vrijheid om op basis van klassieke teksten niet zozeer het Bijbelse verhaal tegen te spreken, dan wel subtiel of minder subtiel te modificeren. Goropius twijfelde niet aan het verhaal van de Toren van Babel: na dat akkefietje met het grootse bouwwerk zorgde God ervoor dat de mensen elkaar niet meer konden begrijpen. De verschillende talen, wij zouden nu min of meer taalfamilies zeggen, zijn dus niet gegroeid uit het Cimbrisch, Nederduits of Antwerps. Met de spreekwoordelijke knip van de goddelijke vingers veranderde Jahweh alle talen van de volkeren die aanwezig waren bij de bouw van de Toren. De Cimbriërs waren echter niet in Babel en om die reden wordt de eerste taal, d’oudste, volgens hem nog steeds gesproken, toevallig in zijn geboortestreek.

Zelf heb ik mij even verweten dat ik in mijn artikel “Fake linguistics” geen aandacht heb besteed aan de studie van het Gotisch in de Lage Landen, wat van enorm belang is geweest voor het ontstaan van de vergelijkende taalkunde van het Germaans in deze contreien. We schrijven midden 16de eeuw en later, inderdaad ook wat de taalwetenschap betreft een uiterst boeiende periode.(8) Als we al nood zouden hebben aan een vader van de vergelijkende taalkunde in de Nederlanden, dan moeten we hem volgens mij zoeken onder de vele vorsers uit die periode. Maar, zoals ik al impliceerde in mijn artikel, vind ik het concept “de vader van” te beperkend, te weinig productief.(9) Niet mijn ding. Goropius hééft zich zoals vele taalvorsers in de Lage Landen bezig gehouden met dat Gotisch, maar hij zag er eerder een oude vorm van het Nederlands gecorrumpeerd door het Grieks in, dan een aparte, oude Germaanse taal.

Johannes Goropius Becanus of de vader of de zatte nonkel van de vergelijkende taalkunde noemen, beide zouden even ongepast zijn. Hij heeft heel wat toenmalige heilige huisjes ingetrapt. Hoewel hij welwillend stond tegenover het Hebreeuws, voerde hij aan dat het niet de eerste, de oudste taal kon zijn. En dat op zich was in die periode vrij choquerend. Misschien heeft hij mensen aangezet om buiten de lijntjes te kleuren, om de platgetreden paden te verlaten en op zoek te gaan naar nieuwe inzichten, hoewel hij zelf duidelijk de weg kwijt was. En dat hoeft ons niet te verbazen: de taalonderzoekers waren nog maar net begonnen de taalwetenschap uit de grond te stampen.

 

Noten

  1. De letter “I” in de gelatiniseerde versie wordt normaliter getranscribeerd als “J”, net zoals de “V” weergegeven wordt met een “U”. De literatuur noch de titelpagina’s uit de drukkerij van Plantin vermelden “Ioanus”.
  2. “[Goropiser, c]’est que les étymologies étranges et souvent ridicules de Goropius Becanus” in Gottfried Wilhelm Leibniz, Nouveaux essais sur l’entendement humain (1762). Hier geraadpleegd in de editie van 1921, via https://archive.org/details/ nouveauxessaissu00leib.
  3. Voor een meer academische benadering van zijn etymologische methoden zie bijvoorbeeld R.A. Naborn: “Becanus’ etymological methods” dat te raadplegen is via de schitterende website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL), http://www.dbnl.org/.
  4. Ter vergelijking: aantal Bruggelingen dat naar aanleiding van mijn stuk over pseudolinguïstiek en de geschiedenis van de taalkunde in Wonder en is gheen Wonder reclameerde dat, u voelde hem aankomen, Simon Stevin níet vermeld werd: nul.
  5. Eddy Frederickx (†) en Toon van Hal, Johannes Goropius Becanus (1519-1573). Brabants arts en taalfanaat. Hilversum, Uitgeverij Verloren, 2015, p. 11.
  6. Johannes Goropius Becanus, Van Adam tot Antwerpen. Een bloemlezing uit de Origines Antwerpianae en de Opera van Johannes Goropius Becanus. Hilversum, Uitgeverij Verloren, 2014. In deze context is het bijna helemaal vertaalde Boek V Indoscythia van belang. Op de website van de Vlaamse Erfgoedbibliotheek, Flandrica.be, vindt u een digitale kopie van het integrale drukwerk uit 1569.
  7. Fieke Van der Gucht e.a., Atlas van de Nederlandse Taal. Editie Vlaanderen. Lannoo, 2017, p. 125.
  8. Zie bijvoorbeeld R.G. Van de Velde, De studie van het Gotisch in de Nederlanden. Bijdrage tot een status quaestionis over de studie van het Gotisch en het Krimgotisch (1966). Het Museum Plantin-Moretus bezit én stelt daarvan meerdere gedrukte getuigen uit die periode tentoon.
  9. Zo wordt in de Engelstalige traditie vaak de Engelstalige sir William Jones opgevoerd als vader van, 16 jaar na het verschijnen van indrukwekkend goed taalkundig onderzoek in een taal die de meeste Angelsaksen niet machtig zijn. Lezers die op zoek zouden zijn naar nóg meer vaders in de taalkunde, beveel ik het boek A Short History of Linguistics van R.H. Robbins aan. De 280 pagina’s dat het uitstekende werk dik is, bulken ervan.

Ecomoe

Dit al wat oudere artikel verscheen in Wonder en is gheen Wonder, het blad van Skepp (zomer 2016).

* * *

Wat doet een mens wanneer-ie het afgedankte Ecomamaboek. Groen en bewust leven met kids (2009) terugvindt in de uitverkoopbakken van de Gentse bibliotheek? Kopen voor een habbekrats of laten recycleren?

Het was de achterflap van het “zapboek voor de ecolicious mama van nu” die me deed beslissen om dit pareltje van alternaïef denken te redden van de papiermachéfabriek: “Ze schrijven met kennis van zaken en humor over onderwerpen die hen na aan het hart liggen”, verzekerde de flap.

Dat treft, ik ook.

De eco lifestylegids beslaat de ganse activiteitenwaaier van de moderne en dus drukbezette ecomama (m/v) waaronder shoppen, beleggen, reizen, managen en relaxen in wellnesscentra. Elk van die onderwerpen wordt rijkelijk voorzien van bakstenen en elektronische adressen. Beide auteurs raden winkels aan die hun hoge normen beantwoorden, ze verwijzen door naar grote en kleine handelszaken die ze ethisch even hoogstaand achten en geven lovende besprekingen van boetiekjes voor duurzame parafernalia allerhande.

Mij doet het een beetje denken aan Elsschots Lijmen, waarin het hoofdpersonage op zoek gaat naar adverteerders om de publicatie te financieren. Het verschil hier is dat niet de goedgelovige adverteerders met volledige oplagen aan bedrukt papier blijven zitten, wel de openbare bibliotheken.

Onderwerpen te over dus en van sommige heb ik echt geen kaas gegeten, Elsschotiaanse pun not intended. Geldzaken zijn niet mijn sterkste kant en daarom zal de skepticus in mij het vertikken om commentaar te geven op de voorgestelde geldmeditatie: “gewoon op je stoel blijven zitten en mediteren dat het geld naar je toestroomt”. De germanist in mij wil er wel op te wijzen dat “mediteren” hier niet de klassieke betekenis heeft van “in zichzelf keren om de diepste werkelijkheid te ervaren”.

Hoe dan ook, ik ga me in dit stuk concentreren op twee onderwerpen die míj “na aan het hart liggen”, namelijk voeding en gezondheid.

Voeding

“Bio staat voor biologisch”, lees ik in het eerste hoofdstuk. “Simpelweg betekent het dat als je een biologisch product koopt, je zeker weet dat het geteeld is zonder kunstmest en giftige bestrijdingsmiddelen.” Het eerste deel van het citaat klopt, bio staat inderdaad voor biologisch, dat van die kunstmest is ook waar. Vanaf dan lijkt het mij inderdaad nogal simpel én misleidend.

Biolandbouw is een vlag die een wel zeer diverse lading dekt. Men heeft de zogenaamde biodynamische landbouw, gebaseerd op de ideeën van Rudolf Steiner, waarbij een met mest gevulde koeienhoorn die een dertigtal centimeters onder de grond moet begraven worden, de hoofdrol speelt. En waarbij ik moet vermelden dat Herr Steiner een even groot pedagoog was als landbouwkundige.

Ook de zogenaamde Anastasialandbouw wordt gerekend tot de biologische landbouw. “Zaad kan naast interne informatie ook informatie uit de omgeving, bijvoorbeeld van de mens, opnemen. Dit weerspiegelt zich in de vruchten van de uit het zaad groeiende plant, die kunnen dan als heelmaker dienen,” aldus een enthousiaste Anastasiaboer in de vakliteratuur [1].

Bent u er nog?

Hoe dan ook, om discussie over de Ware BioSchot te vermijden, houd ik het bij de versie die de Europese Unie in gedachten, en Delhaize en Carrefour in de rekken hebben.

Is een bioproduct echt wel geteeld “zonder […] giftige bestrijdingsmiddelen”? Dat lijkt mij een kwestie van semantiek en dosis. De bacterie Bacillus thuringiensis (Bt) mag in de biolandbouw gebruikt worden omdat het een zogenaamd natuurlijk bestrijdingsmiddel is. Het wordt dan ook algemeen beschouwd als een zeer veilig pesticide. Voor mensen althans. Voor insecten is het schadelijk, anders was het geen bestrijdingsmiddel. Diezelfde bacterie Bacillus thuringiensis wordt ook gebruikt in de gg-maïsteelt, maar dan is het volgens tal van bio-adepten plots wél een vergif.

Anderzijds is Bordeauxse pap, een mengeling van kopersulfaat en gebluste kalk, toegestaan in de biolandbouw als preventief, schimmelwerend middel. Franse biowijnboeren gebruiken het nog steeds. Nochtans vindt Europa dat koperverbindingen “voldoen aan de criteria om als persistente en toxische stoffen te worden beschouwd.”[2] David Zaruks lijstje, “Dirty Dozen – 12 highly toxic pesticides approved for use in organic farming”[3] doet nog meer afbreuk aan de stelling dat de biologische landbouw vrij van gevaarlijke bestrijdingsmiddelen is.

Een niemendalletje in groene drukinkt voor hippe ecomama’s waarin producten én winkels aangeraden en gepromoot worden, mogen we natuurlijk niet verdenken van al te veel inzicht en nuance. Anderzijds is het tergend en weinig ethisch dat de twee auteurs hun geliefkoosde producten menen te moeten slijten met behulp van onduidelijke en zelfs ongefundeerde claims. Vergelijken we de uitspraak dat bioproducten gezonder zijn, met enkele regels uit het rapport Voedselkwaliteit, veiligheid en gezondheid van biologische producten, uit 2009[4]:

Mogelijke gezondheidseffecten die in verband worden gebracht met biologische voeding zijn: effect op het immuunsysteem, waaronder allergische klachten, vruchtbaarheid, overgewicht, en als afgeleide hiervan een lager risico op hart- en vaatziekten en kanker. Echter, het aantal studies dat gezondheidseffecten heeft onderzocht is gering. Er zijn enkele studies bij mensen uitgevoerd en daarnaast bestaan er een aantal studies met dieren of in vitro modellen. Het is daarom voorbarig om nu conclusies te trekken op het gebied van gezondheid.

Of bio groen en duurzaam is, zelfs daarover zijn de meningen verdeeld. Het rapport hierboven is een van de vele dat lovend is voor biolandbouw. Iemand als Louise Fresco, hoogleraar aan een rits universiteiten en gespecialiseerd in duurzame ontwikkeling in een internationale context, staat er dan weer iets kritischer tegenover. Zij reduceert ‘biologische’ landbouw tot een kwestie van louter juridische kaders en certificatenmolens waarbij elk voordeel (bijvoorbeeld geen kunstmest) zijn nadeel heeft (groter ruimtebeslag).

Mij lijkt het hierboven geciteerde rapport vrij evenwichtig: het staat enerzijds zeker positief ten opzichte van de biolandbouw, maar het gaat de caveats en eventuele problemen niet uit de weg. Ook Fresco is zeer genuanceerd in haar uitleg: puur praktisch is het onderscheid biologische versus niet-biologische volgens haar volstrekt overbodig. Zij pleit voor de best mogelijke landbouw, met de best mogelijke praktijken, waar die ook ontstaan zijn. U kan het rustig nalezen in de klepper Hamburgers in het Paradijs. Voedsel in tijden van schaarste en overvloed (2012).

Het is nu net dit gebrek aan nuance en kritische reflectie dat me mateloos ergert bij het lezen van eco lifestyle boekjes, dito websites, schotschriftjes van veldvertrappelende eco warriors en verklaringen van groene politieke partijen.

Gezondheid

In het deeltje ‘Schone handen en gezondheid’ loopt het pas echt goed mis; het leest als een hoofdstukje ‘Hoe blind slikgedrag aanmoedigen’. ”Veel homeopathische middelen worden biologisch verbouwd”, weten de ecomama’s. Deze zin doet mij vermoeden dat de auteurs evenwel niet weten wat homeopathie is, en dat ze alle kruidengeneeskunde en andere ‘alternatieve’ geneeswijzen op een hoopje smijten. Verder vinden zij biologische slash homeopathische middeltjes die de “weerstand opvijzelen” toppie. Nog groener natuurlijk is het om die homeopathische rommel niet te kopen: de milieukosten voor het produceren, verpakken, transporteren van fake geneesmiddelen, zijn gewoonweg veel te hoog.

Ze raden bijvoorbeeld ook salie(thee) aan tegen een verkoudheid als “natuurlijk antibioticum” (en we gaan hier zelfs niet moeilijk doen over antibioticum v.a.v. virale infecties). Ja, zowat elke warme, niet-alcoholische drank doet deugd bij een lastige verkoudheid, en nee, saliethee steekt er nu niet bepaald bovenuit. Het valt me trouwens op dat de meest groene remedie tegen de gewone verkoudheid niet vermeld wordt, namelijk rusten. Misschien denk ik nu te veel vanuit een traditioneel Westers medisch kader. Anderzijds, de eerlijkheid gebiedt me te vermelden dat de auteurs aanraden om een dokter te raadplegen wanneer het ernstig wordt.

Wat het geteem over yin en yang komt doen in een boekje over groen leven is me eveneens een raadsel. Ik bespaar u het gebruikelijke pseudo-oosters gejengel. Evenals het gehannes over ayurveda, waarmee we trouwens terug in de buurt komen van de zware metalen. Loodvergiftiging door ayurvedische middelen, hoe natuurlijk lood (Pb) ook is, is niet echt een aanrader. En een massage, dat is zelfs niet groen of altmed. Zelf zou ik behoorlijk gespannen geraken van de spirituele, esoterische uitleg over Thaise sea holistic stempelmassages, maar dat geheel terzijde.

Terwijl u zich afvraagt wat dit alles nu te maken heeft met groen en bewust leven, zwatelen de dames verder over de geestelijke gezondheid. Een van hun suggesties is floaten, drijven in een “spaceachtige, eivormige cabine… op zeer zout water”. En dat werkt ontspannend, aldus de auteurs, waarbij ze zich niet kunnen onthouden van de freudiaans geïnspireerde gedachte dat het ook een terugkeer is naar het baarmoedergevoel. Wat hébben pseudopsycholo’s toch verloren, daar in die baarmoeder?

Het hele boekje flirt met de gedachte dat trendy mama het beter weet, net en alleen omdat ze een moeder is. Het idee dat moeder het beter weet dan vader, daar kan ik inkomen. Dat ze beter op de hoogte is van epidemiologische, medische, agrarische, biotechnologische onderwerpen dan epidemiologische, medische, agrarische, biotechnologische specialisten, dat is mij een brug te ver.

De platitudes en halve waarheden die beide dames debiteren in een poging om “hip en verantwoord” te zijn, beginnen al snel tegen te steken. Ik vraag me af in welke mate er hier belangen vermengd worden. Groen leven, graag en snel een beetje, maar moet dat nu echt gepaard gaan met pseudo-spirituele, alternatief-medische en hard core esoterische nonsens? Alsof het allemaal niet zo serieus genomen moet worden en alsof groen een modieus detail is, een extra argumentje om de alternatieve kassa te laten rinkelen.

Besluit: het meest groene aan Het Ecomamaboekje is de groene inkt waarin het hele gedrocht gedrukt is.

Elma Sitzinger en Froukje Wattel, Het Ecomamaboek. Groen en bewust leven met kids, Truth&Dare, 2009

 

[1] Frens Schuring, “Anastasia en Vedische landbouw”, in: Dynamisch Perspectief, nr. 5, 2007, p.1012 http://edepot.wur.nl/116167
[2] Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408 van de Commissie van 11 maart 2015 inzake uitvoering van artikel 80, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot vaststelling van een lijst van stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen http://eurlex.europa.eu/legalcontent/NL/TXT/?uri=uriserv%3AOJ.L_.2015.067.01.0018.01.NLD
[3] David Zaruk, “The RiskMonger’s Dirty Dozen – 12 highly toxic pesticides approved for use in organic farming”, The Risk Monger, 2015
https://riskmonger.com/2016/04/13/theriskmongersdirtydozen12highlytoxicpesticidesapprovedforuseinorganicfarming/
[4] Lucy van de Vijver, Ron Hoogenboom, Machteld Huber, Voedselkwaliteit, veiligheid en gezondheid van biologische producten Update van de literatuur, Wageningen, Institute of Food safety, 2009
http://www.louisbolk.org/downloads/2123.pdf

“De leukste spirituele beurs van België”

Ook deze keer geen millimeter opgeschoten. Dat is zowat de enige conclusie die ik een week later kan trekken. Van de verhoopte spirituele groeispurt is niets in huis gekomen daar in Kasterlee, tijdens de Para Astrobeurs en, double whammy nog aan toe, het Gobal Awareness Festival. Alsof er iets in mij aanwezig is dat weerstand biedt tegen een leven met helende kristallen en engelenwater, dream catchers, levenskracht, dolphin hearts, “lichaamsgerichte begeleiding voor sexological bodywork“, patchoeli en biologische voeding.

Brecht, Tayson en Filip. Foto Tayson Peeters

Misschien had het te maken met het gezelschap waarin ik me bevond. Energy is looove, maar niet wanneer drie skeptici je vergezellen. Dan verdwijnt de positieve energy in het grote nihilistische niets en wordt warme looove heerlijke rationaliteit voor de ene, kille arrogantie voor de andere. Anderzijds lijkt geen aartsengel of spirituele apologeet te kunnen opboksen tegen de vibraties van een kritische gedachte zonder te vervallen in een routineus bij elkaar geharkte woordsalade.

Met zijn vieren dus naar het dubbelevenement: een spirituele beurs georganiseerd door Para Astro, een organisatie die “al 30 jaar de grootste en leukste spirituele beurzen van België” organiseren, en een heus spiritueel bewustzijnsfestival. Opvallend is dat de voertaal daar Hollands was en de ondertiteling gelardeerd met de obligate Engelse vaktermen.

Boviswaarden en nicotine

De eerste die we tegenkomen op het bewustzijnsfestival, is een oude bekende: John ‘Jagadiël’ Breukels, slijter van engelenwater, verkoper van helende kristallen en reisformules naar de ‘Bosnische piramides’, geërodeerde bergen die volgens hem 29.000 jaar oude “healingcentra” zijn. Zijn engelenwater en kristallen helpen de zogenaamde Boviswaarden op peil te houden, en dat verwijst naar een volslagen imaginaire schaal waarmee (kosmische) energietrillingen gemeten kunnen worden door middel van een pendel of andere machinerie.

De helende kristallen uit Bosnië en het engelenwater van John Breukels. Foto Brecht Decoene

Het verbaast ons niet dat de man ratelt en zwatelt dat het een lieve lust is, wel dat hij een fervente roker blijkt te zijn. Gezondheid en tabak vormen niet de beste tandem, dachten wij. Onzin, volgens John. Hijzelf heeft lymfe-of alvleesklierkanker gekregen nadat hij gestopt was met roken, hij suggereert zelfs doordat hij opgehouden was. Gelukkig kon hij zich genezen met behulp van zijn eigen geproduceerde engelenwater. Het ultieme bewijs, zij het enigszins anekdotisch. Ziekte is Z.I.E.K.T.E., een “Zeer Intelligente Energetisch Krachtige Transformerende Ervaring”! Hij is zichtbaar fier op zijn woordspelletje.

“De tekst op pakken tabak en sigaretten zijn er om een cultuur van angst te creëren. Wetenschappers zeggen dat roken ongezond is omdat ze nog meer geld uit je willen slaan. Je gelooft dat roken ongezond is, omdat ze je dat zeggen, maar wat voel je zelf? Een natuurlijk product kan niet schadelijk zijn”, tekent Brecht op. Ik verlaat gedegouteerd en iets te luidruchtig de tent, de anderen hebben meer geduld en relativeringsvermogen. Ziektes als kanker zijn niet dodelijk. Het gevecht met de ziekte, al dan niet door middel van chemotherapie, dat is schadelijk. Niet vechten en engelenwater kopen is zijn boodschap. “Roken is gezond, tabak is nu eenmaal een natuurlijk product. Bovendien helpt het je om te aarden”, noteert Tayson uit de mond van de kleine zelfstandige. Trouwens, de indianen rookten toch ook. En natuurlijk laat hij zijn 13-jarige dochter af en toe eens lurken aan de waterpijp. Niets mis mee, aldus John.

Wetenschappelijk

Ondertussen loop ik een nieuwe tent binnen. De verkoopster van zogenaamde orgonen (of orgonites) beantwoordt mijn vragen routineus maar concentreert zich dan volledig op een minder kritische bezoeker die zich onder de piramide wil leggen om zo energetisch gezuiverd te worden. Men moet geen commercieel genie zijn om aan te voelen aan wie er eventueel het meest kan verdiend worden. Hoe dan ook, orgonen zijn kleine piramidevormige beeldjes gemaakt van kwarts, metaal en hars. Eerder dit jaar vernam ik hoe deze objecten chemtrails kunnen doen verdwijnen, in de bossen van Kasterlee leer ik dat ook zij de Boviswaarden kunnen optimaliseren.

Het is niet de eerste keer dat het me opvalt, maar ook deze verkoopster gooit het bij licht kritische vragen over een andere boeg. Evenals de schaal van Bovis zijn orgonen wetenschappelijk onderbouwd, verzekert ze mij. De wetenschapper en psychiater Wilhelm Reich ontdekte de specifieke combinatie van materialen en hij meende dat de orgonite de levensenergie, de energietrillingen kon meten en beïnvloeden. Dat zegt de wetenschap. Ik bedank haar en vertrek.

Bonjour tristesse

Met steeds minder energie wandel ik rond op “het grootste en meest vernieuwende festival van de Benelux”, aldus de aankondiging, met de mogelijkheid tot “verruiming van bewustzijn in vele vormen”.

Ik vraag me na een tijd af welk soort Global Awareness dit festival nu eigenlijk uitzendt of opvangt. Het terrein is herschapen in een modderpoel, het aantal festivalgangers is een orde kleiner dan het aantal standhouders en de muziek die live geproduceerd wordt voor vijf bosnimfen en een paardenkop, balanceert op het randje tussen de categorieën ‘goedbedoeld’ en ‘schadelijke oorsuizing’. 

Het terrein straalt een existentiële tristesse uit, ondanks de aanwezigheid van een Energetisch Plein, een Tempel of Love, een Elvenbos (sic), een Bewustzijnsplein, een Liefdesplein en een Gezondheidsplein. Het hele gebeuren brengt me een uitspraak van Theo Maassen in herinnering, namelijk dat “bewustzijn uiteindelijk niet bevrijdt, maar eerder de muren van de gevangenis zichtbaar maakt”. Ik voel me wegglijden en niet alleen door de modder.

Ik probeer nog een gesprek aan te knopen met een verkoper van dream catchers, best een sympathieke man. Hij vertelt goedgemutst over zijn festivalseizoen in Nederland, waar dit soort evenementen populairder lijkt te zijn, over zijn koopwaar, dat nog steeds goed loopt, en over de verschillen tussen spirituele beurzen (en bezoekers) in België en Nederland. Hij is even teleurgesteld in het aantal bezoekers als hij laaiend is over de sfeer in het bos. Jaah, hier hangt Iets, aldus de standhouder. Ik moet dat maar eens gaan vergelijken met de sfeer die er hangt in dat andere deel daar, en hij wijst vaagweg in de richting waar Para Astro zijn tent heeft opgeslagen voor de spirituele expo, het tweede luik.

Nog maar eens een Spirituele Expo

De sfeer die Para Astro heeft weten te creëren op hun expo’s, is door de jaren heen zeer consistent gebleven. “Reeds aan de ingang wordt vakkundig alle vitaliteit uit je lijf en leden gezogen, en dat voor maar negen euro, terwijl je jezelf afvraagt hoe je dat bordje “Abandon all hope, ye who enter here” toch hebt kunnen missen”, schreef ik drie jaar geleden. Naar aanleiding van ons bezoek anno nu kopieer ik dat stukje gewoon. Het contrast met de sfeer en de verwachting die het promofilmpje van Para Astro schept, is groot.

De toegang tot de witte tent wordt bewaakt door twee stuurse blondines die enkel van hun smartphone opkijken om het veel te hoge entreegeld te innen. Centraal in de tent staan de tafeltjes met de mediums, kaartlezers en dies meer, rondom de tafels met kristallen, stenen, boeken en geurkaarsen. Prikkelender dan de wierookstokjes zijn de wicca-zwepen en eventjes slaan vier skeptische mannenhoofden op hol. Zo verlokkelijk is dus de Dark Side.

Compagnon Filip herkent en begroet even hartelijk als luid een medium dat wij voor ons vertrek nog op tv hadden herbekeken. De helderziende, wat oudere dame verkondigde in een reportage voor Café Corsari in 2015 dat ze een oude moord in het Antwerpse Zuiderpershuis aangevoeld had. In Kasterlee sneerde ze dat ze misbruikt was door mentalist Gili, die achter de reportage zat en die enkel maar de spot wil drijven met helderzienden. Nog eentje die ontmaskeren arrogant vindt.

Terwijl ik me naar de stand van Scientology begeef, een vaste waarde op dit soort beurzen, wordt Brecht uitgenodigd voor een handlezing. Of beter, een zandlezing. Ook vorig jaar in Mol drong Medium Angel zichzelf op. Brecht moet zijn hand in een bak met zand steken en vervolgens op een folie drukken. Angelica “leest” dan die afdruk. Ondanks de uitnodiging door Angelica en de verzekering dat het gratis was, vraagt ze, eist ze achteraf 50 euro voor het geleverde werk. En dat werk bestond erin om Brecht te laten vertellen over een half gefantaseerde liefdesrelatie, hier en daar iets te beamen en te becommentariëren.

Er is amper volk, de sfeer is met geen pendel te meten. Ik voel me verplicht om de frase “de lethargie heerst” uit mijn verslag te schrappen: het werkwoord ‘heersen’ roept gewoonweg te veel dynamiek, spirit en schwung op. De tent met lezingen blijft leeg, het aantal bezoekers is lager dan het aantal standhouders, die sowieso meer geïnteresseerd lijken te zijn in hun kruiswoordraadsels dan in de aanwezige nieuwsgierigen.

 

Terug thuis begin ik te beseffen dat de folders en de leaflets die op zo’n beurs verspreid worden, interessanter zijn dan de aanwezige standen en standhouders. Het papier lijkt een beter beeld te bieden van wat er zich momenteel afspeelt in spiritueel Vlaanderen, wat de hypes zijn en welke vzw’s, organisaties of verstrekkers van cursussen er nu weer opgericht zijn. Extatisch dansen, hiphop power yoga en Tribal Tantra, de weg naar “your wild pure nature”, lijken in te zijn. Het contrast met de doffe, comateuze sfeer van een doorsnee Para Astrobeurs kan niet groter zijn.

Maar dat is voor een volgend stuk. Rest mij nog Filip Van Beurden te bedanken voor het ontvangst, het ontbijt en de goocheltrucs, Tayson Peeters voor de nuchtere commentaren en enkele zéér interessante aanzetten voor een langer artikel over scholen die dubieuze therapiecursussen verkopen en de immer kritisch denkende vint die Brecht Decoene is.

De al iets minder Blije B, update

Wat voorafging

Op 7 juli postte ik een artikel over Ronald Bernard, initiatiefnemer van de Blije B, een “bank in wording”. Tijdens een lezing in Houten, Nederland, haalde hij zonder verpinken de antisemitische tekst De Protocollen van de Wijzen van Sion aan als één van de redenen waarom het er in de (bank)wereld zo slecht aan toe gaat. Verder beweerde Bernard in zijn vorige carrière als topbankier getuige te zijn geweest van satanische rituelen en kindermoorden door collega’s en gaf hij aan te geloven in eeuwenoude, multigenerationele complotten die hun oorsprong vinden in Bijbelse episoden.

Update 1: Jan Rotmans stapt op uit de Raad van Aanbeveling

Omdat we merkten dat het moeilijk was om een reactie van medewerkers en/of leden van de Raad van Aanbeveling te krijgen, besloot Pepijn van Erp van Stichting Skepsis om een versnelling hoger te schakelen én vooral om dieper te graven. Op 18 augustus deelde hij zijn uitgebreide bevindingen in het artikel Ronald Bernard van De Blije B over kinderoffers en de Protocollen van de wijzen van Sion, nadat hij eindelijk een repliek had ontvangen van Jan Rotmans, hoogleraar aan de Erasmus Universiteit. Hoewel deze de uitspraken van Bernard in eerste instantie schouderophalend leek te bestempelden als “controversiële” en “ongelukkige uitspraken van de initiatiefnemer”, heeft hij ondertussen via Twitter laten weten dat hij opstapt uit de Raad van Aanbeveling van De Blije B:

Update 2: Lector Marleen Janssen Groesbeek

Lector Janssen Groesbeek, de andere docent en lid van de Raad die Pepijn heeft gecontacteerd, legt de berichten over de ontegensprekelijk antisemitische Protocollen en de door Bernard opgediste verhaaltjes over satanische kinderoffers ongestoord naast zich neer. Zij vindt “het initiatief van een Blije B (…) waard om te (blijven) volgen en zal “waar nodig (…) ondersteunen met advies en inzicht”. Zij geeft het begrip “ethisch bankieren” hiermee wel een heel aparte betekenis.

Mijn advies: als mevrouw het toch belangrijk vindt om haar naam te verbinden aan deze instelling, dan kan ze volgens mij best de pr van de Blije B ondersteunen. Voorlopig staat de Blije B behoorlijk voor eigen logo, ik bedoel dan, compleet voor lul.

* * *

Nota bene: Gianluigi Cuccureddu’s tijdsbeleving

Eerder een nota aan mezelf dan een derde update. Gianluigi Cuccureddu is het enige lid van het db-kernteam dat wel gereageerd heeft op onze tweets, op onze vraag naar reacties op het gezwaai met de anti-joodse Protocollen. Cuccureddu is marketeer en business adviseur. Hij studeerde aan de Hogeschool Inholland, Universiteit van Amsterdam en volgde een cursus op de Harvard Business Review.

Zijn reactie is op zijn minst bizar te noemen:

Als ik deze regels uit elkaar trek, dan meen ik te moeten opmaken dat de heer Cuccureddu niet kan aannemen dat een geplagieerde tekst van ruim 100 jaar oud (en het grootste deel komt uit de tekst Dialoog in de hel tussen Montesquieu, Napoleon III en Machiavelli) een vervalsing kan zijn omdat bepaalde elementen in de loop der tijden “tot werkelijkheid zijn geworden”. Dit kan ik enkel klasseren als magisch denken, los van welke tijdsbeleving of -besef dan ook. Met andere woorden, deze man vindt het gedrocht dat aanzet tot Jodenhaat geen hoax omdat het volgens hem geen verslag is van een samenkomst van joodse leiders in 1897 te Bazel, maar eerder een draaiboek van wat ‘men’ daarna uitgevoerd of geïmplementeerd heeft. ‘Men’ wordt in de uitleg van Roland Bernard de Rothschilds, de bekende joodse bankiersfamilie, maar dat terzijde.

Dat idee van Cuccureddu dat De Protocollen pertinent zijn omdat ze eerder een scenario, een draaiboek zouden zijn voor feiten die zich na 1903 zouden ontwikkelden, dan een verslag van een fictieve vergadering vóór 1903 vind ik voorlopig alleen maar terug op bij complotdenkers van de dommere soort. Heel toevallig stootte ik eerder deze week op een soortgelijke gedachte bij verschillende rechts-libertairen:

en:

Ik heb voorlopig nog geen idee of dit een nieuwe, algemeen aanvaarde of populaire manier is in Complotland om De Protocollen van de Wijzen van Sion te herinterpreteren, opnieuw te accapareren. Dus om ze niet te beschouwen als een verslag uit het verleden, maar als een draaiboek dat vanaf circa 1903 in gebruik werd genomen. Het is sowieso een sterk staaltje revisionisme.

Update 3: Lector Janssen Groesbeek stopt er dan toch mee

“Ook Marleen Janssen Groesbeek, lector Sustainable Finance aan Avans Hogeschool, mailt dat ze het voor gezien houdt.” Dat schreef Bank zonder bonussen – De Blije B – in het nauw: oprichter zou complottheorieën aanhangen.

Ik citeer even verder: “Bernard spreekt in een schriftelijke reactie van een lastercampagne waarin hij afgeschilderd wordt ‘als een antisemitische fantast met een hoop onzinpraatjes’.” En dat is-ie, tot nader order.

Alex Jones zingt

Dit is te goed om niet te delen.

Ene Nick Lutsko heeft op geniale wijze enkele pathologische uitvallen van Alex Jones, professionele complotzot, op muziek gezet.

Centrum voor Klassieke Homeopathie, Thomas More & Beyond, update

Even opfrissen: op 7 juli berichtte ik hoe enkele tweets van Maarten Boudry omtrent de lessenreeks “Homeopathie in de verloskundige praktijk”, die zou doorgaan in samenwerking met de Thomas More Hogeschool, de verbouwereerde directie van dit instituut deden beslissen om die nascholing te schrappen.

Een kleine week later, op 13 juli, kreeg ik de nieuwsbrief aan van het Centrum voor Klassieke Homeopathie (CKH), de organisatie die de lesgevers zou leveren voor die nascholing. De nieuwsbrief dateerde al van juni, dus van voor de twitterstorm.

nieuwsbrief CKH juni 2017

Toch een mailtje verstuurd op 14 juli:

Geachte mevrouw

Ik heb vernomen dat de lessen in de reeks homeopathie in de verloskundige praktijk van 16 september en 21 oktober 2017 niet zouden doorgaan. Is deze informatie correct?

Vriendelijke groeten

Het antwoord vanuit het CKH liet niet lang op zich wachten:

Beste

de volgende lesdata op 16 september en 21 oktober gaan tot nader order door in het Geboortehuis Inanna in Rijmenam voor wie al ingeschreven was.
Inschrijven via Thomas More kan inderdaad helaas niet meer. Zodra er een praktische oplossing hiervoor gevonden is, zullen wij hierover berichten.
Met vriendelijke groet

De praktische oplossing waarvan hierboven sprake ook niet. Een klein uur later ontving ik dit bericht:

Beste
de twee studiedagen gaan door in eigen beheer.
Vriendelijke groet

Wij trekken hier alvast een nieuw blikje wierook open: het optreden vanuit de Thomas More Hogeschool tegen deze kwak-nascholingen blijkt dus inderdaad even kordaat als de tweets van MarCom Director en STEM-passionata Martine Taeymans en Algemeen directeur Machteld Verbruggen eerder deden vermoeden.

Dit maakt me enigszins benieuwd naar de volgende nieuwsbrief van het CKH. Mijn gok is dat ze er in alle talen zullen over zwijgen.

En benieuwd, dat was ik ook naar Geboortehuis Inanna in Rijmenam, waarvan sprake in de eerste e-mail van het CKH. Ik twijfel er niet aan dat het Geboortehuis uitstekend werk levert, de bezielster van het huis heeft alvast 31 jaar ervaring op de teller. Niet mis. Het uitgangspunt van het huis doet mijn wenkbrauwen een klein beetje fronsen, maar ach ja, ze verwijzen sowieso naar specialistische hulp indien nodig.

De vroedvrouwen van Inanna hanteren hierbij het principe dat zwangerschap en bevalling normale natuurlijke gebeurtenissen zijn; alleen als het echt nodig is, vraag je hiervoor specialistische hulp.

De wat zweverige belofte op de startpagina dat men garant staat voor “[p]ersoonlijke zorg vanuit een holistische visie” verdrinkt eigenlijk in de praktische informatie die de website biedt. Ook de pagina met de cursussen leek mij vandaag, 14/07/2017, zo op het eerste zicht zweverig maar onschuldig (genre pre- en postnatale yoga). Niet echt een vuiltje aan de lucht.

De pagina met links, daarentegen, lijkt een ander verhaal te vertellen: Het Geboortehuis herbergt een groepspraktijk voor osteopathie en klassieke homeopathie, het therapeutenhuis. Men vindt het daar blijkbaar ook een goed idee om te verwijzen naar natuurbalans.be voor zwangerschaps- en fertiliteitsreflexologie (“integrale voetreflexologie voor subfertiele koppels”). Beide zijn vormen van voetreflexologie, het spelen met voeten van de klant waarvoor-ie dan ook nog eens moet betalen. Qi, de imaginaire levensenergie die eerder door heel wat esoterisch en alternatief-medische theorieën stroomt dan door het menselijke lichaam, wordt beschouwd als een valabel principe. Het hoeft niet te verbazen er naar Weleda gelinkt wordt, een bedrijf dat zogenaamde natuurproducten maakt vanuit een antroposofische wereldbeschouwing.

Waar het écht over de schreef begint te gaan, althans in mijn lekenopinie, is de verwijzing naar de vzw Preventie Vaccinatieschade, een organisatie die in het artikel Vaccineren tegen onverantwoordelijke dwazen? van dr. Betz en dr. Bonneux ongenadig doorgelicht worden. Volgens het Geboortehuis geeft de vzw echter “vrijblijvende info over nuttige en overbodige vaccinaties bij je baby (voor- en nadelen van vaccinaties, op welke leeftijd, enz …”. Klinkt evenwichtig, tot men bijvoorbeeld op de website van de vzw bespreking van de infame film Vaxxed en de controverse daarrond leest.

Ooit schreef The Atlantic dat het universum ruikt naar metaal, buskruit, frambozen, aangebrande biefstuk en rum. Hoewel ik er niet zo goed thuis in ben, lijkt de overheersende geur in dit deel van het parallelle universum, waar mensen alternatieve geneeskunde onderwijzen, die te zijn van stierenstront.

Fake linguistics. Pseudotaalwetenschap van Plato tot Lacan

Wonder 201702Dit artikel verscheen eerder in Wonder en is gheen Wonder (Zomernummer 2017), het ledenblad van SKEPP.

* * *

Uitbundig is de relatie tussen taalkunde en skepticisme niet. In het Engelse taalgebied zijn voor zover ik weet enkel de Australisch-Amerikaanse Karen Stollznow en de even skeptische Brit Mark Newbrook actief. In de Lage Landen pleegt SKEPP’er Herman Boel regelmatig kritische stukjes over taalgerelateerde onderwerpen (zie onder meer “Pseudotaalwetenschap in actie” op taalfluisteraar.be). Al bij al verschijnen er weinig kritische beschouwingen over (pseudo)taalkundige onderwerpen in de skeptische literatuur.

Toegegeven, het is zelden dringend: een pseudolinguïstische gedachte botst met geen enkele fundamentele natuurwet en niemand wordt onwel van een vermeend infix meer of een gepostuleerde laryngaal minder. Verder zijn er zijn tal van esoterische taaltovenaars, maar zelden lichten ze iemand op. Wie ligt er wakker van een al te warrig en volslagen zinloos “bioklankwetmatig” (schrijf)systeem dat “gebaseerd is op de 12 zuivere klanken en 12 tonen”, behalve dan de Nederlandse bedenker en taalmorosoof Bob Zwamborn zelf? Een doffe taalchakra, een aandoening die volgens de vakliteratuur vooral de spiritueel-energetisch geïnclineerden lijkt te treffen, die poetst u zelf op met een zacht doekje en een toefje spuug, toch?

Met fake lingustics valt door de bank genomen weinig geld te verdienen, misschien met uitzondering van het zogenaamde Neurolinguïstisch Programmeren (NLP) en grafologie. Dat laatste was ooit een populair middel om tijdens een sollicitatieronde geschikte kandidaten te selecteren op basis van hun handschrift. Gelukkig lijken beide kwakpraktijken op hun retour te zijn. Er wordt tegenwoordig wel reclame gemaakt voor dure taalcursussen in combinatie met hypnosesessies die na een minimaal aantal uren miraculeuze resultaten beloven. Maar daarbij kan ik enkel een vraagteken plaatsen wegens onvoldoende onderlegd in het aspect hypnose.

In dit artikel wil ik één taalkundig deelgebied onder de loep nemen, meer bepaald de omgeving waar twee takken van de linguïstiek samenkomen: de historische en de vergelijkende taalkunde. En zoals vaak het geval is bij studiegebieden die heel wat expertise veronderstellen, worden ook deze in niet-academische context overspoeld door tal van zelfverklaarde taalvorsers voor wie een gebrek aan kennis, gespecialiseerde én elementaire, niet bepaald een hindernis lijkt te zijn. Eerder dan een opsomming van verschillende karakters en hun taalhistorische en -vergelijkende pseudotheorieën, wil ik doorheen de voorgeschiedenis van de taalkunde zigzaggen en op zoek gaan naar historische, pre-wetenschappelijke aanknopingspunten voor verschillende moderne pseudotaalkundige theorieën.

Grieks-Romeinse stijl

Patèr, pitaram, pater. Waarschijnlijk herkent u eerder de drie woorden dan de drie talen waarin ze inderdaad ‘vader’ betekenen. Geen idee of de reeks esti, asti, est u iets zegt, maar als ik er het Duitse ist aan toevoeg, dan zal het u niet verbazen dat het hier in de drie, vier gevallen gaat over een woord dat ‘is’ betekent en dat ze inderdaad allemaal verwant zijn aan het Nederlandse woord is, cognaten in het jargon.

Hoe vanzelfsprekend de overeenkomsten tussen deze twee voorbeeldreeksen ons nu ook lijken, er zijn zo goed als geen getuigenissen opgetekend van Oude Grieken die zich na decennialange en nauwe contacten verbaasden over gelijkenissen tussen woorden uit de eigen taal (patèr, esti) en het Oudperzisch (pitaram, asti) of, in een latere periode, tussen het Grieks en het Latijn (pater, est). En dat is vrij eigenaardig aangezien de klassieke Hellenen wél een goed oor hadden voor verschillen en gelijkenissen tussen de eigen dialecten en aangezien ze meer dan behoorlijk werk hebben verricht op het gebied van de grammaticale beschrijving van de eigen taal. Anderzijds, het Griekse woord voor sprekers van andere talen was barbaroi, letterlijk bla-bla’ers, onverstaanbare stamelaars, en dat getuigt niet bepaald van een open instelling of van een bereidheid om eventuele talige gelijkenissen verder uit te spitten.

De Romeinen verzetten eveneens ronduit indrukwekkend werk in verband met grammatica, taalbeschrijving en taalbeschouwing. Hun taalkundige ideeën over de gelijkenissen tussen het Latijn en het Grieks zijn wel overgeleverd, maar ook hier getuigen de bevindingen van een totaal gebrek aan historisch-taalkundig besef. Uiteraard hoeft dat niet te verbazen: de taalkunde stond toen zelfs nog niet in haar kinderschoenen.

Marcus Terentius Varro (116 – 27 v.Chr.), één van de bekendste en interessantste schrijvers over taal, dacht dat het Latijn een Grieks dialect was. Zijn redenering was eenvoudig: er zijn heel wat woorden in de twee talen die op elkaar lijken dus elk Latijns woord dat op een Grieks woord lijkt, moet wel een Grieks leenwoord zijn. Ergo, Latijn is een Grieks dialect. Eenzelfde gedachtegang ten aanzien van het Grieks en het Frygisch vinden we terug in Plato’s Kratulos. Varro was er zich uiteraard niet van bewust dat het Grieks en het Latijn erfwoorden delen en dat het Latijn tal van woorden aan het Grieks ontleende.

Laat het mij vertalen naar het Nederlands en het Engels: computer is overduidelijk een leenwoord uit het Engels, net zoals peer review en cash. Deze woorden worden vrij courant gebruikt door sprekers van het Nederlands. Maar als we nu élk woord dat het Nederlands gemeen heeft met het Engels als een leenwoord gaan beschouwen, dus ook water, moeder, denken, etc., dan zouden we, Varro’s redenering indachtig, op basis van de woordenschat kunnen concluderen dat het Nederlands een Engels dialect is. Quod non. De door Varro voorgestelde taalkundige relatie tussen Grieks en Latijn was geen toevalstreffer: de Griekse cultuur werd in die periode als superieur aan de Romeinse beschouwd. En dat is een tweede aspect om te onthouden: van een superieur geachte cultuur wordt vaak ook de taal als superieur beschouwd. Het idee van superioriteit stond onderzoek in de weg.

De verleiding van de vergelijking

Het lijkt ook nu nog voor vele moderne taalkundige leken een aantrekkelijke gedachte om het eigen bescheiden karretje te kunnen vasthaken aan een grootsere kar. Die eer wordt bijvoorbeeld vrij vaak gereserveerd voor het Sumerisch, een wat mysterieuze, uitgestorven taal, geschreven in spijkerschrift en gesproken door een oude en cultureel hoogstaande beschaving. Hoewel het volgens de meeste experts ter zake een geïsoleerde taal is, dus een taal zonder gekende verwanten, brengen zelfverklaarde vorsers het Sumerisch maar al te graag in verband met andere talen, meestal wars van enig historisch besef en wars van die andere storende zandkorrels in de menselijke hersenmechaniekjes die alternatieve theorieën genereren, namelijk feiten. Eenzelfde lot zijn heel wat andere talen beschoren, maar het Baskisch, Japans en Hebreeuws duiken het vaakst op in deze context.

Pseudotaalkundigen die verbanden zoeken tussen hun geliefkoosde taal en een andere, gaan vaak op een gelijkaardige manier te werk: enthousiast leggen ze ellenlange, tweetalige lijsten aan, tsjokvol woorden die op elkaar lijken. Op zich is dat geen slecht uitgangspunt. Bekijk gewoon even deze twee Duitse, Engelse en Nederlandse woorden, Mann, man, man en haben, have, hebben, en probeer dan niet te denken aan een onderlinge verwantschap.

Een snel gegoogeld maar al te typisch voorbeeld van zo’n tweetalige lijst vinden we op de webpagina’s van ene Angus J. Huck. Volgens hem wijzen de woordparen ada / aita (vader), ge / gau (nacht) op een speciale verwantschap tussen het Sumerisch en het Baskisch. Dat hij al vrij creatief moest zijn bij het opstellen van de lijst met woordparen, lijkt hem niet te deren: voor hem zijn zelfs garash (Sumerisch, stro) en garo (Baskisch, varen), gari (Baskisch, koren), mogelijk verwante woorden. Een tweede en derde probleem dat liefhebbers van zulke lijsten niet lijken te raken, zijn de gebrekkige historische component en het feit dat woorden uit twee talen die duizenden kilometers én jaren uit elkaar liggen niet zomaar, zonder enige context naast elkaar kunnen gepleurd worden.

Daarbij komt nog eens het eenvoudige feit dat de kans om twee gelijkvormige woorden te vinden in twee willekeurige talen vele malen hoger is dan algemeen gedacht, als men maar lang genoeg zoekt en als men de voorwaarden voor opname flexibel genoeg maakt of simpelweg achterwege laat. Linguïst Don Ringe heeft hierover aardige dingen geschreven, onder andere On Calculating the Factor of Chance in Language Comparison (1992). En die toevalstreffers zijn soms ronduit indrukwekkend: zo heeft het Engelse bad (slecht) niets te maken met het Perzische bad (slecht). Het Latijnse deus lijkt op het Griekse theos, het Duitse haben op het Latijnse habere, maar opnieuw, deze twee woordparen zijn geen cognaten, zijn dus etymologisch niet verwant.

Het probleem is dat vele pseudotheorieën staan en vallen met dit soort lijsten. Of beter, de theorieën staan en blijven overeind in de hoofden van hun bedenkers. Pseudotaalkundige theorieën van de pedestal laten vallen waarop de bedenker ze met veel zorg geplaatst heeft, lukt zelden of nooit. Nog minstens twee redenen waarom tweetalige lijsten als die van Angus J. Huck weinig tot geen waarde hebben en zelden of nooit productief zijn, bespreek ik op het einde van dit artikel.

Lettersoep

Er zijn zelfs politiek en religieus gemotiveerde taalvorsers die van de eigen taal de locomotief maken die de hele taalgeschiedenis voorttrekt, zoals de Canadees-Joodse Isaac Mozeson en zijn Turkse tegenhanger Polat Kaya. De eerste verbaast er zich na dertig jaar nog steeds over dat taalkundigen zijn theorie omtrent het primaat van het Oudhebreeuws niet aanvaarden. Nochtans meent hij over voldoende bewijzen te beschikken dat Oudhebreeuws dé proto-wereldtaal bij uitstek is, de eerste menselijke taal dus. In zijn theorie werd wereldwijd Hebreeuws gesproken vóór de werken aan de toren van Babel. De andere is dan weer een Pan-Turkist die voor elk woord, uit welke taal dan ook, een Turkse oorsprong verzint. Beiden gebruiken in eerste instantie de hierboven geschetste werkwijze van meertalige woordenlijstjes.

Taalkunde volgens Isaac Mozeson, een voorbeeld.

Het spreekt vanzelf dat ze in tweede instantie een gigantisch aantal adhoc-procedés moeten verzinnen om toch nog bij hun doel uit te komen. Polat Kaya erkent dat enigszins maar vat de verzameling methodologisch onverantwoorde verzinselen samen met de gewichtig klinkende term “anagrammatisatie” (anagrammatizing). Kort gezegd: eender welke letter van een woord kan vervangen worden door eender welke andere letter, als het maar goed uitkomt, en ‘goed’ betekent hier Turks. En nee, onze brave would-be-linguïst kan inderdaad nog geen letter van een klank onderscheiden.

Een voorbeeld: het Engelse woord encrypt komt van het Griekse kryptein, maar de Engelsen hebben dat Griekse woord bewust gevormd via “anagrammatisatie”: de ‘ein’ van krypt + ein werd naar voren geplaatst, dus en + crypt. De volgende stap in de redering zal u dan ook niet verbazen: het Griekse kryptein is dan weer een bewuste anagram van de Turkse frase kirip etin (breken, plus een hele uitleg die ik u bespaar)[1]. Net zoals spelen met de lettertjes in de tomatensoep en naar eigen goeddunken en smaak extra lettertjes bijstrooien of “gecorrumpeerde letters” uit het bord scheppen, lijkt ook Kaya’s methodologie mij geen degelijke basis voor een productief historisch-taalkundig onderzoek.

Komt daarbij dat Polat Kaya zijn tekort aan taalkundige basiskennis combineert met een teveel aan complottheorieën: volgens hem proberen geheime genootschappen, gemotiveerd door een allesverterende afkeer van de Turkse taalkundige en culturele superioriteit al zo’n 4000 à 5000 jaar lang te verheimelijken dat het Turks de moeder aller talen en culturen is. Figuren als Mozeson, Kaya en vele andere zelfverklaarde onderzoekers van het zoveelste knoopsgat misbruiken het koppel historische en vergelijkende taalkunde om het voor hun politieke of religieuze wagen te spannen en te mishandelen.

Polat Kaya’s verzamelde waangedachten gaan au fond terug op een heel bijzondere taaltheorie die in de jaren 1930 door Mustafa Kemal Atatürk gepropageerd werd. De taalzuivering van het Ottomaanse Turks, ten koste van talloze, vooral Arabische en Perzische leenwoorden, en de invoering van het Latijns schrift ter vervanging van het Arabische gingen hem niet ver genoeg. Enter Güneş Dil Teorisi, de Zonnetaaltheorie. Omdat het te moeilijk bleek om élk woord in het Turkse lexicon te zuiveren, liet men bij decreet vastleggen dat de oorsprong van elk woord Turks was. Om de daaropvolgende hetze te ontzenuwen, bepaalde men vervolgens dat een oude vorm van het Turks (lees: Turks) de eerst gesproken taal ter wereld was en dat alle andere talen uit dat Turks zijn voortgekomen, inclusief de talen van de grote beschavingen, zoals het Sumerisch, Egyptisch en Grieks. Zo’n 70 à 80 jaar nadat zelfs Atatürk de theorie heeft verlaten, zijn er dus nog steeds overtuigde Pan-Turkisten zoals Kaya die hun vrije tijd besteden aan het bewijzen van deze merkwaardige pseudotaalkundige theorie.

Etymologie à la Plato

Maar terug naar ons historisch overzicht, terug naar de Klassieken. Bij het schrijven over de (prille) geesteswetenschappen in de Griekse wereld is het zo goed als onmogelijk om geen lokale filosoof te vermelden. Plato dus en zijn Kratulos is één lange beschouwing over taal waarbij de conversanten zich afvragen of woorden en benamingen uit de natuur der dingen voorkomen of louter het gevolg zijn van afspraken, ergo arbitrair. Food for thought waar eeuwen later ook de Middeleeuwers nog stevig op kauwden. Dat is goed om weten als u van plan bent om Umberto Eco’s De naam van de Roos te herlezen, maar ik wil hier evenwel ingaan op hoe Plato etymologische verklaringen van woorden geeft die voor ons modernen heel bijzonder lijken.

Terwijl we in modernere tijden onder etymologie de verklaring voor de vorm van een woord doorheen de geschiedenis verstaan, lag dat voor Plato en de zijnen net iets anders. Zij wilden vooral de ware betekenis van het woord achterhalen, niet zozeer de historische. Is lucht aer, vraagt Sokrates zich af, “[o]mdat lucht de dingen opheft (airei) van de aarde of omdat lucht altijd stroomt (aer rei)?”[2] Een woord zoals fronesis, ‘nadenken’, wordt dan weer uitgelegd met behulp van frasen die er enerzijds een klein beetje op lijken en die anderzijds Sokrates’ denkbeelden willen verduidelijken: denken over stroming en beweging (foras rou noèsis) en nut van beweging (foras onèsis). Zelfs als uw kennis van het Grieks helemaal verschrompeld of onbestaande is, dan nog mag het geheel duidelijk zijn dat deze etymologieën een totaal andere functie hadden dan de onze nu. Het is evenwel minder duidelijk in hoeverre het personage Sokrates hier danig met de voeten van zijn gesprekspartner aan het rammelen was, of Plato met die van zijn lezers. Daarover heerst nog steeds heel wat academische onenigheid.

Ook na Plato werd deze manier van associatief etymologiseren gebezigd. Het meest markante voorbeeld vinden we – en we spoelen de band wel heel snel door – in de geschriften van Jean-Pierre Brisset, “de man die [op 13 april 1913] is uitgeroepen tot Prins der Denkers omdat hij op taalkundige gronden heeft bewezen dat de mens van de kikker afstamt”[3]. Matthijs van Boxsel, van wie ik het vorige citaat leende, schetst in zijn boek Morosofie op een meelevende manier het aandoenlijke verhaal van deze even doldwaze als dieptragische taalvorser die op handen werd gedragen en werd gebruikt door surrealisten zoals André Breton en Raymond Queneau. Brissets bekendste werken zijn La grammaire logique (1878) en La science de Dieu (1900)[4].

Van de kikker dus. Brissets werkwijze kan ik in de context van dit artikel enkel zeer onnauwkeurig omschrijven als een wilde rollercoaster aan associaties op basis van woordklanken, etymologie à la Plato, maar dan met extra paddo’s. Elders vond ik in dit verband de frase “délire logique”. Hoe dan ook, Brisset wilde aantonen dat de Franse taal genoeg aanknopingspunten heeft om aan te tonen dat mensen van oorsprong waterwezens zijn, verwant of zelfs afstammend van kikvorsen. Een zeer kort voorbeeld (in het Frans, wegens onvertaalbaar): Brisset vraagt zich in La science de Dieu af waar onze voorouders huisden.

Voyons où ces ancêtres étaient logés”: l’eau j’ai = j’ai l’eau ou je suis dan l’eau. L’haut j’ai = je suis haut, au-dessus de l’eau, car les ancêtres construisirent les premières loges sur les eaux.

Daarop gaat hij nog tientallen regels verder met gelijkaardige associaties, onder meer l’os j’ai, le au jet, l’eau jet, loge ai, l’eau-jeu, lot j’ai, l’auge ai. Het mag u niet verbazen dat het boek, 250 pagina’s dik, een zekere inspanning van de lezer vraagt.

Psychoanalytische taalkunde

Veel minder extreem, maar taalkundig evenmin geheel verantwoord, zijn de etymologieën die vaak opduiken in de Lacaniaans geïnspireerde écriture. Vaak wordt hier een vrijwel geheel of gedeeltelijk correcte etymologie gebruikt als basis, een eerste couche als het ware, waarop men dan extra kleurrijke betekenislagen aanbrengt. In se gaat het niet zozeer over etymologieën, maar eerder over associaties die al snel het taalkundige zeer ver achter zich laten. Twee representatieve voorbeelden: het woord infancy, aldus ene Miquel Bassols[5], komt van infant “(in-fari), iemand die niet in staat is om te spreken” (en taalkundig klopt dat min of meer), maar ook iemand “die niet in staat is om te articuleren, om te spreken in het publiek”. Euh, nee. Dat verzint u erbij, meneer de psychoanalist. Iemand die “niet in staat om zichzelf in het openbaar te representeren als een subject van een discours. Kind-zijn wordt dus eerst vastgelegd als een plaats voorafgaand aan en buiten enige discours” (mijn vertaling, mijn verbazing). Dit heeft niets meer te maken met taalkunde. Dit is een potje loos associëren. Het is holle dikdoenerij op de kap van legitiem etymologisch werk.

In andere gevallen probeert men, net zoals Plato en Brisset, de wijze en de dwaas, klankassociaties te laten doorgaan voor etymologieën die als betekenisvol kunnen worden ervaren. Dany Nobus poogt in het boek Key Concepts of Lacanian Psychoanalysis (1998) iets extra zinnigs te zeggen over de scheiding moeder-kind, separation, aangezien het een Engelse tekst is. De auteur slaagt er enkel in om via een foute etymologie en vermeende betekenisvolle referenties naar gelijkklinkende woorden (se parere en se parer) tot een taalgebonden spitsvondigheidje te komen waarbij hij “other” linkt aan “(m)other”[6]. Iemand zou onze Lacanianen moeten vertellen dat ook etymologie niet hun sterkste kant lijkt te zijn.

De ijsberg en zijn topje

Het kan beargumenteerd worden dat ruim een millennium na Varro, met de studie van de Romaanse talen (o.a. Frans, Spaans, Italiaans) en hun verhouding tot het Latijn, de vergelijkende taalkunde uit de startblokken slofte. Niet alleen de talloze overeenkomsten qua woordenschat begonnen op te vallen, maar vooral ook de gelijkaardige grammaticale en morfologische kenmerken (bijvoorbeeld de uitgangen van de werkwoordvervoegingen). De combinatie van beide leek alle onderzoekers de conclusie op te leggen dat de Romaanse talen onderling verwant zijn en dat ze teruggaan op één moedertaal. En uiteraard kenden ze die taal – het Latijn – maar al te goed, zelfs al was het vooral in de literaire en niet in de Roomse en provinciale gesproken vormen.

Komt daarbij dat ook de geschiedenis van het Romeinse Rijk in voldoende mate bekend was. Al bij al had men een mooi kader dat men begon toe te passen op andere taalgroepen, zoals de Germaanse talen (Duits, Engels, Nederlands, e.a.) en de Slavische, waarvan de gemeenschappelijke moedertalen niet gekend waren. Taalverwantschap was een idee dat al heel lang circuleerde. In 1770 deed de Hongaarse Jezuïet János Sajnovics een eerste, vrij zinnige poging om het Laps en het Hongaars met elkaar te verbinden, niet alleen op basis van de woordenschat, maar ook via de grammatica: Demonstratio idioma Ungarorum et Lapporum idem esse (Bewijs dat de taal der Hongaren en die der Lappen hetzelfde zijn).

De Angelsaksische traditie laat de historische taalkunde vaak beginnen met een observatie gemaakt door William Jones, een Britse rechter in India. We schrijven ondertussen al 1786, ruim 16 jaar na Sajnovics’ werk. Jones schreef dat Sanskriet verwant leek te zijn met het Latijn en het klassieke Grieks, en waarschijnlijk ook met het Gotisch en het Perzisch. Hij opperde de idee dat al deze talen hun oorsprong zouden vinden in een nog oudere en mogelijk verdwenen taal. Dat laatste inzicht heeft hem natuurlijk zeer terecht beroemd gemaakt. Minder nieuw, maar belangrijk genoeg om het nog eens te onderstrepen: hij stond historisch en comparatief taalonderzoek voor op basis van woordenschat én grammaticale kenmerken, een factor die ontbreekt in tal van tweetalige woordenlijstjes van onze dappere, maar misleidende pseudotaalkundige vorsers.

Westerlingen hadden in de 18de en 19de eeuw niet enkel kennis gemaakt met het Sanskriet, maar ook met de rijke en gedetailleerde Indische taalkundige traditie, waarvan de meerwaarde vooral lag in twee aspecten die onderbestudeerd werden in de toenmalige Westerse traditie: de fonetiek en de fonologie. Letters werden klanken en die klanken leken zich plots te gedragen volgens bepaalde regels. Klankwetten, zoals de Duitse neogrammatici ze optimistisch begonnen te noemen, jaren na het voorbereidende werk van Franz Bopp, Friedrich Schegel en Jacob Grimm. Ondertussen was het geestelijke klimaat onder de eerste historisch-taalkundigen veranderd: de ideeën van de Romantiek, die de drang naar kennis omtrent de historische fasen van de eigen talen aanzwengelde, moest plaats maken voor “een interesse in het proces van de taalverandering, een gedachte die het sterkst tot uiting kwam in de evolutionaire ideeën van een jonge Charles Darwin”.[7]

Klankwet of niet, in de tweede helft van de negentiende eeuw ging men op zoek naar systematische verschillen en bij schijnbare uitzonderingen stak men een tandje bij om die afwijking toch te kunnen verklaren. En ook daar ontbreekt het de meeste pseudotaalkundigen en opstellers van tweetalige lijstjes aan. Taalkundigen wisten plots te vertellen waarom het Duitse haben en het Latijnse habere níet verwant zijn, ondanks de oppervlakkige overeenkomsten. De Latijnse k-klank correspondeert met de Nederlandse h-klank, tenminste in beginpositie. Hebben (en het Duitse haben) en het Latijnse capere, maar ook hart en cor, die woorden zijn wel verwant.

Door het intensief bestuderen van regelmatige klankwisselingen tussen woorden van talen uit vergelijkbare perioden en door de steeds snellere verspreiding van de bevindingen – en dus de mogelijkheid tot correcties en aanvullingen – boekte de historische en vergelijkende taalkunde op een korte tijd een enorme vooruitgang. Uiteraard speelde ook de steeds grotere kwaliteit van de tekstuitgaven daarin een cruciale rol. Intensieve, internationale samenwerking is overigens nog een aspect dat taalmorosofen uit het oog lijken te verliezen. Vanaf het midden van de 19de eeuw was het zelfvertrouwen groot genoeg om William Jones’ “nog oudere en mogelijk verdwenen taal” te reconstrueren: het Proto-Indo-Europees.

Leestips

Praten over woordherkomst, taalgeschiedenis en taalverwantschap is meer dan praten over de gelijkenis tussen twee woordenreeksen, ook als die lijst enkele riemen papier beslaat, of in het moderne parlando, ettelijke megabytes. Het is meer dan een snelle zoektocht in een etymologisch woordenboek, hoe degelijk deze instrumenten ook mogen zijn wanneer men ze gebruikt in een taalkundige context. Etymologie is echter slechts het topje van de historisch-taalkundige ijsberg.

Het ontbreekt niet aan oerdegelijke inleidingen tot de historische en of vergelijkende taalkunde, bijvoorbeeld Oswald J.L. Szemerényi’s Introduction to Indo-European Linguistics (Oxford University Press, 1996). In het Nederlands zijn er de klassieke (maar op bepaalde punten controversiële) inleiding van R.S.P. Beekes, Vergelijkende taalwetenschap. Tussen Sanskrit en Nederlands (Het Spectrum, 1990) en Cor Van Bree’s Historische Taalkunde (Acco, 1996). Uiteraard bestrijken zij niet de meest recente technieken, zoals het doorgedreven gebruik van statistieken en van bepaalde inzichten en technologieën uit de computationele taalkunde. Minder academisch maar des te leesbaarder is de net verschenen Atlas van de Nederlandse taal (Lannoo, 2017), met daarin enkele zéér verhelderende hoofdstukken over historische en vergelijkende taalkunde. Uiteraard ligt de focus in dat werk op onze moerstaal.

Mark Newbrook, tot slot, schreef jarenlang stukjes over pseudotaalkunde voor het Australische magazine The Skeptic. Het hele archief van dit uitstekende blad is beschikbaar via http://www.skeptics.com.au/. De stukken van Newbrook vindt
u vanaf 2004 (Vol. 24/4). Hij verzamelde zijn enorm uitgebreide kennis in het boek Strange Linguistics. A skeptical linguist looks at non-mainstream ideas about language (Lincom, 2013).

* * *

[1] De Turkse correspondenten die ik gevraagd had om Kaya’s “Turkse frasen” te becommentariëren, de sluitstukken van zijn theorie, grapten dat de meerderheid zelf anagrammen leken te zijn van Turkse woorden of uitdrukkingen. Kaya’s online bibliotheek vindt u op http://polatkaya.net/.

[2] Plato, Kratulos, 410 B, C. De vertaling is van Mario Molegraaf. Plato, Verzameld Werk III. Amsterdam, Querido 2012.

[3] Matthijs van Boxsel, Morosofie. De encyclopedie van de domheid. Dwaze wijzen en wijze dwazen in Nederland en Vlaanderen. Amsterdam, Querido 2002. Uiteraard kan ik hier Rudy Kousbroeks De logologische ruimte. Opstellen over taal (1984) niet onvermeld laten, waarin hij op geheel onnavolgbare wijze Brisset eer aandoet.

[4] De twee bekendste werken van Jean-Pierre Brisset zijn La grammaire logique (1878) en La science de Dieu (1900) en kunnen gedownload worden via de uitstekende Franse archiefwebsite http://gallica.bnf.fr/. Beide boeken zijn nog steeds verkrijgbaar in papieren versie!

[5] Miquel Bassols, “Childhood Under Control” (2012). http://www.amp-nls.org/page/gb/109/lacanquotidien-in-english/0/9. Geraadpleegd op 21 mei 2017.

[6] Dany Nobus, Key Concepts of Lacanian Psychoanalysis (2017), p. 181.

[7] Winfred P. Lehmann, Theoretical Bases of IndoEuropean Linguistics (1996), p. 5.

Thomas More Hogeschool en homeopathie

Vrijdag 7 juli 2017, een uur of 10 ’s morgens. Wetenschapsfilosoof en SKEPP’er Maarten Boudry vraagt via Twitter of de Katholieke Universiteit Leuven het normaal vindt dat hun partner, de Thomas More Hogeschool, permanente vorming en nascholingen homeopathie aanbiedt.

Onderstaande screenshots van de website http://www.thomasmore.be werden op diezelfde dag genomen en geven een idee van de inhouden.

Thomas More 1

Thomas More 2

Bij de lesgevers vinden we Anne Vervarcke terug, oprichtster van het Centrum voor Klassieke Homeopathie te Leuven. Van haar hand verscheen o.a. het boek 250 jaar na Hahnemann (Academia Press, 2005). In dit boekje schetst zij niet alleen de evolutie van het gebruik van geschud water sinds Hahnemann, maar zet ze zich ook nog eens af tegen de medische wetenschap, het newtoniaans wereldbeeld en het “troosteloze” neodarwinisme, dat volgens haar enkel kan leiden ofwel tot volledige losbandigheid ofwel tot zelfmoord (p. 9). In de kwantummechanica, oh verrassing, meent ze dan weer wel genoeg aanwijzingen te vinden die de beginselen van de homeopathie zouden ondersteunen.

Ook Dieter Decleene van het populariserende wetenschapstijdschrift EOS mengt zich in het Twitter-debat. Hij geeft de tip mee om zeker ook de website Klassieke homeopathie van Goedele De Nolf te bezoeken, een andere lesgeefster. Zij raadt o.a. homeopathische PC-middelen (Pill Source Resonances, PC Remedies) aan tegen o.a. aids, alcoholisme, kanker, lepra, lupus, sydroom van Down en “old age”, ouderdom. De volledige lijst vindt u hier terug.

De Nolf, zo leert ons dan weer de website van het CKH, is een  Bio-ingenieur in de Landbouw en Milieu-Economie en als Geaggregeerde voor het Onderwijs in de Toegepaste Biologische Wetenschappen aan de KULeuven. Vanaf 2001 volgde ze de opleiding Klassieke Homeopathie aan het CKH. Sinds november 2004 werkt ze in een groepspraktijk. In juni 2013 nam ze het roer van het CKH over. Ze startte in 2014 de opleiding vroedkunde aan de KHLeuven met de bedoeling het klassiek medisch kader en haar holistische visie te verzoenen en te integreren in haar werk.

Hilde Vanthuyne (1969) studeerde pedagogische en psychologische wetenschappen aan de KU Leuven en culturele agogiek aan de VUB. Ze volgde eveneens een lessenreeks Klassieke Homeopathie aan het Centrum voor Klassieke Homeopathie (CKH) en aan de School Voor Homeopathie. Ze werkte ze als woordvoerster van de Liga Homeopathica Classica en als Kamerlid binnen het ministerie voor volksgezondheid intensief mee aan de wetgeving op de homeopathie (Wet Colla). Ondertussen is ze al 11 jaar verbonden aan de Thomas More Hogeschool Campus Lier, waar ondertussen al ettelijke jaren (bij- en na-)scholingen homeopathie voor zorgverstrekkers worden gegeven.

Terug naar Twitter. Steeds meer mensen mengen zich en even verschuift de discussie naar de mutualiteiten. De Associatie KU Leuven, naar eigen zeggen “een netwerk van kwaliteitsvolle hogeronderwijsinstellingen verspreid over Vlaanderen en Brussel” en dus de koepel waartoe Thomas More behoort, mengt zich niet.

* * *

Vrijdag 7 juli 2017, een uur of vijf ’s avonds. MarCom Director @ Thomas More University College, Martine Taeymans, reageert verbouwereerd via Twitter en zorgt er meteen voor dat de webpagina met de aankondigingen off line worden gehaald. Waarvoor dank, veel dank.

Het weghalen van een pagina is natuurlijk niet hetzelfde als het weggommen van een “fabel” als homeopathie uit een opleiding enerzijds en het aanbieden van “evidence based onderwijs”, waarvan STEM-passionata Martine Taeymans een fervente voorstander lijkt te zijn, anderzijds. Maar haar snelle en kordate ingrijpen doet het beste vermoeden.

Wordt hopelijk niet vervolgd.

* * *

Geen vervolg, wel een update en eentje die doet vermoeden dat de twitteractie van Maarten Boudry een wel zeer positief gevolg zal hebben:

Algemeen directeur van Thomas More Machteld Verbruggen is duidelijk en formeel, waarvoor trouwens eveneens dank, heel veel dank: