Duitse Humanistische Partij: “Ngo’s zaaien angst”

Deze vertaling verscheen in het winternummer van Wonder en is gheen Wonder (2017), het ledenblad van SKEPP. De extra tekst is geschreven door Bart Coenen, hoofdredacteur van Backcover.be en mede-auteur van het boek Ecomodernise. Het nieuwe denken over groen en groei.

* * *

De heisa rond de beoordeling van de gevaren van het herbicide glyfosaat houdt burgers, politici en verschillende belangengroepen al jaren in de ban. “In deze controverse gaat het niet alleen om de effecten op mens, dier en milieu, maar zeker ook over de invloed van de industrie op de politiek”, schrijven Hans Ajiet Holkamp en zijn collega’s in een Positionspapier van de Duitse Partei der Humanisten.

Dat glyfosaat een relatief ongevaarlijk middel is, wordt ondertussen wetenschappelijk algemeen aanvaard. Er is voldoende aangetoond dat glyfosaat in vergelijking met andere onkruidverdelgers – ook degene die in de biolandbouw gebruikt worden – minder doorweegt op het milieu en de gezondheid én dat het veel effectiever is. Daardoor stijgt de productiviteit en de opbrengst van de landbouw. Als de wereldbevolking zoals verwacht aangroeit, dan zal ook de behoefte aan voedsel en dus de landbouwproductie stijgen. Een verhoging van de oogst gecombineerd met een minimalisering van de expansie van landbouwgronden heeft een positieve invloed op de biodiversiteit en de klimaatbescherming.

Vanuit wetenschappelijk oogpunt is het niet zinvol om glyfosaat te verbieden want dan moeten landbouwers naar middelen grijpen die schadelijker zijn voor mens en milieu, minder effectief zijn en de biodiversiteit sterker aantasten.

Dit hele debat gaat dus niet uitsluitend over de wetenschappelijke beoordeling van het middel, maar ook over de geloofwaardigheid en de onafhankelijkheid van de wetenschappers. Populisme of irrationele angst zou nochtans niemand mogen verleiden om wetenschappelijke bevindingen in de politieke besluitvorming te negeren. Voor ons vormen feiten, wetenschappelijke bevindingen en expertise de basis waarop wij onze politieke eisen ontwikkelen.

Glyfosaat is een herbicide dat inwerkt op de bebladering. Het wordt door alle groene delen van een plant geabsorbeerd en komt daarna terecht in de wortels. Daar blokkeert glyfosaat het enzym EPSPS, dat nodig is voor de groei van de plant. Het blokkeren van dit enzym onderbreekt de stofwisseling en veroorzaakt op die manier het afsterven van niet-resistente planten.

Effecten op planten en dieren

Deze specifieke stofwisseling (synthese en aanmaak van aminozuren door het enzym EPSPS) vindt alleen plaats in planten, schimmels en bacteriën. Het heeft geen betrekking op mensen, dieren of insecten. Glyfosaat onderscheidt zich door deze werkwijze van zo goed als alle andere onkruidverdelgers, die op dit gebied een aantoonbaar hogere toxiciteit vertonen.

Medische effecten

Glyfosaat wordt door de wetenschap overwegend geklasseerd als niet-kankerverwekkend en niet-genotoxisch. Tot deze evaluatie komt niet alleen het Bondsinstituut voor Risicoanalyse (BfR, als onafhankelijke, wetenschappelijke en partij-onafhankelijke instantie in 2002 door de rood-groene regering opgericht, meer bepaald op last van de Groene minister Renate Künast). Ook de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO), de Joint Meeting for Pesticide Residues (JMPR) en de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) zijn het na een evaluatie van de wetenschappelijke literatuur erover eens dat glyfosaat niet kankerverwekkend is.

Enkel het International Agency for Research on Cancer (IARC) klasseert glyfosaat als “waarschijnlijk kankerverwekkend”. Voor deze indeling hanteerde de organisatie een andere, naar onze mening onduidelijke schaal die een theoretisch eerder dan een reëel kankerrisico aangeeft. Volgens deze schaal betekent categorie 1 “kankerverwekkend”, categorie 2A “waarschijnlijk kankerverwekkend”, categorie 2B “mogelijk kankerverwekkend”, categorie 3 “niet in te delen” en categorie 4 “niet kankerverwekkend”.

Hieronder werden substanties samengebracht die in bepaalde gevallen kanker zouden kunnen veroorzaken, maar zonder dat de omstandigheden of de condities nader bepaald worden. Producten waaraan verschillende kankerrisico’s verbonden worden, kunnen daardoor in dezelfde categorie terecht komen. Tot groep 1 behoren onder andere bewerkt vlees, tabaksrook, asbest, uv-straling en alcoholische dranken. Glyfosaat wordt door het IARC in categorie 2A ondergebracht, samen met rood vlees, anabole steroïden en rook van een open haard. Deze inde ling is problematisch, omdat zij tot grote onzekerheid bij de consumenten leidt en geen wetenschappelijke informatie geeft omtrent werkelijke kankerrisico’s.

Gevolgen voor de bodem en het water

Na de behandeling met glyfosaat worden restanten door micro-organismen in het grondwater en de bodem afgebroken. In het grondwater is glyfosaat slechts in de kleinste hoeveelheden aantoonbaar, en zeker in vergelijking met andere bestrijdingsmiddelen tegen planten sneller in de bodem gebonden. Glyfosaat wordt in waterlopen binnen de maand afgebroken, net zoals in de akkerbodem. In bosgebieden gebeurt dat binnen het kwartaal.

Tijdens de behandeling met glyfosaat moet de akkerbodem minder geploegd worden. Dit zorgt voor minder bodemerosie, vermindert de CO2-uitstoot en verbetert de waterhuishouding. Het gaat ook een verlies van organisch materiaal en een verlies aan biodiversiteit tegen. Het drogen van geoogste granen wordt overbodig, waardoor het aantal werkuren sterk vermindert en minder machines nodig zijn. Door de verhoogde productiviteit kunnen landen onafhankelijker worden van import.

Verdamping van glyfosaat is door de geringe vluchtigheid te verwaarlozen. Ook de drift is zeer gering; uiteraard hangt dit af van het sproeigereedschap. Ondanks de in vergelijking geringere drift, moet er voor gezorgd worden dat het product precies wordt verspreid door middel van moderne sproeitechnieken. Dit om nabije velden te vrijwaren en het risico van schade aan niet-doelplanten te minimaliseren.

Effecten op de uitstoot van broeikasgassen

Hoe minder de bodem moet geploegd worden, hoe minder CO2 uit deze bodem vrijkomt. Bovendien kan de uitstoot van broeikasgassen aanzienlijk verminderen door de omzetting van gras- naar akkerland te elimineren en door het brandstofverbruik van het machinepark te verminderen. Bovendien leidt een verhoging van de opbrengst tot een vermindering van de kosten. Verder kan men er ook voor zorgen dat de bodem minder mechanisch bewerkt moet worden. Dat heeft dan weer als gevolg dat er minder brandstof, maar dus ook minder machines en minder arbeidskrachten moeten ingezet worden.

Productie en gebruik

In 2000 verliep het patent voor glyfosaat. Ondertussen zijn er meer dan 90 bedrijven die glyfosaat produceren, waarvan meer dan 50 in China, enkele in India en in de VSA. Wereldwijd wordt er meer dan 850.000 ton glyfosaat aangemaakt, waarvan meer dan 40% in China. In Duitsland wordt ongeveer 6000 ton op 40% van de landbouwgronden ingezet.

Natuurlijk moeten belangenconflicten onderzocht worden. Maar deze moeten niet alleen in onderzoeksinstituten, in de industrie of in ondernemingen gezocht worden, maar in de hele biobranche, onder anti-ggo-activisten en bij ngo’s. Wangedrag op grond van belangenconflicten kon aangewezen worden bij tegenstanders van het gebruik van genetische modificatie en glyfosaat. Zo waren er bij de studie van het IARC anti-ggoactivisten betrokken. Bij de heer Portier, een externe consulent voor het IARC die betrokken was bij de studie die glyfosaat categoriseerde als “waarschijnlijk kanker verwekkend”, werden overtuigende bewijzen gevonden van belangenverstrengeling. Het is bovendien nog maar de vraag of hij de nodige wetenschappelijke competenties had die nodig waren voor de opdracht. De studie van Gilles-Éric Séralini over het verband tussen glyfosaat en tumoren bij ratten die in 2012 openbaar werd gemaakt, werd teruggetrokken wegens methodologische gebreken.

Conclusie

Glyfosaat heeft een lagere toxiciteit voor mensen, insecten en andere dieren dan verschillende andere herbiciden. Het is zeer effectief, wordt sneller en gemakkelijker biologisch afgebroken dan traditionele onkruidverdelgers en beschermt de biodiversiteit omdat het slechts bij planten werkt, omdat de bodem niet omgeploegd moet worden en omdat theoretisch minder gebieden voor de landbouw moeten ingezet worden. Met glyfosaat kunnen velden het ganse jaar groenbemest worden zonder te ploegen en zonder dat het onkruid de overhand neemt. Daarom is het al bij al onverantwoord om een verbod tegen glyfosaat te eisen. Wij keuren politieke willekeur af. We mogen vooral niet toestaan dat wetenschappelijke gegevens en feiten genegeerd worden en vervangen worden door paniekzaaierij. Wetten kunnen we veranderen, natuurwetten niet.

De auteurs zijn actief in de Duitse Partei der Humanisten. Je vindt de originele tekst van dit standpunt op https://parteiderhumanisten.de.

* * *

Reacties op het EU-besluit (Bart Coenen)

>> “Hoewel velen dit zullen bestempelen als een overwinning voor de gewasbeschermingsindustrie, zijn wij toch teleurgesteld dat ondanks het overweldigende wetenschappelijk bewijs, de goedkeuring slechts verlengd wordt voor 5 jaar”, schreef de Belgische vereniging van de industrie vanewasbeschermingsmiddelen (Phytofar) in een mededeling. “Het wetenschappelijk procedé wordt ondermijnd door emotie en electorale overwegingen en dit is een verontrustende evolutie.”

>> Peter Jaeken, secretaris-generaal van Phytofar verduidelijkt: “Ontwikkelen van nieuwe producten om gewassen gezond te houden, vragen veel tijd en aanzienlijke investeringen. De Europese Unie en België hebben een zeer streng en uitgewerkt beleid om werkzame stoffen en producten op een onafhankelijke en wetenschappelijke basis te evalueren. Deze benadering is een basisvoorwaarde om een minimum aan rechtszekerheid te scheppen en vooruitgang te stimuleren. We roepen de diverse politieke overheden dan ook op om terug te keren naar een productbeleid dat hierop gebaseerd is. Dat is niet alleen in het belang van onze sector maar van de ganse agro-voedingsketen, inclusief de consument.”

>> Europees parlementslid Bart Staes (Groen) reageerde teleurgesteld: “Aan dit besluit zit een giftige angel. Ik vrees dat hier andere belangen dan de volksgezondheid en het leefmilieu worden verdedigd.” Staes beschuldigt het Duitse agentschap BfR van wetenschapsfraude: “De BfR kopieerde grote delen van het Glyphosate Task Force rapport zonder ernaar te verwijzen.” Volgens Staes spelen ook economische belangen mee: “Er is het belang van het Duitse chemiebedrijf Bayer, dat tientallen miljarden biedt om Monsanto over te nemen. Een verbod van glyfosaat zou dat bedrijf grotendeels waardeloos hebben gemaakt.”

>> Leo Neels, CEO van de denktank Itinera vroeg zich in een opiniestuk af waarom journalisten blijven schrijven dat glyfosaat mogelijk kankerverwekkend is: “Men valt nu de wetenschappers aan en haalt hun integriteit onderuit. Men maakt de procedure verdacht. Het verwijt wordt nu dat de beslissing rekening heeft gehouden met de door aanvrager Monsanto ingediende informatie die door wetenschappers is aangeleverd. Nochtans is het precies de taak van de EFSA en ECHA, om die studies en het hele aanvraagdossier net zo kritisch tegen het licht te houden als de studie die van een waarschijnlijk kankerrisico sprak. Nog meer bijzonder is dat niemand heeft aangetoond dat de analyses van Monsanto, EFSA en ECHA niet zouden beantwoorden aan de wetenschappelijke criteria. Het énige aanvaardbaar argument zou immers het bewijs zijn dat de studies waarop de beslissing rust niet aan de wetenschappelijke standaarden beantwoorden en de afweging niet correct verliep. Zulk bewijs is er niet, er zijn enkel  intentieprocessen, verdachtmakingen en insinuaties. Die kunnen geen deugdelijk antwoord zijn op wetenschappelijke evidentie. Milieubewegingen weten dat ook wel, maar de emotionele uitval bekt beter, doch dat is een zwaktebod. Journalisten horen zonder meer beter te weten, en zij zijn professioneel en deontologisch verplicht om dieper te graven dan deze emotionele bovenlaag.”

Keith Kloor: Journalistiek onder vuur 4/4

Deze vertaling verscheen in Wonder en is geen Wonder (Winter 2017), het ledenblad van SKEPP.

* * *

Wat gebeurt er wanneer je als wetenschapsjournalist schrijft over thema’s waarrond milieu-organisaties en andere ngo’s een verdienmodel hebben opgebouwd? “Afhankelijk van het onderwerp geldt in de wetenschapsjournalistiek dat hoe meer je rapporteert over feiten, hoe minder effect het lijkt te sorteren”, schrijft de Amerikaanse wetenschapsjournalist Keith Kloor. Tijdens zijn carrière als journalist en docent journalistiek raakte Kloor gefascineerd door de hardnekkigheid van bepaalde valse narratieven, zoals mythen rond vaccinatie of genetisch gemodificeerde organismen. “Het draait allemaal rond het verhaal en hoe sterk het gebracht wordt”, weet Kloor. Een paar jaar geleden kwam Kloor door een campagne van activisten tegen zijn persoon zelf in de problemen. Door zijn journalistieke werk dreigde hij niet alleen vrienden, maar ook zijn inkomen te verliezen. Of het dit allemaal waard was, is de centrale vraag in dit openhartige essay.

***

Karaktermoord

Het begon op een mooie dag in september, toen de anti-ggo-groep een reeks emails postte die door dat FOIA-verzoek waren vrijgegeven en waarin mijn naam stond, samen met die van andere journalisten, zoals Tamar Haspel van de Washington Post en Amy Harmon, die tweemaal een Pulitzerprijs heeft mogen ontvangen. Zij werkt nu voor de New York Times en publiceerde eerder een zeer gewaardeerde reeks over controverses in het ggo-debat. Het artikel met fragmenten uit de e-mails, gevolgd door commentaren en opmerkingen vanuit de actiegroep, kreeg de titel A Short Report on Journalists Mentioned in our FOIA Requests. De citaten uit de e-mails vermeldden niets over wat wij drieën gezegd of gedaan hadden. Tussen haakjes, wanneer een journalist regelmatig schrijft over een controversieel onderwerp en ook effectief gelezen wordt, dan kun je ervan op aan dat de naam van die journalist opduikt in e-mails van mensen die geïnteresseerd zijn in die onderwerpen. De enkele keren dat onze namen verschenen in het gekeuvel onder de universitaire wetenschappers, waren blijkbaar genoeg om de argwaan van de anti-ggo-groep te wekken. Zo wordt bijvoorbeeld mijn naam vernoemd in een e-mail van een academicus die uitgesproken pro-ggo is. Zijn boodschap, over geruchten dat er websites gehackt zouden zijn, werd verstuurd naar verschillende wetenschapscommunicatoren en vertegenwoordigers van de biotechindustrie. Mijn naam was één in een lange lijst van mensen die deze e-mail in cc toegestuurd kregen. Conclusie van de anti-ggo-groep: “Deze e-mail impliceert dat Kloor nauw samenwerkt met vooraanstaande vertegenwoordigers van de agro-chemische industrie.”

Enkele dagen later nam de eerder liberaal-progressieve website Alternet het ‘samenvattend rapport’ van de antiggo-groep letterlijk over, maar plaatste er wel een pakkende titel boven: 3 Journalists Who Are Disturbingly Cozy with the Agrichemical Industry. Vergeet niet dat er zelfs geen enkele e-mail van ons drieën tussen de hoop zit! Het is een opeenstapeling van gevolgtrekkingen, een verklaring van schuld-door-associatie louter op basis van een naamsvermelding. Niet lang daarna ontving ik een e-mail van Robert Kennedy Jr. Hij had mijn e-mailadres toegevoegd in een antwoord aan een anti-vaccinatieactivist die hem net had geïnformeerd dat er bekend was gemaakt dat ik een betaalde pion was voor de industrie. Kennedy’s bevestingsdrang deed de rest: “Klinkt aannemelijk. De eerste vraag die ik ooit aan Keith gesteld heb, was of hij betaald werd door de farmaceutische industrie. Het is te gek voor woorden dat een gast die zichzelf verkocht heeft als wetenschapsjournalist, de rommelwetenschap van die industrie zo hard promoot.” Binnen een paar weken zag ik mezelf beschreven als een “Monsantohoer” en een “onderkruiper van de industrie”.

Ik kon het mij niet al te hard aantrekken: mensen die online als een razende te keer gaan ondermijnen gewoonlijk heel snel hun eigen geloofwaardigheid. Maar in januari 2016 kwam de campagne om mijn professionele reputatie te beschadigen in een stroomversnelling terecht. Greenpeace, dat al heel lang gekant is tegen ggo’s en dat de wetenschappelijke consensus rond de veiligheid ervan verwerpt, maakte een pagina over mij aan op de website PolluterWatch. Het is een geslepen mix van feitelijk correcte biografische details, halve waarheden en complete verzinsels, zoals “Kloor heeft regelmatig verzoeken om informatie openbaar te maken afgekraakt. Een paar van die verzoeken betroffen zijn eigen communicatie omtrent ggo’s, door organisaties die de belangenvermenging onderzoeken tussen bedrijven en wetenschappers.” Voor deze claim worden er geen bewijzen aangevoerd. En al bij al is het uiterst absurd omdat ik zelf al FOIA-verzoeken heb ingediend om misdaden van de industrie te onthullen.

Dagen later verscheen een gelijkaardig bericht op de website Sourcewatch, een internetwaakhond die “groepen en mensen die PR-operaties uitvoeren voor bedrijven” screent. Tot op de dag van vandaag vinden mensen die mijn naam googelen die websites terug in de zoekresultaten. Wie niet vertrouwd is met mijn werk kan onmogelijk uitmaken wat nu correcte of foute informatie is. En dat is nu net de bedoeling. Dit is verontrustend in het digitale tijdperk waarin we leven. Mensen worden tegenwoordig sowieso al in de war gebracht door fake news en gladde politieke propaganda.

De reacties die ik ontving van collega’s van de Society of Environmental Journalists (SEJ) deden mij de moed zo mogelijk nog meer in de schoenen zinken. Nadat ik PolluterWatch en SourceWatch vermeldde op de e-maillijst van deze organisatie, liet een lid van SEJ weten: “Klinkt aannemelijk.” Een ander lid schreef in een privébericht: “Keith, alstublieft, zeg nu toch eens wie jouw salaris betaalt. Hoe kan je nu verder doen alsof je niet door de knieën bent gegaan voor de verlokkingen van de spindokters en hun verhaaltjes, die begonnen toen de varkensvleesindustrie dokters betaalden om de voordelen van varkenskadavers te eten, op te hemelen. Prijs je nu die technologieën aan waarvan nog niet bewezen is dat ze honderd procent veilig zijn of niet? SPREEK OP, MAN. Het wordt tijd dat je met jezelf in het reine komt”. Nadat ik van de verbazing bekomen was, bedacht ik: met zo’n collega’s, wie heeft er dan nog vijanden nodig?

Toen ik dit essay aan het afronden was ontving ik een e-mail van een wetenschapper aan een openbare universiteit die net die dag nog maar eens een FOIA-verzoek had ontvangen van dezelfde anti-ggo-groep die in de loop van het vorige jaar tal van zulke verzoeken had verstuurd naar tientallen collega’s in de V.S. en Canada. Dit verzoek verschilde van de vorige omdat het de correspondentie opeiste tussen de wetenschappers en iedereen die connecties heeft met de biotechindustrie. Dit keer ging het over de correspondentie over de drie laatste jaren tussen de wetenschapper in kwestie en drie journalisten: ik, Tamar Haspel van de Washington Post en Nathanael Johnson van Grist. Wij drieën hebben enorm veel geschreven over ggo’s, wij hebben verkeerde informatie gecorrigeerd en mythes ontkracht. Kortom, wij hebben bepaalde hardnekkige en valse verhalen omtrent de wetenschap van de agrarische biotechnologie aangevochten. Misschien vermoedt de anti-ggo-groep die onze e-mailcorrespondentie wil uitvlooien dat er genoeg aanwijzingen te vinden zullen zijn die onze namen kunnen besmeuren en bijgevolg onze berichtgeving over ggo’s.

Maar wat er ook gevonden wordt, ik zie alvast de schadelijke en schandelijke kop: “Wetenschapsjournalisten communiceren met wetenschappers”.

Keith Kloor
is freelance journalist en adjunctprofessor Journalistiek aan de New York University en de City University of New York Graduate School of Journalism.

Keith Kloor: Journalistiek onder vuur 3/4

Deze vertaling verscheen in Wonder en is geen Wonder (Winter 2017), het ledenblad van SKEPP.

* * *

Wat gebeurt er wanneer je als wetenschapsjournalist schrijft over thema’s waarrond milieu-organisaties en andere ngo’s een verdienmodel hebben opgebouwd? “Afhankelijk van het onderwerp geldt in de wetenschapsjournalistiek dat hoe meer je rapporteert over feiten, hoe minder effect het lijkt te sorteren”, schrijft de Amerikaanse wetenschapsjournalist Keith Kloor. Tijdens zijn carrière als journalist en docent journalistiek raakte Kloor gefascineerd door de hardnekkigheid van bepaalde valse narratieven, zoals mythen rond vaccinatie of genetisch gemodificeerde organismen. “Het draait allemaal rond het verhaal en hoe sterk het gebracht wordt”, weet Kloor. Een paar jaar geleden kwam Kloor door een campagne van activisten tegen zijn persoon zelf in de problemen. Door zijn journalistieke werk dreigde hij niet alleen vrienden, maar ook zijn inkomen te verliezen. Of het dit allemaal waard was, is de centrale vraag in dit openhartige essay.

***

De anti-ggo-bende

In 2012 schreef ik een stuk voor Slate met de openingszin: “Ik heb lang gedacht dat er niets kon tippen aan de desinformatie die uitgespuwd werd door klimaatontkenners en hun spindokters. Maar dan begon ik aandacht te schenken aan hoe anti-ggo-activisten de wetenschap omtrent genetisch gemodificeerde gewassen hebben vertekend en verdraaid. Men zou verrast zijn over hoeveel succes ze daarmee behaalden en over wie hen daarbij een handje heeft geholpen.” Op dat moment was ik amper bezig met biotechnologie. Het grootste deel van de jaren 2000 had ik het gezellig druk als redacteur bij een toonaangevend blad over milieu, met het schrijven van stukjes over fauna, milieubescherming, klimaatverandering en de zonden van de olie-, kolen-en gasindustrie. Ik ben nog steeds trots op mijn werk voor het tijdschrift van de National Audubon Society in die periode. Ik ben niet iemand die op een mooie dag is opgestaan en plots zijn carrièrekeuze of job van milieujournalist in vraag begon te stellen. Ik heb geen ideologisch of politiek kantelmoment doorgemaakt dat mij heeft doen besluiten, zoals de titel van het artikel stelde: “Ggo-opposanten zijn de klimaatontkenners van de linkerzijde”.

In 2009 werd ik een freelancer en moest ik voor mezelf een niche zoeken, terwijl ik de nuances van bepaalde onderwerpen in het milieu- en klimaatdebat onderzocht die te weinig aan bod kwamen in de media, of in sommige gevallen zelfs helemaal niet. Een onderwerp dat opviel omdat het zo onderbelicht werd door mijn collega’s, was het ggo-debat.

In de jaren 1990 en de vroege jaren 2000 was het wel even opgeflakkerd, maar tijdens de rest van het decennium smeulde het ergens ver op de achtergrond. Maar toen in de late jaren 2000 de beweging van voedselactivisten opstond, begon men een campagne om genetisch gemodificeerd voedsel te labelen (dat gebeurde eerst in de Verenigde Staten, maar later waaide het idee ook over naar Europa, nvdr.). Dit bracht de wetenschap van de agrarische biotechnologie terug onder de aandacht. Ik nam daar nota van. Gelukkig begon ik aan dat onderwerp met weinig vooroordelen of sterke emoties. Ik had voordien niet al te veel aandacht besteed aan het ggo-debat. Ik wilde dus eerst de wetenschap van de agrarische biotechnologie leren begrijpen. Ik leerde al snel dat het een moeilijke en ingewikkelde wetenschap is die voortgestuwd wordt door de industrie. En dat maakt zonder enige twijfel heel veel mensen al van in het begin argwanend. Zeer begrijpelijk, gezien de lange, goed gedocumenteerde historiek van desinformatie en karaktermoorden uitgevoerd door de chemische, tabaks-, en olie-industrieën, om enkel maar de meest gekende onfrisse voorbeelden aan te halen.

Maar ik ontdekte ook dat de angst voor “frankenfood”, wat de vroege tegenstanders van ggo’s sterk bezighield, nooit werkelijkheid werd. Prestigieuze wetenschappelijke instellingen hebben aan het einde van de jaren 2000 de verzamelde resultaten van onafhankelijke onderzoeksgroepen tegen het licht gehouden. Hun conclusie luidde dat biotechnologie bij eetbare gewassen veilig is. Er waren nog wel enkele netelige kwesties omtrent de milieu-impact bij enkele gewassen, bijvoorbeeld of ggo’s het gebruik van pesticides nu verminderden of vergrootten, maar alles samen genomen was er een consensus dat de wetenschap op een productieve manier door de landbouwers gebruikt werd zonder mens of fauna te schaden. Enigszins tot mijn verbazing gingen dezelfde milieubewegingen en bewakers van het algemeen belang die de wetenschappelijke consensus omtrent de verandering van het klimaat wel aanvaardden, deze keer niet akkoord. Zij verwierpen de wetenschappelijke consensus omtrent ggo’s. Het viel me ook op dat ze, om het publieke debat te vertroebelen, een tactiek gebruikten die de olie-, tabaks- en chemische industrie op punt hebben gesteld, namelijk de “handel in twijfel”. Er is bijvoorbeeld een klein netwerk van wetenschappers die de consensus afwijzen en zelfverklaarde experten in anti-ggo-middens die als het ware een weerspiegeling zijn van een soortgelijk netwerk onder klimaatontkenners. De laatste jaren hebben zij dubieuze wetenschappelijke papers en fikse boeken geproduceerd met welluidende titels als The GMO Deception, Altered Genes, Twisted Truth: How the Venture to Genetically Engineer Our Food has Subverted Science, Corrupted Government, and Systematically Deceived the Public. De meest hardnekkige aanhangers van de anti-ggo- en antivaccinatiebeweging en klimaatontkenners worden voortgedreven door een gelijkaardig complotdenken. Als je meer wilt vernemen over hoe dit alternatieve universum werd opgetrokken, lees dan zeker Will Saletans diepgravend stuk voor Slate, waarin hij concludeert: “De strijd tegen genetisch gemodificeerde organismen zit tjokvol paniekzaaierij, vergissingen, fouten en bedrog.”

Met mijn stuk voor Slate uit 2012 wilde ik daar ook de aandacht op vestigen: “Het emotioneel beladen, gepolitiseerd discours over ggo’s wordt verzopen in dezelfde koortsmoerassen die de wetenschap rond de klimaatverandering onherkenbaar aangetast hebben.” De verantwoordelijke partijen zijn milieu groepen, prominente voedselcolumnisten en invloedrijke progressieve schrijvers. Met mijn blog voor Discover (stopgezet in 2015) borduurde ik verder op dit thema. Ik belichtte de bijna constante stroom aan voorvallen waarin de wetenschap verkeerd werd voorgesteld door groene groepen en prominente individuen waarvan ik dacht dat ze beter zouden weten. Dit werd niet echt geapprecieerd door denkers aan de progressieve zijde, een kant die ik nochtans beschouw als mijn natuurlijke habitat.

Wat bedoel ik daarmee? Neem Julia Belluz, wetenschapsjournalist voor Vox die enkele keiharde stukken over Dr. Oz, alternatieve geneeskunde, dieetrages en dies meer heeft geschreven. In een recent stuk beschrijft zij de terugslag die ze heeft mogen ervaren; de titel ervan spreekt boekdelen: Why reporting on health and science is a good way to lose friends and alienate people (Waarom je door te schrijven over gezondheid en wetenschap vrienden verliest en mensen van je vervreemdt.) Dit is absoluut ook mijn ervaring bij mijn reportages over ggo’s. Het wordt zelfs erger wanneer de enige nieuwe vrienden die je maakt na een kritisch artikel over een ecoheilige zoals Vandana Shiva, het soort mensen zijn dat werkt in de labo’s van Monsanto’s hoofdzetel.

Mijn punt is dus: als je journalistieke werk opgevat wordt als een steuntje in de rug van het meest boosaardige bedrijf ter wereld, geloof me, dan riskeer je meer te verliezen dan vrienden alleen. Meer hierover later.

Zet jezelf ondertussen even in de plaats van voedselactivisten en groenen die tegen ggo’s zijn en die werkelijk geloven dat zij aan de kant van de engeltjes staan. Elke ochtend opnieuw ontwaken ze en gaan ze verder met het bestrijden van het Kwaad. Er zijn geen tinten grijs in deze zwart-witte wereld.

Bekijken we de wereld door hun bril: als CEO’s en wetenschappers verbonden aan de industrie bijna al mijn artikelen over hoe verheven progressieve woordvoerders het ggo-debat verdraaien, enthousiast delen op de sociale media, dan moet dat betekenen dat ik een vriend van Monsanto ben, toch? Als de Columbia Journalism Review in 2013 een artikel publiceert over hoe ik de belabberde en bevooroordeelde media-aandacht voor ggo’s zie, dan moet ik wel een slippendrager van de biotechnologische industrie zijn, niet? Als ik in 2015 bericht over hoe wetenschappers uit de openbare sector een verzoek krijgen om hun volledige correspondentie en andere informatie openbaar te maken zoals bepaald door de Freedom of Information Act (FOIA, een Amerikaanse wet op de openbaarheid van informatie, nvdr.) nog voordat de groep activisten achter dat verzoek hiermee in het openbaar willen komen, dan moet ik wel geknecht zijn door de industrie? Als ik de zaak opvolg en afkom met een nieuw exclusief artikel (niet vergeten, ik ben journalist) omtrent de inhoud van die FOIA-verzoeken nog voordat de anti-ggo-groep wil dat deze informatie openbaar wordt gemaakt, dan moet ik toch gewoon in loondienst zijn van de industrie?

Nee, toch niet. Mijn journalistiek werk wordt niet beïnvloed of tegen betaling besteld door de industrie. Ik heb de mythe van de Indiase boeren – de zogezegde link tussen ggo’s en zelfmoorden – zelf ontdekt. Ik heb nooit met Monsanto gesproken, laat staan overlegd, wanneer ik aan een artikel werkte. Wanneer ik voor het eerst schreef over de wijdverspreide foute voorstellingen van plantenbiotechnologie voor Slate in 2012, was ik zelfs amper beginnen praten met wetenschappers in het veld. Ik kon de omgekeerde wereld die de anti-ggo-activisten gecreëerd hadden, afleiden door deze gewoonweg te vergelijken met de wereld van echte wetenschap en gevestigde literatuurstudies. Sindsdien ben ik bekend geworden bij tal van wetenschappers in de publieke biotechsector. Ze vertrouwden erop dat ik over hen op een faire, open en onbevooroordeelde manier zou schrijven. Nadat een aantal van hen een FOIA-verzoek op hun bord kregen op instignatie van een anti-ggo-groep in 2015, lieten ze mij dat weten. Ik schreef er een rechttoe-rechtaan verhaal over voor Science in februari dat jaar. In privé-conversaties liet ik de wetenschappers en onderzoekers weten dat ik in principe, als journalist, geen probleem had met zulke FOIA-verzoeken, hoewel ik heel goed begreep waarom zij zich daardoor aangevallen voelden. Later dat jaar wezen wetenschappers me erop dat duizenden e-mails aan die anti-ggogroep waren vrijgegeven, het resultaat van een FOIA-verzoek aan één bepaalde onderzoeker. Ik rapporteerde over de inhoud van deze e-mails in het tijdschrift Nature, wat een onaangename verrassing was voor de anti-ggo-groep, omdat men al aan het samenwerken was met een andere journalist waarvan ze dachten dat hij waarschijnlijk hun ideologische interesse en filosofie wel zou delen.

Wat er toen gebeurde, was dan weer een onaangename verrassing voor mij.

Keith Kloor: Journalistiek onder vuur 2/4

Deze vertaling verscheen in Wonder en is geen Wonder (Winter 2017), het ledenblad van SKEPP.

* * *

Wat gebeurt er wanneer je als wetenschapsjournalist schrijft over thema’s waarrond milieu-organisaties en andere ngo’s een verdienmodel hebben opgebouwd? “Afhankelijk van het onderwerp geldt in de wetenschapsjournalistiek dat hoe meer je rapporteert over feiten, hoe minder effect het lijkt te sorteren”, schrijft de Amerikaanse wetenschapsjournalist Keith Kloor. Tijdens zijn carrière als journalist en docent journalistiek raakte Kloor gefascineerd door de hardnekkigheid van bepaalde valse narratieven, zoals mythen rond vaccinatie of genetisch gemodificeerde organismen. “Het draait allemaal rond het verhaal en hoe sterk het gebracht wordt”, weet Kloor. Een paar jaar geleden kwam Kloor door een campagne van activisten tegen zijn persoon zelf in de problemen. Door zijn journalistieke werk dreigde hij niet alleen vrienden, maar ook zijn inkomen te verliezen. Of het dit allemaal waard was, is de centrale vraag in dit openhartige essay.

***

Toen ik de bronnen onderzocht die Kennedy’s obsessie voedden, ontdekte ik een parallel universum van “feiten” en “wetenschap” dat zo’n tien, vijftien jaar geleden werd gecreëerd. Ik vond stapels boeken, documentaires, obscure artikelen en websites, de meeste het resultaat van noeste thuisarbeid, die Kennedy’s geloof versterkten in een “neurologische holocaust” veroorzaakt door vaccins en verborgen door het CDC. Kennedy was van streek omdat mijn artikel de “wetenschap” die hij met mij deelde, niet besprak. Omgekeerd waren er sommige wetenschappers die vonden dat ik hem te zacht had aangepakt. In de periode dat ik dit verhaal versloeg, ontmoette ik heel wat intelligente mensen die oprecht geloofden dat de federale overheid de waarheid omtrent vaccins en autisme verborgen houdt (wat trouwens niet het geval is). Ik betwijfel of zij hiervan zo zeker zouden geworden zijn zonder een overkoepelend verhaal van “de goeden tegen de slechten”: Big Pharma is de boosdoener, CDC de handlanger, Kennedy de moedige verkondiger van de waarheid.

In deze wereld heeft Andrew Wakefield de status van een rockster (Wakefield is de Britse dokter en auteur van een frauduleuze studie die in 1998 een golf van paniek veroorzaakte omtrent de inenting tegen de mazelen, de bof en de rode hond). Volgens verschillende peilingen wordt hij door een derde van alle Amerikaanse ouders op handen gedragen, door mensen die verkeerdelijk geloven dat er een link is tussen autisme en vaccinaties, wars van het feit dat Wakefields medische licentie ingetrokken werd en dat zijn werk grondig werd ontkracht door de wetenschappelijke wereld. Maar dat is natuurlijk gewoonweg méér bewijs van een grote samenzwering!

Trumps vurigste supporters leven net zoals de gepassioneerde fans van Kennedy en Wakefield in een eigen mediabubbel met een heel eigen verzameling aan waarheden. Beide bubbels koesteren een minachting voor verdiende reputaties van mensen en instituten. Objectieve feiten kunnen niet binnen dringen in deze afgesloten werelden. Of zoals Brian Stelter van CNN het onlangs verwoordde: “Een groot deel van het land heeft de journalistiek achter zich gelaten en geopteerd voor een alternatieve realiteit.” Het dient vermeld dat Wakefield en enkele medestanders een privé-ontmoeting van een uur met Trump hebben gehad voor de verkiezingsdag. Voordien had Trump zijn geloof in een verband tussen inentingen en autisme al verkondigd. Volgens het tijdschrift Science, dat berichtte over deze ontmoeting, gaf Wakefield aan Trump een kopie van een recente documentaire waaraan hij had meegewerkt, namelijk Vaxxed: From Cover-up to Catastrophe.

Een boosdoener genaamd Monsanto

Tijdens mijn carrière als journalist ben ik altijd gefascineerd geweest door de hardnekkigheid van bepaalde onware narratieven. In 2014 onderzocht ik voor Issues in Science & Technology de oorsprong en voedingsbodem van zo’n verhaal, namelijk dat over de honderdduizenden Indiase boeren die door Monsanto en zijn ggo’s tot zelfmoord zouden gedreven zijn. Dat dit verhaal niet waar was, was na enig onderzoek gemakkelijk aan te tonen. Maar wat mij choqueerde was hoe het verhaal ingebed werd in de media en onvoorwaardelijk voor waar aangenomen werd door zeer schrandere mensen. Ik wilde uitzoeken hoe dat in elkaar stak.

Laat er geen misverstand over bestaan: het leven van kleine Indiase boeren is kei- en keihard. Velen overleven met zeer kleine marges, zonder toegang tot irrigatie, overgeleverd aan een grillig klimaat. Zij hebben geen toegang tot geïnstitutionaliseerd krediet of oogstverzekeringen. Door een ingewikkelde mix van allerhande socio-politieke factoren eindigen al te veel kleine boeren met verpletterende schulden. Voor velen onder hen is zelfmoord de enige uitweg. Het is tragisch en reëel.

En ja, in de vroege jaren 2000 stond de Indiase regering Monsanto toe om genetisch gemodificeerd katoenzaad te verspreiden in het land, wat door heel wat boeren ten zeerste geapprecieerd werd. Maar de “agrarische crisis”, zoals deze in India genoemd wordt, dateert van voor de introductie van gg-katoen en de precaire situatie veranderde in de jaren 2000 amper of niet voor de kleine boeren. Wat wel veranderde was de aandacht die de zelfdodingen in de landbouwsector plots kregen. Een aantal dat, tussen haakjes, lager lag dan het aantal zelfmoorden onder niet-boeren. Hoewel India een eeuwenlange en diepgewortelde traditie heeft wat betreft sociale en genderongelijkheid, een traditie die teruggaat tot het kastensysteem, en hoewel systematische aanvallen en seksueel geweld op vrouwen ook al lang een sociaal probleem is, vonden midden de jaren 2000 activisten in de zelfdodingen hun nieuwe goede doel. Snel trok het de aandacht van de media en van universitaire denktanks. In ongeveer diezelfde periode werden Monsanto en het gg-katoen aangewezen als de voornaamste schuldigen voor de zelfdodingen onder de Indiase boeren. Zoals ik beschreef in mijn artikel “The GMO-Suicide Myth” heeft niemand zich meer ingespannen om dit verhaal te verspreiden en te bestendigen dan Vandana Shiva. Zij en haar organisatie publiceerden rapporten waarin het gg-product van Monsanto ‘zelfmoordzaad’ genoemd werd. Shiva verergerde de vermeende connectie tussen Monsanto en de zelfdodingen onder de Indiase boeren via opiniestukken, interviews en voordrachten. Haar verheven status in de wereld der groenen en haar invloed op vooraanstaande denkers hielpen het verhaal te legitimeren.

Maar dit verhaal kon enkel tot deze proporties uitgroeien in een bestaand en welomschreven kader. En daarin heette de op maat van de media geknipte snoodaard Monsanto of, zoals de tegenstanders het biotechbedrijf noemen, Monsatan. Deze meme, waarin Monsanto op het internet werd opgevoerd als het “meest boosaardige bedrijf ter wereld”, omdat het ’s werelds voedselbevoorrading zou willen overnemen en ‘frankenfoods’ door onze strot wil rammen, was al wijd en zijd bekend in de periode dat Vandana Shiva besliste om hieraan haar verhaal over de zelfdodingen vast te klinken. Ik heb thuis een schap vol boeken die Monsanto een algemene ontaarding van het landbouwbedrijf aanwrijven. Ik heb er documentaires over gezien. Iedereen haat Monsanto, toch? Of dit beeld cartoonesk is? Dat trekken we ons niet aan. Belangrijker is dat het ‘warig’ klinkt. Dus ja, de demonisering van het bedrijf was al aan de gang lang voordat Shiva het beschuldigde van de zelfdoding van 300.000 Indiase boeren. Velen waren al geconditioneerd om dit te geloven. Paul Ehrlich vermeldde het, Bill Moyers knikte gewichtig mee toen Shiva hem het verhaal deed. Dan was er nog de invloedrijke documentaire Bitter Seeds (2012), die Shiva mee in elkaar hielp steken en die door voedseljournalist en activist Michael Pollan de hemel in geprezen werd. De film ging rond in het festivalcircuit. Kijk naar de film, of naar de talloze fragmenten op YouTube, met huilende Indiase families die net een verwante verloren hebben door zelfmoord omwille van ggo’s, en zeg me dan nog eens dat Monsanto niet het pure kwaad belichaamt.

Het draait allemaal rond het narratief, het verhaal en hoe sterk het kan gemaakt worden. De ‘corrupte Hillary’ is een ‘crimineel’, een pediatrisch onderzoeker die van jetje geeft tegen bangmakerij door anti-vaccinatie-activisten, staat op gelijke voet met een nazi-kampbewaker, de wetenschappers van Monsanto hebben ‘zelfmoordzaden’ gecreëerd. Deze verhaallijnen zijn wis en waarachtig voor de mensen die er geloof aan hechten, omdat ze telkens opnieuw versterkt worden met nieuwe informatie, in de vorm van boeken, artikelen, films, voordrachten, segmenten van radioprogramma’s, alle gemaakt door vertrouwde, gelijkgezinde koppen.

In een ideale wereld onderzoeken journalisten en geleerden onbevreesd aannames en onderliggende ideologische verhalen die het beleid en het wetenschappelijk debat beïnvloeden. In de echte wereld, waar groepsidentiteit wel van belang is en reputaties beschermd dienen te worden tegen politiek geïnspireerde aanvallen, hebben sommigen besloten dat bepaalde narratieven best onaangeroerd blijven. Alan Levinovitz, professor religieuze studies aan de James Madison University, was zo iemand die nooit de verhaallijn ‘Monsanto is het pure kwaad’ in vraag had gesteld. Nadat hij een tekst had geschreven waarin hij zich volgens de anti-ggo-mensen te positief had uitgelaten over biotechnologie, werd hij ervan beschuldigd een betaalde pion te zijn in dienst van. In een reactie schreef hij droogweg:

“Zoals de meeste mensen wist ik precies hoe Monsanto was, zonder er ooit al te hard te hebben over nagedacht. Ik wist dat Monsanto boeren de vergetelheid in procedeerden, dat Monsanto aan de basis lag van een lange reeks zelfmoorden in India, dat Monsanto negatieve mediaberichten onderdrukte, dat Monsanto politici en wetenschappers betaalde om voor hen te liegen.
Maar er was één verhaal dat ik niet geloofde omdat ik wist dat het niet waar was: mij had Monsanto niet betaald. En dus deed ik wat elke academicus of journalist zou moeten doen, ik begon namelijk te lezen en te leren over het bedrijf dat me zogezegd op zijn loonlijst had staan.”

Levinovitz ging praten met wetenschappers van Monsanto en al snel werd het plaatje heel wat ingewikkeldder, namelijk dat van een grote multinational “die een grote verscheidenheid aan mensen in dienst heeft. Sommigen willen zo snel mogelijk zo veel mogelijk verdienen. De voornaamste zorg van anderen was dan weer om zo degelijk mogelijk wetenschappelijk onderzoek te doen.” Hij begon het idee te koesteren om een verguisd bedrijf dat volledig gedemoniseerd was – en met het bedrijf misschien wel een hele tak van de wetenschap – te vermenselijken. “Maar dan besefte ik dat ik dat verhaal nooit zou schrijven”, noteert Levinovitz in zijn essay. “Het sop was de kolen niet waard. Waarom zou ik mezelf, ook al is het maar even, associëren met de Duivel? Andere journalisten hebben me verteld dat ze hetzelfde ervaren.” Hij vermeldt bijvoorbeeld Nathanael Johnson, een journalist die voor Grist schrijft over voeding en landbouw, die ook zei: “Het heeft een verkrampende uitwerking op mij en daar ben ik niet trots op.”

Geen enkele journalist kijkt uit naar de slangenkuil die hem of haar onvermijdelijk wacht wanneer je bezig bent met onderwerpen in verband met gecontesteerde wetenschap. Als ik terugkijk op mijn eigen ervaringen van de laatste jaren, dan vraag ik me ook af of ik er niet beter aan gedaan had om bepaalde onderwerpen te mijden.

Wordt vervolgd

Thomas More Hogeschool en homeopathie

Vrijdag 7 juli 2017, een uur of 10 ’s morgens. Wetenschapsfilosoof en SKEPP’er Maarten Boudry vraagt via Twitter of de Katholieke Universiteit Leuven het normaal vindt dat hun partner, de Thomas More Hogeschool, permanente vorming en nascholingen homeopathie aanbiedt.

Onderstaande screenshots van de website http://www.thomasmore.be werden op diezelfde dag genomen en geven een idee van de inhouden.

Thomas More 1

Thomas More 2

Bij de lesgevers vinden we Anne Vervarcke terug, oprichtster van het Centrum voor Klassieke Homeopathie te Leuven. Van haar hand verscheen o.a. het boek 250 jaar na Hahnemann (Academia Press, 2005). In dit boekje schetst zij niet alleen de evolutie van het gebruik van geschud water sinds Hahnemann, maar zet ze zich ook nog eens af tegen de medische wetenschap, het newtoniaans wereldbeeld en het “troosteloze” neodarwinisme, dat volgens haar enkel kan leiden ofwel tot volledige losbandigheid ofwel tot zelfmoord (p. 9). In de kwantummechanica, oh verrassing, meent ze dan weer wel genoeg aanwijzingen te vinden die de beginselen van de homeopathie zouden ondersteunen.

Ook Dieter Decleene van het populariserende wetenschapstijdschrift EOS mengt zich in het Twitter-debat. Hij geeft de tip mee om zeker ook de website Klassieke homeopathie van Goedele De Nolf te bezoeken, een andere lesgeefster. Zij raadt o.a. homeopathische PC-middelen (Pill Source Resonances, PC Remedies) aan tegen o.a. aids, alcoholisme, kanker, lepra, lupus, sydroom van Down en “old age”, ouderdom. De volledige lijst vindt u hier terug.

De Nolf, zo leert ons dan weer de website van het CKH, is een  Bio-ingenieur in de Landbouw en Milieu-Economie en als Geaggregeerde voor het Onderwijs in de Toegepaste Biologische Wetenschappen aan de KULeuven. Vanaf 2001 volgde ze de opleiding Klassieke Homeopathie aan het CKH. Sinds november 2004 werkt ze in een groepspraktijk. In juni 2013 nam ze het roer van het CKH over. Ze startte in 2014 de opleiding vroedkunde aan de KHLeuven met de bedoeling het klassiek medisch kader en haar holistische visie te verzoenen en te integreren in haar werk.

Hilde Vanthuyne (1969) studeerde pedagogische en psychologische wetenschappen aan de KU Leuven en culturele agogiek aan de VUB. Ze volgde eveneens een lessenreeks Klassieke Homeopathie aan het Centrum voor Klassieke Homeopathie (CKH) en aan de School Voor Homeopathie. Ze werkte ze als woordvoerster van de Liga Homeopathica Classica en als Kamerlid binnen het ministerie voor volksgezondheid intensief mee aan de wetgeving op de homeopathie (Wet Colla). Ondertussen is ze al 11 jaar verbonden aan de Thomas More Hogeschool Campus Lier, waar ondertussen al ettelijke jaren (bij- en na-)scholingen homeopathie voor zorgverstrekkers worden gegeven.

Terug naar Twitter. Steeds meer mensen mengen zich en even verschuift de discussie naar de mutualiteiten. De Associatie KU Leuven, naar eigen zeggen “een netwerk van kwaliteitsvolle hogeronderwijsinstellingen verspreid over Vlaanderen en Brussel” en dus de koepel waartoe Thomas More behoort, mengt zich niet.

* * *

Vrijdag 7 juli 2017, een uur of vijf ’s avonds. MarCom Director @ Thomas More University College, Martine Taeymans, reageert verbouwereerd via Twitter en zorgt er meteen voor dat de webpagina met de aankondigingen off line worden gehaald. Waarvoor dank, veel dank.

Het weghalen van een pagina is natuurlijk niet hetzelfde als het weggommen van een “fabel” als homeopathie uit een opleiding enerzijds en het aanbieden van “evidence based onderwijs”, waarvan STEM-passionata Martine Taeymans een fervente voorstander lijkt te zijn, anderzijds. Maar haar snelle en kordate ingrijpen doet het beste vermoeden.

Wordt hopelijk niet vervolgd.

* * *

Geen vervolg, wel een update en eentje die doet vermoeden dat de twitteractie van Maarten Boudry een wel zeer positief gevolg zal hebben:

Algemeen directeur van Thomas More Machteld Verbruggen is duidelijk en formeel, waarvoor trouwens eveneens dank, heel veel dank:

The Food Babe: postergirl voor chemofoben

old_teacher“Als je het ingrediënt niet kan spellen of uitspreken, dan eet je het beter niet op.”

Zou u dit voedingsadvies accepteren van mij, oud-germanist en ex-boekenverkoper, en onderstaand voedingsproduct opeten? Ik vermoed van niet. Waarschijnlijk gaat u zich zelfs afvragen of ik wel geschikt ben voor mijn huidige job als leraar Nederlands.

*  *  *

food babe“When you look at the ingredients, if you can’t spell it or pronounce it, you probably shouldn’t eat it.”

Maar wanneer deze slogan vergezeld is van een stralende tandpastaglimlach die zich situeert in een mooi snoetje van een zelfverklaarde voedselactiviste en gezondheidsfreak, wie is dan nog bereid om dit advies even kritisch te evalueren?

*  *  *

Doe de test: kan u alle ingrediënten uitspreken en eet u dan de hele mik op?

chemische banaan a

*  *  *

old_teacherWaar waren we? Ja, kritische evaluatie. Ondanks de wurgende deadlines zou dit toch een vast en vertrouwd ingrediënt mogen zijn voor gedegen journalistiek. Helaas niet voor de Vlaamse journalisten Fernand Van Damme De ‘Food Babe’ lost het mysterie op: dit zit er in bier (De Morgen, 16 juni 2014), Sebastien Rousseau ‘Food Babe’ legt AB InBev over haar knie (De Tijd, idem) en ene rdc ‘Food Babe’ dwingt AB InBev op de knieën (Het Nieuwsblad, idem). Blijkbaar werken reeënogen groot en bruin op het vermogen om kritisch te denken. En neen, ik denk niet dat ik hier de seksistische toer opga door te verwijzen naar het uiterlijk van The Food Babe. De vrouw speelt haar schoonheid uit en maakt er een handelskenmerk van (met de nadruk op handel), waarmee ze zich plaatst naast die andere activiste die het niet zozeer moeten hebben van haar expertise maar van de looks, Nomi Carmona’s Babes against Biotech.

De drie journalisten wijzen terecht op de groeiende kracht van bepaalde bloggers en gebruikers van de sociale media. Zij leggen ook uit dat ze lijsten met álle ingrediënten verkiezen, en terecht. Maar zij laten het in hun artikels na om de figuur van The Food Babe te duiden.

The Food Babe, a.k.a. Vani Hari, is dus een Amerikaanse blogster die zichzelf de taak heeft opgelegd om de gevaren van de voedingsgiganten aan de kaak te stellen. Daarbij spitst ze zich toe op al dan niet volledige lijstjes met ingrediënten. Voor u denkt “klinkt goed”, wil ik u nog één detail meegeven dat alle drie de journalisten vergeten te vermelden. Wat Hari níet heeft, is namelijk enige achtergrond als diëtiste, chemicus of iets dat ook maar in de buurt komt van voedsel+deskundigheid of chemie+deskundigheid. Met andere woorden, zij is evenzeer een expert in de samenstelling van voeding als u en ik specialisten zijn in de samenstelling van de atmosfeer van exoplaneet MOA-2011-BLG-322L b. Dit belet journalist Van Damme niet om Hari’s halfbakken argumenten als “nutritioneel verantwoorde degens” te klasseren.

*  *  *

food babeMaar het dient gezegd, op relatief korte tijd heeft Hari het inderdaad gemaakt in het land van digitale berichten én van digitale betalingen. Want naast haar schrijfwerk runt mevrouw ook een online shop, waarin ze tal van producten verkoopt, van glazen bokalen en mixers over bio-shampoos en bio-lotions tot ipod-shuffles en Ezekiel 4:9 Organic Sprouted Grain Pasta toe. En dat moet gepromoot worden, daarvoor is aandacht nodig.

En die krijgt ze op een even simpele als geniale manier. Haar werkwijze en manier van argumenteren is even eenvoudig als doorzichtig. Neem een ingrediënt, zoek op of het schadelijk zou kunnen zijn, negeer daarbij het idee dat schadelijkheid afhangt van de dosis — en dat wisten de internetloze middeleeuwers sinds Paracelsus al — en trek dan alle registers én die bek blinkend witte tanden open.

*  *  *

old_teacher

Wat zij uit haar koker tovert, is heel makkelijk te illustreren aan de hand van amylose, een chemisch stofje waarvan de naam, geef maar toe, u toch een beetje angst inboezemt. Amylose, dus, (C6H10O5)n, is een onderdeel van amylum, wat u terugvindt in allerhande producten, waaronder tal van voedingsmiddelen die u nu, op dit eigenste moment, onder uw dak heeft staan. Gevaarlijk? Ach, het kan dermatitis veroorzaken en af en toe ontploft het zaakje.

Echt waar. Wees blij dus dat u nog dak boven uw hoofd hebt!

Maar waarschijnlijk valt u niet voor het simplistisch gebazel van een eerder norse germanist. En terecht. Er zijn weinig redenen om nu in paniek te bellen en uw zak met patatjes, blikje maïs of zo goed als elk product met zetmeel (want daarover gaat het) te laten ontmijnen. Ze gaan daar niet mee lachen, daar bij DOVO.

Oh, ik hoop dat mijn voorbeeld hierboven hout snijdt en dat u inderdaad geen instabiele, explosieve chemicaliën die huiduitslag kunnen veroorzaken, in uw keukenkast hebt staan.

*  * *

food babe

En dit is nu precies wat The Food Babe doet, tot groot jolijt van collega’s als Mike Adams, Dokter Oz, en Alex Jones, de Kwik, Kwek en Kwak van het Amerikaanse alternatieve circuit. Maar tegenwoordig ook van CNN, The New York Times en, iets bescheidener, De Tijd:

Zo schrapte broodjesketen Subway uit zijn sandwiches een chemisch product dat wordt gebruikt bij de productie van yogamatten. (De Tijd, de nadruk die op een alarmerende manier moet suggereren hoe schijnbaar absurd het is om een bepaalde chemische component, meer bepaald azodicarbonamide, in twee uiteenlopende eindproducten aan te treffen, zonder dat hij uitleg geeft over wat, hoe en waar, is van de journalist. )

We gaan hier niet te veel plaats wijden aan een artikel dat de zaken nuanceert, maar u vindt het hier, het is van Steven Novella en het begint met “This is the worst example of pseudoscientific fearmongering I have seen in a while, and that’s saying something.” Ook Hank Campbell, auteur van Science Left Behind en blogger op Science 2.0, spaart de grote woorden niet. In de context van haar bieravontuur heeft hij het over “Beer McCarthyism“.

*  *  *

old_teacher

“Kortom, drie kritiekloze berichten over een leep wicht dat ten strijde trekt onder het motto ‘Als je het niet kan uitspreken of schrijven, dan zou je het niet moeten opeten’, een slogan die resoneert bij steeds meer chemofoben”, las ik elders.

Ik kan het niet beter samenvatten. 

*  *  *

Oh ja: smakelijk! En neem eens een kijkje op de websites Food Hacks, waar ik de banaan gevonden heb, met tal van andere vruchten, en op Sense about Science, die info geven over chemicaliën. En over doses vindt de leek, net zoals mij, genoeg informatie in Steven Gilberts boek A Small Dose of Toxicology.

chemische banaan

Zomerschool Kritisch Denken 2015: Katleen Gabriels

Katleen Gabriels over de (on)betrouwbaarheid van het internet. Katleen legt uit wat de kenmerken zijn van betrouwbare online bronnen.

Zomerschool Kritisch Denken 2015 werd georganiseerd door Johan Braeckman en Skepp Educatief, een werkgroep van SKEPPJonatan Lyssens verzorgde de opnames.

Zomerschool Kritisch Denken 2015: Brecht Decoene

Brecht Decoene over complottheorieën en hoe deze (niet) te ontkrachten.

Zomerschool Kritisch Denken 2015 werd georganiseerd door Johan Braeckman en Skepp Educatief, een werkgroep van SKEPPJonatan Lyssens verzorgde de opnames.

Verkeerde signalen

zendmastDe krant Het Laatste Nieuws wist vandaag, 13 juni 2014, te melden dat de stad Gent wifi bant uit kleuterscholen en crèches (Geen wifi in kleuterscholen). Volgens de schepen voor Onderwijs, Opvoeding en Jeugd Elke Decruynaere (Groen) heeft internet voor zulke jonge kinderen geen enkel nut. Lijkt mij een zéér verdedigbare positie, waar ik mij, gedreven door mijn buikgevoel, zelfs achter zou kunnen scharen.

Mocht u nu denken dat mevrouw Decruynaere de pedagogisch gemotiveerde pro’s en cons op een rijtje zet, vergelijkt en afweegt, dan komt u evenwel bedrogen uit. Pedagogie is namelijk geen issue in het artikel, omdat blijkt dat mevrouw de schepen het vooral gemunt heeft op draadloos internet. En dat betekent straling en straling betekent angst! Euh, ik bedoel, gevaar!!

“Uit een rapport van de Vlaamse Overheid en contacten met wetenschappers blijkt dat we omzichtig moeten omgaan met de blootstelling aan straling veroorzaakt door draadloos internet of ‘wifi’. Zeker bij jonge kinderen wordt aangeraden hen niet voortdurend aan sterke straling bloot te stellen en dat willen we dan ook garanderen in alle klassen. Het aantal scholen met wifi is trouwens vrij beperkt.”

Het rapport waarnaar Decruynaere verwijst, is Verantwoord omgaan met Wi-Fi en gsm-straling op school, waarbij alvast uit de inleidende regels op de website zelf blijkt dat “[s]cholen steeds vaker geconfronteerd [worden] met ouders, leraren, … die zich ongerust maken over elektromagnetische straling”. De frase “zich ongerust maken” benadruk ik zelf.

Maar wat staat nu in dat rapport? Staat er iets in waaruit, volgens de Gentse schepen, “blijkt dat we omzichtig moeten omgaan met de blootstelling aan straling veroorzaakt door draadloos internet”? Neen, het rapport vermeldt geen enkele reden waarom we dat zouden moeten doen!

2.1 Wat zegt wetenschappelijk onderzoek over mogelijke gezondheidseffecten?
Als rapporten van experten worden samengelegd, dan is de conclusie dat wetenschappelijk onderbouwd onderzoek niet kan bewijzen dat elektromagnetische straling van toepassingen zoals gsm, zendantennes, draadloos internet en draadloze telefoons (zgn. DECT-telefoons) schadelijk is, op voorwaarde dat de normen niet overschreden worden.

Een paragraaf verder lees ik:

2.2 Hoe omgaan met de conclusies uit wetenschappelijk onderzoek?
Uit de wetenschappelijke literatuur blijkt dat er zowat in alle studiedomeinen (epidemiologie, in vitro en in vivo studies …) resultaten zijn die effecten aantonen en resultaten die geen effecten bewijzen. Het risico bestaat dan dat enkel die studieresultaten gebruikt worden die passen binnen de eigen overtuiging. De wetenschappelijke aanpak voor het beoordelen van mogelijke gezondheidsschade bestaat echter uit het samenleggen van alle beschikbare gegevens, zowel de studies die wijzen op schadelijke effecten als de studies die daar niet op wijzen. Die aanpak maakt het mogelijk om te beoordelen of dit type straling schadelijk is of niet, gebaseerd op alle wetenschappelijke informatie en niet op één of enkele studies. De conclusie van het samenleggen van al het wetenschappelijk onderzoek levert geen bewijs dat elektromagnetische straling van mobiele communicatiesystemen de gezondheid schaadt. Deze stelling geldt enkel op voorwaarde dat de normen ook gerespecteerd worden.

Wij van KritischeMassa.be willen de vuilnisbelt van de geschiedenis niet opgaan als de zoveelste dolle brievenschrijver, maar het verschil tussen het rapport zelf en de interpretatie daarvan door Elke Decruynaere lijkt me vrij groot. Anderzijds heb ik wel het lichtjes fantastische boek The Geek Manifesto gelezen, waarin auteur Mark Henderson netjes uitlegt dat politici en kiezers ook ná een verkiezing (en vooral dan) een dialoog zouden moeten aangaan.

Heb ik dan ook gedaan, via de contactpagina op de webiste van mevrouw de schepen, http://elkedecruynaere.be/contacteer_ons:

Dat er pedagogische redenen zijn om tabletten en computers en dus wifi te beperken in kleuterklassen, wil ik nog begrijpen en accepteren, en graag zelfs. Maar dat u zich hierbij beroept op medische en gezondheidsredenen, doet bij mij toch enkele vraagtekens rijzen. Uiteraard impliceert uw uitspraak hierboven dat ouders hun jonge kinderen thuis in gevaar brengen indien ze gebruik maken van wifi. Meer nog, dat ook de buren met wifi een gezondheidsrisico betekenen voor de kleine spruiten. Ik denk dat u hierbij toch een verkeerd signaal stuurt, pun not intended.

Terwijl ik vol spanning uitkijk naar een antwoord harentwege, heeft Groene schepen Elke Decruynaere al lik op stuk gekregen van haar even Groene collega Wouter Vanhove, die via Twitter liet weten dat we ons daarover niet al te druk moeten maken. Een echte politicus zoals Vanhove maakt zich druk over relevantere zaken dan draadloos internet. Het kan hem ook weinig schelen dat een collega van Groen andermaal mensen angsten aanpraat door middel van een populaire mythe.

Vanhove twitter 1

Hoe dan ook, mijn gok is dat mevrouw Decruynaere zich gaat beroepen op de eeuwige joker van Groen, het voorzorgsprincipe, wat ruim ter sprake komt in het rapport. Dat principe is van onschatbare waarde, maar kan ook makkelijk misbruikt worden. In naam van het voorzorgsprincipe creëren sommige mensen graag angst, zelfs wanneer er geen gevaar is. Het voorzorgsprincipe is bij Groen even populair als het kruisen van de wijsvingers door de middeleeuwse Roemeense plattelandsbevolking tegen het vermeende gevaar van vampieren. Fear is en blijft a liar, en overal waar mensen angst hebben, staan er politici klaar om op die gevoelens in te spelen en er munt uit te slaan. Populisme heet zoiets.

Wordt vervolgd.

[Ctrl-P] Roy & Sandberg: The seven deadly sins of health and science reporting

science health reporting

Als ik de Google-zoekmolen mag geloven, wordt er heel wat bewezen door dé wetenschap. Als wetenschappers al niet “met verstomming geslagen zijn”, dan “bewijzen” dit of dat. 

Niet alleen bedrijven en pr-bureaus maken daar dankbaar gebruik van, getuige daarvan bijvoorbeeld de blog Bad PR, waar al te lovende reclameboodschappen gehuld in “wetenschappelijke bewijzen” ongenadig gefileerd worden. Af en toe laat ook de Nederlandstalige pers zich niet onbetuigd. Een voorbeeld van zulke Bad PR vonden we terug in het (zeer kritische) VK-artikel Is de purpura bacca-bes uit de Andes het nieuwe afslankwonder?:

Intussen prijst het bedrijf Bioshape een Afrikaans mangosupplement aan met framboos ketonen. De bron van succes? Een studie van de Universiteit van Kameroen onder 102 proefpersonen moet het bewijzen: 51 namen het supplement, de andere helft kreeg een placebo. De deelnemers volgden geen dieet of extra lichaamsbeweging. De mangogroep verloor gemiddeld 28 kilo.

Toch even vermelden dat de auteur geen spaander heel laat van de claims over de purperen besjes. Uiteraard zijn er andere journo’s die de blokletters niet schuwen wanneer er iets bewezen werd, althans in de ogen van de schrijver (zie bijvoorbeeld het artikel Wetenschap en showbizz Luc). 

We zijn dan ook van mening dat er niet genoeg artikels zoals The seven deadly sins of health and science reporting geschreven en verspreid kunnen worden.

*  *  *

Avi Roy en Anders Sandberg: The seven deadly sins of health and science reporting

Benjamin Franklin said two things are certain in life: death and taxes. Another one we could add to this list is that on any given news website and in almost all print media there will be articles about health and nutrition that are complete garbage.

Some articles that run under the health and nutrition “news” heading are thought provoking, well researched and unbiased, but unfortunately not all. And to help you traverse this maze – alongside an excellent article about 20 tips for interpreting scientific claims – we will look at seven clichés of improper or misguided reporting.

If you spot any of these clichés in an article, we humbly suggest that you switch to reading LOLCats, which will be more entertaining and maybe more informative too.

1. “Scientists have proven that” or “it has been scientifically proven that”

Why?: In science we never prove something, we can only improve our confidence in a hypothesis or find flaws with it.

Details: Sometimes it is possible to disprove something confidently, but that mainly works in domains like physics. Medicine is notoriously messy because it deals with changeable, complex and individual bodies. There are potential exceptions to nearly anything, and the link between two things is generally statistical, rather than clear-cut “if X then Y” relationships.

Health and nutrition is even worse because it deals with how we interact with our equally messy environment. We know about most of the big contributory causes of bad health such as starvation, disease, parasites and poisoning so arguably many new findings are smaller refinements that are hard to pick out from the “noise” of individual variation and habits. We know plenty of things, just beware of absolute certainty.

Takeaway: Discount the findings of any health or nutrition article with “scientists prove that…” by 80%.

2. X causes cancer, so it must be bad

Why?: There are no good or bad substances. Even water can kill you if you drink too much of it.

Details: There are a surprising number of things associated with slightly increased or decreased risks of getting cancer. We tend to think of things as pure/good/healthy or impure/evil/harmful, but in practice there’s no distinction. Many medications are poisonous, but they are helpful because they are more poisonous to infections or cancer cells than to the rest of the body.

Sometimes it’s the dose that makes the poison. So sleeping a lot or a little is associated with higher mortality (even when you control for depression and sickness, which of course also affect how much you want or can sleep). There can also be trade-offs between risks and benefits. Moderate alcohol intake can be good for heart health (in middle aged men, at least), but it increases the risk of pancreatic cancer and accidents. Whether something is good for you may depend on who you are, what you do and other risk factors.

Takeaway: As Oscar Wilde said, “everything in moderation, including moderation”; it is probably better to eat a diverse diet than to try to only eat “good” things.

Lees hier verder.