Henri van Praag: Leerboek der psychologie

Andermaal eentje uit de bijna verloren gegane archieven van mijn vorige blog “Book Liberation Movement”.

* * *

“Psychologisch zijn horloges (bromtollen, muziekdozen) symbolen voor moeders, die kinderen dragen”, lees ik in Henri van Praags Leerboek der psychologie. Daar kijk ik van op. Zelfs na het lezen van Filip Buekens’ Jacques Lacan: proefvlucht in het luchtledige en Maarten Boudry’s De naakte Keizers van de Psychoanalyse: De Immunisatiestrategieën van een Pseudowetenschap, waarin o.a. dit soort gehannes ruimschoots aan bod komt én gefileerd wordt. Beide publicaties en een streepje nieuwsgierigheid waren trouwens de aanleiding om dat Leerboek der psychologie aan te schaffen. Gewoon, om eens te kijken wat de übereducatieve uitgeverij Wolters-Noordhoff in de late jaren 60 zoal uitgaf aan handboeken psychologie.(1) En voor één euro, de standaardprijs voor een boek bij Opnieuw&Co, kan men niet sukkelen.

De pagina’s met de Romeinse getallen, de Verantwoording, zijn gelardeerd met erudiete filosofische referenties, met verwijzingen naar de natuurwetenschappen, religie en de schijnbaar toch obligate Freud en Jung. Met plezier verwijst Van Praag eveneens naar de duizenden jaren oude wijsheid en psychologische inzichten van de Indiërs en Chinezen. En ook in de Inleiding zijn er een paar zaken die ik in een leerboek psychologie een beetje misplaatst vind, niveau tang+varken. Van Praags uitweidingen over het Woord Gods zijn ronduit ongepast. De indeling van de werkelijkheid in “niveaus”, met als hoogste het absolute, wat door de wetenschap genaamd theologie bestudeerd moet worden, hebben me even achteruit doen leunen op mijn stoel. Uiteraard ben ik geen expert, maar het gebruik van “ziel” en “zielsbegrip” in een handboek psychologie lijkt mij op zijn zachtst gezegd ook eigenaardig.

In de psychologie is het minder gebruikelijk van ziel i.p.v. psyche te spreken, al bestaat er geen bezwaar om psychisch leven te vervangen door zieleleven. […] Toch is het goed te beseffen, dat de psyche der psychologen en de ziel der theologen in wezen gelijk zijn.

Dan maar naar het register. Via trefwoord “Avesta” kom ik op pagina 126 terecht in een discussie over Griekse Muzen, (religieuze) openbaringen en inspiratie, inclusief Bijbelverzen. “Extrasensory perception” brengt me dan weer naar het hoofdstuk “Kenprocessen”, en meer bepaald bij helderziendheid, telepathie en voorspellende dromen, wat, aldus de auteur “zeer veel psychologen erkennen” (p. 93). Een bladzijde verder lees ik:

De helderziendheid, telepathie enz. worden niet behandeld in de gebruikelijke leerboeken der psychologie, maar in de leerboeken der parapsychologie. Het ligt echter geheel in de lijn der verwachtingen, dat ook deze niet-zintuigelijke [sic] processen in een nabije toekomst binnen de psychologie zullen besproken worden.

En ja, dit handboek werd effectief gebruikt in kweekscholen, sociale academies en universitaire faculteiten (getuige de inleiding én de studentikoze aantekeningen in mijn exemplaar) en Wolters-Noordhoff was ook toen al een uitgever van academisch materiaal.

Volgens Henri van Praag zijn helderziendheid en prognostisch zien, evenals helderhorendheid en prognostisch horen “echter buiten redelijke twijfel vastgesteld” (p. 101). En in de Nabeschouwing, op pagina’s 346 en 347, verliest-ie helemaal de pedalen:

Voor zover in het gedrag van de mens reeds het nieuwe menszijn zichtbaar wordt, krijgt het gedrag een paranormaal aspect. Het paranormale loopt dus vooruit op de evolutie. […] Paranormaal psychisch leven wijst dus op evolutionaire integratie.

Tussen het lezen over onbekende fenomenen, waarbij we trouwens volledig zijn overgeleverd aan de rapporteur, en het concluderen dat die fenomenen, anekdotes eigenlijk, van paranormale ofte parapsychologische aard zijn, gaapt een enorm gat. En de auteur slaagt er niet in dat op een overtuigende manier te dichten. In de 364 bladzijden die het leerboek vervelend is, wordt er geen schijntje van een bewijs gegeven.

Ook in zijn andere, meer gespecialiseerde werken lees ik veel beweringen, tal van anekdotes en handenvol schimmige verhaaltjes. Maar niets wat ook maar in de buurt komt van een bewijs: Inleiding tot de Parapsychologie (De stand van het parapsychologisch onderzoek), Telepathie en Telekinese (Parapsychologie en parafysica), Paranormale manifestaties (Apporten, duplicaten, magische afstandswerking, cultusobjecten, vliegende schotels) en Reïncarnatie in het licht van wetenschap en geloof. Lectuur, tussen haakjes, waar men niet echt vrolijker van wordt.

Voor het boeiende leven van de licht geniale auteur Naphthali ben Levi (Henri) van Praag, verwijs ik naar het artikel op Wikipedia (een beetje aan de hagiografische kant, maar de man was dan ook een halve heilige). Kort: zoon van een joods diamantslijper, ondergedoken in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Medeoprichter van de Anna Frank Stichting, steeds ijverend voor een wereld van vrede en harmonie. Interessant is ook dat hij vanaf 1966 wetenschappelijk hoofdmedewerker van Teleac, tot 1977. In 1978 volgde hij professor Wilhelm Tenhaeff op als bijzonder hoogleraar parapsychologie aan de Universiteit van Utrecht, een positie die hij bekleedde tot 1986 (en het onderwerp voor een later blogartikel).

Het citaat:

De filosofie heeft zich overal ontwikkeld (geëmancipeerd) uit de religie, zoals later de wetenschap zich weer ontwikkelde (emancipeerde) uit de filosofie. Mens stelt dit evolutieproces wel voor door een symbool, de boom der kennis, waarvan de wortel de religie, de stam de filosofie en de takken de wetenschappen voorstellen. In plaats van religie, filosofie en wetenschappen, spreekt men ook wel van heilige waarheid, wijze waarheid en juiste waarheid.

Henri van Praag, Leerboek der psychologie. Wolters-Noordhoff, [ca. 1970?]

(1) Naar ik vermoed. Mijn exemplaar is een ongedateerde tweede druk (waaraan gesleuteld is, aldus het voorwoord). Hoe dan ook, de eerste druk van het Leerboek der psychologie dateert van 1964.

Fanmail: Over Johannes Goropius Becanus

De redactie van Wonder is gheen Wonder mocht onderstaande brief ontvangen, en gaf mij de gelegenheid om te reageren en het een het ander uit te zoeken. Deze uitwisseling van gedachten verscheen in het herfstnummer.

* * *

Beste,

Van uw tijdschrift mag men wetenschappelijke accuratesse en objectiviteit verwachten. Het artikel “Fake Linguistics” ging evenwel zwaar gebukt onder het vervelende AMAAI-syndroom (Abominable Mentality Against Antwerp’s Imperialism). De taalkundige bias tegen het Antwerps sloeg dus weer eens toe. Hoe anders te verklaren dat een beslagen linguïst als Frank Verhoft nergens enige vermelding maakt van Jan van Gorp (1519-1573), beter bekend onder zijn verlatijnste naam Ioanus Becanus?

Abraham Ortelius was zijn eerste maar niet zijn laatste grote bewonderaar. Ook vandaag nog wordt hij algemeen aangezien als “de vader van de vergelijkende taalkunde”. Deze wetenschapper publiceerde in 1569 zijn meesterwerk “Origines Antverpianae”, uitgegeven door Plantin – niet het eerste het beste uitgeverijtje. Hierin toont hij onbetwistbaar aan dat Adam en Eva in het Paradijs sappig Antwerps spraken. Alle andere talen zijn daaruit ontstaan!

Wil deze rechtzetting opnemen in uw tijdschrift opdat uw lezers voortaan met kennis van zaken over deze materie zouden geïnformeerd zijn. Dank u.

[naam]

* * *

Beste professor emeritus,

Bedankt voor uw reactie op mijn artikel Fake linguistics. Hoewel ik de deels humoristische ondertoon van uw schrijven heus wel gevat heb, wil ik toch reageren op de onverholen kritiek die er uit sprak.

Brab bio 1_GOROPIUS_afb Groeningemuseum Brugge

De humanist Jan van Gorp (1519-1573) is beter bekend onder zijn correct gelatiniseerde naam Johannes Goropius Becanus.(1) Hij leeft verder in de vakterm goropisme, ‘een belachelijk slechte etymologie’ en dat geeft meteen een idee van zijn reputatie als taalvorser.(2) De voorbeelden die meestal genoemd worden, zijn Adam, volgens Goropius een samenstelling van de twee enkelvoudige (dus pure) woorden ‘haat’ + ‘dam’ en Eva, ‘eeuw’ + ‘vat’. In de toenmalige benaming voor het Nederlands, namelijk Nederduits of Duits, meende hij ‘douts’, ‘d’oudste (taal)’ te moeten terugvinden.

Voor hem, net zoals voor Plato,(3) diende etymologie om een denkbeeld of theorie te verduidelijken. In het geval van Goropius moesten zijn woordverklaringen eerder een heilsgeschiedenis uit de doeken doen dan een woordgeschiedenis.

Ik heb de alinea over Goropius geschrapt uit mijn tekst, wat minder te maken had met een gebrek aan “wetenschappelijke accuratesse”, dan met het feit dat ik ruim tweeduizend jaar linguïstiek en bakken pseudotaalkundige bagger moest persen in het beperkte aantal bladzijden dat voor een artikel gereserveerd wordt. Het heeft ook ‘ielemoal niks van doeng mé “het vervelende AMAAI-syndroom”. Ik vind trouwens dat folkloristisch Antwerps chauvinisme niet verward hoeft te worden met kritisch denken.(4)

De tweede reden waarom ik Goropius niet vermeld heb, is dat hij opduikt in zowat alle Nederlandstalige, populariserende artikelen over malle taaltheorieën. Wat mij betreft hoeft hij dan niet meer in Wonder te staan.

De derde reden is iets complexer en staat schijnbaar haaks op de tweede. Het is ook de aanleiding waarom ik deze repliek toch heb willen schrijven. De internationale, veeltalige intellectueel en koninklijke lijfarts Johannes Goropius Becanus verdient inderdaad beter dan afgeschilderd te worden als een malloot die maar wat aanmodderde in de taalkunde, een vakgebied dat oorspronkelijk niet het zijne was. Daar zijn velen het vandaag over eens. Anderzijds zijn wij, modernen, het aan Goropius verplicht zijn taaltheorieën accuraat weer te geven en dat gebeurt helaas nog veel te weinig. Mijn artikel was niet de geschikte plaats om die discussie uit de doeken te doen.

Maar kijk, Johannes Goropius Becanus wordt nu wél vermeld in dit tijdschrift en ik stel voor dat we dan maar in één ruk doorgaan tot we, met de woorden van Andreas Dunius, aan het gaatje zijn.

beca

In de inleiding van de Goropius’ biografie geeft Toon van Hal geen al te slechte reden waarom de taalkundige ideeën van Goropius waarschijnlijk zo vaak fout worden weergegeven: Van Hal heeft de scriptie van de te vroeg overleden Eddy Frederickx uitvoerig aangepast en uitgegeven en hij acht, enigszins humoristisch, de kans reëel dat Fredericks “wellicht de enige lezer is die de twee vuistdikke pillen van de Antwerpse arts heeft doorgewerkt”.(5) Hoewel het Latijn van Goropius best proper is, telt de eerste brik van twee, Origines Antwerpianae sive Cimmeriorum Becceselana, ruim 1000 bladzijden. Ik moet toegeven dat ik ook liever naar het mooie drukwerk kijk dan dat ik de Latijnse tekst effectief lees. Vandaar dat ik voor dit artikel mijn toevlucht heb genomen tot de gedeeltelijke vertaling zoals verschenen in Van Adam tot Antwerpen (2014) door Nico de Glas.(6)

En met de Origines Antwerpianae zijn we terug bij ons dubbel uitgangspunt: Goropius heeft nooit beweerd dat Adam en Eva in het aards paradijs Antwerps praatten en de idee dat alle andere talen uit het Antwerps, Brabants of Nederlands ontstaan zouden zijn, komt niet voor in zijn geschriften.

Deze foute voorstelling van Goropius’ theorieën kan geen enkele leek kwalijk genomen worden omdat ze ook nu nog opgevoerd wordt in populariserende werken over taal en taalkunde, zoals bijvoorbeeld in de verder uitstekende Atlas van de Nederlandse Taal uit 2017. Daarin wordt hij zelfs afgebeeld met een zotskap op zijn hoofd.(7) Het zou me niet verbazen dat de immer weerkerende voorbeelden geciteerd in de eerste alinea, Adam, Eva en Duits, die foute ideeën alleen maar versterken.

Cornelis_van_Haarlem_-_De_zondeval

Volgens Goropius was de eerste taal, die van Adam en Eva, de perfecte, de volmaakte. Hij situeerde hun Tuin van Eden echter in India! De boom van goed en kwaad was volgens hem de Indische vijgenboom en waar vind je meer slangen dan in India? Na de zondvloed zwermden de kinderen van Noah uit over de hele wereld. De nazaten van Noah’s zoon Japeth spraken nog steeds die perfecte taal, wat Goropius af en toe ook (Indo-)Scythisch noemde, en zij verspreidden zich over Europa. Op hun beurt stichtte een groep van hun nakomelingen, de Atuatuken, Antwerpen. Zij spraken een nauw verwante vorm van het Indoscythisch, namelijk het Cimbrisch, of Cimmerisch. Het is niet altijd even duidelijk wat hij nu net bedoelt met Cimbrisch; soms lijkt hij te praten over Nederduits, gesproken tussen de Schelde en het huidige Estland, soms specifiek over het Brabants dialect en heel zelden over het Antwerps. In bepaalde passages lijkt hij te mijmeren over het feit dat de Nederduitse dialecten uit elkaar lijken te groeien, wat hij dan weer linkt aan de groeiende religieuze verschillen tussen katholieken en de protestantse stromingen. We mogen echter niet al te veel consistentie verwachten in de geschriften van Becanus, die soms lijken op een ongecontroleerde stroom van halve gedachten en argumenten. Hoe dan ook, de oudste taal is zeker geen “sappig Antwerps” én de taal die in Antwerpen wordt gesproken is volgens Becanus de taal van immigranten.

Wat dan met de tweede bewering, namelijk dat alle talen uit de lokale Antwerpse taal zouden voortkomen? Goropius was een polyglot, hij kende zeker Latijn, Grieks en Hebreeuws. Als fervent boekenverzamelaar was hij vrijwel zeker op de hoogte van heel veel andere, wildvreemde talen die gesproken werden over een steeds groter wordende wereld en die gretig beschreven werden door Europese ontdekkingsreizigers. Hij zag overeenkomsten tussen deze en gene taal, maar hij besefte ook dat sommige talen helemaal niets met elkaar te maken konden hebben (of leken te hebben). Verder kende hij zijn klassieken en zijn Bijbel. Hij nam zich de vrijheid om op basis van klassieke teksten niet zozeer het Bijbelse verhaal tegen te spreken, dan wel subtiel of minder subtiel te modificeren. Goropius twijfelde niet aan het verhaal van de Toren van Babel: na dat akkefietje met het grootse bouwwerk zorgde God ervoor dat de mensen elkaar niet meer konden begrijpen. De verschillende talen, wij zouden nu min of meer taalfamilies zeggen, zijn dus niet gegroeid uit het Cimbrisch, Nederduits of Antwerps. Met de spreekwoordelijke knip van de goddelijke vingers veranderde Jahweh alle talen van de volkeren die aanwezig waren bij de bouw van de Toren. De Cimbriërs waren echter niet in Babel en om die reden wordt de eerste taal, d’oudste, volgens hem nog steeds gesproken, toevallig in zijn geboortestreek.

Zelf heb ik mij even verweten dat ik in mijn artikel “Fake linguistics” geen aandacht heb besteed aan de studie van het Gotisch in de Lage Landen, wat van enorm belang is geweest voor het ontstaan van de vergelijkende taalkunde van het Germaans in deze contreien. We schrijven midden 16de eeuw en later, inderdaad ook wat de taalwetenschap betreft een uiterst boeiende periode.(8) Als we al nood zouden hebben aan een vader van de vergelijkende taalkunde in de Nederlanden, dan moeten we hem volgens mij zoeken onder de vele vorsers uit die periode. Maar, zoals ik al impliceerde in mijn artikel, vind ik het concept “de vader van” te beperkend, te weinig productief.(9) Niet mijn ding. Goropius hééft zich zoals vele taalvorsers in de Lage Landen bezig gehouden met dat Gotisch, maar hij zag er eerder een oude vorm van het Nederlands gecorrumpeerd door het Grieks in, dan een aparte, oude Germaanse taal.

Johannes Goropius Becanus of de vader of de zatte nonkel van de vergelijkende taalkunde noemen, beide zouden even ongepast zijn. Hij heeft heel wat toenmalige heilige huisjes ingetrapt. Hoewel hij welwillend stond tegenover het Hebreeuws, voerde hij aan dat het niet de eerste, de oudste taal kon zijn. En dat op zich was in die periode vrij choquerend. Misschien heeft hij mensen aangezet om buiten de lijntjes te kleuren, om de platgetreden paden te verlaten en op zoek te gaan naar nieuwe inzichten, hoewel hij zelf duidelijk de weg kwijt was. En dat hoeft ons niet te verbazen: de taalonderzoekers waren nog maar net begonnen de taalwetenschap uit de grond te stampen.

Noten

  1. De letter “I” in de gelatiniseerde versie wordt normaliter getranscribeerd als “J”, net zoals de “V” weergegeven wordt met een “U”. De literatuur noch de titelpagina’s uit de drukkerij van Plantin vermelden “Ioanus”.
  2. “[Goropiser, c]’est que les étymologies étranges et souvent ridicules de Goropius Becanus” in Gottfried Wilhelm Leibniz, Nouveaux essais sur l’entendement humain (1762). Hier geraadpleegd in de editie van 1921, via https://archive.org/details/ nouveauxessaissu00leib.
  3. Voor een meer academische benadering van zijn etymologische methoden zie bijvoorbeeld R.A. Naborn: “Becanus’ etymological methods” dat te raadplegen is via de schitterende website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL), http://www.dbnl.org/.
  4. Ter vergelijking: aantal Bruggelingen dat naar aanleiding van mijn stuk over pseudolinguïstiek en de geschiedenis van de taalkunde in Wonder en is gheen Wonder reclameerde dat, u voelde hem aankomen, Simon Stevin níet vermeld werd: nul.
  5. Eddy Frederickx (†) en Toon van Hal, Johannes Goropius Becanus (1519-1573). Brabants arts en taalfanaat. Hilversum, Uitgeverij Verloren, 2015, p. 11.
  6. Johannes Goropius Becanus, Van Adam tot Antwerpen. Een bloemlezing uit de Origines Antwerpianae en de Opera van Johannes Goropius Becanus. Hilversum, Uitgeverij Verloren, 2014. In deze context is het bijna helemaal vertaalde Boek V Indoscythia van belang. Op de website van de Vlaamse Erfgoedbibliotheek, Flandrica.be, vindt u een digitale kopie van het integrale drukwerk uit 1569.
  7. Fieke Van der Gucht e.a., Atlas van de Nederlandse Taal. Editie Vlaanderen. Lannoo, 2017, p. 125.
  8. Zie bijvoorbeeld R.G. Van de Velde, De studie van het Gotisch in de Nederlanden. Bijdrage tot een status quaestionis over de studie van het Gotisch en het Krimgotisch (1966). Het Museum Plantin-Moretus bezit én stelt daarvan meerdere gedrukte getuigen uit die periode tentoon.
  9. Zo wordt in de Engelstalige traditie vaak de Engelstalige sir William Jones opgevoerd als vader van, 16 jaar na het verschijnen van indrukwekkend goed taalkundig onderzoek in een taal die de meeste Angelsaksen niet machtig zijn. Lezers die op zoek zouden zijn naar nóg meer vaders in de taalkunde, beveel ik het boek A Short History of Linguistics van R.H. Robbins aan. De 280 pagina’s dat het uitstekende werk dik is, bulken ervan.

Titus Oates, leugenaar

Dit is het tweede deel over het Paaps Complot. Het eerste deel, “Titus Oates, complotbedenker”, vindt u hier.

* * *

jesuitTitus Oates, man van God, had geen internet of Facebook nodig om zijn dodelijke complottheorieën, zijn Paapse Complot, te verspreiden. Oates beschuldigde vooraanstaande katholieken en jezuïeten van een zoveelste complot tegen koning Karel II van Engeland. Zijn theorieën leken aanvankelijk bot te vangen, maar één man, de Hertog van York, zag er evenwel een manier in om enkele van zijn politieke tegenstanders een hak te zetten. Hij bracht het geval voor de Staatsraad, de zogenaamde Privy Council en in een stroomversnelling.

De getuigenis van Israel Tongue voor die raad had tot gevolg dat hij algemeen als ontoerekeningsvatbaar en stekezot werd beschouwd. Die van Oates maakte wél indruk, en nog geen klein beetje. Oates presenteerde zich als de man die de informatie aan Tongue had doorgespeeld. Zijn kennis van het dossier, de opsomming van de namen van de verdachten, vermeldingen van omkoopsommen, de mensen die het geld overhandigden en ontvingen, wekten bewondering op. In 1678 was er niemand die net door de overvloed aan details durfde bevroeden dat Oates alles verzonnen had. De verhoren zorgden voor een golf van onrust en opwinding in de hoofdstad en Oates’ naam kreeg bekendheid.

In zijn boek A Selection of Cases from the State Trials. Volume II, Part II. Trials for Treason. The Popish Plot (1678-1681) vermeldt J.W. Willis-Bund een lijst van namen, twee en een halve pagina lang, en vermeldt dan droog dat dat nog maar Oates’ eerste opsomming was (pp. 460-462). Hij laat ook weten hoe onwaarschijnlijk die lijst op zich was:

It has only to be examined to shew its worthlessness. That a person of Oates’ position should be trusted to deliver commissions to the noblemen and gentlemen named in the list is of itself incredible; that the persons mentioned in it should have chosen Oates as their confidant is if possible more so.

Willis-Bund gaat nog een stap verder en voert aan dat de geruchtenmolen van Oates waarschijnlijk tot stilstand zou gekomen zijn, mochten twee incidenten geen extra duwtje hebben gegegeven. Bij Edward Coleman, ex-jezuïet en biechtvader van de Hertog van York ontdekte men een uitgebreide correspondentie met buitenlandse katholieke hoogwaardigheidsbekleders en met de biechtvader van de Franse koning, Père La Chaise. Zij schreven over de herbekering van Engeland tot het ware, katholieke geloof en pacten met Frankrijk.

godfreyHet tweede incident was de moord op Sir Edmund Berry Godfrey, de magistraat die Oates had ingezworen tijdens de verhoren. Godfrey werd gevonden in een sloot, gewurgd en afgemaakt met zijn eigen zwaard. Ik laat nogmaals Willis-Bund aan het woord:

As his death could not be easily accounted for, the cry at once arose that he had been murdered by the Catholics ; this was looked upon as another corroboration of Gates’ fabrications. The people at once lost what little reasoning power they had left. All parties immediately united against the Catholics, all distinctions of politics were forgotten, the nation was divided into two great factions Protestant and Catholic ; to be a Catholic was synonymous in the eyes of a Protestant, that is in the eyes of the nation, with being a traitor.

De discriminatie van katholieken kende een nieuw hoogtepunt en ze werden daarbij andermaal gedwongen om een eed van loyaliteit te zweren aan de koning van Engeland, sinds Hendrik VIII het hoofd van de Anglicaanse staatskerk. Zo’n eed druiste voor katholieken in, althans formeel, tegen de suprematie van de Paus van Rome. Wie de moord op Godfrey pleegde, blijft een raadsel, wie ervoor moest boeten niet. Drie katholieke ambachtsmannen werden door een andere verdachte onder tortuur beschuldigd. Zij werden op de gebruikelijke manier geëxecuteerd. De gemartelde trok later zijn gedwongen bekentenissen in.

whitehallTitus Oates werd de Redder des Vaderlands, het parlement droeg hem voor bij de koning, die hem onderbracht in een riante woning te Whitehall, met persoonlijke bodyguards, en hem een toelage verzekerde van 1200 pond per jaar. Oates bleef niet op zijn lauweren rusten: samen met Tongue onthulde hij nieuwe complotten, met steeds wijdere en diepere vertakkingen. Beide heren kwamen zelfs af met bewijzen dat de Grote Brand van Londen dan toch een groots opgezet katholiek complot was. Hun beschuldiging van vijf katholieke Lords, daarentegen, vond zelfs de koning ongeloofwaardig.

hang drawnHet succes van Oates en de dankbaarheid van de natie bleef niet onopgemerkt. William Bedloe, een schimmige figuur uit de Londense onderwereld, rook zijn kans en kwam zelf met verhalen die de beschuldigingen van Oates leken te onderbouwen en uit te breiden. Maar niet enkel criminelen wilden een graantje meepikken, ook hoogwaardigheidsbekleders zagen een mooie kans in deze tijden van hysterie en paranoia om hun politieke vijanden te beschadigen. Hun getuigenissen gaven de beschuldigingen van Oates op cruciale momenten de broodnodige geloofwaardigheid.

Ondertussen boekte Oates de eerste dubieuze successen met de veroordeling van verschillende hoogwaardigheidsbekleders en dat gaf hem en Bedloe moed om een stap verder te gaan en zowaar de koningin te beschuldigen. De relatie met zijn eega was niet echt denderend, maar de koning weigerde “to see an innocent woman abused” en liet Oates arresteren. Op voorspraak van het parlement werd hij terug vrijgelaten.

Popish plot playing cardRuim twee jaar lang kon Oates de aandacht voor zijn Paapse complottheorieën gaande houden, waarbij hij steeds nieuwe plots en subplots verzon. Het succes mag niet al te veel verwonderen, na 150 jaar godsdienstige verdeeldheid, katholieke complotten, religieus gemotiveerde burgeroorlogen en niet te vergeten een nog langere periode van oorlogen met het katholieke Frankrijk en Spanje, en met de protestantse Nederlanden. Verder kreeg hij op cruciale momenten steun van edelen (én van straatcriminelen) die in de gelegenheid te baat namen om zich te ontdoen van hun politieke tegenstanders en om mee te profiteren van het aanzien dat Oates genoot.

De omgang met complottheorieën doet denken aan de situatie in het moderne Midden-Oosten zoals beschreven door Matthew GrayConspiracy Theories in the Middle East: Sources and Politics (2010): economische crisis, religieuze scherpslijperij, oorlog en burgeroorlog, onlusten en sectaire agressie. Externe vijanden bij de vleet, een regering die enerzijds niet kan verhelpen dat de ene complottheorie na de andere opduikt, en er soms zelf van profiteert of er eentje verzint wanneer het politiek uitkomt.

De onthullingen van Oates kenden drie peilers, drie verhaallijnen die hij zeer goed beheerste en uitbuitte. De eerste was de vernietiging van het koningschap van Karel II, een idee dat volledig uit de lucht gegrepen was en waaraan ook niet zoveel geloof gehecht werd, zeker niet door de koning zelf. De tweede was de ontbinding van de regering en dat was al iets minder onwaarschijnlijk. De herinvoering van het rooms-katholieke geloof als staatsreligie was duidelijk het streefdoel van de Engelse katholieken in de 17de eeuw, de Jezuïeten voorop.

De gevolgen waren amper te overzien: paranoia vulden harten met angst en de straten met gewapende mannen. Het parlementsgebouw werd angstvallig doorzocht; men wilde een tweede Buskruitverraad vermijden. Katholieken werden uit Londen verdreven, nieuwe verdachten werden opgepakt, tot in Ierland toe, en ruim twintig mensen werden geëxecuteerd. Voor de Jezuïeten waren de gevolgen rampzalig: negen werden er geëxecuteerd, twaalf stierven er in gevangenschap, minstens drie werden gelyncht. Ze verloren hun hoofdkwartier in Wales. De algemene antikatholieke wetgeving werd pas in 1829 versoepeld (Roman Catholic Relief Act). Politiek werd het nog langer gebruikt.

Vanaf 1680 begon Oates’ deuken te vertonen. De religieus eerder tolerante koning was nooit een fan geweest van de antikatholieke hysterie die Oates had opgepookt. De beschuldiging van de koningin kon op weinig bijval rekenen en wanneer Oates vijf katholieke edelen als verdachten aanwees, groeide het ongeloof: twee konden elkaar niet luchten en spraken al jaren niet meer met elkaar en een derde zo ziek was dat hij amper boven van onder kon onderscheiden. De publieke opinie begon het zowaar op te vallen dat alle, maar dan ook alle beschuldigden fanatiek aan hun onschuld bleven vasthouden. Ook andere hoofdrolspelers in de berechting van de verdachten begonnen zich vragen te stellen.

titus leugenaar

Stilaan maakten de slachtoffer van Oates’ complottheorieën zowaar meer kans om niet meer ter dood veroordeeld te worden. Het zogenaamde Complot van Barnbow, een nieuwe poging van Oates om katholieke hoogwaardigheidsbekleders te elimineren, deze keer in Yorkshire, liep uit op een sisser: de protestantse jurie weigerde de verdachten te berechten en te veroordelen. Ook een andere voorwaarde voor een vlotte afhandeling richting galg viel weg: de rechters begonnen zich steeds onpartijdiger op te stellen.
Uiteindelijk werd Oates uit zijn luxueuze appartement te Whitehall gezet, gearresteerd en beboet. James II, de opvolger van Karel II, beschuldigde Oates van meineed en trok hem voor het gerecht. De doodstraf bestond niet voor dit soort misdaden en toch was het verdict harder dan het op het eerste zicht leek. Oates werd zijn religieuze status afgenomen, hij werd twee maal publiekelijk aan de schandpaal gezet, veroordeeld tot levenslang én tot een jaarlijkse afranseling die zo ernstig was dat het in de dood kon eindigen.

Drie jaar bracht Oates door in de gevangenis. Toen Willem van Oranje de troon besteeg, kreeg hij clementie en een pensioen van uiteindelijk 300 pond per jaar. In 1705 stierf Oates, vergeten door het publiek dat hem op handen had gedragen als de redder de vaderlands. Bedloe, een van zijn handlangers, stierf een natuurlijke dood, een hele prestatie voor een beroepscrimineel.

In 1705 luidde de officiële versie dat het Paaps Complot waar en waarachtig was.

* * *

Lijst van geraadpleegde bronnen

Boeken

  • Peter ACKROYD, History of Engeland. Volume II Tudors, London, Pan Books, 2014
  • Peter ACKROYD, History of Engeland. Volume III Civil War, London, Pan Books, 2015
  • D.H. PENNINGTON, Europe in the Seventeenth Century, London, Longman, 1989
  • Philip SIDNEY, A History of the Gunpowder Plot. The Conspiracy and its Agents, London, The Religious Tract Society, 1905
    https://archive.org/details/cu31924028038390
  • Thomas SECCOMBE (ed.), Lives of Twelve Bad Men, original studies of eminent scoundrels by various hands, ed. by Thomas Seccombe, London, T. Fisher Unwin, 1894
    https://archive.org/details/cu31924029870874
  • J.W. WILLIS-BUND, A Selection of Cases from the State Trials. Volume II, Part II. Trials for Treason. The Popish Plot (1678-1681), Cambridge, At the University Press, 1882
    https://archive.org/details/pt2selectionofca02willuoft

Artikelen

Podcast

Titus Oates, complotbedenker

Dit is het derde deel in een reeks artikelen over 17de-eeuwse complotteurs en complotdenkers. Een overzicht van de andere onderwerpen vindt u hier.

* * *

In 1678 werd het zoveelste katholieke complot in Engeland verijdeld. De klokkenluider deze keer was ene meneer Oates. Zijn onthullingen legden zo’n immens grote samenzwering bloot dat het ruim twee jaar zou duren, tot 1681, om alle complotteurs, plannen en vertakkingen te onderzoeken. De inzet was dan ook groot: niemand minder dan de toenmalige koning Karel II was het belangrijkste doelwit van het katholieke verraad. Oates’ informatie leidde rechtstreeks naar de executie van minstens 22 samenzweerders, waaronder 5 jezuïeten. De geschiedenisboeken vatten deze manier van interreligieuze problem solving samen als het Popish Plot, wat ik hier zal vertalen als het Paaps Complot.

Wat de geschiedenisboeken ons verder ook vertellen is dat het hele Paaps Complot bij elkaar gelogen werd door Titus Oates. Na zijn dood verdiende hij er een plaats mee in het boek Lives of Twelve Bad Men uitgegeven door Thomas Seccombe (1894). Tijdens zijn leven verdween hij van het middelpunt van de belangstelling via het schandblok en de gevangenis naar de vergetelheid. Hoewel, koning Willem III van Oranje, die in 1689 de Engelse troon besteeg, vergat hem niet. Deze protestantse vorst haalde hem uit de gevangenis en bleef hem een pensioen uitbetalen tot aan zijn dood.

In dit artikel wil ik eerst een stap terug zetten en kort de situatie in het Engeland van de 17de eeuw schetsen om dan over te gaan naar het Paaps Complot zelf.

Zoals elk Europees christelijk land heeft Engeland eeuwenlang zijn besognes gehad met hervormers en andersdenkenden; meestal waren dat vrij lokale gebeurtenissen. Met de komst van de boekdrukkunst én een pak decennia later de hervormingen van Maarten Luther (vanaf 1517) op het vasteland en Hendrik VIII in Engeland (vanaf de jaren 1530), sloeg de vlam pas echt in de pan. De paus verloor een groot deel van zijn gezag in de afvallige gebieden en de Soldaten van de Paus, de jezuïeten werden in het leven geroepen.

In Engeland verloor de katholieke kerk op één generatie tijd haar machtsbasis. Schotland bleef katholiek, wat door de verwevenheid van beide koningshuizen om de haverklap dodelijke spanningen op de Britse Eilanden opleverde. De late 16de en de 17de eeuw werden gekenmerkt door de religieuze, veelal katholieke complotten en keiharde staatsrepressie. Elke echte of vermeende samenzwering werd gevolgd door executies en lynchpartijen en zelfs een burgeroorlog of twee.

Ik heb in deze reeks over complotten en samenzweringen in 17de-eeuws Engeland het reeds uitgebreid gehad over het Buskruitverraad, een mislukte samenzwering van enkele katholieke edelen, waarbij later de Britse jezuïeten geïmpliceerd werden, waarschijnlijk ten onrechte. Ook de trieste lotgevallen van de Franse katholiek Robert Hubert na de Grote Brand van Londen heb ik besproken. Hoewel heel wat edelen en parlementairen openlijk katholiek konden blijven, werd het katholieke deel van de rest van de bevolking als tweederangsburgers beschouwd.

* * *

Titus Oates werd geboren in 1649, in volle burgeroorlog, waarin koningsgezindheid en religie belangrijke drijfveren waren. Zijn vader laveerde van de ene christelijke gezindte naar de andere. Hij voerde gewetensvragen aan, anderen verweten hem plat opportunisme. Zoon Titus werd na een halfmislukte schoolcarrière vicaris van een parochie in Kent en later vervoegde hij zijn vader als kapelaan in Hastings. Daar vond zoon Oates het nodig om een lokale schoolmeester aan te klagen wegens sodomie, toen een misdaad waarop de doodstraf stond. De rechtbank vond de aanklacht ongegrond en bestrafte Titus Oates voor meineed. Oates vluchtte naar Londen, waar hij inscheepte als aalmoezenier op een schip van de Royal Navy in 1677. De zeelucht deed hem weinig goed en al snel kreeg Oates op zijn beurt een beschuldiging van sodomie naar zich toegeschoven. Hij ontsnapte aan de straf door zijn status als man van de kerk.

In 1677 werd hij huishouder bij de katholieke hertog van Norfolk, liet hij zich opnemen in de katholieke kerk, schreef hij samen met Israel Tongue, ook een geestelijke, een reeks straffe antikatholieke pamfletten, werd hij toegelaten tot verschillende Jezuïetenhuizen in Frankrijk en Spanje en keerde hij zich af van het rooms-katholieke geloof. Terug in Engeland begon hij samen met Israel Tongue aan de geschriften die zouden leiden tot het Paaps Complot. Zijn verrassende bekering en uitstap naar Jezuïetenland deed af als een poging tot infiltratie van de rangen van de katholieke vijand.

kirby-warning-charles-ii-of-the-assassination-plot-1678-the-popish-B6YB67Het verhaal kent zijn varianten, maar het lijkt vast te staan dat Tongue een bundel documenten overmaakte aan ene Kirby, een apotheker met connecties, waarin een katholiek complot beschreven was. Kort samengevat: de paus had de Jezuïeten bevolen om de Zwarte Bastaard, koning Karel II, te vermoorden. Door zijn connecties kon hij de koning verwittigen en zowel hij als Tongue werden ondervraagd. Zelf beweerde Tongue dat het paket onder zijn deur was geschoven. Volgens hem waren er ook papieren bij van de aartsvijanden van de Engelse staat, de Jezuïeten zelf. Zijn verhaal stak zo knullig in elkaar dat de hoogwaardigheidsbekleders die gebriefd werden, er niet al te veel geloof aan hechtten.

En hier had het verhaal over het Paaps complot moeten stoppen. De opzet was naïef, de verhaallijn ongeloofwaardig en er was amper iemand die het verhaal serieus nam. Eén man van aanzien, de Hertog van York, zag er evenwel een manier in om enkele van zijn politieke tegenstanders een hak te zetten en bracht het geval voor de Staatsraad, de zogenaamde Privy Council. Zijn opportunisme bracht het hele bedenksel van Titus Oates naar een hoger en dodelijker niveau.

Deel 2: Titus Oates, leugenaar