Jart Voortman versus ‘de skeptici’

img_0217Op woensdag 21 september 2016 hield de protestantse theoloog Jart Voortman in het Antwerpse Elcker-ik centrum een lezing met als titel “Bestaat er zoiets als het paranormale?”. Aangezien het mijn bedoeling is om een leesbaar verslag te schrijven, moet ik hier en daar creatief omgaan met de chronologie van de lezing. Ik ga de vele onderbrekingen, vragen en verhalen wegediten. De hele namiddag verliep vrij chaotisch en eerlijk gezegd vroeg ik me nadien af of het wel zoiets als een lezing was.

Voortman opende met een frontale aanval – laat het ons een inleiding noemen – op mensen die zeggen dat ze alles begrijpen, mensen die denken dat de werkelijkheid bestaat uit een hoop moleculen die gewoon maar wat met elkaar botsen. Mensen die het leven beschouwen als een driedelige set blokken met daarop de letters D, N en A. Mensen, kortom, die zich gedragen als stropopargumenten.

En om aan te tonen dat er veel meer is dan wat we kunnen waarnemen met onze zintuigen, probeerde hij enkele goocheltrucjes uit te voeren, een middel dat zeer populair is onder skeptici, denk maar aan honest liar James Randi, onze Gili of Tayson Peeters.

Als het Voortmans bedoeling was om aan te tonen dat de wereld meer is dan de waarneembare werkelijkheid, dus “zoiets als het paranormale”, dan is een goocheltruc niet de beste keuze, me dunkt: een goede truc is er nu net op gericht om ons dat te doen geloven terwijl men enkel “materialistische” middelen gebruikt, “botsende moleculen”, zo u wil. Het punt van Gili’s show “Iedereen paranormaal”, bijvoorbeeld, was nu net het feit dat hij door te spelen met de vijf zintuigen van zijn publiek de indruk kon wekken dat er een zesde zintuig is.

Maar niet alleen mij deed zijn onhandig gestuntel sterk denken aan Toon Hermans’ legendarische goochelsketch, die volledig de mist in ging. Als het dus Voortmans bedoeling was om aan te tonen dat we iets moesten zien dat er niet was, namelijk goocheltrucs, dan slaagde hij wél in zijn opzet. Hoe dan ook, een carrière als eerlijke leugenaar kan de Hollandse theoloog best vergeten.

Een carrière als natuurkundige trouwens ook: indien men denkt dat de kwantummechanica plompweg aantoont dat alles mogelijk is, dan denk ik dat men het niet al te best begrepen heeft. Dat er verder niet veel over kwantumfysica in relatie tot het paranormale gesproken werd, was een van de weinige pluspunten van de namiddag.

de-ongelovige-thomas-heeft-een-puntOp dit punt staat in mijn notaboekje “begint plots over SKEPP en skepticisme”, maar om de tekst leesbaar te houden, zal ik het houden bij: in het deel na de inleiding zette een gewiekste Jart zijn aanval op het skepticisme in. Als wapens selecteerde hij argumenten en redeneringen die hij nu net in de skeptische literatuur gevonden had. Jart wilde het skepticisme en in één moeite door bekende adepten als Etienne Vermeersch, Johan Braeckman en de “te kille, al te rationele” Maarten Boudry met hun eigen argumenten verslaan en op die manier aantonen dat (1) skeptici weinig wetenschappelijk zijn en (2) dat er zoiets als het paranormale bestaat! Dat was waarschijnlijk ook de reden waarom hij zijn lezing aangekondigd heeft in een mail aan SKEPP, zoals ik uit goede bron vernomen heb. Zijn munitie haalde hij vooral uit Braeckmans en Boudry’s boek De Ongelovige Thomas heeft een punt.

Skeptici houden zich onledig met zaken zoals telepathie, wenende Mariabeeldjes, hekserij en, ach, ook wel wat homeopathie en een complot hier en een ufo daar, aldus Voortman. Terwijl hij lacherig wat commentaartjes gaf op de ondraaglijke lichtheid van de drukdoenerij omtrent Yeti’s en Bigfoots, zwaaide hij met Michael Schermers Why people believe weird things, een boek dat voor één vijfde gaat over dat andere, onbetekenende akkefietje met die zes miljoen joden en den Duits. Of tegengas geven – slechte woordkeuze… of ingaan tegen de Holocaustontkenning ook “zo één van die subjectieve zaken” is die skeptici proberen te ontmaskeren, werd dus niet meteen duidelijk daar in de zaal van Elcker-ik, gelegen midden in de Antwerpse Jodenbuurt.

Onduidelijkheid troef bij Voortman, een hele lezing lang. In het zelfde rijtje van banale skeptische onderwerpen had hij het over zogenaamde spookhuizen. Maar beschouwde hij mensen die op zoek gaan naar geesten met, ocharme de sukkelaars, elektronische apparatuur (ha ha hoongelach) nu als skeptici? Het werd nog verwarrender wanneer hij twee minuten later verhaaltjes begon op te dissen van geesten die zich kenbaar maken via … oude radio’s. En zo trapte onze theoloog constant zichzelf in het kruis.

Hoe dan ook, volgens Jart besluiten skeptici veel te snel dat iets niet bestaat, dat iets niet klopt of kan. En dat is volgens hem niet wetenschappelijk. Er volgde net geen “Checkmate, skeptics!”

“Buitengewone beweringen vereisen buitengewone bewijzen”. Ook deze slagzin, onder meer gedebiteerd door Carl Sagan, wilde Voortman in vraag te stellen. Zijn eerste voorbeeld ging over de zwaartekrachtgolven: er werd lang over getheoretiseerd, maar uiteindelijk was één eenvoudig bewijs afdoende om de wetenschappelijke gemeenschap te overtuigen van het bestaan van die golven. Terwijl ik een enigszins wilde What the fuck! probeerde te onderdrukken, vuurde hij een tweede voorbeeld af. De boutade van de bioloog J.B.S. Haldane, dat één fossiel van een konijn in Pre-Cambrische afzettingen de evolutietheorie van Darwin onderuit kan halen, vond hij ook een aanwijzing dat skeptici serieus overdrijven met hun ‘buitengewone bewijzen’. Wat is er nu eenvoudiger dan één konijn? Anders gezegd, in de wetenschap heeft men helemaal niet veel bewijzen nodig! Voor scheidsrechter Jart is het opnieuw duidelijk dat skeptici zich op het wetenschappelijke veld in een buitenspelpositie bevinden.

Een derde punt: door hun stugge en afwijzende houding ten opzichte van anekdotes plaatsen skeptici zich andermaal buiten de wetenschappelijke discussie, aldus Voortman. Voor skeptici doen anekdotes er niet toe, terwijl ze niet beseffen dat in de wetenschappelijke literatuur casussen wél belangrijk zijn. Skeptici bekijken de wereld louter vanuit hun perspectief. Dat ze daardoor willens nillens doof blijven voor anekdotes, maakt dat ze dingen niet serieus nemen. Maar daar vergist Jart zich feestelijk in. Waar hij zich ook in vergist, is in de betekenis van vrij eenvoudige Nederlandse woorden. Zijn semantisch gegoochel had ongeveer dezelfde kwaliteit als zijn eerste goocheltrucjes. ‘Buitengewoon’ betekent niet hetzelfde als ‘veel’ of ‘complex’ en net zomin is ‘anekdote’ hetzelfde als ‘casus’.

Ook de statistiek, dat andere hulpmiddel, moest er aan geloven. Omdat er om en bij de 20 mensen in de zaal zaten, verwees hij naar de verjaardagsparadox: er is 50 procent kans dat in een groep van 23 willekeurig gekozen mensen twee dezelfde verjaardag delen. Maar daar geloofde hij niet in, dat ging in tegen zijn gevoel en intuïtie. Hij was zo overtuigd dat de paradox niet klopt, dat hij ei zo na het Wikipedia-artikel citeerde: “Bij veel wiskundige vraagstukken, met name bij kansrekening en statistiek, blijken mensen intuïtief tot verkeerde antwoorden te komen. Omdat deze ingevingen zo overtuigend zijn, voelen mensen geen enkele aanleiding om te twijfelen aan hun antwoord.”

Het wordt een beetje vervelend, maar bij zijn volgende punt hoorde hij andermaal de bel maar wist hij de klepel niet hangen. Omdat mensen zeer beïnvloedbaar zijn, een waardevol gegeven uit de sociale psychologie, is het mogelijk om valse herinneringen te creëren. We hebben al bij al een onbetrouwbaar geheugen, aldus Voortman, waarmee hij zo ongeveer de halve skeptische literatuur van de laatste 30 jaar citeerde. Maar ook hier maakte hij een vreemde omslag.’s Avonds weet hij namelijk doorgaans waar hij ‘s morgens zijn fiets heeft gezet, dus “dat het geheugen één grote warboel is, dat kunnen we toch niet accepteren”. In zijn schijnbokswedstrijd tegen zijn imaginaire skeptici was dit zo ongeveer de vierde keer dat hij zichzelf tegen het canvas werkte.

Een laatste argument haalde hij eveneens uit het boek van Braeckman en Boudry. En ook hier is de uiteindelijke pointe dat een uitleg die skeptici gebruiken om anderen de les te spellen, hen uiteindelijk als een boemerang vol in het gezicht raakt: immunisatiestrategieën. Skeptici hebben namelijk zelf ook last van cognitieve dissonantie en zeker wat het paranormale betreft. Het past niet in hun wereldbeeld, dus elk bewijs, elk argument pro redeneren ze weg om hun ideeën intact te houden. Dit lijkt mij trouwens een uitstekende plaats om te melden dat op 22 december in het Antwerpse Elcker-ik centrum een namiddag over cognitieve dissonantie zal plaatsvinden.

Mocht u de indruk krijgen dat dit tot nu toe enigszins een coherente lezing was, ondanks de inhoudelijke onvolkomenheden, dan komt dat louter omdat ik alle onderbrekingen van enkele aanwezige skeptici en een schier oneindige stortvloed aan anekdotes, casussen quoi, heb weggelaten. De drang bij de aanwezigen om te getuigen over hun paranormale ervaringen was enorm. Jart had geen greep op zijn publiek en stilaan verloor de lezing haar dynamiek.

Ondertussen waren we aangekomen bij het deel waarin hij twee fragmenten uit de KRO-reeks Wonderen bestaan wilde tonen. Het waren volgens hem zéér sterke voorbeelden van paranormale gebeurtenissen. De fragmenten die hij toonde, vind ik online niet direct terug, maar via deze link naar de webpagina van het KRO-programma krijgt u alvast een indruk van de inhoud en van de waarde van de getuigenissen. Voor mensen die niet klikken: het programma is even stroperig, kitchy & campy als de titel doet vermoeden.

Jart heeft twee specifieke verhalen gekozen, omdat daarin telkens meerdere mensen dezelfde ervaring hebben! En dat kan toch geen toeval zijn, daar kan geen skeptisch argument tegen op. In een eerste fragment vertelde een vrouw hoe ze door een “onzichtbare hand” werd tegenhouden en van de dood werd gered. Een getuige bevestigde de gebeurtenissen. In een tweede fragment vertelden twee zussen op een bijna identiek dezelfde manier hoe ze op een bijna identiek dezelfde manier via een klopgeest te weten zijn gekomen dat hun vader gestorven was in Turkije. Hetzelfde verhaal, dezelfde bewoordingen: dat kan niet gelogen zijn! En trouwens, vóór de reis, zo getuigde de hele familie in tranen, had vader al aangekondigd dat het zijn laatste keer zou zijn. Nou, een mooier bewijs voor het paranormale kan je toch niet tegenkomen. Jart glunderde en zag hoe het paranormale, eerder dan het verdriet van de twee dames, afdroop van het scherm.

De zaal werd rumoeriger, een enkeling trok duidelijk de skeptische kaart, de meerderheid wilde vooral zélf vertellen. Eerst over hun persoonlijke ervaringen, later over verhalen die ze zelf gehoord hadden, een opbod aan paranormaligheid: bijna-doodervaringen, mysterieus aangekondigde sterfgevallen, paranormaal begaafde kinderen die dode mensen zien, en parasensitieve dieren die zo uit de sprookjes van Rupert Sheldrake lijken te zijn gestapt. De meeste verhalen waren in se zo schrijnend en aandoenlijk, ook als men ze zou ontdoen van de paranormale franjes. Maar Jart verloor het initiatief en de namiddag begon te verzanden in de “casussen”. Hier en daar werd er nog geprobeerd om iets te duiden – dat we na zovele verhalen over bijna-doodervaringen niet meer kunnen ontkennen dat er niets van aan is, want een professor hier zegt en een onderzoek daar bewijst. “Onze hersenen maken het bewustzijn niet, net zomin als een computer het internet maakt”, aldus onze protestantse theoloog in een poging om relevant te blijven. Uiteraard lokte dit een vraag over Dick Swaabs boek Wij zijn ons brein uit. Met zijn opmerking dat volgens hem paranormale ervaringen bestaan, maar paranormale begaafdheid niet, oogstte hij dan weer geen succes bij de aanwezigen met paragnostieke neigingen.

Het werd ook goor: een aanwezige man vertelde een dieptragisch verhaal gelardeerd met schijnbaar paranormale fenomenen en eindigde snikkend met de woorden “Ik weet niet wat het verhaal betekent”. Waarop Voortmans pastorale antwoord luidde: “Je weet best zelf wat het betekent.” En hier eindigde wat mij betreft het goede fatsoen en de lezing.

Het is meer dan begrijpelijk dat mensen een enorme drang voelen om hun tragische verhalen te vertellen en om hogere betekenissen te zoeken in schijnbaar ongerelateerde gebeurtenissen die lijken te leiden naar een tragisch sterfgeval. Uiteraard hebben zulke ervaringen een enorme impact op een mensenleven, op het leven van tal van mensen die zulke gelijklopende tragische feiten moeten ondergaan. Wat ik al niet meer begrijp is dat deze neigingen niet gewoon beschouwd kunnen worden als wat ze zijn: kenmerken van onze menselijkheid, kenmerken die net door hun gelijkenissen mensen dichterbij zouden kunnen brengen in verdriet, acceptatie en mededogen. In plaats daarvan geven clowns als Voortman de voorkeur aan een paranormale uitleg, die schijnbaar wijst op een Hoger Iets, maar uiteindelijk uiterst banaal is. Dat wij zulke gelijklopende tragische ervaringen hebben, die inderdaad vragen kunnen oproepen, maakt ons net tot mensen. Dat toeschrijven aan het paranormale is een flagrante ontkenning van onze menselijkheid.

De ondraaglijke lichtheid van opiniërende pixels (1)

Dolle pret in De Morgen deze week, op de afdeling droge Food for thought. Jong, aanstormend talent mocht andermaal zijn opinie op ons scherm branden. En we zullen het geweten hebben. Zo jong en al zo zuur.

Fikry El AzzouziFikry El AzzouziSamen met ‘Flair’ en ‘Story’ ben jij, Etienne Vermeersch, het geweten van Vlaanderen (De Morgen, 12 februari 2013)

Wie
°1978, Waaslander, schrijver van kortverhalen, reportages en columns voor o.a. De Morgen en Kif Kif. Auteur van het boek Het Schapenfeest (2010).

Aanleiding
Het debat tussen Etienne Vermeersch en Bart De Wever in het programma Reyers Laat. Volgens de ene een voltreffer, volgens de andere een festijn van loze namedropping. Hoewel ik ook vermoed dat Vermeersch eerdere uitspraken over regenboog-t-shirts en hoofddoeken in De Morgen van 6 februari een beetje hebben meegespeeld.

Citaten
De tekst begint met een ironiserende veeg uit de pan. Heel handig om zich later achter te verschuilen (genre “Ach, ’t was maar om te lachen, ge moet dat niet zo serieus nemen, die seculiere humanistische gelovers zijn toch maar een bende zuurpruimen wanneer hun opperpriester wordt aangevallen.”).

Zoals je weet schrijf ik alleen maar meesterwerken waar Vlaanderen nog niet klaar voor is. Daarom ben ik blij dat een moraalfilosoof eens iets van mij leest. Oké, ik weet dat het komt omdat ik nu over jou schrijf. Dat begrijp ik volkomen, ijdelheid is niemand vreemd.

Vervolgens wordt de kennis van Etienne Vermeersch op de korrel genomen en op het niveau van de niet aflatende weetjes- en feitjesstroom van een Quiz Me Quick’er geplaatst.

Hoe je met citaten en filosofen jongleert, hoe je Latijnse spreuken citeert. Ik geloof echt dat je een aanwinst voor mijn quizploeg kunt zijn. We zoeken nog een mobiele, oerconservatieve 65-plusser.

Maar dan komt de aap zachtjes aan uit de mouw, denk ik. Het gaat El Azzouzi waarschijnlijk niet om de eruditie van Vermeersch. Een beetje verstandige mens — en dat is Fikry ongetwijfeld — moet toch ook beseffen dat het flauw is te spotten met mensen die net dat tikje verstandiger zijn dan de gemiddelde post-Homo habilis. Men krijgt er wel de pre-Homo habilis-lachers mee op de hand, da’s waar.

Het gaat dus blijkbaar over atheïsme, geboortebeperking en, tadaa, hoofddoeken.

Geboortebeperking, euthanasie, hoe ze hoofddoekjes deftig moeten strijken. O wee, als er iemand je durft tegen te spreken: dan sla je die om de oren met citaten uit de Bijbel, de Koran […]

El Azzouzi is zelfs een beetje oneerlijk in deze, of hij houdt toch een kleine nuance achter. Nu ja, een kleine?

Met je aanhoudende pleidooien voor een hoofddoekenverbod hou je bewust vrouwenemancipatie tegen.

Niet iedereen lijkt die mening te zijn toegedaan, bijvoorbeeld Karin Heremans in De Morgen van 4 februari dit jaar. Maar ach ja, wat weet zij nu over emancipatie en onderwijs??

Terug naar de professor. Hoewel hij niet houdt van textiel op het hoofd, gaat het Vermeersch niet over een algemeen hoofddoekenverbod, zoals onder andere blijkt uit deze discussie in Reyers Laat, maar wel eentje wat scholen en officiële instanties betreft. Pakweg 8 uur per dag werken, school lopen, dus zonder hoofddoek. Dat laat 16 uur per dag om rond te hossen mét hoofddoek. Niet voldoende? Niet bereid tot compromis? Of zijn goddelijke geboden niet vatbaar voor overleg of verandering? En waarom niet?

Trouwens, uit de toetsaanslagen van een schijnbare verdediger van de Koran krijgt het woord “oerconservatief” natuurlijk wel een aparte bijklank. Is oerconservatief dan nog behoudender dan een tekst of teksten uit de vroege middeleeuwen?

Kindjes = zieltjes, dat besef ik ook wel, maar El Azzouzi lijkt niet stil te staan bij Vermeersch’ redenen, zoals bijvoorbeeld beschreven in De Ogen van de Panda. De rol van de professor in het euthanasiedebat is ook minzaam bekend. Ik heb het er moeilijk mee dat dit beschouwd wordt als “oerconservatief”. Zomaar, zonder argumenten, en daar knelt niet het hoofddoekje, maar wringt het schoentje. Belletrie, oké, het stuk was vlot geschreven, maar waarom zo hol, Fikry El Azzouzi? Waarom zo leeg?

Ijveren voor hoofddoeken mag deze dagen dan al enorm progressief lijken, de hoofddoeken zelf, de zogenaamde heilige geschriften én de dito mentaliteit die deze opleggen en verdedigen kan men toch bezwaarlijk als links-progressief bestempelen.

Reactie
Vermeersch reageerde, zoals vaker, lakoniek vanuit de heup en toch raak in De Morgen van 13 februari 2013: Ik, conservatief? Wel, wel.

Nawoord
Ondertussen heeft de nietsontziende zwaartekracht het opiniestuk van El Azzouzi de plaats gegeven dat het verdient: in de journalistieke sceptische put, ergens links van Het Pallieterke, maar even goed tussen de stront.

Over pseudowetenschap en dito wetenschapsfilosofie

Over pseudowetenschap - VermeerschEerder deed ik in het artikel Freud online wat ik steeds zou moeten doen: mijn klep houden en lijstjes maken. En in dat geval een lijstje van krantenartikels met betrekking tot de in se interessante discussie over de al dan niet wetenschappelijke status van Freud en de psychoanalyse. Na een dubbel dieptepunt — het woord bijdrage past echt niet bij de puberale schrijfselen van Annick Verbauwen en Erik Speliers (of andersom), maar ja, een mens wil volledig zijn — ,  haalde Etienne Vermeersch de discussie niet alleen weer uit het slop, maar hij opende tegelijkertijd een nieuw blik wormen.

De directe aanleiding voor dit nieuwe artikel is het eerder verwarde schotschrift Aan wie het aanbelangt [Over wetenschap & wetenschap], ondertekend door een voetbalploeg Gentse filosofen. De tijd dat men tijdens de pauze even doel- als gedachteloos op kwartjes appelsien zit te kauwen is blijkbaar nog niet voorbij. Het resultaat van hun gezamenlijke overpeinzingen, van hun groepssessie staren in het ijle, werd gepubliceerd op 27 december 2011 in De Wereld Morgen.

Maar, beste moi, klep dicht en lijstjes maken. En deze keer dus van een discussie omtrent wetenschap, pseudowetenschap, de demarcatielijn, en wetenschapsfilosofie. Ik hoop echter dat men binnenkort niet moet gaan oplijsten wie, in wat lijkt een academische afrekening, bij wie een afgehouwen buste van Plato dan wel een paardenkop onder de warme, knusse dons is komen steken.

 *  *  *

Een overzicht
(Gezien de overlappingen verwijs ik graag ook naar de lijst van artikels bij het stuk Freud online)