Fake linguistics. Pseudotaalwetenschap van Plato tot Lacan – Deel 4

Dit is het vierde deel van mijn artikel dat eerder verscheen in Wonder en is gheen Wonder (Zomernummer 2017), het ledenblad van SKEPP.

* * *

Etymologie à la Plato

Maar terug naar ons historisch overzicht, terug naar de Klassieken. Bij het schrijven over de (prille) geesteswetenschappen in de Griekse wereld is het zo goed als onmogelijk om geen lokale filosoof te vermelden. Plato dus en zijn Kratulos is één lange beschouwing over taal waarbij de conversanten zich afvragen of woorden en benamingen uit de natuur der dingen voorkomen of louter het gevolg zijn van afspraken, ergo arbitrair. Food for thought waar eeuwen later ook de Middeleeuwers nog stevig op kauwden. Dat is goed om weten als u van plan bent om Umberto Eco’s De naam van de Roos te herlezen, maar ik wil hier evenwel ingaan op hoe Plato etymologische verklaringen van woorden geeft die voor ons modernen heel bijzonder lijken.

Terwijl we in modernere tijden onder etymologie de verklaring voor de vorm van een woord doorheen de geschiedenis verstaan, lag dat voor Plato en de zijnen net iets anders. Zij wilden vooral de ware betekenis van het woord achterhalen, niet zozeer de historische. Is lucht aer, vraagt Sokrates zich af, “[o]mdat lucht de dingen opheft (airei) van de aarde of omdat lucht altijd stroomt (aer rei)?”[i] Een woord zoals fronesis, ‘nadenken’, wordt dan weer uitgelegd met behulp van frasen die er enerzijds een klein beetje op lijken en die anderzijds Sokrates’ denkbeelden willen verduidelijken: denken over stroming en beweging (foras rou noèsis) en nut van beweging (foras onèsis). Zelfs als uw kennis van het Grieks helemaal verschrompeld of onbestaande is, dan nog mag het geheel duidelijk zijn dat deze etymologieën een totaal andere functie hadden dan de onze nu. Het is evenwel minder duidelijk in hoeverre het personage Sokrates hier danig met de voeten van zijn gesprekspartner aan het rammelen was, of Plato met die van zijn lezers. Daarover heerst nog steeds heel wat academische onenigheid.

Ook na Plato werd deze manier van associatief etymologiseren gebezigd. Het meest markante voorbeeld vinden we – en we spoelen de band wel heel snel door – in de geschriften van Jean-Pierre Brisset, “de man die [op 13 april 1913] is uitgeroepen tot Prins der Denkers omdat hij op taalkundige gronden heeft bewezen dat de mens van de kikker afstamt”[ii] . Matthijs van Boxsel, van wie ik het vorige citaat leende, schetst in zijn boek Morosofie op een meelevende manier het aandoenlijke verhaal van deze even doldwaze als dieptragische taalvorser die op handen werd gedragen en werd gebruikt door surrealisten zoals André Breton en Raymond Queneau. Brissets bekendste werken zijn La grammaire logique (1878) en La science de Dieu (1900)[iii].

Van de kikker dus. Brissets werkwijze kan ik in de context van dit artikel enkel zeer onnauwkeurig omschrijven als een wilde rollercoaster aan associaties op basis van woordklanken, etymologie à la Plato, maar dan met extra paddo’s. Elders vond ik in dit verband de frase “délire logique”. Hoe dan ook, Brisset wilde aantonen dat de Franse taal genoeg aanknopingspunten heeft om aan te tonen dat mensen van oorsprong waterwezens zijn, verwant of zelfs afstammend van kikvorsen. Een zeer kort voorbeeld (in het Frans, wegens onvertaalbaar): Brisset vraagt zich in La science de Dieu af waar onze voorouders huisden.

Voyons où ces ancêtres étaient logés”: l’eau j’ai = j’ai l’eau ou je suis dan l’eau. L’haut j’ai = je suis haut, au-dessus de l’eau, car les ancêtres construisirent les premières loges sur les eaux.

Daarop gaat hij nog tientallen regels verder met gelijkaardige associaties, onder meer l’os j’ai, le au jet, l’eau jet, loge ai, l’eau-jeu, lot j’ai, l’auge ai. Het mag u niet verbazen dat het boek, 250 pagina’s dik, een zekere inspanning van de lezer vraagt.

Psychoanalytische taalkunde

Veel minder extreem, maar taalkundig evenmin geheel verantwoord, zijn de etymologieën die vaak opduiken in de Lacaniaans geïnspireerde écriture. Vaak wordt hier een vrijwel geheel of gedeeltelijk correcte etymologie gebruikt als basis, een eerste couche als het ware, waarop men dan extra kleurrijke betekenislagen aanbrengt. In se gaat het niet zozeer over etymologieën, maar eerder over associaties die al snel het taalkundige zeer ver achter zich laten. Twee representatieve voorbeelden: het woord infancy, aldus ene Miquel Bassols[iv] , komt van infant “(in-fari), iemand die niet in staat is om te spreken” (en taalkundig klopt dat min of meer), maar ook iemand “die niet in staat is om te articuleren, om te spreken in het publiek”. Euh, nee. Dat verzint u erbij, meneer de psychoanalist. Iemand die “niet in staat om zichzelf in het openbaar te representeren als een subject van een discours. Kind-zijn wordt dus eerst vastgelegd als een plaats voorafgaand aan en buiten enige discours” (mijn vertaling, mijn verbazing). Dit heeft niets meer te maken met taalkunde. Dit is een potje loos associëren. Het is holle dikdoenerij op de kap van legitiem etymologisch werk.

In andere gevallen probeert men, net zoals Plato en Brisset, de wijze en de dwaas, klankassociaties te laten doorgaan voor etymologieën die als betekenisvol kunnen worden ervaren. Dany Nobus poogt in het boek Key Concepts of Lacanian Psychoanalysis (1998) iets extra zinnigs te zeggen over de scheiding moeder-kind, separation, aangezien het een Engelse tekst is. De auteur slaagt er enkel in om via een foute etymologie en vermeende betekenisvolle referenties naar gelijkklinkende woorden (se parere en se parer) tot een taalgebonden spitsvondigheidje te komen waarbij hij “other” linkt aan “(m)other”[v]. Iemand zou onze Lacanianen moeten vertellen dat ook etymologie niet hun sterkste kant lijkt te zijn.

* * *

[i] Plato, Kratulos, 410 B, C. De vertaling is van Mario Molegraaf. Plato, Verzameld Werk III. Amsterdam, Querido 2012.

[ii] Matthijs van Boxsel, Morosofie. De encyclopedie van de domheid. Dwaze wijzen en wijze dwazen in Nederland en Vlaanderen. Amsterdam, Querido 2002. Uiteraard kan ik hier Rudy Kousbroeks De logologische ruimte. Opstellen over taal (1984) niet onvermeld laten, waarin hij op geheel onnavolgbare wijze Brisset eer aandoet.

[iii] De twee bekendste werken van Jean-Pierre Brisset zijn La grammaire logique (1878) en La science de Dieu (1900) en kunnen gedownload worden via de uitstekende Franse archiefwebsite http://gallica.bnf.fr/. Beide boeken zijn nog steeds verkrijgbaar in papieren versie!

[iv] Miquel Bassols, “Childhood Under Control” (2012). http://www.amp-nls.org/page/gb/109/lacanquotidien-in-english/0/9. Geraadpleegd op 21 mei 2017.

[v] Dany Nobus, Key Concepts of Lacanian Psychoanalysis (2017), p. 181.