De XII werken van Robert G. Ingersoll

Ettelijke maanden al staar ik regelmatig naar bovenstaande foto uit 1894, op zoek naar een goede insteek, een aanleiding, een Vlotte Eerste Zin. Ettelijke maanden al probeer ik iets te schrijven over Robert Green Ingersoll. Een kwestie van moeten. En dan duiken er binnen de week zowaar twee op.

“Nederlanders kunnen niet speechen. Hoe moet het wel?”, vraagt Bert Wagendorp zich af in de Volkskrant van 19 juli 2012. Enkele dagen eerder presenteerde David Niose, voorzitter van de American Humanist Association 9 Great Nonbelievers In U.S. History in de Huffington Post.

Dat de Nederlander Wagendorp in zijn overigens interessant en leuk artikel over een aankomende speechwedstrijd Robert G. Ingersoll niet vermeldt, is de vanzelfsprekendheid zelve. Winston Churchill, Martin Luther King en John F. Kennedy passeren, even vanzelfsprekend, wél de revue, inclusief eeuwig boeiend beelden geluidsmateriaal.

De Amerikaan Niose, daarentegen, moet over de Amerikaan Ingersoll schrijven dat hij “[l]argely forgotten by mainstream [Amerikaanse] historians” is. “Historians” kunnen we hier best vertalen door “geschiedschrijvers”, niet door “het grote publiek”. Dit doet me een beetje vrezen dat zelfs een reductie van het vak menselijke (en natuur) geschiedenis tot een 6000-tal jaren niet echt een garantie is dat die zes millennia gedetailleerd(er) besproken zullen worden, maar dat terzijde.

Robert Green Ingersoll werd geboren in Dresden, New York in 1833 als zoon van een presbyteriaanse dominee. Een half leven en een Amerikaanse Burgeroorlog later werd hij benoemd tot procureur-generaal van de staat Illinois.

Hoewel hij politiek actief was in de Republikeinse partij, toen de progressieve partij van Abraham Lincoln, werden zijn ideeën in verband met religie, slavernij en vrouwenrechten zelfs in die kringen te radicaal bevonden om hem een verkiesbare plaats te kunnen aanbieden.

Ingersoll, zo gaat het verhaal, weigerde zijn agnosticisme, waarschijnlijk een door Thomas Huxley geïnspireerd eufemisme voor atheïsme, te verbergen. Liegen of informatie achterhouden voor het kiezerspubliek vond hij immoreel. Kortom: ook toen maakte hij met andere woorden geen schijn van kans.

Zijn schrijftalent maakte hem gewild als auteur van politieke toespraken, zijn “electrifying speaking voice” zorgde ervoor dat hij uitgroeide tot de meest gekende redenaar van zijn tijd. Ingersoll ging als speecher regelmatig op tournee door het hele land. waarbij we niet mogen vergeten dat in een tijdperk voor de radio en televisie, een rondtrekkende redenaar een populaire entertainer was. De onderwerpen gingen van wereldliteratuur tot de politieke problemen in naoorlogs Amerika, van wetenschap tot religie (en agnosticisme).

Als ongekroonde koning van de redenaars werd Ingersoll bevriend met literaire grootheden als Mark Twain, magnaten als Andrew Carnegie en straffe madammen als Elizabeth Cady Stanton, suffragette van het eerste uur. Hij was ook een voorstander van gelijke rechten voor zwarte Amerikanen. Ingersoll populariseerde Charles Darwin en uitte zich eloquent als advocaat van de wetenschap en de rede, waarbij hij hard van leer trok tegen de Religious Right van zijn tijd. Misschien vandaar het epitheton “radical” in het Wikipedia-artikel.

Wat heeft dit te maken met de Volkskrant? Technisch zijn de toespraken van Ingersoll machtig leesvoer, wars van de onderwerpen, die dan weer meer in de lijn liggen van deze heidense blog. U moet ze zelf lezen, de oraties, hardop. Desnoods voor een ingebeeld publiek of een even ingebeelde microfoon. Zoek uw eigen stem. En veel succes met de wedstrijd, trouwens.

In plaats van te eindigen met één citaat uit een oeuvre dat XII boekdelen beslaat, kies ik voor de makkelijkere, misschien wel goedkopere oplossing. Enkele losse citaten, proevertjes, als het ware:

Give me the storm and tempest of thought and action, rather than the dead calm of ignorance and faith. Banish me from Eden when you will; but first let me eat of the fruit of the tree of knowledge.

Any doctrine that will not bear investigation is not a fit tenant for the mind of an honest man.

If abuses are destroyed, we must destroy them. If slaves are freed, we must free them. If new truths are discovered, we must discover them. If the naked are clothed; if the hungry are fed; if justice is done; if labor is rewarded; if superstition is driven from the mind; if the defenseless are protected and if the right finally triumphs, all must be the work of people. The grand victories of the future must be won by humanity, and by humanity alone.

This century will be called Darwin’s century. He was one of the greatest men who ever touched this globe. He has explained more of the phenomena of life than all of the religious teachers. Write the name of Charles Darwin on the one hand and the name of every theologian who ever lived on the other, and from that name has come more light to the world than from all of those. His doctrine of evolution, his doctrine of the survival of the fittest, his doctrine of the origin of species, has removed in every thinking mind the last vestige of orthodox Christianity. He has not only stated, but he has demonstrated, that the inspired writer knew nothing of this world, nothing of the origin of man, nothing of geology, nothing of astronomy, nothing of nature; that the Bible is a book written by ignorance — at the instigation of fear. Think of the men who replied to him. Only a few years ago there was no person too ignorant to successfully answer Charles Darwin; and the more ignorant he was the more cheerfully he undertook the task. He was held up to the ridicule, the scorn and contempt of the Christian world, and yet when he died, England was proud to put his dust with that of her noblest and her grandest. Charles Darwin conquered the intellectual world, and his doctrines are now accepted facts.

The works of Robert G. Ingersoll vols. I, II, III, IV, V, VI, VII, VIII, IX, X, XI, XII (New York: The Dresden pub. co., C. P. Farrell, 1902)