Duitse Humanistische Partij: “Ngo’s zaaien angst”

Deze vertaling verscheen in het winternummer van Wonder en is gheen Wonder (2017), het ledenblad van SKEPP. De extra tekst is geschreven door Bart Coenen, hoofdredacteur van Backcover.be en mede-auteur van het boek Ecomodernise. Het nieuwe denken over groen en groei.

* * *

De heisa rond de beoordeling van de gevaren van het herbicide glyfosaat houdt burgers, politici en verschillende belangengroepen al jaren in de ban. “In deze controverse gaat het niet alleen om de effecten op mens, dier en milieu, maar zeker ook over de invloed van de industrie op de politiek”, schrijven Hans Ajiet Holkamp en zijn collega’s in een Positionspapier van de Duitse Partei der Humanisten.

Dat glyfosaat een relatief ongevaarlijk middel is, wordt ondertussen wetenschappelijk algemeen aanvaard. Er is voldoende aangetoond dat glyfosaat in vergelijking met andere onkruidverdelgers – ook degene die in de biolandbouw gebruikt worden – minder doorweegt op het milieu en de gezondheid én dat het veel effectiever is. Daardoor stijgt de productiviteit en de opbrengst van de landbouw. Als de wereldbevolking zoals verwacht aangroeit, dan zal ook de behoefte aan voedsel en dus de landbouwproductie stijgen. Een verhoging van de oogst gecombineerd met een minimalisering van de expansie van landbouwgronden heeft een positieve invloed op de biodiversiteit en de klimaatbescherming.

Vanuit wetenschappelijk oogpunt is het niet zinvol om glyfosaat te verbieden want dan moeten landbouwers naar middelen grijpen die schadelijker zijn voor mens en milieu, minder effectief zijn en de biodiversiteit sterker aantasten.

Dit hele debat gaat dus niet uitsluitend over de wetenschappelijke beoordeling van het middel, maar ook over de geloofwaardigheid en de onafhankelijkheid van de wetenschappers. Populisme of irrationele angst zou nochtans niemand mogen verleiden om wetenschappelijke bevindingen in de politieke besluitvorming te negeren. Voor ons vormen feiten, wetenschappelijke bevindingen en expertise de basis waarop wij onze politieke eisen ontwikkelen.

Glyfosaat is een herbicide dat inwerkt op de bebladering. Het wordt door alle groene delen van een plant geabsorbeerd en komt daarna terecht in de wortels. Daar blokkeert glyfosaat het enzym EPSPS, dat nodig is voor de groei van de plant. Het blokkeren van dit enzym onderbreekt de stofwisseling en veroorzaakt op die manier het afsterven van niet-resistente planten.

Effecten op planten en dieren

Deze specifieke stofwisseling (synthese en aanmaak van aminozuren door het enzym EPSPS) vindt alleen plaats in planten, schimmels en bacteriën. Het heeft geen betrekking op mensen, dieren of insecten. Glyfosaat onderscheidt zich door deze werkwijze van zo goed als alle andere onkruidverdelgers, die op dit gebied een aantoonbaar hogere toxiciteit vertonen.

Medische effecten

Glyfosaat wordt door de wetenschap overwegend geklasseerd als niet-kankerverwekkend en niet-genotoxisch. Tot deze evaluatie komt niet alleen het Bondsinstituut voor Risicoanalyse (BfR, als onafhankelijke, wetenschappelijke en partij-onafhankelijke instantie in 2002 door de rood-groene regering opgericht, meer bepaald op last van de Groene minister Renate Künast). Ook de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO), de Joint Meeting for Pesticide Residues (JMPR) en de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) zijn het na een evaluatie van de wetenschappelijke literatuur erover eens dat glyfosaat niet kankerverwekkend is.

Enkel het International Agency for Research on Cancer (IARC) klasseert glyfosaat als “waarschijnlijk kankerverwekkend”. Voor deze indeling hanteerde de organisatie een andere, naar onze mening onduidelijke schaal die een theoretisch eerder dan een reëel kankerrisico aangeeft. Volgens deze schaal betekent categorie 1 “kankerverwekkend”, categorie 2A “waarschijnlijk kankerverwekkend”, categorie 2B “mogelijk kankerverwekkend”, categorie 3 “niet in te delen” en categorie 4 “niet kankerverwekkend”.

Hieronder werden substanties samengebracht die in bepaalde gevallen kanker zouden kunnen veroorzaken, maar zonder dat de omstandigheden of de condities nader bepaald worden. Producten waaraan verschillende kankerrisico’s verbonden worden, kunnen daardoor in dezelfde categorie terecht komen. Tot groep 1 behoren onder andere bewerkt vlees, tabaksrook, asbest, uv-straling en alcoholische dranken. Glyfosaat wordt door het IARC in categorie 2A ondergebracht, samen met rood vlees, anabole steroïden en rook van een open haard. Deze inde ling is problematisch, omdat zij tot grote onzekerheid bij de consumenten leidt en geen wetenschappelijke informatie geeft omtrent werkelijke kankerrisico’s.

Gevolgen voor de bodem en het water

Na de behandeling met glyfosaat worden restanten door micro-organismen in het grondwater en de bodem afgebroken. In het grondwater is glyfosaat slechts in de kleinste hoeveelheden aantoonbaar, en zeker in vergelijking met andere bestrijdingsmiddelen tegen planten sneller in de bodem gebonden. Glyfosaat wordt in waterlopen binnen de maand afgebroken, net zoals in de akkerbodem. In bosgebieden gebeurt dat binnen het kwartaal.

Tijdens de behandeling met glyfosaat moet de akkerbodem minder geploegd worden. Dit zorgt voor minder bodemerosie, vermindert de CO2-uitstoot en verbetert de waterhuishouding. Het gaat ook een verlies van organisch materiaal en een verlies aan biodiversiteit tegen. Het drogen van geoogste granen wordt overbodig, waardoor het aantal werkuren sterk vermindert en minder machines nodig zijn. Door de verhoogde productiviteit kunnen landen onafhankelijker worden van import.

Verdamping van glyfosaat is door de geringe vluchtigheid te verwaarlozen. Ook de drift is zeer gering; uiteraard hangt dit af van het sproeigereedschap. Ondanks de in vergelijking geringere drift, moet er voor gezorgd worden dat het product precies wordt verspreid door middel van moderne sproeitechnieken. Dit om nabije velden te vrijwaren en het risico van schade aan niet-doelplanten te minimaliseren.

Effecten op de uitstoot van broeikasgassen

Hoe minder de bodem moet geploegd worden, hoe minder CO2 uit deze bodem vrijkomt. Bovendien kan de uitstoot van broeikasgassen aanzienlijk verminderen door de omzetting van gras- naar akkerland te elimineren en door het brandstofverbruik van het machinepark te verminderen. Bovendien leidt een verhoging van de opbrengst tot een vermindering van de kosten. Verder kan men er ook voor zorgen dat de bodem minder mechanisch bewerkt moet worden. Dat heeft dan weer als gevolg dat er minder brandstof, maar dus ook minder machines en minder arbeidskrachten moeten ingezet worden.

Productie en gebruik

In 2000 verliep het patent voor glyfosaat. Ondertussen zijn er meer dan 90 bedrijven die glyfosaat produceren, waarvan meer dan 50 in China, enkele in India en in de VSA. Wereldwijd wordt er meer dan 850.000 ton glyfosaat aangemaakt, waarvan meer dan 40% in China. In Duitsland wordt ongeveer 6000 ton op 40% van de landbouwgronden ingezet.

Natuurlijk moeten belangenconflicten onderzocht worden. Maar deze moeten niet alleen in onderzoeksinstituten, in de industrie of in ondernemingen gezocht worden, maar in de hele biobranche, onder anti-ggo-activisten en bij ngo’s. Wangedrag op grond van belangenconflicten kon aangewezen worden bij tegenstanders van het gebruik van genetische modificatie en glyfosaat. Zo waren er bij de studie van het IARC anti-ggoactivisten betrokken. Bij de heer Portier, een externe consulent voor het IARC die betrokken was bij de studie die glyfosaat categoriseerde als “waarschijnlijk kanker verwekkend”, werden overtuigende bewijzen gevonden van belangenverstrengeling. Het is bovendien nog maar de vraag of hij de nodige wetenschappelijke competenties had die nodig waren voor de opdracht. De studie van Gilles-Éric Séralini over het verband tussen glyfosaat en tumoren bij ratten die in 2012 openbaar werd gemaakt, werd teruggetrokken wegens methodologische gebreken.

Conclusie

Glyfosaat heeft een lagere toxiciteit voor mensen, insecten en andere dieren dan verschillende andere herbiciden. Het is zeer effectief, wordt sneller en gemakkelijker biologisch afgebroken dan traditionele onkruidverdelgers en beschermt de biodiversiteit omdat het slechts bij planten werkt, omdat de bodem niet omgeploegd moet worden en omdat theoretisch minder gebieden voor de landbouw moeten ingezet worden. Met glyfosaat kunnen velden het ganse jaar groenbemest worden zonder te ploegen en zonder dat het onkruid de overhand neemt. Daarom is het al bij al onverantwoord om een verbod tegen glyfosaat te eisen. Wij keuren politieke willekeur af. We mogen vooral niet toestaan dat wetenschappelijke gegevens en feiten genegeerd worden en vervangen worden door paniekzaaierij. Wetten kunnen we veranderen, natuurwetten niet.

De auteurs zijn actief in de Duitse Partei der Humanisten. Je vindt de originele tekst van dit standpunt op https://parteiderhumanisten.de.

* * *

Reacties op het EU-besluit (Bart Coenen)

>> “Hoewel velen dit zullen bestempelen als een overwinning voor de gewasbeschermingsindustrie, zijn wij toch teleurgesteld dat ondanks het overweldigende wetenschappelijk bewijs, de goedkeuring slechts verlengd wordt voor 5 jaar”, schreef de Belgische vereniging van de industrie vanewasbeschermingsmiddelen (Phytofar) in een mededeling. “Het wetenschappelijk procedé wordt ondermijnd door emotie en electorale overwegingen en dit is een verontrustende evolutie.”

>> Peter Jaeken, secretaris-generaal van Phytofar verduidelijkt: “Ontwikkelen van nieuwe producten om gewassen gezond te houden, vragen veel tijd en aanzienlijke investeringen. De Europese Unie en België hebben een zeer streng en uitgewerkt beleid om werkzame stoffen en producten op een onafhankelijke en wetenschappelijke basis te evalueren. Deze benadering is een basisvoorwaarde om een minimum aan rechtszekerheid te scheppen en vooruitgang te stimuleren. We roepen de diverse politieke overheden dan ook op om terug te keren naar een productbeleid dat hierop gebaseerd is. Dat is niet alleen in het belang van onze sector maar van de ganse agro-voedingsketen, inclusief de consument.”

>> Europees parlementslid Bart Staes (Groen) reageerde teleurgesteld: “Aan dit besluit zit een giftige angel. Ik vrees dat hier andere belangen dan de volksgezondheid en het leefmilieu worden verdedigd.” Staes beschuldigt het Duitse agentschap BfR van wetenschapsfraude: “De BfR kopieerde grote delen van het Glyphosate Task Force rapport zonder ernaar te verwijzen.” Volgens Staes spelen ook economische belangen mee: “Er is het belang van het Duitse chemiebedrijf Bayer, dat tientallen miljarden biedt om Monsanto over te nemen. Een verbod van glyfosaat zou dat bedrijf grotendeels waardeloos hebben gemaakt.”

>> Leo Neels, CEO van de denktank Itinera vroeg zich in een opiniestuk af waarom journalisten blijven schrijven dat glyfosaat mogelijk kankerverwekkend is: “Men valt nu de wetenschappers aan en haalt hun integriteit onderuit. Men maakt de procedure verdacht. Het verwijt wordt nu dat de beslissing rekening heeft gehouden met de door aanvrager Monsanto ingediende informatie die door wetenschappers is aangeleverd. Nochtans is het precies de taak van de EFSA en ECHA, om die studies en het hele aanvraagdossier net zo kritisch tegen het licht te houden als de studie die van een waarschijnlijk kankerrisico sprak. Nog meer bijzonder is dat niemand heeft aangetoond dat de analyses van Monsanto, EFSA en ECHA niet zouden beantwoorden aan de wetenschappelijke criteria. Het énige aanvaardbaar argument zou immers het bewijs zijn dat de studies waarop de beslissing rust niet aan de wetenschappelijke standaarden beantwoorden en de afweging niet correct verliep. Zulk bewijs is er niet, er zijn enkel  intentieprocessen, verdachtmakingen en insinuaties. Die kunnen geen deugdelijk antwoord zijn op wetenschappelijke evidentie. Milieubewegingen weten dat ook wel, maar de emotionele uitval bekt beter, doch dat is een zwaktebod. Journalisten horen zonder meer beter te weten, en zij zijn professioneel en deontologisch verplicht om dieper te graven dan deze emotionele bovenlaag.”

Keith Kloor: Journalistiek onder vuur 4/4

Deze vertaling verscheen in Wonder en is geen Wonder (Winter 2017), het ledenblad van SKEPP.

* * *

Wat gebeurt er wanneer je als wetenschapsjournalist schrijft over thema’s waarrond milieu-organisaties en andere ngo’s een verdienmodel hebben opgebouwd? “Afhankelijk van het onderwerp geldt in de wetenschapsjournalistiek dat hoe meer je rapporteert over feiten, hoe minder effect het lijkt te sorteren”, schrijft de Amerikaanse wetenschapsjournalist Keith Kloor. Tijdens zijn carrière als journalist en docent journalistiek raakte Kloor gefascineerd door de hardnekkigheid van bepaalde valse narratieven, zoals mythen rond vaccinatie of genetisch gemodificeerde organismen. “Het draait allemaal rond het verhaal en hoe sterk het gebracht wordt”, weet Kloor. Een paar jaar geleden kwam Kloor door een campagne van activisten tegen zijn persoon zelf in de problemen. Door zijn journalistieke werk dreigde hij niet alleen vrienden, maar ook zijn inkomen te verliezen. Of het dit allemaal waard was, is de centrale vraag in dit openhartige essay.

***

Karaktermoord

Het begon op een mooie dag in september, toen de anti-ggo-groep een reeks emails postte die door dat FOIA-verzoek waren vrijgegeven en waarin mijn naam stond, samen met die van andere journalisten, zoals Tamar Haspel van de Washington Post en Amy Harmon, die tweemaal een Pulitzerprijs heeft mogen ontvangen. Zij werkt nu voor de New York Times en publiceerde eerder een zeer gewaardeerde reeks over controverses in het ggo-debat. Het artikel met fragmenten uit de e-mails, gevolgd door commentaren en opmerkingen vanuit de actiegroep, kreeg de titel A Short Report on Journalists Mentioned in our FOIA Requests. De citaten uit de e-mails vermeldden niets over wat wij drieën gezegd of gedaan hadden. Tussen haakjes, wanneer een journalist regelmatig schrijft over een controversieel onderwerp en ook effectief gelezen wordt, dan kun je ervan op aan dat de naam van die journalist opduikt in e-mails van mensen die geïnteresseerd zijn in die onderwerpen. De enkele keren dat onze namen verschenen in het gekeuvel onder de universitaire wetenschappers, waren blijkbaar genoeg om de argwaan van de anti-ggo-groep te wekken. Zo wordt bijvoorbeeld mijn naam vernoemd in een e-mail van een academicus die uitgesproken pro-ggo is. Zijn boodschap, over geruchten dat er websites gehackt zouden zijn, werd verstuurd naar verschillende wetenschapscommunicatoren en vertegenwoordigers van de biotechindustrie. Mijn naam was één in een lange lijst van mensen die deze e-mail in cc toegestuurd kregen. Conclusie van de anti-ggo-groep: “Deze e-mail impliceert dat Kloor nauw samenwerkt met vooraanstaande vertegenwoordigers van de agro-chemische industrie.”

Enkele dagen later nam de eerder liberaal-progressieve website Alternet het ‘samenvattend rapport’ van de antiggo-groep letterlijk over, maar plaatste er wel een pakkende titel boven: 3 Journalists Who Are Disturbingly Cozy with the Agrichemical Industry. Vergeet niet dat er zelfs geen enkele e-mail van ons drieën tussen de hoop zit! Het is een opeenstapeling van gevolgtrekkingen, een verklaring van schuld-door-associatie louter op basis van een naamsvermelding. Niet lang daarna ontving ik een e-mail van Robert Kennedy Jr. Hij had mijn e-mailadres toegevoegd in een antwoord aan een anti-vaccinatieactivist die hem net had geïnformeerd dat er bekend was gemaakt dat ik een betaalde pion was voor de industrie. Kennedy’s bevestingsdrang deed de rest: “Klinkt aannemelijk. De eerste vraag die ik ooit aan Keith gesteld heb, was of hij betaald werd door de farmaceutische industrie. Het is te gek voor woorden dat een gast die zichzelf verkocht heeft als wetenschapsjournalist, de rommelwetenschap van die industrie zo hard promoot.” Binnen een paar weken zag ik mezelf beschreven als een “Monsantohoer” en een “onderkruiper van de industrie”.

Ik kon het mij niet al te hard aantrekken: mensen die online als een razende te keer gaan ondermijnen gewoonlijk heel snel hun eigen geloofwaardigheid. Maar in januari 2016 kwam de campagne om mijn professionele reputatie te beschadigen in een stroomversnelling terecht. Greenpeace, dat al heel lang gekant is tegen ggo’s en dat de wetenschappelijke consensus rond de veiligheid ervan verwerpt, maakte een pagina over mij aan op de website PolluterWatch. Het is een geslepen mix van feitelijk correcte biografische details, halve waarheden en complete verzinsels, zoals “Kloor heeft regelmatig verzoeken om informatie openbaar te maken afgekraakt. Een paar van die verzoeken betroffen zijn eigen communicatie omtrent ggo’s, door organisaties die de belangenvermenging onderzoeken tussen bedrijven en wetenschappers.” Voor deze claim worden er geen bewijzen aangevoerd. En al bij al is het uiterst absurd omdat ik zelf al FOIA-verzoeken heb ingediend om misdaden van de industrie te onthullen.

Dagen later verscheen een gelijkaardig bericht op de website Sourcewatch, een internetwaakhond die “groepen en mensen die PR-operaties uitvoeren voor bedrijven” screent. Tot op de dag van vandaag vinden mensen die mijn naam googelen die websites terug in de zoekresultaten. Wie niet vertrouwd is met mijn werk kan onmogelijk uitmaken wat nu correcte of foute informatie is. En dat is nu net de bedoeling. Dit is verontrustend in het digitale tijdperk waarin we leven. Mensen worden tegenwoordig sowieso al in de war gebracht door fake news en gladde politieke propaganda.

De reacties die ik ontving van collega’s van de Society of Environmental Journalists (SEJ) deden mij de moed zo mogelijk nog meer in de schoenen zinken. Nadat ik PolluterWatch en SourceWatch vermeldde op de e-maillijst van deze organisatie, liet een lid van SEJ weten: “Klinkt aannemelijk.” Een ander lid schreef in een privébericht: “Keith, alstublieft, zeg nu toch eens wie jouw salaris betaalt. Hoe kan je nu verder doen alsof je niet door de knieën bent gegaan voor de verlokkingen van de spindokters en hun verhaaltjes, die begonnen toen de varkensvleesindustrie dokters betaalden om de voordelen van varkenskadavers te eten, op te hemelen. Prijs je nu die technologieën aan waarvan nog niet bewezen is dat ze honderd procent veilig zijn of niet? SPREEK OP, MAN. Het wordt tijd dat je met jezelf in het reine komt”. Nadat ik van de verbazing bekomen was, bedacht ik: met zo’n collega’s, wie heeft er dan nog vijanden nodig?

Toen ik dit essay aan het afronden was ontving ik een e-mail van een wetenschapper aan een openbare universiteit die net die dag nog maar eens een FOIA-verzoek had ontvangen van dezelfde anti-ggo-groep die in de loop van het vorige jaar tal van zulke verzoeken had verstuurd naar tientallen collega’s in de V.S. en Canada. Dit verzoek verschilde van de vorige omdat het de correspondentie opeiste tussen de wetenschappers en iedereen die connecties heeft met de biotechindustrie. Dit keer ging het over de correspondentie over de drie laatste jaren tussen de wetenschapper in kwestie en drie journalisten: ik, Tamar Haspel van de Washington Post en Nathanael Johnson van Grist. Wij drieën hebben enorm veel geschreven over ggo’s, wij hebben verkeerde informatie gecorrigeerd en mythes ontkracht. Kortom, wij hebben bepaalde hardnekkige en valse verhalen omtrent de wetenschap van de agrarische biotechnologie aangevochten. Misschien vermoedt de anti-ggo-groep die onze e-mailcorrespondentie wil uitvlooien dat er genoeg aanwijzingen te vinden zullen zijn die onze namen kunnen besmeuren en bijgevolg onze berichtgeving over ggo’s.

Maar wat er ook gevonden wordt, ik zie alvast de schadelijke en schandelijke kop: “Wetenschapsjournalisten communiceren met wetenschappers”.

Keith Kloor
is freelance journalist en adjunctprofessor Journalistiek aan de New York University en de City University of New York Graduate School of Journalism.

Keith Kloor: Journalistiek onder vuur 3/4

Deze vertaling verscheen in Wonder en is geen Wonder (Winter 2017), het ledenblad van SKEPP.

* * *

Wat gebeurt er wanneer je als wetenschapsjournalist schrijft over thema’s waarrond milieu-organisaties en andere ngo’s een verdienmodel hebben opgebouwd? “Afhankelijk van het onderwerp geldt in de wetenschapsjournalistiek dat hoe meer je rapporteert over feiten, hoe minder effect het lijkt te sorteren”, schrijft de Amerikaanse wetenschapsjournalist Keith Kloor. Tijdens zijn carrière als journalist en docent journalistiek raakte Kloor gefascineerd door de hardnekkigheid van bepaalde valse narratieven, zoals mythen rond vaccinatie of genetisch gemodificeerde organismen. “Het draait allemaal rond het verhaal en hoe sterk het gebracht wordt”, weet Kloor. Een paar jaar geleden kwam Kloor door een campagne van activisten tegen zijn persoon zelf in de problemen. Door zijn journalistieke werk dreigde hij niet alleen vrienden, maar ook zijn inkomen te verliezen. Of het dit allemaal waard was, is de centrale vraag in dit openhartige essay.

***

De anti-ggo-bende

In 2012 schreef ik een stuk voor Slate met de openingszin: “Ik heb lang gedacht dat er niets kon tippen aan de desinformatie die uitgespuwd werd door klimaatontkenners en hun spindokters. Maar dan begon ik aandacht te schenken aan hoe anti-ggo-activisten de wetenschap omtrent genetisch gemodificeerde gewassen hebben vertekend en verdraaid. Men zou verrast zijn over hoeveel succes ze daarmee behaalden en over wie hen daarbij een handje heeft geholpen.” Op dat moment was ik amper bezig met biotechnologie. Het grootste deel van de jaren 2000 had ik het gezellig druk als redacteur bij een toonaangevend blad over milieu, met het schrijven van stukjes over fauna, milieubescherming, klimaatverandering en de zonden van de olie-, kolen-en gasindustrie. Ik ben nog steeds trots op mijn werk voor het tijdschrift van de National Audubon Society in die periode. Ik ben niet iemand die op een mooie dag is opgestaan en plots zijn carrièrekeuze of job van milieujournalist in vraag begon te stellen. Ik heb geen ideologisch of politiek kantelmoment doorgemaakt dat mij heeft doen besluiten, zoals de titel van het artikel stelde: “Ggo-opposanten zijn de klimaatontkenners van de linkerzijde”.

In 2009 werd ik een freelancer en moest ik voor mezelf een niche zoeken, terwijl ik de nuances van bepaalde onderwerpen in het milieu- en klimaatdebat onderzocht die te weinig aan bod kwamen in de media, of in sommige gevallen zelfs helemaal niet. Een onderwerp dat opviel omdat het zo onderbelicht werd door mijn collega’s, was het ggo-debat.

In de jaren 1990 en de vroege jaren 2000 was het wel even opgeflakkerd, maar tijdens de rest van het decennium smeulde het ergens ver op de achtergrond. Maar toen in de late jaren 2000 de beweging van voedselactivisten opstond, begon men een campagne om genetisch gemodificeerd voedsel te labelen (dat gebeurde eerst in de Verenigde Staten, maar later waaide het idee ook over naar Europa, nvdr.). Dit bracht de wetenschap van de agrarische biotechnologie terug onder de aandacht. Ik nam daar nota van. Gelukkig begon ik aan dat onderwerp met weinig vooroordelen of sterke emoties. Ik had voordien niet al te veel aandacht besteed aan het ggo-debat. Ik wilde dus eerst de wetenschap van de agrarische biotechnologie leren begrijpen. Ik leerde al snel dat het een moeilijke en ingewikkelde wetenschap is die voortgestuwd wordt door de industrie. En dat maakt zonder enige twijfel heel veel mensen al van in het begin argwanend. Zeer begrijpelijk, gezien de lange, goed gedocumenteerde historiek van desinformatie en karaktermoorden uitgevoerd door de chemische, tabaks-, en olie-industrieën, om enkel maar de meest gekende onfrisse voorbeelden aan te halen.

Maar ik ontdekte ook dat de angst voor “frankenfood”, wat de vroege tegenstanders van ggo’s sterk bezighield, nooit werkelijkheid werd. Prestigieuze wetenschappelijke instellingen hebben aan het einde van de jaren 2000 de verzamelde resultaten van onafhankelijke onderzoeksgroepen tegen het licht gehouden. Hun conclusie luidde dat biotechnologie bij eetbare gewassen veilig is. Er waren nog wel enkele netelige kwesties omtrent de milieu-impact bij enkele gewassen, bijvoorbeeld of ggo’s het gebruik van pesticides nu verminderden of vergrootten, maar alles samen genomen was er een consensus dat de wetenschap op een productieve manier door de landbouwers gebruikt werd zonder mens of fauna te schaden. Enigszins tot mijn verbazing gingen dezelfde milieubewegingen en bewakers van het algemeen belang die de wetenschappelijke consensus omtrent de verandering van het klimaat wel aanvaardden, deze keer niet akkoord. Zij verwierpen de wetenschappelijke consensus omtrent ggo’s. Het viel me ook op dat ze, om het publieke debat te vertroebelen, een tactiek gebruikten die de olie-, tabaks- en chemische industrie op punt hebben gesteld, namelijk de “handel in twijfel”. Er is bijvoorbeeld een klein netwerk van wetenschappers die de consensus afwijzen en zelfverklaarde experten in anti-ggo-middens die als het ware een weerspiegeling zijn van een soortgelijk netwerk onder klimaatontkenners. De laatste jaren hebben zij dubieuze wetenschappelijke papers en fikse boeken geproduceerd met welluidende titels als The GMO Deception, Altered Genes, Twisted Truth: How the Venture to Genetically Engineer Our Food has Subverted Science, Corrupted Government, and Systematically Deceived the Public. De meest hardnekkige aanhangers van de anti-ggo- en antivaccinatiebeweging en klimaatontkenners worden voortgedreven door een gelijkaardig complotdenken. Als je meer wilt vernemen over hoe dit alternatieve universum werd opgetrokken, lees dan zeker Will Saletans diepgravend stuk voor Slate, waarin hij concludeert: “De strijd tegen genetisch gemodificeerde organismen zit tjokvol paniekzaaierij, vergissingen, fouten en bedrog.”

Met mijn stuk voor Slate uit 2012 wilde ik daar ook de aandacht op vestigen: “Het emotioneel beladen, gepolitiseerd discours over ggo’s wordt verzopen in dezelfde koortsmoerassen die de wetenschap rond de klimaatverandering onherkenbaar aangetast hebben.” De verantwoordelijke partijen zijn milieu groepen, prominente voedselcolumnisten en invloedrijke progressieve schrijvers. Met mijn blog voor Discover (stopgezet in 2015) borduurde ik verder op dit thema. Ik belichtte de bijna constante stroom aan voorvallen waarin de wetenschap verkeerd werd voorgesteld door groene groepen en prominente individuen waarvan ik dacht dat ze beter zouden weten. Dit werd niet echt geapprecieerd door denkers aan de progressieve zijde, een kant die ik nochtans beschouw als mijn natuurlijke habitat.

Wat bedoel ik daarmee? Neem Julia Belluz, wetenschapsjournalist voor Vox die enkele keiharde stukken over Dr. Oz, alternatieve geneeskunde, dieetrages en dies meer heeft geschreven. In een recent stuk beschrijft zij de terugslag die ze heeft mogen ervaren; de titel ervan spreekt boekdelen: Why reporting on health and science is a good way to lose friends and alienate people (Waarom je door te schrijven over gezondheid en wetenschap vrienden verliest en mensen van je vervreemdt.) Dit is absoluut ook mijn ervaring bij mijn reportages over ggo’s. Het wordt zelfs erger wanneer de enige nieuwe vrienden die je maakt na een kritisch artikel over een ecoheilige zoals Vandana Shiva, het soort mensen zijn dat werkt in de labo’s van Monsanto’s hoofdzetel.

Mijn punt is dus: als je journalistieke werk opgevat wordt als een steuntje in de rug van het meest boosaardige bedrijf ter wereld, geloof me, dan riskeer je meer te verliezen dan vrienden alleen. Meer hierover later.

Zet jezelf ondertussen even in de plaats van voedselactivisten en groenen die tegen ggo’s zijn en die werkelijk geloven dat zij aan de kant van de engeltjes staan. Elke ochtend opnieuw ontwaken ze en gaan ze verder met het bestrijden van het Kwaad. Er zijn geen tinten grijs in deze zwart-witte wereld.

Bekijken we de wereld door hun bril: als CEO’s en wetenschappers verbonden aan de industrie bijna al mijn artikelen over hoe verheven progressieve woordvoerders het ggo-debat verdraaien, enthousiast delen op de sociale media, dan moet dat betekenen dat ik een vriend van Monsanto ben, toch? Als de Columbia Journalism Review in 2013 een artikel publiceert over hoe ik de belabberde en bevooroordeelde media-aandacht voor ggo’s zie, dan moet ik wel een slippendrager van de biotechnologische industrie zijn, niet? Als ik in 2015 bericht over hoe wetenschappers uit de openbare sector een verzoek krijgen om hun volledige correspondentie en andere informatie openbaar te maken zoals bepaald door de Freedom of Information Act (FOIA, een Amerikaanse wet op de openbaarheid van informatie, nvdr.) nog voordat de groep activisten achter dat verzoek hiermee in het openbaar willen komen, dan moet ik wel geknecht zijn door de industrie? Als ik de zaak opvolg en afkom met een nieuw exclusief artikel (niet vergeten, ik ben journalist) omtrent de inhoud van die FOIA-verzoeken nog voordat de anti-ggo-groep wil dat deze informatie openbaar wordt gemaakt, dan moet ik toch gewoon in loondienst zijn van de industrie?

Nee, toch niet. Mijn journalistiek werk wordt niet beïnvloed of tegen betaling besteld door de industrie. Ik heb de mythe van de Indiase boeren – de zogezegde link tussen ggo’s en zelfmoorden – zelf ontdekt. Ik heb nooit met Monsanto gesproken, laat staan overlegd, wanneer ik aan een artikel werkte. Wanneer ik voor het eerst schreef over de wijdverspreide foute voorstellingen van plantenbiotechnologie voor Slate in 2012, was ik zelfs amper beginnen praten met wetenschappers in het veld. Ik kon de omgekeerde wereld die de anti-ggo-activisten gecreëerd hadden, afleiden door deze gewoonweg te vergelijken met de wereld van echte wetenschap en gevestigde literatuurstudies. Sindsdien ben ik bekend geworden bij tal van wetenschappers in de publieke biotechsector. Ze vertrouwden erop dat ik over hen op een faire, open en onbevooroordeelde manier zou schrijven. Nadat een aantal van hen een FOIA-verzoek op hun bord kregen op instignatie van een anti-ggo-groep in 2015, lieten ze mij dat weten. Ik schreef er een rechttoe-rechtaan verhaal over voor Science in februari dat jaar. In privé-conversaties liet ik de wetenschappers en onderzoekers weten dat ik in principe, als journalist, geen probleem had met zulke FOIA-verzoeken, hoewel ik heel goed begreep waarom zij zich daardoor aangevallen voelden. Later dat jaar wezen wetenschappers me erop dat duizenden e-mails aan die anti-ggogroep waren vrijgegeven, het resultaat van een FOIA-verzoek aan één bepaalde onderzoeker. Ik rapporteerde over de inhoud van deze e-mails in het tijdschrift Nature, wat een onaangename verrassing was voor de anti-ggo-groep, omdat men al aan het samenwerken was met een andere journalist waarvan ze dachten dat hij waarschijnlijk hun ideologische interesse en filosofie wel zou delen.

Wat er toen gebeurde, was dan weer een onaangename verrassing voor mij.

Keith Kloor: Journalistiek onder vuur 2/4

Deze vertaling verscheen in Wonder en is geen Wonder (Winter 2017), het ledenblad van SKEPP.

* * *

Wat gebeurt er wanneer je als wetenschapsjournalist schrijft over thema’s waarrond milieu-organisaties en andere ngo’s een verdienmodel hebben opgebouwd? “Afhankelijk van het onderwerp geldt in de wetenschapsjournalistiek dat hoe meer je rapporteert over feiten, hoe minder effect het lijkt te sorteren”, schrijft de Amerikaanse wetenschapsjournalist Keith Kloor. Tijdens zijn carrière als journalist en docent journalistiek raakte Kloor gefascineerd door de hardnekkigheid van bepaalde valse narratieven, zoals mythen rond vaccinatie of genetisch gemodificeerde organismen. “Het draait allemaal rond het verhaal en hoe sterk het gebracht wordt”, weet Kloor. Een paar jaar geleden kwam Kloor door een campagne van activisten tegen zijn persoon zelf in de problemen. Door zijn journalistieke werk dreigde hij niet alleen vrienden, maar ook zijn inkomen te verliezen. Of het dit allemaal waard was, is de centrale vraag in dit openhartige essay.

***

Toen ik de bronnen onderzocht die Kennedy’s obsessie voedden, ontdekte ik een parallel universum van “feiten” en “wetenschap” dat zo’n tien, vijftien jaar geleden werd gecreëerd. Ik vond stapels boeken, documentaires, obscure artikelen en websites, de meeste het resultaat van noeste thuisarbeid, die Kennedy’s geloof versterkten in een “neurologische holocaust” veroorzaakt door vaccins en verborgen door het CDC. Kennedy was van streek omdat mijn artikel de “wetenschap” die hij met mij deelde, niet besprak. Omgekeerd waren er sommige wetenschappers die vonden dat ik hem te zacht had aangepakt. In de periode dat ik dit verhaal versloeg, ontmoette ik heel wat intelligente mensen die oprecht geloofden dat de federale overheid de waarheid omtrent vaccins en autisme verborgen houdt (wat trouwens niet het geval is). Ik betwijfel of zij hiervan zo zeker zouden geworden zijn zonder een overkoepelend verhaal van “de goeden tegen de slechten”: Big Pharma is de boosdoener, CDC de handlanger, Kennedy de moedige verkondiger van de waarheid.

In deze wereld heeft Andrew Wakefield de status van een rockster (Wakefield is de Britse dokter en auteur van een frauduleuze studie die in 1998 een golf van paniek veroorzaakte omtrent de inenting tegen de mazelen, de bof en de rode hond). Volgens verschillende peilingen wordt hij door een derde van alle Amerikaanse ouders op handen gedragen, door mensen die verkeerdelijk geloven dat er een link is tussen autisme en vaccinaties, wars van het feit dat Wakefields medische licentie ingetrokken werd en dat zijn werk grondig werd ontkracht door de wetenschappelijke wereld. Maar dat is natuurlijk gewoonweg méér bewijs van een grote samenzwering!

Trumps vurigste supporters leven net zoals de gepassioneerde fans van Kennedy en Wakefield in een eigen mediabubbel met een heel eigen verzameling aan waarheden. Beide bubbels koesteren een minachting voor verdiende reputaties van mensen en instituten. Objectieve feiten kunnen niet binnen dringen in deze afgesloten werelden. Of zoals Brian Stelter van CNN het onlangs verwoordde: “Een groot deel van het land heeft de journalistiek achter zich gelaten en geopteerd voor een alternatieve realiteit.” Het dient vermeld dat Wakefield en enkele medestanders een privé-ontmoeting van een uur met Trump hebben gehad voor de verkiezingsdag. Voordien had Trump zijn geloof in een verband tussen inentingen en autisme al verkondigd. Volgens het tijdschrift Science, dat berichtte over deze ontmoeting, gaf Wakefield aan Trump een kopie van een recente documentaire waaraan hij had meegewerkt, namelijk Vaxxed: From Cover-up to Catastrophe.

Een boosdoener genaamd Monsanto

Tijdens mijn carrière als journalist ben ik altijd gefascineerd geweest door de hardnekkigheid van bepaalde onware narratieven. In 2014 onderzocht ik voor Issues in Science & Technology de oorsprong en voedingsbodem van zo’n verhaal, namelijk dat over de honderdduizenden Indiase boeren die door Monsanto en zijn ggo’s tot zelfmoord zouden gedreven zijn. Dat dit verhaal niet waar was, was na enig onderzoek gemakkelijk aan te tonen. Maar wat mij choqueerde was hoe het verhaal ingebed werd in de media en onvoorwaardelijk voor waar aangenomen werd door zeer schrandere mensen. Ik wilde uitzoeken hoe dat in elkaar stak.

Laat er geen misverstand over bestaan: het leven van kleine Indiase boeren is kei- en keihard. Velen overleven met zeer kleine marges, zonder toegang tot irrigatie, overgeleverd aan een grillig klimaat. Zij hebben geen toegang tot geïnstitutionaliseerd krediet of oogstverzekeringen. Door een ingewikkelde mix van allerhande socio-politieke factoren eindigen al te veel kleine boeren met verpletterende schulden. Voor velen onder hen is zelfmoord de enige uitweg. Het is tragisch en reëel.

En ja, in de vroege jaren 2000 stond de Indiase regering Monsanto toe om genetisch gemodificeerd katoenzaad te verspreiden in het land, wat door heel wat boeren ten zeerste geapprecieerd werd. Maar de “agrarische crisis”, zoals deze in India genoemd wordt, dateert van voor de introductie van gg-katoen en de precaire situatie veranderde in de jaren 2000 amper of niet voor de kleine boeren. Wat wel veranderde was de aandacht die de zelfdodingen in de landbouwsector plots kregen. Een aantal dat, tussen haakjes, lager lag dan het aantal zelfmoorden onder niet-boeren. Hoewel India een eeuwenlange en diepgewortelde traditie heeft wat betreft sociale en genderongelijkheid, een traditie die teruggaat tot het kastensysteem, en hoewel systematische aanvallen en seksueel geweld op vrouwen ook al lang een sociaal probleem is, vonden midden de jaren 2000 activisten in de zelfdodingen hun nieuwe goede doel. Snel trok het de aandacht van de media en van universitaire denktanks. In ongeveer diezelfde periode werden Monsanto en het gg-katoen aangewezen als de voornaamste schuldigen voor de zelfdodingen onder de Indiase boeren. Zoals ik beschreef in mijn artikel “The GMO-Suicide Myth” heeft niemand zich meer ingespannen om dit verhaal te verspreiden en te bestendigen dan Vandana Shiva. Zij en haar organisatie publiceerden rapporten waarin het gg-product van Monsanto ‘zelfmoordzaad’ genoemd werd. Shiva verergerde de vermeende connectie tussen Monsanto en de zelfdodingen onder de Indiase boeren via opiniestukken, interviews en voordrachten. Haar verheven status in de wereld der groenen en haar invloed op vooraanstaande denkers hielpen het verhaal te legitimeren.

Maar dit verhaal kon enkel tot deze proporties uitgroeien in een bestaand en welomschreven kader. En daarin heette de op maat van de media geknipte snoodaard Monsanto of, zoals de tegenstanders het biotechbedrijf noemen, Monsatan. Deze meme, waarin Monsanto op het internet werd opgevoerd als het “meest boosaardige bedrijf ter wereld”, omdat het ’s werelds voedselbevoorrading zou willen overnemen en ‘frankenfoods’ door onze strot wil rammen, was al wijd en zijd bekend in de periode dat Vandana Shiva besliste om hieraan haar verhaal over de zelfdodingen vast te klinken. Ik heb thuis een schap vol boeken die Monsanto een algemene ontaarding van het landbouwbedrijf aanwrijven. Ik heb er documentaires over gezien. Iedereen haat Monsanto, toch? Of dit beeld cartoonesk is? Dat trekken we ons niet aan. Belangrijker is dat het ‘warig’ klinkt. Dus ja, de demonisering van het bedrijf was al aan de gang lang voordat Shiva het beschuldigde van de zelfdoding van 300.000 Indiase boeren. Velen waren al geconditioneerd om dit te geloven. Paul Ehrlich vermeldde het, Bill Moyers knikte gewichtig mee toen Shiva hem het verhaal deed. Dan was er nog de invloedrijke documentaire Bitter Seeds (2012), die Shiva mee in elkaar hielp steken en die door voedseljournalist en activist Michael Pollan de hemel in geprezen werd. De film ging rond in het festivalcircuit. Kijk naar de film, of naar de talloze fragmenten op YouTube, met huilende Indiase families die net een verwante verloren hebben door zelfmoord omwille van ggo’s, en zeg me dan nog eens dat Monsanto niet het pure kwaad belichaamt.

Het draait allemaal rond het narratief, het verhaal en hoe sterk het kan gemaakt worden. De ‘corrupte Hillary’ is een ‘crimineel’, een pediatrisch onderzoeker die van jetje geeft tegen bangmakerij door anti-vaccinatie-activisten, staat op gelijke voet met een nazi-kampbewaker, de wetenschappers van Monsanto hebben ‘zelfmoordzaden’ gecreëerd. Deze verhaallijnen zijn wis en waarachtig voor de mensen die er geloof aan hechten, omdat ze telkens opnieuw versterkt worden met nieuwe informatie, in de vorm van boeken, artikelen, films, voordrachten, segmenten van radioprogramma’s, alle gemaakt door vertrouwde, gelijkgezinde koppen.

In een ideale wereld onderzoeken journalisten en geleerden onbevreesd aannames en onderliggende ideologische verhalen die het beleid en het wetenschappelijk debat beïnvloeden. In de echte wereld, waar groepsidentiteit wel van belang is en reputaties beschermd dienen te worden tegen politiek geïnspireerde aanvallen, hebben sommigen besloten dat bepaalde narratieven best onaangeroerd blijven. Alan Levinovitz, professor religieuze studies aan de James Madison University, was zo iemand die nooit de verhaallijn ‘Monsanto is het pure kwaad’ in vraag had gesteld. Nadat hij een tekst had geschreven waarin hij zich volgens de anti-ggo-mensen te positief had uitgelaten over biotechnologie, werd hij ervan beschuldigd een betaalde pion te zijn in dienst van. In een reactie schreef hij droogweg:

“Zoals de meeste mensen wist ik precies hoe Monsanto was, zonder er ooit al te hard te hebben over nagedacht. Ik wist dat Monsanto boeren de vergetelheid in procedeerden, dat Monsanto aan de basis lag van een lange reeks zelfmoorden in India, dat Monsanto negatieve mediaberichten onderdrukte, dat Monsanto politici en wetenschappers betaalde om voor hen te liegen.
Maar er was één verhaal dat ik niet geloofde omdat ik wist dat het niet waar was: mij had Monsanto niet betaald. En dus deed ik wat elke academicus of journalist zou moeten doen, ik begon namelijk te lezen en te leren over het bedrijf dat me zogezegd op zijn loonlijst had staan.”

Levinovitz ging praten met wetenschappers van Monsanto en al snel werd het plaatje heel wat ingewikkeldder, namelijk dat van een grote multinational “die een grote verscheidenheid aan mensen in dienst heeft. Sommigen willen zo snel mogelijk zo veel mogelijk verdienen. De voornaamste zorg van anderen was dan weer om zo degelijk mogelijk wetenschappelijk onderzoek te doen.” Hij begon het idee te koesteren om een verguisd bedrijf dat volledig gedemoniseerd was – en met het bedrijf misschien wel een hele tak van de wetenschap – te vermenselijken. “Maar dan besefte ik dat ik dat verhaal nooit zou schrijven”, noteert Levinovitz in zijn essay. “Het sop was de kolen niet waard. Waarom zou ik mezelf, ook al is het maar even, associëren met de Duivel? Andere journalisten hebben me verteld dat ze hetzelfde ervaren.” Hij vermeldt bijvoorbeeld Nathanael Johnson, een journalist die voor Grist schrijft over voeding en landbouw, die ook zei: “Het heeft een verkrampende uitwerking op mij en daar ben ik niet trots op.”

Geen enkele journalist kijkt uit naar de slangenkuil die hem of haar onvermijdelijk wacht wanneer je bezig bent met onderwerpen in verband met gecontesteerde wetenschap. Als ik terugkijk op mijn eigen ervaringen van de laatste jaren, dan vraag ik me ook af of ik er niet beter aan gedaan had om bepaalde onderwerpen te mijden.

Wordt vervolgd

Keith Kloor: Journalistiek onder vuur 1/4

Deze vertaling verscheen in Wonder en is geen Wonder (Winter 2017), het ledenblad van SKEPP.

* * *

Wat gebeurt er wanneer je als wetenschapsjournalist schrijft over thema’s waarrond milieu-organisaties en andere ngo’s een verdienmodel hebben opgebouwd? “Afhankelijk van het onderwerp geldt in de wetenschapsjournalistiek dat hoe meer je rapporteert over feiten, hoe minder effect het lijkt te sorteren”, schrijft de Amerikaanse wetenschapsjournalist Keith Kloor.

Tijdens zijn carrière als journalist en docent journalistiek raakte Kloor gefascineerd door de hardnekkigheid van bepaalde valse narratieven, zoals mythen rond vaccinatie of genetisch gemodificeerde organismen. “Het draait allemaal rond het verhaal en hoe sterk het gebracht wordt”, weet Kloor. Een paar jaar geleden kwam Kloor door een campagne van activisten tegen zijn persoon zelf in de problemen. Door zijn journalistieke werk dreigde hij niet alleen vrienden, maar ook zijn inkomen te verliezen. Of het dit allemaal waard was, is de centrale vraag in dit openhartige essay.

***

Enkele weken na de Amerikaanse verkiezingen, terwijl men bezig was met het tellen van de laatste stemmen, berichtten de media dat Hillary Clinton twee miljoen stemmen
méér had behaald. Op 27 november tweette de net verkozen Donald Trump: “Ik heb de meeste stemmen behaald, als je de miljoenen mensen wegneemt die onwettig gestemd hebben.” Trump noch zijn raadgevers gaven enig bewijs voor hun uitspraak.

Journalisten traceerden de oorsprong van de claim tot bij een website die gekend is voor het koortsachtig promoten van complotverhalen. Tijdens en na de verkiezingscampagne van 2016 verkondigde Trump tal van overduidelijk onware beweringen die door journalisten als dusdanig geduid werden, genre “Obama richtte ISIS op” en “Natuurlijk was er een grootschalige verkiezingsfraude voor en op de dag van de stemming”. Het had geen negatief gevolg voor zijn resultaten in de peilingen, en het verminderde het enthousiasme bij zijn aanhangers hoegenaamd niet. Hij herhaalde vaak leugenachtige uitspraken nadat men onomstotelijk had aangetoond dat die inderdaad onwaar waren. Normaal gezien zou dit gevolgen moeten hebben voor iedereen die zich opwerpt als een ernstig presidentskandidaat. Maar zoals Susan Glasser van het mediabedrijf Politico schreef in een essay voor het Brookings Institution: “Zelfs het fact-checken van beweringen uit de mond van mogelijk de meest oneerlijke kandidaat in de recente geschiedenis maakte niets uit; hoe meer de media zich uitsloofden om de uitspraken te controleren, hoe minder impact die controle bleek te hebben.”

Beste politieke journalisten, beste collega’s, welkom in de wereld van de wetenschapsjournalistiek. Afhankelijk weliswaar van het onderwerp geldt ook in deze tak van de journalistiek dat hoe meer je rapporteert over feiten, hoe minder effect het lijkt te sorteren. Collega’s in de frontlinies van het klimaatdebat, u mag instemmend knikken. Idem dito voor de wetenschappers en de wetenschapscommunicatoren die verstrikt raken in de discussie over genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) of die antivaccinatie-activisten hebben nagejaagd tot ver in hun hol.

Donald Trumps onwaarschijnlijke triomftocht naar het Witte Huis heeft velen gechoqueerd, maar de tactieken die dit mogelijk maakten, waren zeer herkenbaar voor diegenen onder ons die vertrouwd zijn met de omgekeerde wereld van de wetenschapscontestatie. Trumps succes was gebaseerd op technieken die over het hele politieke spectrum gebruikt worden wanneer vaststaande wetenschappelijke feiten aangevochten worden.

Het is in de eerste plaats belangrijk om te begrijpen dat de succesvolle strategie van Trump draait rond het demoniseren van tegenstanders en het discrediteren van zijn criticasters. Bijvoorbeeld vervelende, feiten controlerende journalisten. Dit vroeg om een overkoepelend verhaal, eentje over een diepgeworteld en corrupt politiek establishment, belichaamd door Hillary Clinton. Dat verhaal begint al in de jaren 1990, maar Trump en zijn team bouwden erop verder. Ze maakten daarbij dankbaar gebruik van de mediakanalan van bondgenoten zoals Steve Bannon, de voormalige voorzitter van Breitbart Media, een bedrijf dat anti-Clintonboeken en -documentaires verspreidde. Bannon werd het hoofd van Trumps campagne, daarna zijn voornaamste politieke strateeg en raadsman. Gebeurtenissen buiten de campagne, zoals onthullingen door WikiLeaks en aankondigingen door het FBI, gaven het gevoel dat het wel eens waar zou kunnen zijn. Dat versterkte het hoofdstuk ‘corruptie’ in het grotere verhaal. Denk aan de roepkoren die tijdens de optredens van Trump scandeerden dat Hillary Clinton opgesloten moest worden.

De komiek Stephen Colbert lanceerde al in 2006 de term “waanwaarheid” (truthiness): “iets wat lijkt op de waarheid, en meer bepaald die waarheid waarvan wij willen dat zij bestaat”. Sindsdien voorzien sociale media, met Facebook en Twitter voorop, ons van een gestage stroom aan nieuws en informatie die onze eigen voorkeuren en (voor)oordelen steeds weer opnieuw lijken te bevestigen. Zijn we met de verkiezing van Trump in 2016 een stap verder gegaan, van “waanwaarheid” tot wat sommige politieke commentatoren het post-truth-tijdperk zijn gaan noemen? Post-truth wordt door het Oxford Dictionary gedefinieerd als een staat “waarin objectieve feiten minder invloedrijk zijn bij het vormen van de publieke opinie dan het appél aan emoties”. Maar dit geeft niet exact weer hoe Trump c.s. de realiteit verdraaide op weg naar het Witte Huis. Dat doet men niet door gewoonweg een beroep te doen op emoties. Hiervoor heeft men een verhaal nodig dat door de media wordt verspreid en waarin slechteriken, handlangers en helden figureren. De technieken die men hiervoor gebruikt toonden al lang geleden dat ze effectief zijn in het manipuleren van percepties bij het publiek en in het ter discussie stellen van bepaalde wetenschappelijke onderwerpen.

Kwaadaardige inentingen

Enkele jaren geleden kreeg ik een telefoontje van een bekende milieuactivist. Nadat hij zichzelf kort had voorgesteld, viel Robert Kennedy Jr. meteen met de deur in huis. “Ik probeer uit te vissen”, zei hij, “of u een spreekbuis bent die door Big Pharma betaald wordt.” Kennedy heeft een bewonderenswaardig en ellenlang curriculum vitae als milieuadvocaat en -activist. Hoewel we nog nooit met elkaar gesproken hadden, wist hij dat ik in de jaren 2000 gewerkt had als redacteur van het tijdschrift van de National Audubon Society, een nonprofit organisatie die zich inzet voor de bescherming van vogels. Dat hij zich afvroeg of ik een handpop (of ‘marionet’, nvdr.) van de industrie geworden was, verbaasde me ten zeerste, maar ik wist wat hem tot deze gedachtesprong had aangezet. Niet lang daarvoor had Kennedy een vurige speech gegeven op een conferentie van een bekende anti-vaccinatiegroep. Net zoals de daar aanwezigen is Kennedy er rotsvast van overtuigd dat inentingen op jonge leeftijd (wat hij beschrijft als een “neurologische holocaust”) verantwoordelijk zijn voor het verhoogde aantal kinderen die gediagnosticeerd worden met autisme, én dat de bewijzen hiervoor verborgen worden gehouden door de regering die onder een hoedje speelt met de farmaceutische industrie. Prominente leden van de wetenschappelijke gemeenschap zijn ook medeplichtig, verzekerde hij zijn publiek. Bepaalde mensen, zoals een pediatrisch onderzoeker die openlijk voorstander was van vaccinatie, vergeleek hij met nazi-kampbewakers. “Zij horen thuis achter slot en grendel en de sleutels zouden we moeten weggooien”, voegde hij eraan toe.

In 2013 bekritiseerde ik deze laag-bijde-grondse uitspraken in het tijdschrift Discover en merkte ik op dat Kennedy dit pad al eens bewandeld had. In het midden van de jaren 2000 veroorzaakte hij een serieuze rel toen hij in een veelgelezen interview met het tijdschrift Rolling Stone voor de eerste keer beweerde dat er een misdadige doofpotoperatie om de vaccinatieschade te minimaliseren aan de gang was, geleid door de Centers for Disease Control and Prevention (CDC). De vuige aantijgingen werden grondig ontkracht nadat ze kritisch onderzocht waren door toonaangevende wetenschapsjournalisten. Maar de standpunten van Kennedy verhardden in de loop der jaren en zijn uitspraken kregen een opruiend karakter. In die periode schreef ik: “Omwille van zijn status als Bekende Amerikaan en zijn positie in middens van progressieven en milieuactivisten kan beargumenteerd worden dat Kennedy meer dan zijn steentje heeft bijgedragen tot het verspreiden van onnodige angst voor al te gekke complottheorieën omtrent vaccinaties.”

Dit gaf aanleiding tot het boze telefoontje en zijn verdenking dat ik op de loonlijst van Big Pharma stond. Nadat ik hem van deze illusie verlost had, praatte Kennedy het volgende uur vol over het “explosieve boek” dat hij binnenkort zou uitbrengen en waarin hij het verband beschrijft tussen inentingen en neurologische ontwikkelingsstoornissen. Hij vermeldde ook dat hij binnenkort zou vergaderen met vooraanstaande leden van het Congres en toplui binnen verschillende nationale agentschappen om zijn zaak nog meer gewicht te geven.

Deze merkwaardige ontwikkelingen, een bijproduct van zijn fanatisme, overtuigden me om het verhaal van Kennedy’s fixatie te vertellen. Mijn stuk over hem verscheen in de Washington Post in 2014. Ik beschreef hoe zijn ideeën haaks stonden op die van de gevestigde wetenschap, dat zijn vergaderingen in Washington tot niets leidden, dat hij levenslange medestanders in de openbare gezondheidssector van zich had vervreemd, en misschien wel het meest verbijsterende, dat hij zijn kruisvaart niet zou beëindigen. Het verhaal gaf aanleiding tot zeer uiteenlopende reacties. De felste reacties vielen uiteen in twee verschillende groepen. Aan de ene kant schudde men collectief het hoofd in afkeer. Deze mensen beschouwden Kennedy als een van de goeien die stapelgek is geworden, iemand die “met zijn nieuwe en onbegrijpelijke kruistocht een onfatsoenlijke sprong in de wereld van anti-wetenschap had gemaakt”, zoals Jeffrey Kluger in Time schreef. De andere kant, vooral degenen die eerder al hun wantrouwen tegenover staatsinstanties en het medische establishment hadden uitgedrukt, prees Kennedy als een dappere “held”.

Zelfde verhaal, twee diametraal tegenovergestelde reacties. Hoe kan dat?

Wordt vervolgd

Peak Doom Voorbij

Dit oudere artikel heb ik oorspronkelijk gepost op mijn vorige blog Book Liberation Movement. Het verscheen in licht gewijzigde vorm op BackCover.be. Het boek van Phillips is wat mij betreft nog steeds een must-read voor iemand die groen en links ter harte neemt.

* * *

“De klimaatsverandering is een te grote en te serieuze uitdaging om over te laten aan de groene politieke partijen.” Het is niet de eerste keer dat een dergelijke slagzin in een publicatie over ecologie en milieu opduikt. De filosoof Roger Scruton gebruikte een variant in zijn boek Groene filosofie (2012) en breide er een uitgesproken conservatief  tegenverhaal aan vast.

Voor Leigh Phillips, journalist voor onder meer Nature en The Guardian, is de boutade een startschot om het traditionele groene gedachtegoed te tackelen, maar dan vanaf de linkerzijde.

Peak Oil, Peak Phosphate, Peak Water. Volgens de paniekerige supportersschare van de Club van Rome hebben we deze keer echt wel de grenzen aan de groei bereikt, en dat ondertussen al zo’n 35 jaar lang. Ondanks Thomas Robert Malthus en Paul Ehrlich zijn er te veel mensen op deze planeet en we groeien, produceren en consumeren onszelf en het milieu kapot. We gaan er allemaal aan en technologie noch wetenschap kunnen ons redden. Integendeel, volgens heel wat mensen zijn zij net de hoofdverantwoordelijken voor de aanstormende ecologische apocalyps. Grootschaligheid is schadelijk, economische groei nefast. We moeten het kapitalisme en zijn nog gemenere neefje, het neoliberalisme, achter ons laten en teruggaan naar de knusse natuur, leven in kleine gemeenschappen die zichzelf kunnen voorzien in de geneugten van een eenvoudig, natuurlijk leven.

Phillips, zelf een rode rakker, maar dan van de traditioneel socialistische stempel, is ook
getroebleerd door de uitwassen van het kapitalisme en het neoliberalisme en dus door de afbraak van de staat en de publieke sector. Verder beseft hij ten volle dat de situatie op deze aardkloot precair aan het worden is. Zijn boek is een onverholen oproep om iets doen aan de ecologische puinhoop en de globale klimaatsverandering, en snel een beetje. Maar op berichten van hel en verdoemenis, van inkrimping en degrowth, van antiwetenschap en antitechnologie heeft hij het evenmin begrepen.

Leigh Phillips richt zijn pijlen op twee, drie schijnbare uitersten van eenzelfde
tegenbeweging, verschillende polen die elkaar aanvullen en aanzwengelen eerder dan
tegenspreken: de liefhebbers van wat hij donkergroene apocalypsporno noemt, militante voorstanders (en uitvoerders) van ecoterreur en de meestal iets minder proto-genocidaal geïnspireerde degrowth-menigte. Die laatste groep is het ruimst vertegenwoordigd, maar hun gedachtegoed wordt evenzeer gevoed door deep ecology denkers en de Deep Green Resistance-beweging, genre Derrick Jensen, en donkergroene anarchisten als een John Zerzan, elk met hun weinig menslievend wereldbeeld. Een van de meest populaire vertegenwoordigers van de degrowth-massa
is de ogenschijnlijk gematigdere Naomi Klein, die in Phillips’ boek dan ook een hoofdrol krijgt.

Om een ruw idee te geven van wat hier bedoeld wordt met antitechnologische en
antiwetenschappelijke denkbeelden: voor Derrick Jensen is het enige technologisch
aanvaardbare niveau dat van het stenen tijdperk, voor John Zerzan is de neolithische
landbouw de ground zero van het menselijke verval. Voor Zerzan was de ontwikkeling van het menselijk taalvermogen enkele tienduizenden jaren eerder al een veeg teken aan de grotwand dat het nooit zou goed komen met de Homo sapiens sapiens.

Naomi Klein daarentegen is dan weer iets gevarieerder, of rekbaarder zo u wil, wat het niveau betreft waarnaar degrowth ons moet brengen. Daalt u even mee af naar de krochten van de menselijke geschiedenis: in This Changes Everything (2014) wijst ze de jaren 1970 aan, de periode vóór de consumptiegekte van de jaren 1980. In hetzelfde boek wordt dat plots 1776, want vanaf dan hield de mensheid op met het volgen van “het natuurlijke ritme van het waterrad” ten voordele van steenkool. Eerder schreef ze dat de Wetenschappelijke Revolutie in de 17 eeuw onze erfzonde was, dat we moeten teruggaan naar het niveau van de middeleeuwen, of naar een mythisch Arcadia van voor de Judeo-Christelijke invloeden. Kort samengevat: de periode waarnaar we volgens Klein moeten degroeien, is het moment waarop het rabbit hole een emmer vol snot wordt, en een verwonderd meisje een gladde paling.

Maar volgens Phillips hebben de au fond anti-humanistische onheilsberichten van de Club van Malthus, Ehrlich, Rome, Jensen, Zerzan, Klein en ondertussen ook de Ploeg van ‘t Vaticaan geen plaats meer in de toekomst. Hij pleit ervoor om zowel de nuttige analyses en kritieken uit hun verhalen te halen, maar evenzeer moeten we beseffen dat het hoog tijd wordt om Peak Doom achter ons te laten. Phillips voert aan dat we dringend op een positieve, constructieve en democratische manier moeten leren om gaan met het tijdvak dat voor ons ligt, het antropoceen.

“De terugnaardenatuurdoctrine, overladen met waarden en emoties, religieus met een
neiging tot mystiek, zorgt af en toe voor mooie poëzie, maar wetenschap is het zeker
niet”, stelt Phillips. En volgens hem hebben we nu net meer wetenschap en technologie
nodig, en minder wollige feel good, om steeds meer mensen een bestaan te kunnen
verzekeren dat menswaardig is. Het gedachtegoed van de antitechnologische fractie
binnen de zogenaamde progressieve linksgroene beweging noemt hij een koekoeksei in het linkse nest.

Ook de doemgedachte van Malthus, de Britse pastor-econoom (er zijn te veel mensen
voor te weinig bronnen en middelen), veegt hij van de kaart en niet alleen met een
welgekozen citaatje van Friedrich Engels: “there still remains a third element which,
admittedly, never means anything to the economist [Malthus] – science – whose progress is as unlimited and at least as rapid as that of population”. Phillips vecht de idee aan dat er geen oneindige groei kan zijn op een eindige planeet. Decoupling (steeds minder grondstoffen per geproduceerde eenheid door technologisch ingrijpen) op zich kan leiden tot meer productie en meer vervuiling, althans in een kapitalistisch kader. In een democratisch geplande economie daarentegen, waarbij meer belang wordt gehecht aan de waarde die een product heeft voor de maatschappij, eerder dan voor de zelfvalorisatie van het kapitaal, is decoupling wél een waardevolle strategie.

Naomi Kleins degrowth-beweging verwijt hij gebrekkige ambities. Een socialist
daarentegen stopt volgens Phillips nooit met meer te eisen voor iedereen. Het mag dan
ook niet verbazen dat voor hem de idee van grenzen aan de groei een kenmerk is van een beperkende ideologie die zich uiteindelijk tegen mensen zal keren. Economische groei heeft het overgrote deel van de westerse bevolking uit het slop van een rits duistere tijdsvakken gehaald. En nu is niet de moment om te vergeten of te negeren dat er nog steeds miljarden mensen uitkijken naar een grotere materiële welstand. De-groei
is voor hen geen optie. Phillips maakt het ons bovendien heel duidelijk wie de eersten zijn die kunnen profiteren (of moet ik schrijven op adem komen) van een economische groei. Wasmachine, gasleidingen, stromend water en al die andere, schijnbaar triviale
huishoudtechnologieën hebben vrouwen in staat gesteld om de arbeidsmarkt te betreden en geld te verdienen, financieel onafhankelijk te worden. Wat dan weer geleid heeft tot kleinere gezinnen waar alle kinderen meer kansen krijgen, dus ook de meisjes.

De voorstellen van Phillips zijn van weinig waarde indien de staat niet sterker en
democratischer wordt. Voor hem hangt dit samen met een economisch systeem dat moet gezuiverd worden van de kapitalistische en neoliberale uitwassen, of zelfs maar
invloeden. De publieke sector is de drijvende kracht achter innovatie en implementatie van technologie, niet de kapitalistische roofbaronnen. Enkel een staat kan en wil grootse projecten opstarten die hele bevolkingsgroepen ten goede kunnen komen. En ook hier ziet hij de degrowth-beweging van Naomi Klein c.s. als een obstakel eerder dan als een bondgenoot. Hij verwijt hen zelfs gevangenen te zijn van het zogenaamde kapitalistisch-realisme, de idee dat er maar een werkelijk en mogelijk systeem is en dat een leefbaar alternatief onmogelijk is. De antipromethiaanse ideeën van links wordt eerder gekenmerkt door een melancholie naar verloren emancipatie dan door de wil om voor die emancipatie (terug) op te komen. Wat ons wordt opgedrongen, aldus Phillips, is een tegenstelling tussen technologisch roofkapitalisme enerzijds en een organisch, wollig primitivisme anderzijds. Phillips gaat nog een stap verder: de groen antimoderniteit bedreigt het neoliberalisme niet, het is er een uiting van! Het protest van Klein is een manifestatie van wat zij meent te bekampen. Volgens de auteur moet er dringend werk worden gemaakt van een modern, hoogtechnologisch antikapitalisme.

“Let’s take over the machine”. Niet de rem erop of de machine stilleggen. Overnemen,
bedachtzaam en doordacht, in de volle overtuiging dat vooruit de enige optie is voor
gezondere mensen op een gezondere planeet.

Leigh Phillips: Austerity ecology & the collapsporn addicts. A defence of growth,
progress, industry and stuff (2015)

Een ecomodernistisch manifest

Samen met Bart Coenen, hoofdredacteur van BackCover.be en van Wonder en is gheen Wonder, vertaalde ik An Ecomodernist Manifesto, een manifest geschreven door het Breakthrough Institute. Onze vertaling verscheen op de website ecomodernism.org en later, in gewijzigde vorm, in het boek Ecomodernisme. Het nieuwe denken over groen en groei (Nieuw Amsterdam, 2017).

* * *

De uitspraak dat de Aarde een menselijke planeet is, wordt elke dag een beetje meer waar. Mensen zijn gemaakt van de Aarde en de Aarde is herschapen door mensenhanden. Wetenschappers stellen dat de Aarde een nieuw geologisch tijdvak heeft betreden: het Antropoceen, het Tijdperk van de Mens.

Wij academici, wetenschappers, campagnevoerders en burgers schrijven dit manifest in de overtuiging dat verstandig toegepaste kennis en technologie kunnen zorgen voor een goed en zelfs een groots Antropoceen. In een goed Antropoceen gebruikt de mens zijn groeiende sociale, economische en technologische vaardigheden om het leven beter te maken, het klimaat te stabiliseren en de natuur te beschermen.

Hierbij onderschrijven wij een oud ideaal, namelijk het idee dat de mensheid haar impact op het milieu moet verkleinen om plaats te maken voor natuur. Maar tegelijk verwerpen we het idee dat menselijke samenlevingen in harmonie moeten leven met de natuur om zo een economische en ecologische ineenstorting te vermijden.

Deze twee idealen zijn niet langer verzoenbaar. Natuurlijke systemen kunnen niet beschermd of verbeterd worden wanneer de mens er voor zijn levensonderhoud en welzijn in toenemende mate van afhangt.

Het intensiveren van tal van menselijke activiteiten (zoals landbouw, energiewinning, bosbouw en stadsontwikkeling) met als doel minder land te gebruiken en de impact op het milieu te verminderen, is de sleutel tot het loskoppelen van menselijke ontwikkeling en natuur. Deze socio-economische en technologische processen staan centraal in de economische modernisering en de milieubescherming. Samen zullen zij ons in staat stellen om de klimaatverandering binnen de perken te houden en armoede te verlichten.

Hoewel wij in het verleden onafhankelijk van elkaar schreven, worden onze visies en ideeën steeds meer als een geheel bediscussieerd. We noemen onszelf ecopragmatici en ecomodernisten. Wij schreven dit manifest om onze ideeën te verduidelijken en om toe te lichten hoe we de buitengewone krachten van de mensheid in dienst van een goed Antropoceen kunnen stellen.

1.

De laatste twee eeuwen floreert de mensheid. De gemiddelde levensverwachting steeg van 30 tot 70 jaar. Dat resulteerde in een grote en groeiende bevolking die kan overleven in zeer verschillende omgevingen. De mensheid heeft een buitengewone vooruitgang geboekt in het terugdringen van besmettelijke ziekten en hun gevolgen. Mensen zijn ook weerbaarder geworden tegenover extreme weersomstandigheden en natuurrampen.

Geweld nam in al haar vormen aanzienlijk af en is waarschijnlijk op haar laagste punt ooit, ondanks de verschrikkingen van de 20ste eeuw en het huidige terrorisme. Globaal gezien schoven mensen op van autocratische regeervormen naar de liberale democratie, gekenmerkt door de rechtsstaat en een groeiende vrijheid.

Persoonlijke, economische en politieke vrijheden verspreidden zich wereldwijd en worden vandaag ruim geaccepteerd als universele waarden. Modernisering bevrijdt vrouwen van traditionele rolpatronen, terwijl zij zelf steeds meer zeggenschap krijgen over de eigen vruchtbaarheid. Een historisch hoog aantal mensen – zowel in percentage als in absolute cijfers – is bevrijd van onzekerheid, schaarste en uitbuiting.

Tegelijkertijd heeft het menselijk succes een ernstige tol geëist van de natuurlijke, nietmenselijke omgeving en van de wilde dieren. Mensen hebben ongeveer de helft van het ijsvrije land in gebruik genomen. Vooral voor begrazing, het telen van gewassen en de productie van hout. 20 percent van het land dat ooit bebost was, is nu omgezet voor menselijk gebruik. Alleen al de laatste 40 jaar namen de populaties van vele zoogdieren, amfibieën en vogels met de helft af. Meer dan 100 soorten van deze klassen zijn uitgestorven in de 20ste eeuw en ongeveer 785 soorten sinds 1500. Terwijl we dit schrijven blijven nog maar vier noordelijke witte neushoorns over.

Omdat mensen volledig afhankelijk zijn van de levende biosfeer, moeten we ons afvragen hoe het mogelijk is dat ze zo veel schade aanrichten aan natuursystemen zonder zichzelf schade toe te brengen.

De rol van technologie in het reduceren van de menselijke afhankelijkheid van de natuur verklaart deze paradox. Menselijke technologieën – van degene die landbouw in staat stelden het jagen en verzamelen te vervangen tot de technologieën die de huidige geglobaliseerde economie voortstuwen – hebben ervoor gezorgd dat mensen minder afhankelijk zijn van de vele ecosystemen die hen ooit helemaal onderhielden, zelfs wanneer diezelfde ecosystemen daardoor zwaar beschadigd werden.

Ondanks de vaak gehoorde bewering sinds de jaren 1970 dat er fundamentele “grenzen aan de groei” zouden zijn, zijn er tot nu toe opvallend weinig bewijzen dat in de nabije toekomst de menselijke bevolking en de economische expansie de capaciteit om voedsel te verbouwen of om levensnoodzakelijke materialen te produceren zou overvleugelen.

Als er al fysieke grenzen aan menselijke consumptie zijn, dan zijn deze zo theoretisch dat ze functioneel irrelevant worden. De hoeveelheid zonnestralen die op de aarde botst bijvoorbeeld, is uiteindelijk wel eindig, maar op zich legt dit geen beperking op aan menselijke ondernemingen. De menselijke beschaving kan gedurende eeuwen en zelfs millennia draaien op energie die opgewekt wordt door kernsplitsing in uranium- of thoriumreactoren of door kernfusie (waterstof deuteriumfusie). Een goed beleid kan ervoor zorgen dat mensen niet het risico lopen op een gebrek aan landbouwgrond. Met genoeg land en ongelimiteerde energie is het mogelijk om alternatieven te zoeken voor andere materialen die nodig zijn voor het menselijk welzijn en die schaars en duur dreigen te worden.

Er zijn echter ernstige milieudreigingen die op de lange termijn het menselijk welzijn kunnen schaden, zoals antropogene klimaatverandering, de verarming van de ozonlaag in de stratosfeer en oceaanverzuring. Hoewel het moeilijk is om deze risico’s te becijferen, is er genoeg bewijs dat ze een wezenlijk risico op een globale catastrofale impact op leefgemeenschappen en ecosystemen inhouden. Zelfs graduele, niet-catastrofale gevolgen die geassocieerd kunnen worden met deze bedreigingen, zullen waarschijnlijk uitmonden in aanzienlijke menselijke en economische kosten en in stijgende ecologische verliezen.

Grote delen van de wereldbevolking lijden echter onder meer directe lokale milieu- en gezondheidsrisico’s. Luchtverontreiniging, zowel binnenshuis als buitenshuis, veroorzaakt jaarlijks nog steeds heel wat ziekte en de voortijdige dood van miljoenen mensen. Watervervuiling en ziekten die ontstaan in verontreinigde en gedegradeerde stroomgebieden veroorzaken gelijkaardig lijden.

2.

Hoewel de menselijke impact op het milieu in zijn totaal blijft stijgen, is er een waaier aan trends die op lange termijn voor een substantiële ontkoppeling van menselijk welzijn en milieu-impact kunnen zorgen.

Ontkoppeling manifesteert zich zowel in relatieve als in absolute termen. Relatieve ontkoppeling houdt in dat de menselijke impact op het milieu trager stijgt dan de gehele economische groei. Met andere woorden, voor elke eenheid van economische output is er minder impact op het milieu (bijvoorbeeld ontbossing, vervuiling of verlies aan dieren). De globale impact kan nog wel groter worden, maar verloopt trager dan anders het geval zou zijn. We spreken over absolute ontkoppeling wanneer de totale geaccumuleerde milieuimpact piekt en daarna afneemt, zelfs wanneer de economie verder blijft groeien.

Ontkoppeling kan gestimuleerd worden door technologische en demografische trends. Meestal is het een resultaat van een combinatie van beide.

De groeisnelheid van de menselijke bevolking heeft zijn hoogtepunt al bereikt. De huidige groei bedraagt één percent per jaar, lager dan de 2,1 percent in de jaren 1970. De vruchtbaarheidscijfers in landen die samen meer dan de helft van de wereldbevolking uitmaken, liggen lager dan het vervangingsniveau. De huidige bevolkingsgroei kan voornamelijk toegeschreven worden aan een langere levensduur en een daling van de kindersterfte; niet aan stijgende vruchtbaarheidscijfers. Gezien de huidige trends is het best mogelijk dat de omvang van de menselijke bevolking deze eeuw een hoogtepunt bereikt en dan begint af te nemen.

Trends in bevolkingsaantallen zijn onlosmakelijk verbonden met andere demografische en economische dynamieken. Het is de eerste keer in de geschiedenis van de mensheid dat meer dan de helft van de wereldbevolking in steden woont. Men verwacht dat tegen 2050 70 percent in steden zal wonen, een aantal dat waarschijnlijk stijgt tot 80 percent of meer tegen het einde van de eeuw. Steden kennen zowel een hoge bevolkingsdichtheid als lage vruchtbaarheidscijfers.

Steden beslaan slechts 1 à 3 percent van het aardoppervlak en toch bieden zij plaats aan bijna 4 miljard mensen. Zo stimuleren en symboliseren ze de menselijke loskoppeling van de natuur. Steden voorzien ook veel efficiënter dan plattelandseconomieën in onze materiële behoeften en ze verminderen onze impact op het milieu.

De groei van steden en de economische en ecologische voordelen die daar het gevolg van zijn, zijn onlosmakelijk verbonden aan verbeteringen in de landbouwproductiviteit. Omdat in de landbouw efficiënter gebruik wordt maakt van land en arbeid, ruilde landelijke bevolking het platteland in voor de stad. In 1880 werkte ruw genomen de helft van de bevolking van de Verenigde Staten op het land, vandaag is dat minder dan twee percent.

Verlost van hard labeur in de landbouw kwam een enorm menselijk potentieel vrij voor andere ondernemingen. De steden van vandaag zouden niet bestaan zonder de radicale vernieuwingen in delandbouw. Modernisering daarentegen, is niet mogelijk in een op zelfvoorziening gebaseerde landbouw.

Deze verbeteringen in de landbouwsector zorgden niet alleen voor een vermindering van de vereiste arbeid per eenheid geproduceerde output, maar ook voor een vermindering van het nodige land. Dit is geen nieuwe trend: stijgende opbrengsten zorgen al duizenden jaren voor een reductie van het land dat nodig is om de mens te voeden. Het gemiddelde landgebruik per hoofd ligt een pak lager dan 5000 jaar geleden, ondanks het feit dat de moderne mens een veel rijker dieet heeft. Dankzij technologische verbeteringen in de landbouw sinds 1960 halveerde de gemiddelde hoeveelheid land dat nodig is om gewassen te telen en om dieren te voederen.

Intensivering van de landbouw en het afnemend gebruik van hout als brandstof, heft gezorgd voor een netto herbebossing in vele delen van de wereld. Ongeveer 80 percent van New England is vandaag bebost, tegenover ongeveer 50 percent aan het einde van de 19de eeuw. Gedurende de laatste 20 jaar is de hoeveelheid land voor bosbouw en houtproductie met 50 miljoen hectare afgenomen, een gebied zo groot als Frankrijk. De “bostransitie” – van netto ontbossing tot netto bebossing – lijkt even kenmerkend voor ontwikkeling als de demografische transitie (waarbij het geboortecijfer vermindert) kenmerkend is voor de afname van armoede.

Ons gebruik van andere hulpbronnen kwam op een gelijkaardige manier tot een hoogtepunt. De hoeveelheid water nodig voor een gemiddeld dieet nam met bijna 25 percent af gedurende de laatste halve eeuw. Stikstofvervuiling blijft verantwoordelijk voor eutrofiëring en grote dode zones in bijvoorbeeld de Golf van Mexico. Terwijl de totale hoeveelheid vervuiling door stikstof toeneemt, neemt het gebruik per productie-eenheid aantoonbaar af in de ontwikkelde landen.

In tegenstelling tot de vaak geuite angst dat een eindeloze groei zal botsen met een eindige planeet, kan de vraag naar tal van goederen verzadigd geraken wanneer gemeenschappen rijker worden. Vleesconsumptie bijvoorbeeld, is over haar hoogtepunt heen in vele rijke landen en verschuift van rundvlees naar proteïnebronnen waarvoor minder land nodig is.

Eens aan de vraag naar goederen voldaan is, dan zien we in ontwikkelde economieën hogere uitgaven voor diensten en kennissectoren. Die vereisen minder materiaalgebruik en staan in voor een groeiend aandeel in de economische activiteit. Deze dynamiek is mogelijk nog sterker in de opkomende economieën. Zij kunnen hun voordeel doen bij het feit dat ze meteen kunnen gebruikmaken van grondstof-efficiënte technologieën.

Neemt men al deze trends samen, dan betekent dit dat de totale menselijke impact op de omgeving, inclusief het landgebruik, overexploitatie en vervuiling, deze eeuw kan pieken en vervolgens afnemen. Door deze opkomende processen te begrijpen en te bevorderen kunnen we de Aarde vergroenen en tal van wilde dieren herintroduceren. Zelfs wanneer de ontwikkelingslanden moderne levensstandaarden bereiken en wanneer er wereldwijd een einde komt aan materiële armoede.

3.

Het proces van ontkoppeling zoals we het hierboven beschreven, vecht het idee aan dat vroegere menselijke leefgemeenschappen minder wogen op het land dan moderne samenlevingen. Als oudere gemeenschappen al minder impact hadden op hun omgeving, dan was dat louter en alleen omdat deze gemeenschappen beduidend kleinere populaties moesten onderhouden.

Populaties met minder geavanceerde technologieën hadden zelfs een veel grotere individuele ecologische voetafdruk dan gemeenschappen nu. Laat ons niet vergeten dat een bevolking van niet meer dan een à twee miljoen Noord-Amerikanen in het late Pleistoceen de grote zoogdieren bejaagden en uitroeiden. Tegelijk kapten ze over heel het continent bossen of brandden deze plat. De mens bleef de omgeving ingrijpend veranderen doorheen het Holoceen, in die mate dat drie vierde van de ontbossing wereldwijd plaatsvond vóór de Industriële Revolutie.

De technologie die onze voorouders gebruikten om aan hun behoeften te voldoen, ondersteunde veel lagere levensstandaarden met een veel hogere impact op het milieu per hoofd. Wars van massale menselijk sterfte zou elke poging om menselijke gemeenschappen met behulp van deze technologieën terug te koppelen aan de natuur een regelrechte ecologische en menselijke catastrofe tot gevolg hebben.

Over heel de wereld worden ecosystemen bedreigd omdat mensen er overdreven veel op steunen. Mensen die afhangen van brandhout en houtskool als brandstof, kappen en vernielen bossen. Mensen die bushmeat eten, bejagen zoogdieren tot op de rand van uitsterven. Of het nu de inheemse bevolking is die ervan profiteert of een buitenlands bedrijf, de nog steeds voortdurende menselijke afhankelijkheid van de natuurlijke omgeving vormt het hoofdprobleem voor de natuurbescherming.

Anderzijds bieden moderne technologieën die efficiënter gebruik maken van natuurlijke ecosysteemdiensten een echte kans om onze impact op de biosfeer te reduceren. Het omarmen van deze technologieën is een weg die kan leiden naar een goed Antropoceen.

Uiteraard hebben de moderniseringsprocessen die de mensheid steeds meer losmaakten van de natuur een negatieve kant aangezien ze ook de natuurlijke omgeving aantastten. Fossiele brandstoffen, mechanisatie en fabricage, kunstmeststoffen en pesticiden, elektrificatie, modern transport en communicatietechnologieën hebben in de eerste plaats een grotere bevolkingsgroei en meer consumptie mogelijk gemaakt. Als de technologieënsinds de Donkere Middeleeuwen niet verbeterd waren, dan was de menselijke bevolking zonder twijfel ook niet sterk gegroeid.

Het is ook waar dat grote aantallen van steeds welvarender stedelingen een groter beroep doen op ver afgelegen ecosystemen. De ontginning van natuurlijke hulpbronnen is immers geglobaliseerd. Anderzijds kregen mensen toegang tot voedsel, beschutting, warmte, licht en mobiliteit via technologieën die veel efficiënter zijn qua bron- en landgebruik dan eender wanneer in de menselijke geschiedenis.

Het menselijk welzijn loskoppelen van de vernieling van de natuur vereist een bewuste versnelling van opkomende ontkoppelingsprocessen. In sommige gevallen is het doel de ontwikkeling van technologische substituten. Bijvoorbeeld: om de ontbossing en luchtvervuiling binnenshuis tegen te gaan is er een substitutie (vervanging) nodig van hout en houtskool door moderne energiebronnen.

In andere gevallen zou de mensheid hulpbronnen productiever moeten gebruiken. Zo kan verhoging van de oogst de omzetting van bos tot grasland en landbouwgrond tegengaan. Mensen moeten manieren vinden om de natuur los te maken van de economie.

Verstedelijking, intensivering van de landbouw, kernenergie, aquacultuur en ontzilting zijn allemaal processen met een aangetoond potentieel om de menselijke druk op het milieu te verkleinen en zo meer ruimte te creëren voor niet-menselijke soorten. De ontwikkeling van voorsteden, landbouw met een lage opbrengst en vele vormen van hernieuwbare energie vragen daarentegen over het algemeen meer land en hulpbronnen en laten minder ruimte over voor natuur.

Deze patronen suggereren dat mensen even geneigd zijn natuur te sparen omdat ze niet nodig is om hun noden te vervullen, als dat ze natuur willen sparen om esthetische en spirituele redenen. De delen van de planeet die mensen nog niet ingrijpend veranderden, bleven meestal gespaard omdat mensen er nog geen economisch nuttig gebruik voor vonden – namelijk bergen, woestijnen, boreale wouden en andere “marginale” regio’s.

Ontkoppeling verhoogt de mogelijkheid dat de impact van de mens een piek bereikt zonder dat hij nog meer relatief ongerepte gebieden binnendringt. Ongebruikte natuur is gespaarde natuur.

4.

Een ruime toegang tot moderne energiebronnen is een essentiële vereiste voor menselijke ontwikkeling en voor de loskoppeling van menselijke ontwikkeling en natuur. De beschikbaarheid van goedkope energie laat arme mensen in de hele wereld toe om te stoppen met bossen te gebruiken als energiebron. Het stelt mensen in staat om meer voedsel te verbouwen op minder land, dankzij energie-intensieve input van meststoffen en tractoren. Energie laat mensen toe afvalwater te recycleren en zeewater te ontzilten om zo rivieren en bronnen te sparen. Het laat mensen toe om metaal en plastic op een goedkopere manier te recycleren in plaats van nieuwe minerale bronnen te ontginnen, verwerken en raffineren. Als we vooruit kijken, dan kan moderne energie stikstof uit de atmosfeer capteren om zo de hoeveelheid geaccumuleerde stikstof (die de klimaatverandering aandrijft), te verminderen.

De laatste drie eeuwen loopt de groeiende energieproductie wereldwijd gelijk met stijgende CO2-concentraties in de atmosfeer. In diezelfde periode werkten verschillende landen aan het koolstofarmer maken van hun economieën. Maar het tempo waarop ze dat gedaan hebben, lag niet hoog genoeg om ervoor te zorgen dat de cumulatieve koolstofemissies laag genoeg blijven om onder het internationaal vastgestelde doel van minder dan 2°C opwarming uit te komen. Een noodzakelijke beperking van de gevolgen van de klimaatverandering vereist dan ook dat mensen de bestaande processen voor het koolstofarmer maken sterk moeten versnellen.

Er heerst echter nog veel verwarring over hoe we dit kunnen verwezenlijken. In ontwikkelingslanden is de stijgende energieconsumptie nauw verbonden aan stijgende inkomens en hogere levensstandaarden. Hoewel het gebruik van vele andere materialen zoals stikstof, hout en land naar een hoogtepunt groeit, suggereert het centrale belang van energie in de menselijke ontwikkeling en haar vele toepassingen als een substituut voor materiële en menselijke middelen dat de energieconsumptie zal blijven stijgen doorheen een groot stuk van de 21ste eeuw en waarschijnlijk zelfs tot het einde ervan.

Vandaar dat elk conflict tussen klimaatmitigatie en de ontwikkelingsprocessen (via dewelke miljarden mensen wereldwijd moderne levensstandaarden bereiken) zal beslecht worden in voordeel van die ontwikkeling.

Klimaatverandering en andere ecologische uitdagingen zijn niet de meest belangrijke of meest onmiddellijke zorg voor het merendeel van de wereldbevolking. Dat zouden ze ook niet mogen zijn. Een nieuwe kolencentrale in Bangladesh kan dan wel luchtvervuiling en stijgende co2-emissies met zich meebrengen, ze zal ook mensenlevens redden. Voor miljoenen mensen die leven zonder licht en die niet anders kunnen dan mest te verbranden om hun voedsel te bereiden, bieden elektriciteit en moderne brandstoffen een weg naar een beter leven. Wat de precieze oorsprong ervan ook moge zijn en zelfs als die energiebronnen tegelijkertijd nieuwe ecologische uitdagingen met zich meebrengen.

Een betekenisvolle beperking van de klimaatverandering is in de grond een technologische uitdaging. Hiermee bedoelen we dat zelfs drastische, wereldwijde consumptiebeperking onvoldoende zou zijn om tot een aanzienlijke klimaatmitigatie te komen. Zonder fundamentele technologische veranderingen is er geen geloofwaardige weg naar een klimaatmitigatie van betekenis. Men is het niet eens over welke technologiemix de beste is en wij hebben alleen weet van gekwantificeerde klimaatmitigatiescenario’s waarbij technologische veranderingen verantwoordelijk zijn voor het overgrote deel van de uitstootreducties.

De specifieke technologische keuzes die we kunnen maken met het oog op klimaatmitigatie, blijven het onderwerp van verhitte discussies. Theoretische scenario’s reflecteren gewoonlijk de technologische voorkeur en analytische aannames van hun bedenkers. Al te vaak vergeten deze om de kosten, de tijd en de schaal in te calculeren die nodig zijn om koolstofarme energietechnologieën te implementeren.

De geschiedenis van energietransities suggereert dat er altijd al consistente patronen waren in de wegen die samenlevingen namen richting schonere energiebronnen. Zowat alle gemeenschappen die hun koolstofuitstoot verminderden deden dat door brandstoffen van lagere kwaliteit (i.e. meer koolstofintensief en met een lagere energiedichtheid) te vervangen door brandstoffen met een hogere kwaliteit (i.e. minder koolstofintensief en met een hogere energiedichtheid). Dit toont de weg naar een versnelde vermindering in de toekomst. De transitie naar een wereld die aangedreven wordt door koolstofvrije energiebronnen vereist technologieën met een hoge energiedichtheid die opgeschaald kunnen worden tot in de tientallen terawatt om de groeiende economie te doen draaien.

Met de meeste vormen van hernieuwbare energie is dit helaas niet haalbaar. Biobrandstoffen en vele andere hernieuwbare energiebronnen zouden te veel land nodig hebben en een dusdanige milieu-impact dat wij betwijfelen of ze wel een weg kunnen vormen naar een koolstofvrije toekomst met een kleine voetafdruk.

Efficiënte zonnecellen gemaakt van veelvoorkomende materialen zijn hierop een uitzondering. Ze hebben de mogelijkheid om vele tientallen terawatts te produceren op een paar procent van het aardoppervlak. Hedendaagse technieken op het gebied van zonneenergie vereisen fundamentele innovaties om aan deze standaard te voldoen en vereisen de ontwikkeling van goedkope opslagtechnologieën die in staat zijn om op grote schaal een erg variabele energieproductie te ondervangen.

Kernsplijting is vandaag de dag de enige koolstofvrije technologie die effectief beantwoordt aan de meeste of zelfs aan alle energievereisten die een moderne economie stelt. En toch maakt een waaier aan sociale, economische en institutionele uitdagingen de inzet van hedendaagse nucleaire technologieën – op een schaal die nodig is om een significante beperking van de gevolgen van de klimaatverandering te verwezenlijken – onwaarschijnlijk. Een nieuwe generatie van nucleaire technologieën die veiliger en goedkoper zijn, blijkt nodig om kernenergie te brengen tot een punt waarop het zijn potentieel vervult als klimaatmatigende technologie.

Op lange termijn vertegenwoordigen zonne-energie (van de volgende generatie), geavanceerde kernsplijting en kernfusie de meest plausibele manieren om aan de gezamenlijke doelstellingen van klimaatstabilisatie en de radicale loskoppeling van mens en natuur te voldoen. Als de geschiedenis van energietransities een leidraad is, dan zal de overgang evenwel tijd vragen. Tijdens die transitie kunnen andere energiebronnen belangrijke sociale en ecologische voordelen bieden. Zo kunnen bijvoorbeeld waterkrachtcentrales een goedkope bron zijn van koolstofarme energie voor arme landen, zelfs als hun ecologische voetafdruk qua land- en watergebruik relatief groot is. Fossiele brandstoffen in combinatie met koolstofafvang en -opslag kunnen op een gelijkaardige manier voordelen bieden ten opzichte van fossiele brandstoffen of energie gewonnen uit biomassa.

Het ethische en pragmatische pad naar een eerlijke en duurzame globale energie-economie vraagt dat mensen zo snel mogelijk overschakelen op bronnen die goedkoop, proper, energiedicht en overvloedig aanwezig zijn. Zo’n weg heeft blijvende publieke steun nodig voor de ontwikkeling en toepassing van propere energietechnologieën. In een breder kader is deze publieke steun nodig voor wereldwijde modernisering en ontwikkeling.

5.

We schrijven dit document vanuit een warme liefde voor natuur en vanuit een nauwe emotionele band met de natuur. De natuur waarderen, ontdekken, proberen te begrijpen en te cultiveren is voor velen overweldigd. Zo leggen ze contact met hun diepere evolutionaire geschiedenis. Zelfs wanneer mensen de wilde natuur nooit direct ervaren, noemen ze het bestaan ervan belangrijk voor hun psychologisch en spiritueel welzijn.

Mensen zullen tot op zekere hoogte altijd materieel afhankelijk zijn van de natuur. Zelfs als een volledig synthetische wereld mogelijk zou blijken, dan nog zouden velen onder ons verkiezen om meer gekoppeld aan de natuur te leven dan dit technologich en voor hun levensonderhoud strikt noodzakelijk zou zijn. Ontkoppeling maakt echter wel mogelijk dat de menselijke materiële afhankelijkheid van de natuur minder destructief wordt.

Het pleidooi voor een actievere, bewustere en versnelde ontkoppeling is daarom meer gebaseerd op spirituele en esthetische motieven dan op materialistische of utilitaire. Huidige en toekomstige generaties zouden voorspoedig kunnen overleven met veel minder biodiversiteit en minder wilde natuur. Maar dat is niet een wereld die we willen, of een wereld die we moeten accepteren als mensen het ontkoppelingsproces omarmen.

Wat we hier natuur noemen, of zelfs wilde natuur, omvat landschappen, zeegezichten, biomen en ecosystemen die gedurende eeuwen en millennia regelmatig (en eerder wel dan niet) door menselijke invloeden veranderd werden. Wetenschappen gericht op natuurbehoud en de concepten van natuurbehoud, complexiteit en oorspronkelijkheid zijn nuttig, maar kunnen op zich niet bepalen welke landschappen te bewaren en hoe dit te doen.

In de meeste gevallen is er geen een enkel beginpunt van voor de periode van de menselijke veranderingen naar waar de natuur zou kunnen terugkeren. Pogingen om landschappen te herstellen naar een vroegere staat (van “oorspronkelijkheid”) kunnen de verwijdering inhouden van recent gearriveerde soorten (“invasieven”). Dat kan een netto reductie van de lokale biodiversiteit betekenen. In andere gevallen kunnen gemeenschappen beslissen om de oorspronkelijkheid op te offeren voor iets nieuws en voor biodiversiteit.

Uitdrukkelijke pogingen om landschappen te bewaren voor hun niet-utilitaire waarde zijn onvermijdelijk antropogene keuzes. En daarom zijn alle inspanningen tot instandhouding fundamenteel antropogeen. Het beschermen van de natuur is niet meer of minder een menselijke keuze in dienst van menselijke voorkeuren dan het platwalsen van die natuur. Mensen zullen wilde streken en landschappen beschermen door hun medeburgers ervan te overtuigen dat die plaatsen en de wezens die er rondwaren die bescherming waard zijn. Mensen kunnen kiezen voor enkele ecodiensten (zoals waterzuivering en bescherming tegen overstromingen) die voorzien worden door natuurlijke systemen (zoals bosrijke waterscheidingen, riffen, moerassen en watergebieden), zelfs wanneer die natuurlijke systemen duurder zijn dan de bouw van waterzuiveringsstations, zeeweringen en dijken. Maar eenvormige pasklare oplossingen zijn er niet.

Verschillende lokale, historische en culturele voorkeuren zullen de omgeving vormgeven. Terwijl we geloven dat het intensiveren van landbouw om land uit te sparen belangrijk is voor de natuurbescherming, erkennen we dat tal van gemeenschapen zullen blijven kiezen voor een “gedeeld” landgebruik om zo fauna en flora te beschermen binnen de landbouw eerder dan de gronden terug te geven aan de wilde natuur in de vorm van grasland, struikgewas of bos. Waar ontkoppeling de druk op landschappen en ecosystemen doet afnemen om tegemoet te komen aan menselijke basisbehoeften, moeten landeigenaars, gemeenschappen en regeringen nog steeds beslissen voor welke esthetisch of economisch doel ze het land willen gebruiken.

Versnelde ontkoppeling op zich zal niet genoeg zijn om voor meer wilde natuur te zorgen. Er moet nog steeds een beleid zijn voor de bescherming ervan en een natuurbeweging die meer wilde natuur eist om esthetische en spirituele redenen. Tegelijk met het ontkoppelen van de menselijke materiële behoeften vraagt een blijvend engagement om de wildernis, de biodiversiteit en een mozaïek aan mooie landschappen te beschermen de ontwikkeling van een diepere emotionele band ermee.

6.

Er is nood aan en een menselijke capaciteit voor een versnelde, actieve en bewuste ontkoppeling. Technologische vooruitgang is niet onvermijdelijk. De ontkoppeling van milieu-impact en economische output komt niet vanzelf tot stand uit marktgestuurde vernieuwing of een efficiënt antwoord op schaarste. De lange reeks menselijke aanpassingen aan de natuurlijke omgeving met behulp van technologie begon lang voor er iets bestond dat enige gelijkenis vertoonde met een markt of een prijssignaal. Door stijgende vraag, schaarste, inspiratie en serendipiteit zijn mensen de wereld al millennia lang aan het herschapen.

Technologische oplossingen voor milieuproblemen moeten ook binnen een bredere sociale, economische en politieke context beschouwd worden. We denken dat het onproductief is dat landen zoals Duitsland en Japan en staten zoals Californië installaties voor kernenergie sluiten. Zo maken ze hun energiesectoren terug koolstofrijker en koppelen ze hun economie opnieuw aan fossiele brandstoffen en biomassa. Anderzijds tonen deze voorbeelden duidelijk aan dat technologische keuzes niet bepaald worden door verre internationale organen, maar eerder door nationale en lokale instituten en cultuur.

Al te vaak wordt modernisering vereenzelvigd met kapitalisme, machtige bedrijven en laissez-faire-economie, zowel door de verdedigers als door de critici ervan. Wij verwerpen zulke vereenvoudigingen. Wat wij bedoelen met modernisering is de lange-termijnevolutie van sociale, economische, politieke en technologische maatregelen in menselijke gemeenschappen die het materiële welzijn, de volksgezondheid, de productiviteit van hulpbronnen, economische integratie, gedeelde infrastructuur en persoonlijke vrijheid fundamenteel verbeteren.

Modernisering bevrijdde steeds meer mensen van een leven vol armoede en harde labeur in de landbouw, bevrijdde vrouwen van een onderworpen positie, kinderen en etnische minderheden van onderdrukking en gemeenschappen van een grillig en willekeurig bestuur. Grotere productiviteit van hulpbronnen geassocieerd met moderne socio-technologische systemen bood leefgemeenschappen de mogelijkheid om aan menselijke noden tegemoet te komen met minder input van hulpbronnen en met minder impact op de natuur. Productievere economieën zijn rijkere economieën die beter in staat zijn om menselijke noden te ledigen. Grotere delen van hun economische surplus kunnen besteed worden aan niet-economische voorzieningen, zoals een betere menselijke gezondheid, grotere menselijke vrijheden en kansen, kunsten, cultuur en de bescherming van de natuur.

Moderniseringsprocessen zijn verre van volledig, zelfs in geavanceerde en hoogontwikkelde economieën. De consumptie van materiaal heeft nog maar net een hoogtepunt bereikt in de rijkste samenlevingen. Het ontkoppelen van menselijk welzijn en milieu-impact vereist een doorgedreven engagement voor technologische vooruitgang en de voortdurende evolutie van sociale, economische en politieke instituten.

Versnelde technologische vooruitgang vergt een actieve, assertieve en agressieve deelname van privéondernemers, de markten, de civiele samenleving en de staat. We verwerpen de misvatting van de planeconomie van de jaren 1950 maar geloven in een sterke rol voor de overheid voor de aanpak van milieuproblemen en voor de versnelling van technologische innovatie. Ook zien we een sterke overheidsrol bij onderzoek naar betere technologieën, subsidies en andere maatregelen om deze innovaties op de markt te krijgen en voor de ontwikkeling van regelgeving om gevaren voor het milieu te beperken. Verder is een internationale samenwerking bij technologische innovatie en technologieoverdracht essentieel in de landbouw- en energiesector.

7.

Wij bieden dit manifest aan in de overtuiging dat menselijke voorspoed én een ecologisch bruisende planeet niet alleen mogelijk zijn, maar dat ze ook onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Wij geloven dat zo’n toekomst mogelijk is door ons te verbinden aan reële processen die al gestart zijn met het loskoppelen van menselijk welzijn en de vernieling van het milieu. Wij omarmen dan ook een optimistische visie op het menselijk kunnen en de toekomst.

Wij hopen dat dit document zal bijdragen aan een verbetering van de kwaliteit en de teneur van de dialoog over milieubescherming in de 21ste eeuw. Al te vaak worden discussies over het milieu gedomineerd door extremen en geplaagd door dogmatisme. Zij werken onverdraagzaamheid in de hand. Wij hechten een grote waarde aan de liberale principes van democratie, verdraagzaamheid en pluralisme en beschouwen deze principes als sleutelelementen in het bereiken van een groots Antropoceen. We hopen dat deze verklaring een stap vooruit is in de dialoog over hoe we universele menselijke waardigheid kunnen bereiken op een biodiverse en bruisende planeet.

 

Vertaald door Frank Verhoft en Bart Coenen.

Ecomoe

Dit al wat oudere artikel verscheen in Wonder en is gheen Wonder, het blad van Skepp (zomer 2016).

* * *

Wat doet een mens wanneer-ie het afgedankte Ecomamaboek. Groen en bewust leven met kids (2009) terugvindt in de uitverkoopbakken van de Gentse bibliotheek? Kopen voor een habbekrats of laten recycleren?

Het was de achterflap van het “zapboek voor de ecolicious mama van nu” die me deed beslissen om dit pareltje van alternaïef denken te redden van de papiermachéfabriek: “Ze schrijven met kennis van zaken en humor over onderwerpen die hen na aan het hart liggen”, verzekerde de flap.

Dat treft, ik ook.

De eco lifestylegids beslaat de ganse activiteitenwaaier van de moderne en dus drukbezette ecomama (m/v) waaronder shoppen, beleggen, reizen, managen en relaxen in wellnesscentra. Elk van die onderwerpen wordt rijkelijk voorzien van bakstenen en elektronische adressen. Beide auteurs raden winkels aan die hun hoge normen beantwoorden, ze verwijzen door naar grote en kleine handelszaken die ze ethisch even hoogstaand achten en geven lovende besprekingen van boetiekjes voor duurzame parafernalia allerhande.

Mij doet het een beetje denken aan Elsschots Lijmen, waarin het hoofdpersonage op zoek gaat naar adverteerders om de publicatie te financieren. Het verschil hier is dat niet de goedgelovige adverteerders met volledige oplagen aan bedrukt papier blijven zitten, wel de openbare bibliotheken.

Onderwerpen te over dus en van sommige heb ik echt geen kaas gegeten, Elsschotiaanse pun not intended. Geldzaken zijn niet mijn sterkste kant en daarom zal de skepticus in mij het vertikken om commentaar te geven op de voorgestelde geldmeditatie: “gewoon op je stoel blijven zitten en mediteren dat het geld naar je toestroomt”. De germanist in mij wil er wel op te wijzen dat “mediteren” hier niet de klassieke betekenis heeft van “in zichzelf keren om de diepste werkelijkheid te ervaren”.

Hoe dan ook, ik ga me in dit stuk concentreren op twee onderwerpen die míj “na aan het hart liggen”, namelijk voeding en gezondheid.

Voeding

“Bio staat voor biologisch”, lees ik in het eerste hoofdstuk. “Simpelweg betekent het dat als je een biologisch product koopt, je zeker weet dat het geteeld is zonder kunstmest en giftige bestrijdingsmiddelen.” Het eerste deel van het citaat klopt, bio staat inderdaad voor biologisch, dat van die kunstmest is ook waar. Vanaf dan lijkt het mij inderdaad nogal simpel én misleidend.

Biolandbouw is een vlag die een wel zeer diverse lading dekt. Men heeft de zogenaamde biodynamische landbouw, gebaseerd op de ideeën van Rudolf Steiner, waarbij een met mest gevulde koeienhoorn die een dertigtal centimeters onder de grond moet begraven worden, de hoofdrol speelt. En waarbij ik moet vermelden dat Herr Steiner een even groot pedagoog was als landbouwkundige.

Ook de zogenaamde Anastasialandbouw wordt gerekend tot de biologische landbouw. “Zaad kan naast interne informatie ook informatie uit de omgeving, bijvoorbeeld van de mens, opnemen. Dit weerspiegelt zich in de vruchten van de uit het zaad groeiende plant, die kunnen dan als heelmaker dienen,” aldus een enthousiaste Anastasiaboer in de vakliteratuur [1].

Bent u er nog?

Hoe dan ook, om discussie over de Ware BioSchot te vermijden, houd ik het bij de versie die de Europese Unie in gedachten, en Delhaize en Carrefour in de rekken hebben.

Is een bioproduct echt wel geteeld “zonder […] giftige bestrijdingsmiddelen”? Dat lijkt mij een kwestie van semantiek en dosis. De bacterie Bacillus thuringiensis (Bt) mag in de biolandbouw gebruikt worden omdat het een zogenaamd natuurlijk bestrijdingsmiddel is. Het wordt dan ook algemeen beschouwd als een zeer veilig pesticide. Voor mensen althans. Voor insecten is het schadelijk, anders was het geen bestrijdingsmiddel. Diezelfde bacterie Bacillus thuringiensis wordt ook gebruikt in de gg-maïsteelt, maar dan is het volgens tal van bio-adepten plots wél een vergif.

Anderzijds is Bordeauxse pap, een mengeling van kopersulfaat en gebluste kalk, toegestaan in de biolandbouw als preventief, schimmelwerend middel. Franse biowijnboeren gebruiken het nog steeds. Nochtans vindt Europa dat koperverbindingen “voldoen aan de criteria om als persistente en toxische stoffen te worden beschouwd.”[2] David Zaruks lijstje, “Dirty Dozen – 12 highly toxic pesticides approved for use in organic farming”[3] doet nog meer afbreuk aan de stelling dat de biologische landbouw vrij van gevaarlijke bestrijdingsmiddelen is.

Een niemendalletje in groene drukinkt voor hippe ecomama’s waarin producten én winkels aangeraden en gepromoot worden, mogen we natuurlijk niet verdenken van al te veel inzicht en nuance. Anderzijds is het tergend en weinig ethisch dat de twee auteurs hun geliefkoosde producten menen te moeten slijten met behulp van onduidelijke en zelfs ongefundeerde claims. Vergelijken we de uitspraak dat bioproducten gezonder zijn, met enkele regels uit het rapport Voedselkwaliteit, veiligheid en gezondheid van biologische producten, uit 2009[4]:

Mogelijke gezondheidseffecten die in verband worden gebracht met biologische voeding zijn: effect op het immuunsysteem, waaronder allergische klachten, vruchtbaarheid, overgewicht, en als afgeleide hiervan een lager risico op hart- en vaatziekten en kanker. Echter, het aantal studies dat gezondheidseffecten heeft onderzocht is gering. Er zijn enkele studies bij mensen uitgevoerd en daarnaast bestaan er een aantal studies met dieren of in vitro modellen. Het is daarom voorbarig om nu conclusies te trekken op het gebied van gezondheid.

Of bio groen en duurzaam is, zelfs daarover zijn de meningen verdeeld. Het rapport hierboven is een van de vele dat lovend is voor biolandbouw. Iemand als Louise Fresco, hoogleraar aan een rits universiteiten en gespecialiseerd in duurzame ontwikkeling in een internationale context, staat er dan weer iets kritischer tegenover. Zij reduceert ‘biologische’ landbouw tot een kwestie van louter juridische kaders en certificatenmolens waarbij elk voordeel (bijvoorbeeld geen kunstmest) zijn nadeel heeft (groter ruimtebeslag).

Mij lijkt het hierboven geciteerde rapport vrij evenwichtig: het staat enerzijds zeker positief ten opzichte van de biolandbouw, maar het gaat de caveats en eventuele problemen niet uit de weg. Ook Fresco is zeer genuanceerd in haar uitleg: puur praktisch is het onderscheid biologische versus niet-biologische volgens haar volstrekt overbodig. Zij pleit voor de best mogelijke landbouw, met de best mogelijke praktijken, waar die ook ontstaan zijn. U kan het rustig nalezen in de klepper Hamburgers in het Paradijs. Voedsel in tijden van schaarste en overvloed (2012).

Het is nu net dit gebrek aan nuance en kritische reflectie dat me mateloos ergert bij het lezen van eco lifestyle boekjes, dito websites, schotschriftjes van veldvertrappelende eco warriors en verklaringen van groene politieke partijen.

Gezondheid

In het deeltje ‘Schone handen en gezondheid’ loopt het pas echt goed mis; het leest als een hoofdstukje ‘Hoe blind slikgedrag aanmoedigen’. ”Veel homeopathische middelen worden biologisch verbouwd”, weten de ecomama’s. Deze zin doet mij vermoeden dat de auteurs evenwel niet weten wat homeopathie is, en dat ze alle kruidengeneeskunde en andere ‘alternatieve’ geneeswijzen op een hoopje smijten. Verder vinden zij biologische slash homeopathische middeltjes die de “weerstand opvijzelen” toppie. Nog groener natuurlijk is het om die homeopathische rommel niet te kopen: de milieukosten voor het produceren, verpakken, transporteren van fake geneesmiddelen, zijn gewoonweg veel te hoog.

Ze raden bijvoorbeeld ook salie(thee) aan tegen een verkoudheid als “natuurlijk antibioticum” (en we gaan hier zelfs niet moeilijk doen over antibioticum v.a.v. virale infecties). Ja, zowat elke warme, niet-alcoholische drank doet deugd bij een lastige verkoudheid, en nee, saliethee steekt er nu niet bepaald bovenuit. Het valt me trouwens op dat de meest groene remedie tegen de gewone verkoudheid niet vermeld wordt, namelijk rusten. Misschien denk ik nu te veel vanuit een traditioneel Westers medisch kader. Anderzijds, de eerlijkheid gebiedt me te vermelden dat de auteurs aanraden om een dokter te raadplegen wanneer het ernstig wordt.

Wat het geteem over yin en yang komt doen in een boekje over groen leven is me eveneens een raadsel. Ik bespaar u het gebruikelijke pseudo-oosters gejengel. Evenals het gehannes over ayurveda, waarmee we trouwens terug in de buurt komen van de zware metalen. Loodvergiftiging door ayurvedische middelen, hoe natuurlijk lood (Pb) ook is, is niet echt een aanrader. En een massage, dat is zelfs niet groen of altmed. Zelf zou ik behoorlijk gespannen geraken van de spirituele, esoterische uitleg over Thaise sea holistic stempelmassages, maar dat geheel terzijde.

Terwijl u zich afvraagt wat dit alles nu te maken heeft met groen en bewust leven, zwatelen de dames verder over de geestelijke gezondheid. Een van hun suggesties is floaten, drijven in een “spaceachtige, eivormige cabine… op zeer zout water”. En dat werkt ontspannend, aldus de auteurs, waarbij ze zich niet kunnen onthouden van de freudiaans geïnspireerde gedachte dat het ook een terugkeer is naar het baarmoedergevoel. Wat hébben pseudopsycholo’s toch verloren, daar in die baarmoeder?

Het hele boekje flirt met de gedachte dat trendy mama het beter weet, net en alleen omdat ze een moeder is. Het idee dat moeder het beter weet dan vader, daar kan ik inkomen. Dat ze beter op de hoogte is van epidemiologische, medische, agrarische, biotechnologische onderwerpen dan epidemiologische, medische, agrarische, biotechnologische specialisten, dat is mij een brug te ver.

De platitudes en halve waarheden die beide dames debiteren in een poging om “hip en verantwoord” te zijn, beginnen al snel tegen te steken. Ik vraag me af in welke mate er hier belangen vermengd worden. Groen leven, graag en snel een beetje, maar moet dat nu echt gepaard gaan met pseudo-spirituele, alternatief-medische en hard core esoterische nonsens? Alsof het allemaal niet zo serieus genomen moet worden en alsof groen een modieus detail is, een extra argumentje om de alternatieve kassa te laten rinkelen.

Besluit: het meest groene aan Het Ecomamaboekje is de groene inkt waarin het hele gedrocht gedrukt is.

Elma Sitzinger en Froukje Wattel, Het Ecomamaboek. Groen en bewust leven met kids, Truth&Dare, 2009

 

[1] Frens Schuring, “Anastasia en Vedische landbouw”, in: Dynamisch Perspectief, nr. 5, 2007, p.1012 http://edepot.wur.nl/116167
[2] Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408 van de Commissie van 11 maart 2015 inzake uitvoering van artikel 80, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot vaststelling van een lijst van stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen http://eurlex.europa.eu/legalcontent/NL/TXT/?uri=uriserv%3AOJ.L_.2015.067.01.0018.01.NLD
[3] David Zaruk, “The RiskMonger’s Dirty Dozen – 12 highly toxic pesticides approved for use in organic farming”, The Risk Monger, 2015
https://riskmonger.com/2016/04/13/theriskmongersdirtydozen12highlytoxicpesticidesapprovedforuseinorganicfarming/
[4] Lucy van de Vijver, Ron Hoogenboom, Machteld Huber, Voedselkwaliteit, veiligheid en gezondheid van biologische producten Update van de literatuur, Wageningen, Institute of Food safety, 2009
http://www.louisbolk.org/downloads/2123.pdf