René Goscinny en Albert Uderzo: Asterix en de Ziener

In deel 19 van deze vulgariserende geschiedkundige reeks over een klein Gallisch dorp dat moedig weerstand blijft bieden aan de Romeinse overweldigers, leiden de auteurs ons doorheen de wereld van vogelwichelaars, ingewandenlezers en auguren.

Na een korte vergelijkende studie waarin gewezen wordt op de gelijkenissen en de verschillen tussen Gallische en Romeinse tradities op het gebied van de clairvoyance, focussen de schrijvers op de ziener Xynix.

Vooral zijn invloed op de goedgelovige bevolking van het Gallische dorp wordt belicht, alsmede zijn omgang met een van de eerste gedocumenteerde Gallisch-Franse vrijdenkers (p. 8, 14). Deze laatste laat de dorpsbewoners op basis van een subtiel vroeg-Russelliaans skepticisme en een streepje force brute zien dat de paranormale positie van de ziener onhoudbaar is. Als gevolg hiervan komen de latente spanningen tussen het Romeinse heir en de Gallische bevolking enerzijds, en de Gallische druïde en de ziener anderzijds, aan de oppervlakte.

Een punt van kritiek: geheel onverwacht en volledig los van het eigenlijke onderwerp van deze studie wordt op het einde van dit boek ingezoomd op de culinaire tradities in het Gallische dorp.

Het citaat:

Xynyx: Maar ik zou ook die hond kunnen nemen … Ik lees heel goed in honden.
Idefix: Kaiiiii!
Obelix: DE EERSTE DIE IDEFIX AANRAAKT KRIJGT EEN DREUN!
Asterix: Pas maar op, de voorspellingen van Obelix komen meestal uit.

 

René Goscinny en Albert Uderzo: Asterix en de Ziener. Dargaud, 1972.