Peak Doom Voorbij

Dit oudere artikel heb ik oorspronkelijk gepost op mijn vorige blog Book Liberation Movement. Het verscheen in licht gewijzigde vorm op BackCover.be. Het boek van Phillips is wat mij betreft nog steeds een must-read voor iemand die groen en links ter harte neemt.

* * *

“De klimaatsverandering is een te grote en te serieuze uitdaging om over te laten aan de groene politieke partijen.” Het is niet de eerste keer dat een dergelijke slagzin in een publicatie over ecologie en milieu opduikt. De filosoof Roger Scruton gebruikte een variant in zijn boek Groene filosofie (2012) en breide er een uitgesproken conservatief  tegenverhaal aan vast.

Voor Leigh Phillips, journalist voor onder meer Nature en The Guardian, is de boutade een startschot om het traditionele groene gedachtegoed te tackelen, maar dan vanaf de linkerzijde.

Peak Oil, Peak Phosphate, Peak Water. Volgens de paniekerige supportersschare van de Club van Rome hebben we deze keer echt wel de grenzen aan de groei bereikt, en dat ondertussen al zo’n 35 jaar lang. Ondanks Thomas Robert Malthus en Paul Ehrlich zijn er te veel mensen op deze planeet en we groeien, produceren en consumeren onszelf en het milieu kapot. We gaan er allemaal aan en technologie noch wetenschap kunnen ons redden. Integendeel, volgens heel wat mensen zijn zij net de hoofdverantwoordelijken voor de aanstormende ecologische apocalyps. Grootschaligheid is schadelijk, economische groei nefast. We moeten het kapitalisme en zijn nog gemenere neefje, het neoliberalisme, achter ons laten en teruggaan naar de knusse natuur, leven in kleine gemeenschappen die zichzelf kunnen voorzien in de geneugten van een eenvoudig, natuurlijk leven.

Phillips, zelf een rode rakker, maar dan van de traditioneel socialistische stempel, is ook
getroebleerd door de uitwassen van het kapitalisme en het neoliberalisme en dus door de afbraak van de staat en de publieke sector. Verder beseft hij ten volle dat de situatie op deze aardkloot precair aan het worden is. Zijn boek is een onverholen oproep om iets doen aan de ecologische puinhoop en de globale klimaatsverandering, en snel een beetje. Maar op berichten van hel en verdoemenis, van inkrimping en degrowth, van antiwetenschap en antitechnologie heeft hij het evenmin begrepen.

Leigh Phillips richt zijn pijlen op twee, drie schijnbare uitersten van eenzelfde
tegenbeweging, verschillende polen die elkaar aanvullen en aanzwengelen eerder dan
tegenspreken: de liefhebbers van wat hij donkergroene apocalypsporno noemt, militante voorstanders (en uitvoerders) van ecoterreur en de meestal iets minder proto-genocidaal geïnspireerde degrowth-menigte. Die laatste groep is het ruimst vertegenwoordigd, maar hun gedachtegoed wordt evenzeer gevoed door deep ecology denkers en de Deep Green Resistance-beweging, genre Derrick Jensen, en donkergroene anarchisten als een John Zerzan, elk met hun weinig menslievend wereldbeeld. Een van de meest populaire vertegenwoordigers van de degrowth-massa
is de ogenschijnlijk gematigdere Naomi Klein, die in Phillips’ boek dan ook een hoofdrol krijgt.

Om een ruw idee te geven van wat hier bedoeld wordt met antitechnologische en
antiwetenschappelijke denkbeelden: voor Derrick Jensen is het enige technologisch
aanvaardbare niveau dat van het stenen tijdperk, voor John Zerzan is de neolithische
landbouw de ground zero van het menselijke verval. Voor Zerzan was de ontwikkeling van het menselijk taalvermogen enkele tienduizenden jaren eerder al een veeg teken aan de grotwand dat het nooit zou goed komen met de Homo sapiens sapiens.

Naomi Klein daarentegen is dan weer iets gevarieerder, of rekbaarder zo u wil, wat het niveau betreft waarnaar degrowth ons moet brengen. Daalt u even mee af naar de krochten van de menselijke geschiedenis: in This Changes Everything (2014) wijst ze de jaren 1970 aan, de periode vóór de consumptiegekte van de jaren 1980. In hetzelfde boek wordt dat plots 1776, want vanaf dan hield de mensheid op met het volgen van “het natuurlijke ritme van het waterrad” ten voordele van steenkool. Eerder schreef ze dat de Wetenschappelijke Revolutie in de 17 eeuw onze erfzonde was, dat we moeten teruggaan naar het niveau van de middeleeuwen, of naar een mythisch Arcadia van voor de Judeo-Christelijke invloeden. Kort samengevat: de periode waarnaar we volgens Klein moeten degroeien, is het moment waarop het rabbit hole een emmer vol snot wordt, en een verwonderd meisje een gladde paling.

Maar volgens Phillips hebben de au fond anti-humanistische onheilsberichten van de Club van Malthus, Ehrlich, Rome, Jensen, Zerzan, Klein en ondertussen ook de Ploeg van ‘t Vaticaan geen plaats meer in de toekomst. Hij pleit ervoor om zowel de nuttige analyses en kritieken uit hun verhalen te halen, maar evenzeer moeten we beseffen dat het hoog tijd wordt om Peak Doom achter ons te laten. Phillips voert aan dat we dringend op een positieve, constructieve en democratische manier moeten leren om gaan met het tijdvak dat voor ons ligt, het antropoceen.

“De terugnaardenatuurdoctrine, overladen met waarden en emoties, religieus met een
neiging tot mystiek, zorgt af en toe voor mooie poëzie, maar wetenschap is het zeker
niet”, stelt Phillips. En volgens hem hebben we nu net meer wetenschap en technologie
nodig, en minder wollige feel good, om steeds meer mensen een bestaan te kunnen
verzekeren dat menswaardig is. Het gedachtegoed van de antitechnologische fractie
binnen de zogenaamde progressieve linksgroene beweging noemt hij een koekoeksei in het linkse nest.

Ook de doemgedachte van Malthus, de Britse pastor-econoom (er zijn te veel mensen
voor te weinig bronnen en middelen), veegt hij van de kaart en niet alleen met een
welgekozen citaatje van Friedrich Engels: “there still remains a third element which,
admittedly, never means anything to the economist [Malthus] – science – whose progress is as unlimited and at least as rapid as that of population”. Phillips vecht de idee aan dat er geen oneindige groei kan zijn op een eindige planeet. Decoupling (steeds minder grondstoffen per geproduceerde eenheid door technologisch ingrijpen) op zich kan leiden tot meer productie en meer vervuiling, althans in een kapitalistisch kader. In een democratisch geplande economie daarentegen, waarbij meer belang wordt gehecht aan de waarde die een product heeft voor de maatschappij, eerder dan voor de zelfvalorisatie van het kapitaal, is decoupling wél een waardevolle strategie.

Naomi Kleins degrowth-beweging verwijt hij gebrekkige ambities. Een socialist
daarentegen stopt volgens Phillips nooit met meer te eisen voor iedereen. Het mag dan
ook niet verbazen dat voor hem de idee van grenzen aan de groei een kenmerk is van een beperkende ideologie die zich uiteindelijk tegen mensen zal keren. Economische groei heeft het overgrote deel van de westerse bevolking uit het slop van een rits duistere tijdsvakken gehaald. En nu is niet de moment om te vergeten of te negeren dat er nog steeds miljarden mensen uitkijken naar een grotere materiële welstand. De-groei
is voor hen geen optie. Phillips maakt het ons bovendien heel duidelijk wie de eersten zijn die kunnen profiteren (of moet ik schrijven op adem komen) van een economische groei. Wasmachine, gasleidingen, stromend water en al die andere, schijnbaar triviale
huishoudtechnologieën hebben vrouwen in staat gesteld om de arbeidsmarkt te betreden en geld te verdienen, financieel onafhankelijk te worden. Wat dan weer geleid heeft tot kleinere gezinnen waar alle kinderen meer kansen krijgen, dus ook de meisjes.

De voorstellen van Phillips zijn van weinig waarde indien de staat niet sterker en
democratischer wordt. Voor hem hangt dit samen met een economisch systeem dat moet gezuiverd worden van de kapitalistische en neoliberale uitwassen, of zelfs maar
invloeden. De publieke sector is de drijvende kracht achter innovatie en implementatie van technologie, niet de kapitalistische roofbaronnen. Enkel een staat kan en wil grootse projecten opstarten die hele bevolkingsgroepen ten goede kunnen komen. En ook hier ziet hij de degrowth-beweging van Naomi Klein c.s. als een obstakel eerder dan als een bondgenoot. Hij verwijt hen zelfs gevangenen te zijn van het zogenaamde kapitalistisch-realisme, de idee dat er maar een werkelijk en mogelijk systeem is en dat een leefbaar alternatief onmogelijk is. De antipromethiaanse ideeën van links wordt eerder gekenmerkt door een melancholie naar verloren emancipatie dan door de wil om voor die emancipatie (terug) op te komen. Wat ons wordt opgedrongen, aldus Phillips, is een tegenstelling tussen technologisch roofkapitalisme enerzijds en een organisch, wollig primitivisme anderzijds. Phillips gaat nog een stap verder: de groen antimoderniteit bedreigt het neoliberalisme niet, het is er een uiting van! Het protest van Klein is een manifestatie van wat zij meent te bekampen. Volgens de auteur moet er dringend werk worden gemaakt van een modern, hoogtechnologisch antikapitalisme.

“Let’s take over the machine”. Niet de rem erop of de machine stilleggen. Overnemen,
bedachtzaam en doordacht, in de volle overtuiging dat vooruit de enige optie is voor
gezondere mensen op een gezondere planeet.

Leigh Phillips: Austerity ecology & the collapsporn addicts. A defence of growth,
progress, industry and stuff (2015)