Keith Kloor: Journalistiek onder vuur 4/4

Deze vertaling verscheen in Wonder en is geen Wonder (Winter 2017), het ledenblad van SKEPP.

* * *

Wat gebeurt er wanneer je als wetenschapsjournalist schrijft over thema’s waarrond milieu-organisaties en andere ngo’s een verdienmodel hebben opgebouwd? “Afhankelijk van het onderwerp geldt in de wetenschapsjournalistiek dat hoe meer je rapporteert over feiten, hoe minder effect het lijkt te sorteren”, schrijft de Amerikaanse wetenschapsjournalist Keith Kloor. Tijdens zijn carrière als journalist en docent journalistiek raakte Kloor gefascineerd door de hardnekkigheid van bepaalde valse narratieven, zoals mythen rond vaccinatie of genetisch gemodificeerde organismen. “Het draait allemaal rond het verhaal en hoe sterk het gebracht wordt”, weet Kloor. Een paar jaar geleden kwam Kloor door een campagne van activisten tegen zijn persoon zelf in de problemen. Door zijn journalistieke werk dreigde hij niet alleen vrienden, maar ook zijn inkomen te verliezen. Of het dit allemaal waard was, is de centrale vraag in dit openhartige essay.

***

Karaktermoord

Het begon op een mooie dag in september, toen de anti-ggo-groep een reeks emails postte die door dat FOIA-verzoek waren vrijgegeven en waarin mijn naam stond, samen met die van andere journalisten, zoals Tamar Haspel van de Washington Post en Amy Harmon, die tweemaal een Pulitzerprijs heeft mogen ontvangen. Zij werkt nu voor de New York Times en publiceerde eerder een zeer gewaardeerde reeks over controverses in het ggo-debat. Het artikel met fragmenten uit de e-mails, gevolgd door commentaren en opmerkingen vanuit de actiegroep, kreeg de titel A Short Report on Journalists Mentioned in our FOIA Requests. De citaten uit de e-mails vermeldden niets over wat wij drieën gezegd of gedaan hadden. Tussen haakjes, wanneer een journalist regelmatig schrijft over een controversieel onderwerp en ook effectief gelezen wordt, dan kun je ervan op aan dat de naam van die journalist opduikt in e-mails van mensen die geïnteresseerd zijn in die onderwerpen. De enkele keren dat onze namen verschenen in het gekeuvel onder de universitaire wetenschappers, waren blijkbaar genoeg om de argwaan van de anti-ggo-groep te wekken. Zo wordt bijvoorbeeld mijn naam vernoemd in een e-mail van een academicus die uitgesproken pro-ggo is. Zijn boodschap, over geruchten dat er websites gehackt zouden zijn, werd verstuurd naar verschillende wetenschapscommunicatoren en vertegenwoordigers van de biotechindustrie. Mijn naam was één in een lange lijst van mensen die deze e-mail in cc toegestuurd kregen. Conclusie van de anti-ggo-groep: “Deze e-mail impliceert dat Kloor nauw samenwerkt met vooraanstaande vertegenwoordigers van de agro-chemische industrie.”

Enkele dagen later nam de eerder liberaal-progressieve website Alternet het ‘samenvattend rapport’ van de antiggo-groep letterlijk over, maar plaatste er wel een pakkende titel boven: 3 Journalists Who Are Disturbingly Cozy with the Agrichemical Industry. Vergeet niet dat er zelfs geen enkele e-mail van ons drieën tussen de hoop zit! Het is een opeenstapeling van gevolgtrekkingen, een verklaring van schuld-door-associatie louter op basis van een naamsvermelding. Niet lang daarna ontving ik een e-mail van Robert Kennedy Jr. Hij had mijn e-mailadres toegevoegd in een antwoord aan een anti-vaccinatieactivist die hem net had geïnformeerd dat er bekend was gemaakt dat ik een betaalde pion was voor de industrie. Kennedy’s bevestingsdrang deed de rest: “Klinkt aannemelijk. De eerste vraag die ik ooit aan Keith gesteld heb, was of hij betaald werd door de farmaceutische industrie. Het is te gek voor woorden dat een gast die zichzelf verkocht heeft als wetenschapsjournalist, de rommelwetenschap van die industrie zo hard promoot.” Binnen een paar weken zag ik mezelf beschreven als een “Monsantohoer” en een “onderkruiper van de industrie”.

Ik kon het mij niet al te hard aantrekken: mensen die online als een razende te keer gaan ondermijnen gewoonlijk heel snel hun eigen geloofwaardigheid. Maar in januari 2016 kwam de campagne om mijn professionele reputatie te beschadigen in een stroomversnelling terecht. Greenpeace, dat al heel lang gekant is tegen ggo’s en dat de wetenschappelijke consensus rond de veiligheid ervan verwerpt, maakte een pagina over mij aan op de website PolluterWatch. Het is een geslepen mix van feitelijk correcte biografische details, halve waarheden en complete verzinsels, zoals “Kloor heeft regelmatig verzoeken om informatie openbaar te maken afgekraakt. Een paar van die verzoeken betroffen zijn eigen communicatie omtrent ggo’s, door organisaties die de belangenvermenging onderzoeken tussen bedrijven en wetenschappers.” Voor deze claim worden er geen bewijzen aangevoerd. En al bij al is het uiterst absurd omdat ik zelf al FOIA-verzoeken heb ingediend om misdaden van de industrie te onthullen.

Dagen later verscheen een gelijkaardig bericht op de website Sourcewatch, een internetwaakhond die “groepen en mensen die PR-operaties uitvoeren voor bedrijven” screent. Tot op de dag van vandaag vinden mensen die mijn naam googelen die websites terug in de zoekresultaten. Wie niet vertrouwd is met mijn werk kan onmogelijk uitmaken wat nu correcte of foute informatie is. En dat is nu net de bedoeling. Dit is verontrustend in het digitale tijdperk waarin we leven. Mensen worden tegenwoordig sowieso al in de war gebracht door fake news en gladde politieke propaganda.

De reacties die ik ontving van collega’s van de Society of Environmental Journalists (SEJ) deden mij de moed zo mogelijk nog meer in de schoenen zinken. Nadat ik PolluterWatch en SourceWatch vermeldde op de e-maillijst van deze organisatie, liet een lid van SEJ weten: “Klinkt aannemelijk.” Een ander lid schreef in een privébericht: “Keith, alstublieft, zeg nu toch eens wie jouw salaris betaalt. Hoe kan je nu verder doen alsof je niet door de knieën bent gegaan voor de verlokkingen van de spindokters en hun verhaaltjes, die begonnen toen de varkensvleesindustrie dokters betaalden om de voordelen van varkenskadavers te eten, op te hemelen. Prijs je nu die technologieën aan waarvan nog niet bewezen is dat ze honderd procent veilig zijn of niet? SPREEK OP, MAN. Het wordt tijd dat je met jezelf in het reine komt”. Nadat ik van de verbazing bekomen was, bedacht ik: met zo’n collega’s, wie heeft er dan nog vijanden nodig?

Toen ik dit essay aan het afronden was ontving ik een e-mail van een wetenschapper aan een openbare universiteit die net die dag nog maar eens een FOIA-verzoek had ontvangen van dezelfde anti-ggo-groep die in de loop van het vorige jaar tal van zulke verzoeken had verstuurd naar tientallen collega’s in de V.S. en Canada. Dit verzoek verschilde van de vorige omdat het de correspondentie opeiste tussen de wetenschappers en iedereen die connecties heeft met de biotechindustrie. Dit keer ging het over de correspondentie over de drie laatste jaren tussen de wetenschapper in kwestie en drie journalisten: ik, Tamar Haspel van de Washington Post en Nathanael Johnson van Grist. Wij drieën hebben enorm veel geschreven over ggo’s, wij hebben verkeerde informatie gecorrigeerd en mythes ontkracht. Kortom, wij hebben bepaalde hardnekkige en valse verhalen omtrent de wetenschap van de agrarische biotechnologie aangevochten. Misschien vermoedt de anti-ggo-groep die onze e-mailcorrespondentie wil uitvlooien dat er genoeg aanwijzingen te vinden zullen zijn die onze namen kunnen besmeuren en bijgevolg onze berichtgeving over ggo’s.

Maar wat er ook gevonden wordt, ik zie alvast de schadelijke en schandelijke kop: “Wetenschapsjournalisten communiceren met wetenschappers”.

Keith Kloor
is freelance journalist en adjunctprofessor Journalistiek aan de New York University en de City University of New York Graduate School of Journalism.

Keith Kloor: Journalistiek onder vuur 3/4

Deze vertaling verscheen in Wonder en is geen Wonder (Winter 2017), het ledenblad van SKEPP.

* * *

Wat gebeurt er wanneer je als wetenschapsjournalist schrijft over thema’s waarrond milieu-organisaties en andere ngo’s een verdienmodel hebben opgebouwd? “Afhankelijk van het onderwerp geldt in de wetenschapsjournalistiek dat hoe meer je rapporteert over feiten, hoe minder effect het lijkt te sorteren”, schrijft de Amerikaanse wetenschapsjournalist Keith Kloor. Tijdens zijn carrière als journalist en docent journalistiek raakte Kloor gefascineerd door de hardnekkigheid van bepaalde valse narratieven, zoals mythen rond vaccinatie of genetisch gemodificeerde organismen. “Het draait allemaal rond het verhaal en hoe sterk het gebracht wordt”, weet Kloor. Een paar jaar geleden kwam Kloor door een campagne van activisten tegen zijn persoon zelf in de problemen. Door zijn journalistieke werk dreigde hij niet alleen vrienden, maar ook zijn inkomen te verliezen. Of het dit allemaal waard was, is de centrale vraag in dit openhartige essay.

***

De anti-ggo-bende

In 2012 schreef ik een stuk voor Slate met de openingszin: “Ik heb lang gedacht dat er niets kon tippen aan de desinformatie die uitgespuwd werd door klimaatontkenners en hun spindokters. Maar dan begon ik aandacht te schenken aan hoe anti-ggo-activisten de wetenschap omtrent genetisch gemodificeerde gewassen hebben vertekend en verdraaid. Men zou verrast zijn over hoeveel succes ze daarmee behaalden en over wie hen daarbij een handje heeft geholpen.” Op dat moment was ik amper bezig met biotechnologie. Het grootste deel van de jaren 2000 had ik het gezellig druk als redacteur bij een toonaangevend blad over milieu, met het schrijven van stukjes over fauna, milieubescherming, klimaatverandering en de zonden van de olie-, kolen-en gasindustrie. Ik ben nog steeds trots op mijn werk voor het tijdschrift van de National Audubon Society in die periode. Ik ben niet iemand die op een mooie dag is opgestaan en plots zijn carrièrekeuze of job van milieujournalist in vraag begon te stellen. Ik heb geen ideologisch of politiek kantelmoment doorgemaakt dat mij heeft doen besluiten, zoals de titel van het artikel stelde: “Ggo-opposanten zijn de klimaatontkenners van de linkerzijde”.

In 2009 werd ik een freelancer en moest ik voor mezelf een niche zoeken, terwijl ik de nuances van bepaalde onderwerpen in het milieu- en klimaatdebat onderzocht die te weinig aan bod kwamen in de media, of in sommige gevallen zelfs helemaal niet. Een onderwerp dat opviel omdat het zo onderbelicht werd door mijn collega’s, was het ggo-debat.

In de jaren 1990 en de vroege jaren 2000 was het wel even opgeflakkerd, maar tijdens de rest van het decennium smeulde het ergens ver op de achtergrond. Maar toen in de late jaren 2000 de beweging van voedselactivisten opstond, begon men een campagne om genetisch gemodificeerd voedsel te labelen (dat gebeurde eerst in de Verenigde Staten, maar later waaide het idee ook over naar Europa, nvdr.). Dit bracht de wetenschap van de agrarische biotechnologie terug onder de aandacht. Ik nam daar nota van. Gelukkig begon ik aan dat onderwerp met weinig vooroordelen of sterke emoties. Ik had voordien niet al te veel aandacht besteed aan het ggo-debat. Ik wilde dus eerst de wetenschap van de agrarische biotechnologie leren begrijpen. Ik leerde al snel dat het een moeilijke en ingewikkelde wetenschap is die voortgestuwd wordt door de industrie. En dat maakt zonder enige twijfel heel veel mensen al van in het begin argwanend. Zeer begrijpelijk, gezien de lange, goed gedocumenteerde historiek van desinformatie en karaktermoorden uitgevoerd door de chemische, tabaks-, en olie-industrieën, om enkel maar de meest gekende onfrisse voorbeelden aan te halen.

Maar ik ontdekte ook dat de angst voor “frankenfood”, wat de vroege tegenstanders van ggo’s sterk bezighield, nooit werkelijkheid werd. Prestigieuze wetenschappelijke instellingen hebben aan het einde van de jaren 2000 de verzamelde resultaten van onafhankelijke onderzoeksgroepen tegen het licht gehouden. Hun conclusie luidde dat biotechnologie bij eetbare gewassen veilig is. Er waren nog wel enkele netelige kwesties omtrent de milieu-impact bij enkele gewassen, bijvoorbeeld of ggo’s het gebruik van pesticides nu verminderden of vergrootten, maar alles samen genomen was er een consensus dat de wetenschap op een productieve manier door de landbouwers gebruikt werd zonder mens of fauna te schaden. Enigszins tot mijn verbazing gingen dezelfde milieubewegingen en bewakers van het algemeen belang die de wetenschappelijke consensus omtrent de verandering van het klimaat wel aanvaardden, deze keer niet akkoord. Zij verwierpen de wetenschappelijke consensus omtrent ggo’s. Het viel me ook op dat ze, om het publieke debat te vertroebelen, een tactiek gebruikten die de olie-, tabaks- en chemische industrie op punt hebben gesteld, namelijk de “handel in twijfel”. Er is bijvoorbeeld een klein netwerk van wetenschappers die de consensus afwijzen en zelfverklaarde experten in anti-ggo-middens die als het ware een weerspiegeling zijn van een soortgelijk netwerk onder klimaatontkenners. De laatste jaren hebben zij dubieuze wetenschappelijke papers en fikse boeken geproduceerd met welluidende titels als The GMO Deception, Altered Genes, Twisted Truth: How the Venture to Genetically Engineer Our Food has Subverted Science, Corrupted Government, and Systematically Deceived the Public. De meest hardnekkige aanhangers van de anti-ggo- en antivaccinatiebeweging en klimaatontkenners worden voortgedreven door een gelijkaardig complotdenken. Als je meer wilt vernemen over hoe dit alternatieve universum werd opgetrokken, lees dan zeker Will Saletans diepgravend stuk voor Slate, waarin hij concludeert: “De strijd tegen genetisch gemodificeerde organismen zit tjokvol paniekzaaierij, vergissingen, fouten en bedrog.”

Met mijn stuk voor Slate uit 2012 wilde ik daar ook de aandacht op vestigen: “Het emotioneel beladen, gepolitiseerd discours over ggo’s wordt verzopen in dezelfde koortsmoerassen die de wetenschap rond de klimaatverandering onherkenbaar aangetast hebben.” De verantwoordelijke partijen zijn milieu groepen, prominente voedselcolumnisten en invloedrijke progressieve schrijvers. Met mijn blog voor Discover (stopgezet in 2015) borduurde ik verder op dit thema. Ik belichtte de bijna constante stroom aan voorvallen waarin de wetenschap verkeerd werd voorgesteld door groene groepen en prominente individuen waarvan ik dacht dat ze beter zouden weten. Dit werd niet echt geapprecieerd door denkers aan de progressieve zijde, een kant die ik nochtans beschouw als mijn natuurlijke habitat.

Wat bedoel ik daarmee? Neem Julia Belluz, wetenschapsjournalist voor Vox die enkele keiharde stukken over Dr. Oz, alternatieve geneeskunde, dieetrages en dies meer heeft geschreven. In een recent stuk beschrijft zij de terugslag die ze heeft mogen ervaren; de titel ervan spreekt boekdelen: Why reporting on health and science is a good way to lose friends and alienate people (Waarom je door te schrijven over gezondheid en wetenschap vrienden verliest en mensen van je vervreemdt.) Dit is absoluut ook mijn ervaring bij mijn reportages over ggo’s. Het wordt zelfs erger wanneer de enige nieuwe vrienden die je maakt na een kritisch artikel over een ecoheilige zoals Vandana Shiva, het soort mensen zijn dat werkt in de labo’s van Monsanto’s hoofdzetel.

Mijn punt is dus: als je journalistieke werk opgevat wordt als een steuntje in de rug van het meest boosaardige bedrijf ter wereld, geloof me, dan riskeer je meer te verliezen dan vrienden alleen. Meer hierover later.

Zet jezelf ondertussen even in de plaats van voedselactivisten en groenen die tegen ggo’s zijn en die werkelijk geloven dat zij aan de kant van de engeltjes staan. Elke ochtend opnieuw ontwaken ze en gaan ze verder met het bestrijden van het Kwaad. Er zijn geen tinten grijs in deze zwart-witte wereld.

Bekijken we de wereld door hun bril: als CEO’s en wetenschappers verbonden aan de industrie bijna al mijn artikelen over hoe verheven progressieve woordvoerders het ggo-debat verdraaien, enthousiast delen op de sociale media, dan moet dat betekenen dat ik een vriend van Monsanto ben, toch? Als de Columbia Journalism Review in 2013 een artikel publiceert over hoe ik de belabberde en bevooroordeelde media-aandacht voor ggo’s zie, dan moet ik wel een slippendrager van de biotechnologische industrie zijn, niet? Als ik in 2015 bericht over hoe wetenschappers uit de openbare sector een verzoek krijgen om hun volledige correspondentie en andere informatie openbaar te maken zoals bepaald door de Freedom of Information Act (FOIA, een Amerikaanse wet op de openbaarheid van informatie, nvdr.) nog voordat de groep activisten achter dat verzoek hiermee in het openbaar willen komen, dan moet ik wel geknecht zijn door de industrie? Als ik de zaak opvolg en afkom met een nieuw exclusief artikel (niet vergeten, ik ben journalist) omtrent de inhoud van die FOIA-verzoeken nog voordat de anti-ggo-groep wil dat deze informatie openbaar wordt gemaakt, dan moet ik toch gewoon in loondienst zijn van de industrie?

Nee, toch niet. Mijn journalistiek werk wordt niet beïnvloed of tegen betaling besteld door de industrie. Ik heb de mythe van de Indiase boeren – de zogezegde link tussen ggo’s en zelfmoorden – zelf ontdekt. Ik heb nooit met Monsanto gesproken, laat staan overlegd, wanneer ik aan een artikel werkte. Wanneer ik voor het eerst schreef over de wijdverspreide foute voorstellingen van plantenbiotechnologie voor Slate in 2012, was ik zelfs amper beginnen praten met wetenschappers in het veld. Ik kon de omgekeerde wereld die de anti-ggo-activisten gecreëerd hadden, afleiden door deze gewoonweg te vergelijken met de wereld van echte wetenschap en gevestigde literatuurstudies. Sindsdien ben ik bekend geworden bij tal van wetenschappers in de publieke biotechsector. Ze vertrouwden erop dat ik over hen op een faire, open en onbevooroordeelde manier zou schrijven. Nadat een aantal van hen een FOIA-verzoek op hun bord kregen op instignatie van een anti-ggo-groep in 2015, lieten ze mij dat weten. Ik schreef er een rechttoe-rechtaan verhaal over voor Science in februari dat jaar. In privé-conversaties liet ik de wetenschappers en onderzoekers weten dat ik in principe, als journalist, geen probleem had met zulke FOIA-verzoeken, hoewel ik heel goed begreep waarom zij zich daardoor aangevallen voelden. Later dat jaar wezen wetenschappers me erop dat duizenden e-mails aan die anti-ggogroep waren vrijgegeven, het resultaat van een FOIA-verzoek aan één bepaalde onderzoeker. Ik rapporteerde over de inhoud van deze e-mails in het tijdschrift Nature, wat een onaangename verrassing was voor de anti-ggo-groep, omdat men al aan het samenwerken was met een andere journalist waarvan ze dachten dat hij waarschijnlijk hun ideologische interesse en filosofie wel zou delen.

Wat er toen gebeurde, was dan weer een onaangename verrassing voor mij.

Keith Kloor: Journalistiek onder vuur 2/4

Deze vertaling verscheen in Wonder en is geen Wonder (Winter 2017), het ledenblad van SKEPP.

* * *

Wat gebeurt er wanneer je als wetenschapsjournalist schrijft over thema’s waarrond milieu-organisaties en andere ngo’s een verdienmodel hebben opgebouwd? “Afhankelijk van het onderwerp geldt in de wetenschapsjournalistiek dat hoe meer je rapporteert over feiten, hoe minder effect het lijkt te sorteren”, schrijft de Amerikaanse wetenschapsjournalist Keith Kloor. Tijdens zijn carrière als journalist en docent journalistiek raakte Kloor gefascineerd door de hardnekkigheid van bepaalde valse narratieven, zoals mythen rond vaccinatie of genetisch gemodificeerde organismen. “Het draait allemaal rond het verhaal en hoe sterk het gebracht wordt”, weet Kloor. Een paar jaar geleden kwam Kloor door een campagne van activisten tegen zijn persoon zelf in de problemen. Door zijn journalistieke werk dreigde hij niet alleen vrienden, maar ook zijn inkomen te verliezen. Of het dit allemaal waard was, is de centrale vraag in dit openhartige essay.

***

Toen ik de bronnen onderzocht die Kennedy’s obsessie voedden, ontdekte ik een parallel universum van “feiten” en “wetenschap” dat zo’n tien, vijftien jaar geleden werd gecreëerd. Ik vond stapels boeken, documentaires, obscure artikelen en websites, de meeste het resultaat van noeste thuisarbeid, die Kennedy’s geloof versterkten in een “neurologische holocaust” veroorzaakt door vaccins en verborgen door het CDC. Kennedy was van streek omdat mijn artikel de “wetenschap” die hij met mij deelde, niet besprak. Omgekeerd waren er sommige wetenschappers die vonden dat ik hem te zacht had aangepakt. In de periode dat ik dit verhaal versloeg, ontmoette ik heel wat intelligente mensen die oprecht geloofden dat de federale overheid de waarheid omtrent vaccins en autisme verborgen houdt (wat trouwens niet het geval is). Ik betwijfel of zij hiervan zo zeker zouden geworden zijn zonder een overkoepelend verhaal van “de goeden tegen de slechten”: Big Pharma is de boosdoener, CDC de handlanger, Kennedy de moedige verkondiger van de waarheid.

In deze wereld heeft Andrew Wakefield de status van een rockster (Wakefield is de Britse dokter en auteur van een frauduleuze studie die in 1998 een golf van paniek veroorzaakte omtrent de inenting tegen de mazelen, de bof en de rode hond). Volgens verschillende peilingen wordt hij door een derde van alle Amerikaanse ouders op handen gedragen, door mensen die verkeerdelijk geloven dat er een link is tussen autisme en vaccinaties, wars van het feit dat Wakefields medische licentie ingetrokken werd en dat zijn werk grondig werd ontkracht door de wetenschappelijke wereld. Maar dat is natuurlijk gewoonweg méér bewijs van een grote samenzwering!

Trumps vurigste supporters leven net zoals de gepassioneerde fans van Kennedy en Wakefield in een eigen mediabubbel met een heel eigen verzameling aan waarheden. Beide bubbels koesteren een minachting voor verdiende reputaties van mensen en instituten. Objectieve feiten kunnen niet binnen dringen in deze afgesloten werelden. Of zoals Brian Stelter van CNN het onlangs verwoordde: “Een groot deel van het land heeft de journalistiek achter zich gelaten en geopteerd voor een alternatieve realiteit.” Het dient vermeld dat Wakefield en enkele medestanders een privé-ontmoeting van een uur met Trump hebben gehad voor de verkiezingsdag. Voordien had Trump zijn geloof in een verband tussen inentingen en autisme al verkondigd. Volgens het tijdschrift Science, dat berichtte over deze ontmoeting, gaf Wakefield aan Trump een kopie van een recente documentaire waaraan hij had meegewerkt, namelijk Vaxxed: From Cover-up to Catastrophe.

Een boosdoener genaamd Monsanto

Tijdens mijn carrière als journalist ben ik altijd gefascineerd geweest door de hardnekkigheid van bepaalde onware narratieven. In 2014 onderzocht ik voor Issues in Science & Technology de oorsprong en voedingsbodem van zo’n verhaal, namelijk dat over de honderdduizenden Indiase boeren die door Monsanto en zijn ggo’s tot zelfmoord zouden gedreven zijn. Dat dit verhaal niet waar was, was na enig onderzoek gemakkelijk aan te tonen. Maar wat mij choqueerde was hoe het verhaal ingebed werd in de media en onvoorwaardelijk voor waar aangenomen werd door zeer schrandere mensen. Ik wilde uitzoeken hoe dat in elkaar stak.

Laat er geen misverstand over bestaan: het leven van kleine Indiase boeren is kei- en keihard. Velen overleven met zeer kleine marges, zonder toegang tot irrigatie, overgeleverd aan een grillig klimaat. Zij hebben geen toegang tot geïnstitutionaliseerd krediet of oogstverzekeringen. Door een ingewikkelde mix van allerhande socio-politieke factoren eindigen al te veel kleine boeren met verpletterende schulden. Voor velen onder hen is zelfmoord de enige uitweg. Het is tragisch en reëel.

En ja, in de vroege jaren 2000 stond de Indiase regering Monsanto toe om genetisch gemodificeerd katoenzaad te verspreiden in het land, wat door heel wat boeren ten zeerste geapprecieerd werd. Maar de “agrarische crisis”, zoals deze in India genoemd wordt, dateert van voor de introductie van gg-katoen en de precaire situatie veranderde in de jaren 2000 amper of niet voor de kleine boeren. Wat wel veranderde was de aandacht die de zelfdodingen in de landbouwsector plots kregen. Een aantal dat, tussen haakjes, lager lag dan het aantal zelfmoorden onder niet-boeren. Hoewel India een eeuwenlange en diepgewortelde traditie heeft wat betreft sociale en genderongelijkheid, een traditie die teruggaat tot het kastensysteem, en hoewel systematische aanvallen en seksueel geweld op vrouwen ook al lang een sociaal probleem is, vonden midden de jaren 2000 activisten in de zelfdodingen hun nieuwe goede doel. Snel trok het de aandacht van de media en van universitaire denktanks. In ongeveer diezelfde periode werden Monsanto en het gg-katoen aangewezen als de voornaamste schuldigen voor de zelfdodingen onder de Indiase boeren. Zoals ik beschreef in mijn artikel “The GMO-Suicide Myth” heeft niemand zich meer ingespannen om dit verhaal te verspreiden en te bestendigen dan Vandana Shiva. Zij en haar organisatie publiceerden rapporten waarin het gg-product van Monsanto ‘zelfmoordzaad’ genoemd werd. Shiva verergerde de vermeende connectie tussen Monsanto en de zelfdodingen onder de Indiase boeren via opiniestukken, interviews en voordrachten. Haar verheven status in de wereld der groenen en haar invloed op vooraanstaande denkers hielpen het verhaal te legitimeren.

Maar dit verhaal kon enkel tot deze proporties uitgroeien in een bestaand en welomschreven kader. En daarin heette de op maat van de media geknipte snoodaard Monsanto of, zoals de tegenstanders het biotechbedrijf noemen, Monsatan. Deze meme, waarin Monsanto op het internet werd opgevoerd als het “meest boosaardige bedrijf ter wereld”, omdat het ’s werelds voedselbevoorrading zou willen overnemen en ‘frankenfoods’ door onze strot wil rammen, was al wijd en zijd bekend in de periode dat Vandana Shiva besliste om hieraan haar verhaal over de zelfdodingen vast te klinken. Ik heb thuis een schap vol boeken die Monsanto een algemene ontaarding van het landbouwbedrijf aanwrijven. Ik heb er documentaires over gezien. Iedereen haat Monsanto, toch? Of dit beeld cartoonesk is? Dat trekken we ons niet aan. Belangrijker is dat het ‘warig’ klinkt. Dus ja, de demonisering van het bedrijf was al aan de gang lang voordat Shiva het beschuldigde van de zelfdoding van 300.000 Indiase boeren. Velen waren al geconditioneerd om dit te geloven. Paul Ehrlich vermeldde het, Bill Moyers knikte gewichtig mee toen Shiva hem het verhaal deed. Dan was er nog de invloedrijke documentaire Bitter Seeds (2012), die Shiva mee in elkaar hielp steken en die door voedseljournalist en activist Michael Pollan de hemel in geprezen werd. De film ging rond in het festivalcircuit. Kijk naar de film, of naar de talloze fragmenten op YouTube, met huilende Indiase families die net een verwante verloren hebben door zelfmoord omwille van ggo’s, en zeg me dan nog eens dat Monsanto niet het pure kwaad belichaamt.

Het draait allemaal rond het narratief, het verhaal en hoe sterk het kan gemaakt worden. De ‘corrupte Hillary’ is een ‘crimineel’, een pediatrisch onderzoeker die van jetje geeft tegen bangmakerij door anti-vaccinatie-activisten, staat op gelijke voet met een nazi-kampbewaker, de wetenschappers van Monsanto hebben ‘zelfmoordzaden’ gecreëerd. Deze verhaallijnen zijn wis en waarachtig voor de mensen die er geloof aan hechten, omdat ze telkens opnieuw versterkt worden met nieuwe informatie, in de vorm van boeken, artikelen, films, voordrachten, segmenten van radioprogramma’s, alle gemaakt door vertrouwde, gelijkgezinde koppen.

In een ideale wereld onderzoeken journalisten en geleerden onbevreesd aannames en onderliggende ideologische verhalen die het beleid en het wetenschappelijk debat beïnvloeden. In de echte wereld, waar groepsidentiteit wel van belang is en reputaties beschermd dienen te worden tegen politiek geïnspireerde aanvallen, hebben sommigen besloten dat bepaalde narratieven best onaangeroerd blijven. Alan Levinovitz, professor religieuze studies aan de James Madison University, was zo iemand die nooit de verhaallijn ‘Monsanto is het pure kwaad’ in vraag had gesteld. Nadat hij een tekst had geschreven waarin hij zich volgens de anti-ggo-mensen te positief had uitgelaten over biotechnologie, werd hij ervan beschuldigd een betaalde pion te zijn in dienst van. In een reactie schreef hij droogweg:

“Zoals de meeste mensen wist ik precies hoe Monsanto was, zonder er ooit al te hard te hebben over nagedacht. Ik wist dat Monsanto boeren de vergetelheid in procedeerden, dat Monsanto aan de basis lag van een lange reeks zelfmoorden in India, dat Monsanto negatieve mediaberichten onderdrukte, dat Monsanto politici en wetenschappers betaalde om voor hen te liegen.
Maar er was één verhaal dat ik niet geloofde omdat ik wist dat het niet waar was: mij had Monsanto niet betaald. En dus deed ik wat elke academicus of journalist zou moeten doen, ik begon namelijk te lezen en te leren over het bedrijf dat me zogezegd op zijn loonlijst had staan.”

Levinovitz ging praten met wetenschappers van Monsanto en al snel werd het plaatje heel wat ingewikkeldder, namelijk dat van een grote multinational “die een grote verscheidenheid aan mensen in dienst heeft. Sommigen willen zo snel mogelijk zo veel mogelijk verdienen. De voornaamste zorg van anderen was dan weer om zo degelijk mogelijk wetenschappelijk onderzoek te doen.” Hij begon het idee te koesteren om een verguisd bedrijf dat volledig gedemoniseerd was – en met het bedrijf misschien wel een hele tak van de wetenschap – te vermenselijken. “Maar dan besefte ik dat ik dat verhaal nooit zou schrijven”, noteert Levinovitz in zijn essay. “Het sop was de kolen niet waard. Waarom zou ik mezelf, ook al is het maar even, associëren met de Duivel? Andere journalisten hebben me verteld dat ze hetzelfde ervaren.” Hij vermeldt bijvoorbeeld Nathanael Johnson, een journalist die voor Grist schrijft over voeding en landbouw, die ook zei: “Het heeft een verkrampende uitwerking op mij en daar ben ik niet trots op.”

Geen enkele journalist kijkt uit naar de slangenkuil die hem of haar onvermijdelijk wacht wanneer je bezig bent met onderwerpen in verband met gecontesteerde wetenschap. Als ik terugkijk op mijn eigen ervaringen van de laatste jaren, dan vraag ik me ook af of ik er niet beter aan gedaan had om bepaalde onderwerpen te mijden.

Wordt vervolgd

Keith Kloor: Journalistiek onder vuur 1/4

Deze vertaling verscheen in Wonder en is geen Wonder (Winter 2017), het ledenblad van SKEPP.

* * *

Wat gebeurt er wanneer je als wetenschapsjournalist schrijft over thema’s waarrond milieu-organisaties en andere ngo’s een verdienmodel hebben opgebouwd? “Afhankelijk van het onderwerp geldt in de wetenschapsjournalistiek dat hoe meer je rapporteert over feiten, hoe minder effect het lijkt te sorteren”, schrijft de Amerikaanse wetenschapsjournalist Keith Kloor.

Tijdens zijn carrière als journalist en docent journalistiek raakte Kloor gefascineerd door de hardnekkigheid van bepaalde valse narratieven, zoals mythen rond vaccinatie of genetisch gemodificeerde organismen. “Het draait allemaal rond het verhaal en hoe sterk het gebracht wordt”, weet Kloor. Een paar jaar geleden kwam Kloor door een campagne van activisten tegen zijn persoon zelf in de problemen. Door zijn journalistieke werk dreigde hij niet alleen vrienden, maar ook zijn inkomen te verliezen. Of het dit allemaal waard was, is de centrale vraag in dit openhartige essay.

***

Enkele weken na de Amerikaanse verkiezingen, terwijl men bezig was met het tellen van de laatste stemmen, berichtten de media dat Hillary Clinton twee miljoen stemmen
méér had behaald. Op 27 november tweette de net verkozen Donald Trump: “Ik heb de meeste stemmen behaald, als je de miljoenen mensen wegneemt die onwettig gestemd hebben.” Trump noch zijn raadgevers gaven enig bewijs voor hun uitspraak.

Journalisten traceerden de oorsprong van de claim tot bij een website die gekend is voor het koortsachtig promoten van complotverhalen. Tijdens en na de verkiezingscampagne van 2016 verkondigde Trump tal van overduidelijk onware beweringen die door journalisten als dusdanig geduid werden, genre “Obama richtte ISIS op” en “Natuurlijk was er een grootschalige verkiezingsfraude voor en op de dag van de stemming”. Het had geen negatief gevolg voor zijn resultaten in de peilingen, en het verminderde het enthousiasme bij zijn aanhangers hoegenaamd niet. Hij herhaalde vaak leugenachtige uitspraken nadat men onomstotelijk had aangetoond dat die inderdaad onwaar waren. Normaal gezien zou dit gevolgen moeten hebben voor iedereen die zich opwerpt als een ernstig presidentskandidaat. Maar zoals Susan Glasser van het mediabedrijf Politico schreef in een essay voor het Brookings Institution: “Zelfs het fact-checken van beweringen uit de mond van mogelijk de meest oneerlijke kandidaat in de recente geschiedenis maakte niets uit; hoe meer de media zich uitsloofden om de uitspraken te controleren, hoe minder impact die controle bleek te hebben.”

Beste politieke journalisten, beste collega’s, welkom in de wereld van de wetenschapsjournalistiek. Afhankelijk weliswaar van het onderwerp geldt ook in deze tak van de journalistiek dat hoe meer je rapporteert over feiten, hoe minder effect het lijkt te sorteren. Collega’s in de frontlinies van het klimaatdebat, u mag instemmend knikken. Idem dito voor de wetenschappers en de wetenschapscommunicatoren die verstrikt raken in de discussie over genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) of die antivaccinatie-activisten hebben nagejaagd tot ver in hun hol.

Donald Trumps onwaarschijnlijke triomftocht naar het Witte Huis heeft velen gechoqueerd, maar de tactieken die dit mogelijk maakten, waren zeer herkenbaar voor diegenen onder ons die vertrouwd zijn met de omgekeerde wereld van de wetenschapscontestatie. Trumps succes was gebaseerd op technieken die over het hele politieke spectrum gebruikt worden wanneer vaststaande wetenschappelijke feiten aangevochten worden.

Het is in de eerste plaats belangrijk om te begrijpen dat de succesvolle strategie van Trump draait rond het demoniseren van tegenstanders en het discrediteren van zijn criticasters. Bijvoorbeeld vervelende, feiten controlerende journalisten. Dit vroeg om een overkoepelend verhaal, eentje over een diepgeworteld en corrupt politiek establishment, belichaamd door Hillary Clinton. Dat verhaal begint al in de jaren 1990, maar Trump en zijn team bouwden erop verder. Ze maakten daarbij dankbaar gebruik van de mediakanalan van bondgenoten zoals Steve Bannon, de voormalige voorzitter van Breitbart Media, een bedrijf dat anti-Clintonboeken en -documentaires verspreidde. Bannon werd het hoofd van Trumps campagne, daarna zijn voornaamste politieke strateeg en raadsman. Gebeurtenissen buiten de campagne, zoals onthullingen door WikiLeaks en aankondigingen door het FBI, gaven het gevoel dat het wel eens waar zou kunnen zijn. Dat versterkte het hoofdstuk ‘corruptie’ in het grotere verhaal. Denk aan de roepkoren die tijdens de optredens van Trump scandeerden dat Hillary Clinton opgesloten moest worden.

De komiek Stephen Colbert lanceerde al in 2006 de term “waanwaarheid” (truthiness): “iets wat lijkt op de waarheid, en meer bepaald die waarheid waarvan wij willen dat zij bestaat”. Sindsdien voorzien sociale media, met Facebook en Twitter voorop, ons van een gestage stroom aan nieuws en informatie die onze eigen voorkeuren en (voor)oordelen steeds weer opnieuw lijken te bevestigen. Zijn we met de verkiezing van Trump in 2016 een stap verder gegaan, van “waanwaarheid” tot wat sommige politieke commentatoren het post-truth-tijdperk zijn gaan noemen? Post-truth wordt door het Oxford Dictionary gedefinieerd als een staat “waarin objectieve feiten minder invloedrijk zijn bij het vormen van de publieke opinie dan het appél aan emoties”. Maar dit geeft niet exact weer hoe Trump c.s. de realiteit verdraaide op weg naar het Witte Huis. Dat doet men niet door gewoonweg een beroep te doen op emoties. Hiervoor heeft men een verhaal nodig dat door de media wordt verspreid en waarin slechteriken, handlangers en helden figureren. De technieken die men hiervoor gebruikt toonden al lang geleden dat ze effectief zijn in het manipuleren van percepties bij het publiek en in het ter discussie stellen van bepaalde wetenschappelijke onderwerpen.

Kwaadaardige inentingen

Enkele jaren geleden kreeg ik een telefoontje van een bekende milieuactivist. Nadat hij zichzelf kort had voorgesteld, viel Robert Kennedy Jr. meteen met de deur in huis. “Ik probeer uit te vissen”, zei hij, “of u een spreekbuis bent die door Big Pharma betaald wordt.” Kennedy heeft een bewonderenswaardig en ellenlang curriculum vitae als milieuadvocaat en -activist. Hoewel we nog nooit met elkaar gesproken hadden, wist hij dat ik in de jaren 2000 gewerkt had als redacteur van het tijdschrift van de National Audubon Society, een nonprofit organisatie die zich inzet voor de bescherming van vogels. Dat hij zich afvroeg of ik een handpop (of ‘marionet’, nvdr.) van de industrie geworden was, verbaasde me ten zeerste, maar ik wist wat hem tot deze gedachtesprong had aangezet. Niet lang daarvoor had Kennedy een vurige speech gegeven op een conferentie van een bekende anti-vaccinatiegroep. Net zoals de daar aanwezigen is Kennedy er rotsvast van overtuigd dat inentingen op jonge leeftijd (wat hij beschrijft als een “neurologische holocaust”) verantwoordelijk zijn voor het verhoogde aantal kinderen die gediagnosticeerd worden met autisme, én dat de bewijzen hiervoor verborgen worden gehouden door de regering die onder een hoedje speelt met de farmaceutische industrie. Prominente leden van de wetenschappelijke gemeenschap zijn ook medeplichtig, verzekerde hij zijn publiek. Bepaalde mensen, zoals een pediatrisch onderzoeker die openlijk voorstander was van vaccinatie, vergeleek hij met nazi-kampbewakers. “Zij horen thuis achter slot en grendel en de sleutels zouden we moeten weggooien”, voegde hij eraan toe.

In 2013 bekritiseerde ik deze laag-bijde-grondse uitspraken in het tijdschrift Discover en merkte ik op dat Kennedy dit pad al eens bewandeld had. In het midden van de jaren 2000 veroorzaakte hij een serieuze rel toen hij in een veelgelezen interview met het tijdschrift Rolling Stone voor de eerste keer beweerde dat er een misdadige doofpotoperatie om de vaccinatieschade te minimaliseren aan de gang was, geleid door de Centers for Disease Control and Prevention (CDC). De vuige aantijgingen werden grondig ontkracht nadat ze kritisch onderzocht waren door toonaangevende wetenschapsjournalisten. Maar de standpunten van Kennedy verhardden in de loop der jaren en zijn uitspraken kregen een opruiend karakter. In die periode schreef ik: “Omwille van zijn status als Bekende Amerikaan en zijn positie in middens van progressieven en milieuactivisten kan beargumenteerd worden dat Kennedy meer dan zijn steentje heeft bijgedragen tot het verspreiden van onnodige angst voor al te gekke complottheorieën omtrent vaccinaties.”

Dit gaf aanleiding tot het boze telefoontje en zijn verdenking dat ik op de loonlijst van Big Pharma stond. Nadat ik hem van deze illusie verlost had, praatte Kennedy het volgende uur vol over het “explosieve boek” dat hij binnenkort zou uitbrengen en waarin hij het verband beschrijft tussen inentingen en neurologische ontwikkelingsstoornissen. Hij vermeldde ook dat hij binnenkort zou vergaderen met vooraanstaande leden van het Congres en toplui binnen verschillende nationale agentschappen om zijn zaak nog meer gewicht te geven.

Deze merkwaardige ontwikkelingen, een bijproduct van zijn fanatisme, overtuigden me om het verhaal van Kennedy’s fixatie te vertellen. Mijn stuk over hem verscheen in de Washington Post in 2014. Ik beschreef hoe zijn ideeën haaks stonden op die van de gevestigde wetenschap, dat zijn vergaderingen in Washington tot niets leidden, dat hij levenslange medestanders in de openbare gezondheidssector van zich had vervreemd, en misschien wel het meest verbijsterende, dat hij zijn kruisvaart niet zou beëindigen. Het verhaal gaf aanleiding tot zeer uiteenlopende reacties. De felste reacties vielen uiteen in twee verschillende groepen. Aan de ene kant schudde men collectief het hoofd in afkeer. Deze mensen beschouwden Kennedy als een van de goeien die stapelgek is geworden, iemand die “met zijn nieuwe en onbegrijpelijke kruistocht een onfatsoenlijke sprong in de wereld van anti-wetenschap had gemaakt”, zoals Jeffrey Kluger in Time schreef. De andere kant, vooral degenen die eerder al hun wantrouwen tegenover staatsinstanties en het medische establishment hadden uitgedrukt, prees Kennedy als een dappere “held”.

Zelfde verhaal, twee diametraal tegenovergestelde reacties. Hoe kan dat?

Wordt vervolgd