Truth Convention II (intro)

Trein gemist, smartphone (en dus camera) vergeten, batterij van de notebook leeg. Nee, 20 januari begon niet op de best mogelijke manier. Gelukkig was de rit met mentalist Tayson Peeters naar het Nederlandse Houten wel aangenaam. Na een kleine twee uur keuvelen over kritische koetjes en kalfjes, onze schrijfprojecten en skeptische organisaties in de Lage Landen, kwamen we aan in de grijze evenementenzaal EXPO, verborgen in een anonieme KMO-zone.

Aan de kassa Frans Helsinga himself, de organisator van deze conventie en van talloze lezingen. Ondertussen is hij Nederlands meest actieve aanjager van bizarre en absurde complottheorieën geworden. In deze blog hebben we het al over hem gehad in verband met de eerste conferentie over de platte aarde in Nederland, Earth and Beyond IV. Hij is een van de weinigen die brood ziet in verkondigen dat reuzen bestaan hebben (en meestal toont hij dan landschappen, heuvels, bergen, die er mits enig aanpaswerk uitzien als rustende mensen). Verder beweert hij nog steeds dat sommige (tafel)bergen eigenlijk versteende restanten van gigantische bomen zijn, zoals beschreven in een droom in de Bijbel. Deze handelaar in pseudowetenschap pakt momenteel uit met Tartaria, een onderwerp dat ik in een vorig artikel behandeld heb.

Op het menu staan 15 sprekers, maar wij komen voor Peter Vereecke (over de occulte aspecten van 9/11), Rasti Rostelli, Neêrlands pionier op het gebied van de showhypnose en Trudy Maassen (over buitenaardsen en mind control). Helaas kunnen we Johan Oldenkamp niet meemaken. Emile Ratelband zou ook van de partij zijn geweest, maar hem hebben we niet gezien. Of niet herkend. Naar het schijnt is die man de laatste jaren dan ook enorm verjongd.

Dat we geluk hebben, dat we toch we een risico genomen hebben om zo lang te rijden zonder reservatie, zegt hij, terwijl hij gezwind de 30 euro entreegeld in ontvangst neemt. Hij verwacht nog veel volk, ja-aah. Ik staar naar de dode boel in de lobby. Amper twaalf standen, bemand door verveelde verkopers. Animo: zero, sfeer: ook nul. Vorig jaar, tijdens Earth and Beyond, bruiste de plaats, was er veel volk, muziek zelfs, ook tijdens de lezingen waarvoor toen vijf zalen gereserveerd waren tegenover drie kleintjes dit jaar.

Mooie piramides van geslepen glas, adembenemende kristallen, zoals steeds. Twee dames op leeftijd willen hun voelgels verpatsen. Dat zijn “plantaardige gels (uit de papier- en houtindustrie) die verrijkt zijn met harmonieën uit de natuur zelf: de mooiste en meest bijzondere bloemenextracten en essentiële oliën”, lees ik op de website. Er zijn onder meer “‘Inspiratie en waarden’ voelgels”, “Aartsengel voelgels” van God weet welke pulp, en “‘Hulp bij problemen’ voelgels”. Die laatste categorie kunnen dan weer “helpen problemen te verlichten zoals Angst, Trauma’s, Depressie, Autisme, Anorexia, ADHD, Verdriet, Heimwee, Eenzaamheid, Minderwaardigheid….”.

Tot mijn verbazing staat er deze keer niet alleen een verkoper van snake oil, maar zowaar van machineolie: de Yellow Miracle Oil van Willibrord van der Weide. Willibrord is een diepgelovige platte-aarder, het brein achter de website De Lollards, met het wervende motto “God’s Koninkrijk kome op de platte aarde!”. Voor hem is ruimtevaart onmogelijk en bestaan atoom- en waterstofbommen niet. “U zult nu wel denken dat dit ruikt naar een ‘samenzweringstheorie’ van mijn zijde”, schrijft hij op zijn website. Neen, luidt het antwoord op deze halve retorische vraag. Maar, zo verzekert hij, “(z)onder oprechtheid, kennis, ervaring en de wil om het grondig te onderzoeken komt het niet tot stand.”

Gelukkig is ook Goedele Vercnocke van de partij. Haar accent verraadt dat ze een landgenote is, haar krakkemikkige uitleg dat ze nog niet zo lang in de business zit. Zij zorgt voor “energiemetingen” die niet echt positief zijn maar waarvoor gelukkig “een mooie oplossing” is: haar energiebehandeling! Lang geleden dat ik zulke platte verkooppraat heb gehoord, zelfs op een paranormale, spirituele beurs. In Houten gebruikte de vrouw voor haar metingen zogenaamd kinesiologische technieken, wat uiteraard Tayson deed opveren. Zij vroeg of hij rechtop ging staan, voeten naast elkaar, armen naar voren gestrekt, waarop ze dan zo duwde dat men in dit universum met zijn specifieke natuurwetten, wel om moet vallen. Na dit staaltje applied physics bleek dat zijn energie was goed, maar zijn balans was maar 50% en of hij een behandeling wilde? Tayson legde uit, ondanks het gemis van zijn halve balans, dat men echt wel de truc moet kennen om zo’n “meting” uit te voeren, dat men dus niet naïef of stoemelings zulke instructies kan even om tot dat resultaat te komen.

Hoewel de specifieke oefeningen verschillen, leggen de Australische skeptici uit hoe zo’n meting uitgevoerd wordt, wat de principes zijn in onderstaand filmpje.

Later op de dag zou Rasti Rostelli soortgelijke, niet dezelfde, trucjes uitvoeren tijdens zijn lezing. Het grote verschil met Vercnocke was dat hij zijn testpersoon van de andere kunne wél ongegeneerd bepotelde én pijn deed. Ik ga echter geen verslag uitbrengen van zijn voordracht, reclamestunt en apologie.

In de twee volgende blogartikelen wil ik de lezing van Peter Vereecke bespreken en die van nieuwkomer Trudy Maassen.

Complotten, doofpotten en een handvol luidruchtige zotten: Vermeeren vs. Boudry over 9/11

Volgend artikel van Brecht Decoene en mij verscheen in De Geus van mei 2018, het blad van de vrijzinnig humanisten van Gent en omstreken.

* * *

Op woensdag 20 maart 2018 vond in in de gebouwen van de Ugent een debat over de aanslagen van 11 september 2001 plaats tussen wetenschapsfilosoof Maarten Boudry en de Nederlandse ingenieur Coen Vermeeren. De organisatie was in handen van Peter Vereecke, ex-CD&V-burgemeester van Evergem en Vlaanderens bekendste complotdenker. Moderator van dienst, nu ja, was Rob Vanoudenhoven.

Maarten Boudry was tot voor kort verbonden aan de Ugent en is momenteel zelfstandig filosoof-schrijver. Samen met Johan Braeckman schreef hij De ongelovige Thomas heeft een punt. Een handleiding voor kritisch denken (2011) waarin ze onder meer op zoek gingen naar mogelijke verklaringen voor het immer populairder wordende complotdenken. Coen Vermeeren was tot 2012 docent Materialen, Productietechnieken en Constructies aan de Technische Universiteit van Delft en later hoofd van de Studium Generale aldaar. In 2017 verliet hij Delft en verkaste naar Breda. Vermeeren schreef het boek 9/11 is gewoon een complot (2016) en lijkt zich de laatste jaren aan steeds woestere complottheorieën te wagen. Hoogstwaarschijnlijk maakte dat zijn positie aan de TU Delft onhoudbaar.

De keuze om al dan niet een inhoudelijke confrontatie aan te gaan met complotdenkers, of creationisten, negationisten, aanhangers van alternatieve geneeskunde en aanverwanten, mondt hoe dan ook uit in een dilemma. Enerzijds zou een weigering om in discussie te treden aantonen dat bepaalde afwijkende ideeën te gevaarlijk of te bedreigend zouden zijn voor de academische wereld, voor de gevestigde orde. De vrije meningsuiting zou beknot worden en men lijkt de (waan)gedachte te bevestigen dat er iets te verbergen valt. Indien men daarentegen toch de handschoen opneemt, verleent men voorstanders van pseudowetenschappen een vorm van geloofwaardigheid waarnaar ze zo hard snakken.

En dat besefte de organisator van het 9/11-debat zeer goed: de grote winnaar van het debat was niet “de waarheid”, zoals een al te pompeuze Peter Vereecke zichzelf en zijn publiek probeerde wijs te maken, maar Peter Vereecke zelf. Hij heeft er per slot van rekening voor gezorgd dat “de moeder aller aanslagen” werd “besproken door twee universitaire experts”, zoals hij triomfantelijk meldde in zijn nieuwsbrieven voor en na. En dat voor een zo goed als eigen publiek in de universiteitsgebouwen: double whammy. Dat u en ik morgen ook een debat kunnen laten doorgaan in diezelfde gebouwen over het seksleven van tuinkabouters, het geheugen van water of bijna eender welk onderwerp naar keuze is een detail dat in deze context gemakshalve achterwege wordt gelaten. De huur van een universiteitsaula is een logistieke aangelegenheid, geen academische. De inhoud van het evenement wordt principieel zo weinig mogelijk beoordeeld door de Ugent.

Maarten Boudry besefte wel degelijk de hieraan verbonden nadelen en daarom kwam hij af met een beter idee. Als er niet veel te winnen valt in een debat met een complotdenker, omdat deze toch eerder via retorische trucs op de emoties van het publiek inspeelt dan op wetenschappelijke bevindingen, dan moet de winst op een ander gebied gezocht worden. Boudry vroeg aan de organisator een dubbele gage en stortte dat meteen door naar een goed doel, namelijk Against Malaria Foundation, een organisatie die binnen de Effective Altruism-beweging als één van de meest efficiënte in zijn soort wordt beschouwd. Op die manier worden honderden kinderen geholpen.

Coen Vermeeren koos eveneens een goed doel uit: de Studium Generale Breda, opgericht door een stichting die voorgezeten wordt door Vermeeren zelf. Dat men naar aanleiding van een lezing of debat een gage vraagt, is niet meer dan normaal. Sprekers mogen, moeten verloond worden. Dat men zichzelf daarvoor in een goed doel vermomt als een SG met opnieuw heel wat complotdenkers op het programma, dat is deugnieterij.

Over de eerste ronde van de avond, de presentaties, kunnen we kort zijn: Boudry gaf eerst een lezing Over 9/11 Truthers en andere complotdenkers. De begeleidende PowerPoint-presentatie zette hij online. We onthielden vooral zijn recept om zelf een complottheorie te ontwikkelen en de drie voorspellingen waarmee hij zijn lezing samenvatte. Ten eerste zou zijn tegenstander die avond zich beperken tot het zeer selectief uitkiezen van echte en schijnbare eigenaardigheden, ten tweede zou Vermeeren zich verbergen achter zogezegd kritische vragen en tot slot zou hij het nalaten een valabele tegentheorie te formuleren, ondanks het feit dat we ondertussen zeventien jaar verder zijn en dat er duizenden zelfverklaarde “onafhankelijke onderzoekers” actief zijn in de beweging van de zogenaamde 9/11 Truthers.

Vermeeren van zijn kant toonde zich in zijn presentatie erg kritisch tegenover de officiële versie, pikte anomalieën uit de rapporten, stelde kritische vragen, en – u raadt het – slaagde er niet in om een stevige theorie neer te poten die zou kunnen concurreren met de officiële.

Vermeeren biechtte bij aanvang op dat dit zijn eerste debat was, aangezien niemand het aandurft. Volgens hem was Maarten dus heel moedig. Deze vreemde en stoere opening ging gepaard met een licht bevende stem. Ook op andere momenten gaf de gewoonlijk lichtjes arrogante Coen een tamelijk nerveuze indruk. Hoewel, na het prijzen van Maarten volgde enkel nog misprijzen. “Dit zijn dingen die ze niet begrijpen als ze geen ingenieur zijn. Dat kan ik ze niet kwalijk nemen.” Of “Wat er die dag gebeurde, is vreemd. Nogmaals, je kan heel moeilijk met wetenschapsfilosofen over instortende gebouwen praten.” Wanneer Maarten zijn redenering aan het opbouwen is: “Hoe lang moeten we hier nog naar luisteren? Zijn punt is al duidelijk.” Waarom ingaan op de uitnodiging van Peter Vereecke, maar dit denigrerend inzetten als argument tegen Maarten Boudry? Dat ontglipt ons.

Boudry eindigde zijn betoog met de vraag welk mogelijk bewijs Vermeeren zou kunnen overtuigen van zijn ongelijk, een verwijzing naar het inzicht van wetenschapsfilosoof Karl Popper die stelde dat elke (wetenschappelijke) overtuiging open moet staan voor mogelijke weerleggingen. Met andere woorden, men zou zélf voorwaarden kunnen aangeven of een situatie bedenken waarbij de eigen overtuiging onder vuur komt te liggen of zelfs opgegeven dient te worden. Een theorie die hier niet kan aan voldoen, die dus niet falsifieerbaar is, is dan juist noch fout. Anders gezegd, men kan er geen zinnige uitspraken over doen.

Boudry gaf zelf enkele voorbeelden. Zo zou hij ernstig overwegen dat er iets grondig fout zit, indien een groot aantal mensen en terroristen die in die vliegtuigen hadden moeten zitten, plots te voorschijn zouden komen. Of indien iemand van de legerleiding met een stapel officiële verslagen komt aandraven die een weergave geven van wat er besproken werd tijdens de bijeenkomsten. Of stukken bedrading van het ontstekingsmechanisme van de controlled demolition. Maar wat zou Coen Vermeeren van gedachten kunnen doen veranderen? Hij bleef de zaal een afdoend antwoord schuldig.

Het eigenlijke debat nadien werd gevoerd aan de hand van vragen uit het talrijk opgekomen publiek, dat voor het grootste deel bestond uit supporters van Team Vereecke/Vermeeren en dat zich opmerkelijk rumoerig en zelfs ronduit agressief gedroeg wanneer Maarten Boudry aan het woord was. Onder de vele zogenaamde waarheidszoekers en supporters van Vermeeren leek de gedachte dat 9/11 wel eens geen inside job zou zijn geweest ondenkbaar én onverdraaglijk. Hun korte lontjes dreigden meermaals het debat op te blazen. Ongecontroleerd. De moderator leek het ondertussen nodig te vinden om zijn tergend gebrek aan ervaring te moeten compenseren met tooghumor, onderbroekenlol en absurde oneliners waarmee hij schijnbaar op het debat inpikte. Hij kreeg er de reeds luidruchtige lachers mee op de hand, dat wel, maar zijn schamele tussenkomsten waren niet bepaald een meerwaarde en kalmeerden de zaal veel te weinig.

Hoewel Coen Vermeeren in het begin van het debat Maarten Boudry bedankte om met hem discussiëren, liet Vermeeren meermaals vallen dat hij liever met een vakgenoot, een ingenieur dus, van gedachten zou wisselen en dat een wetenschapsfilosoof hem te min was, met al “die psychologie en zo”. Als we de giftige angel uit zijn sneer halen, dan kunnen we ons inderdaad afvragen waarom organisator Vereecke geen technisch gekwalificeerde tegenstander heeft uitgenodigd, een architect of een ingenieur met expertise in onder andere hoogbouw, wat Vermeeren trouwens ook niet heeft. Ons lijkt het eerder een zeer evidente kwestie van naamsbekendheid: de naam Boudry lokt waarschijnlijk meer mensen naar een universiteitsaula dan eender welke bouwkundige. Misschien een gemiste kans.

Coen Vermeeren daarentegen haalde maar al te graag aan dat er bijna 3000 ingenieurs zijn, broeders en zusters in de bouwkunde, die het officiële verhaal betwisten, de zogenaamde Architects & Engineers for 9/11 Truth. Maar dat lijkt ons een populistische drogreden: niet het schijnbaar grote aantal experts op zich is voldoende om het eigen en dus grote gelijk aan te tonen. Belangrijker dan de kwantiteit is de kwaliteit van de bewijsvoering en de argumentatie. Zo stelde Maarten Boudry dat men op het wereldwijde web met het grootste gemak 3000 biologen kan vinden die de evolutietheorie in twijfel trekken of 3000 al dan niet zelfverklaarde experts die hetzelfde doen op het gebied van de klimaatverandering.

Hoewel het argument van de 3000 experts niet echt geldig was, kunnen we evenwel niet onvermeld laten dat er zich in die groep van bouwkundige experts, die Vermeeren zo gretig naar voren bracht, onder meer theologen bevinden (met expertise in de bouwkundige aspecten van de vernietiging van die toren te Babel?), docenten religieuze studies (o.a. ene Graeme MacQueen) en landschapsarchitecten (zoals Sarah Chaplin, die zich bezighoudt met feministische visuele cultuur). Een grondige screening van de groep Architects & Engineers for 9/11 Truth, eveneens dankzij het internet, toont aan dat slechts een vijftigtal mensen voldoende deskundigheid hebben. Dat is één zestigste van 3000 en dus andere koek. Het mogelijke tegenargument dat er honderdduizenden ingenieurs zijn die het officiële verhaal wél bevestigen, heeft op zich eveneens geen meerwaarde. Het toont enkel aan dat zulke populistische schijnargumenten geen plaats verdienen in een ernstig debat.

Maar ons leek dat er al bij al niet heel veel bouwkundige uitleg nodig was om Vermeerens argumenten, of beter, “kritische vragen”, te pareren. Met andere woorden, Boudry was voldoende op de hoogte van de gebruikelijke literatuur en stond meer dan zijn mannetje in de technische discussies. Zijn “psychologie en zo” gaf de broodnodige meerwaarde aan de hele discussieavond.

Op de vraag uit het publiek of Vermeeren twijfelt aan de integriteit van collega’s die de officiële versie wél aanhangen, voerde hij ontwijkend aan dat er heel veel vakgenoten zijn die zich niet verdiept hebben in de materie, of niet voldoende. Anderzijds zijn het gekwalificeerde ingenieurs en architecten die het duizenden pagina’s tellende (en grotendeels in gerenommeerde vaktijdschriften gepeerreviewde) officiële NIST-rapport hebben samengesteld, bijna-vakgenoten van Vermeeren dus. En het is net onder meer met dit rapport dat Vermeeren problemen heeft.

Toch leek deze vraag en het non-antwoord van Vermeeren aan te tonen dat er een punt was waar ze zich min of meer akkoord konden verklaren. Beiden vonden, zij het om heel uiteenlopende redenen, dat er niet genoeg wetenschappelijk onderlegde experts zijn die zich willen bezighouden met dit soort controversiële onderwerpen. Voor Boudry was dit een aanleiding om een oproep te doen naar de academische wereld, en niet alleen naar ingenieurs en architecten in het geval van 9/11, om zich meer te werpen op pseudo- en randwetenschappen.

Andere, misschien wel belangrijkere debatten over gezondheid (onder andere vaccinatie, zogenaamde alternatieve geneeskunde), landbouw, voedselveiligheid en voeding (onder andere ggo’s, biologische producten, dieetrages en voedselhypes) hebben meer nood aan wetenschappelijk onderlegde experts die zich doen gelden op het publieke forum. Ook de enige en niet alleen daarom dierbare skeptische organisatie in Vlaanderen zou zich iets actiever en vooral eloquenter mogen mengen in heel wat meer (pseudocontroversiële) debatten, voegen wij daar aan toe. Rand- en pseudowetenschappen, die steeds meer hand in hand lijken te gaan met complotdenken, zijn niet weg te denken in onze maatschappij, ook niet weg te roepen. Maar voorstanders van dat soort ongein mogen wel op tijd en stond, en liefst vaker, van een wetenschappelijk en doordacht weerwoord gediend worden.

En dat deed wetenschapsfilosoof Maarten Boudry in de universiteitsaula van de Ugent.

Met verve.

Creationisme en Wetenschap (5): the easiest person to fool

Op zaterdag 7 april ging het eerste congres van het Logos Instituut in Vlaanderen door onder de naam “Bijbel en wetenschap. Scheppingsgeloof onder vuur”. Locatie: de kerk van de Vrije Evangelische Gemeente Antwerpen. In het vijfde en voorlopig laatste deel van mijn verslag bespreek ik de lezing van Johan Vanbrabant.

* * *

Direct na de lezing van Vanbrabant vraag ik me af of de termen fundamentalistisch en fundamenteel oneerlijk synoniem zijn. Een week later denk ik dat mijn vraag fout is. De dag was begonnen met twee gedistingeerde heren professoren, ging verder met moderne, dynamische jongeren wiens evangelische drift bijna zo sterk was als hun Studio 100-achtige, mercantiele neigingen, om te eindigen met Johan Vanbrabant, een man waarvan mijn grootvader zou gezegd hebben dat hij “een ras op z’n eigen” is.

Vlot pratend en volleerd podiumbeest, dat wel, maar niet gespeend van al te platte humor of geheel overbodige knipogen naar die Nederlanders die dit of ’t geen niet volledig zouden begrijpen. Vlaemsch-‘Ollandse taalgrapjes anno 2018? Naah, hoeft echt niet. Mocht ik deze man om iets over drie aan de toog bezig horen, ik zou me minder verbazen dan nu, iets over drie vooraan in een kerk. Ergens in mijn nota’s vind ik terug dat deze woordenpatser spreekt in (hoge)scholen en zelfs universiteiten.

Net zoals de meeste sprekers die dag is ook Vanbrabant hoogopgeleid; zijn professionele bezigheden ogen indrukwekkend. De beroepskennis van deze intelligente mensen noopt tot bescheidenheid. Laat er geen twijfel over bestaan, de meeste sprekers die dag zijn meer dan bovengemiddeld verstandig, de andere mocht het ronselpraatje houden.

Helaas hebben mensen, intelligent of niet, al eens de neiging om zichzelf voor gek te zetten. Hoogopgeleiden kunnen zichzelf vergalopperen, vooral maar niet uitsluitend in vakgebieden waarin ze niet gespecialiseerd zijn. En dat ondanks het feit dat ze zich ook daarin een expert wanen. Vaak lijken dan de worden van Richard Feynman te gelden: “The first principle is that you must not fool yourself — and you are the easiest person to fool”. Terwijl dit geldt voor zo ongeveer iedereen, voegde filosoof Johan Braeckman, en met hem vele anderen, eraan toe dat vooral intelligente mensen er zeer goed in slagen om zichzelf op een al dan niet quasi-rationele manier, en meestal zeer eloquent, te immuniseren tegen kritiek van derden op hun (waan)gedachten.

Net zoals de meeste sprekers die dag is Johan Vanbrabant een expert in wat ik nu maar even voor het gemak de evangelische geïnspireerde ideologische kritiek op wetenschap, evolutietheorie en geologie zal noemen. Net zoals bij de andere sprekers wordt het helemaal niet duidelijk wat hij nu precies weet omtrent de wetenschappelijke gebieden die hij meent te moeten bekritiseren. Laat hij zich niet hinderen door een gebrek aan kennis of kent hij het vakgebied wél en laat hij zich niet hinderen door een gebrek aan eerlijkheid? Een volgende vraag is dan meteen: maakt dat uit voor een ideoloog, maakt dat uit voor een fundamentalist? Ik denk dat iemand met zo’n ideologisch geladen, fundamentalistische boodschap niet meer stilstaat bij een eventueel gebrek aan kennis of eerlijkheid. Zelfreflectie en bescheidenheid zijn volgens mij al lang geleden vervangen door een immunisatieproces dat de spreker ver boven dit soort triviale vragen verheft.

Zijn praatje begon met een overbodige uitleg over wat wetenschap nu is, waarbij hij al goochelend woorden als feiten, kennis en informatie in een nietszeggend schema probeerde te duwen dat verder geen enkele functie vervulde. Interessanter was dat ook hij de canard aanhaalde die Van Heugten eerder de dag had vermeld: wij mensen kijken sowieso met een gekleurde bril naar de realiteit. Met andere woorden, wetenschap kan niet objectief zijn. De Bijbel daarentegen is voor hem het meest coherente verhaal, is voor hem wél wetenschappelijk verantwoord. Lees de twee vorige zinnen gerust nog een keer als het u niet direct opvalt hoe Vanbrabant hier in zijn eigen staart bijt.

Opnieuw zitten we in deel 1 van deze reeks, Laat ons bidden: de Bijbel en niets anders dan de Bijbel. De rest is opvulsel, piepschuim. En eigenlijk wordt dit mooi (maar waarschijnlijk ongewild) geïllustreerd door de aankondiging van het tweede congres dat het Logos Instituut zal organiseren in Antwerpen later dit jaar. We kunnen er nú al voor inschrijven, hoewel er momenteel (14 april 2018) nog geen namen van sprekers of onderwerpen van de lezingen bekend zijn. Maar au fond dat is ook niet zo belangrijk, het zijn toch slechts voetnoten bij het Bijbelse verhaal. Oh ja, één lezing is al wel ingevuld, die van Jan van Meerten, de ronselaar van het Instituut, de handelaar in de tempel. Zijn kassa staat al klaar, nu de rest nog.

Terug naar de lezing. Het zou naïef geweest zijn te denken dat er tijdens een congres voor en door fundamentalistische christenen over wetenschap en creationisme een poging zou ondernomen worden om het hele bedrijf van dé wetenschap, wat daarmee ook bedoeld wordt, op een eerlijke manier af te schilderen.

Toch begin ik met een positieve noot: Vanbrabants kritiek op de tekortkomingen van de wetenschap maakt ongemakkelijk, maar is meer dan terecht. Hij voert aan dat het wetenschapsbedrijf niet zonder fouten, kemels en zelfs hemeltergend bedrog is. Foute woordkeuze: goede wetenschap is voor deze gelovigen in een God van Gebakken Lucht hemeltergend, maar u begrijpt wat ik bedoel. Meestal zijn het dan andere wetenschappers die de fouten, kemels én het bedrog naar boven spitten (zie bij wijze van voorbeeld Retraction Watch), maar dat neemt het bedrog niet weg.

Hij heeft dus zeker een punt met zijn kritiek, maar hij weegt het niet af tegen de voordelen van datzelfde wetenschappelijk bedrijf, en daarin toont hij zich dus zeer onevenwichtig, om niet te zeggen oneerlijk. Nochtans waarschuwt Vanbrabant ook zijn broeders en zusters in het ware geloof: zij moeten integerder omgaan met hun geloof dan de wetenschappers met hun onderzoekjes, en dat is niet altijd het geval, roept hij triomfantelijk.

Vanbrabant gaat nog enkele stappen verder: het geheel van wetenschappelijke onderzoeken, de valse, bij elkaar gelogen artikelen kosten de gemeenschap handen vol geld en het dient alleen maar om de gehechtheid aan een bepaald socio-politiek-wetenschappelijk systeem te bestendigen. En hier schakelt hij knarsend, niet zozeer naar een hogere, wel naar een andere versnelling.

Hij vraagt zich al te luid af waar dat evolutionistisch gedachtegoed goed voor is. Alvast niet voor de bescherming van (zwakke) dieren, want dat druist in tegen het recht van de sterkste. Ook ziekenhuizen en de verzorging van zieken en zwakken gaan volgens Vanbrabant in tegen het evolutionair denken. Ik kan mijn oren niet geloven en vraag me af of de zaal wel groot genoeg is voor de stropop die hij probeert op te trekken. Iemand die de natuur beschermt, gaat hij verder, is niet “evolutionair bezig”. Waarom zouden mensen dieren, planten of ecosystemen willen redden die tóch verloren zullen gaan omwille van de “evolutionaire druk”. Evolutionair staat voor hem gelijk aan stinkende fabrieken, kapotte natuur. De wereld gaat ten onder aan het evolutionaire denken. En na al de uren te hebben geluisterd naar dit soort gejengel, begin ik het dan toch stilaan op mijn sijsjes te krijgen.

Vanbrabant voert aan dat men als niet-christen niet consequent de natuur kan willen redden. Invasieve planten, aldus de spreker, “da’s evolutie, hé”. Ik vraag me ondertussen af of twee handen genoeg zijn voor een facepalm. Mensen die problemen hebben met invasieve planten en dieren, gaan in tegen evolutie. In mijn nota’s staat op dit punt “hoe idioot kan een mens zijn?”, terwijl ik me eigenlijk had moeten afvragen of hij er zich van bewust zou zijn of zijn uitleg één gigantische stropopargument is, of hij er zich van bewust is dat hij nonsens vertelt. Groot was dan ook mijn verbazing, zelfs na een volledige dag onder creationisten, dat één van de reacties door een geestesgenoot op een vorig artikel diezelfde van de pot gerukte manier van denken volgt.

De rest van de lezing gaat aan mij een beetje voorbij. Ik verneem weinig boeiende zaken, ben moe, ben het beu en wil naar vrouw en kind. Ik hoor nog hoe Vanbrabant dna vergelijkt met een computerprogramma. Verandert men een 1 of een 0 aan een computerprogramma (sic), dan werkt het niet meer, dan loopt het vast. Gebeurt er één verandering in het dna, één mutatie, dan stopt ook dat biologische programma. Dna kan alleen maar 100 procent gekopieerd worden of niet, zegt deze vader van vijf kinderen. Alles moet passen, het is een kwestie van niet-reduceerbare complexe systemen. Behalve zijn uitleg, die slaat nergens op. Hij denkt zelfs dat op enkele geanimeerde gifs individuele atomen te zien zijn.

Een deel van mijn suf hoofd denkt dat met deze term de imaginaire creationistische bingokaart vol is, een ander deel probeert in te schatten hoe hard mijn ongelovige partner, wetenschapslerares die de evolutietheorie niet uit de weg gaat, die opgeleid is als milieuwetenschapster en serieuze biotechnologische inclinaties heeft, die elk schooljaar uitleg geeft over dna, die gewonde vogels naar het dierenasiel brengt, die vegetarisch eet omwille van redenen die te maken hebben met milieu- en dierenwelzijn, met de uitleg van deze onnozele hals gaat lachen.

Even later toch protest uit de zaal. Om een reden die ik gemist heb wegens sufgeluld, begint Vanbrabant plots over de bekende Sokal-affaire. Even opfrissen: in 1996 stuurde de natuurkundige Alan Sokal een nepartikel tsjokvol wetenschappelijk jargon naar het academische tijdschrift Social Text, dat het prompt publiceerde. Ik heb deze affaire heel kort beschreven in het artikel Genereer uw eígen nonsens. Volgens Vanbrabant toont de Sokal-affaire nog maar eens aan hoe je wetenschappers alles kan wijsmaken, hoe wetenschappers zonder nadenken, zonder overleg, zonder kennis van zaken, zonder verstand wetenschappelijk aandoende nonsens accepteren en publiceren.

Iedereen die een klein beetje vertrouwd is met deze affaire, weet echter dat Sokal deze tekst schreef om aan te klagen hoe bepaalde, vooral postmodernistisch geïnspireerde praatjesmakers zich wetenschappelijk jargon en stellingen verkeerdelijk toe-eigenden, fout voorstelden en misbruikten om hun eigen ideeën te pushen. Of Vanbrabant weet dit niet en heeft de tekst, het latere boek Intellectueel Bedrog (samen met de Belg Jean Bricmont) of de naweeën van deze kleine bom in Pomoland nooit gelezen en dan is hij oneerlijk. Of hij kent de affaire wél en liegt omwille van de goede, evangelische zaak. Hoe dan ook, de ironie is verschroeiend.

Terwijl ik luister naar de proteststem uit het publiek, die inderdaad probeert uit te leggen dat Vanbrabant hier (andermaal) de grens van het welvoeglijke overtreden heeft door de aard en de intentie van Sokals artikel totaal verkeerd voor te stellen, dat hij dus andermaal liegt en zeer oneerlijk is, begint het me te dagen dat ik het ben die zo tekeer gaat. Waarmee ik mijn zelfopgelegde regel tijdens dit soort samenkomsten, namelijk geen interactie, schend. Ik kom om te observeren, niet om te discussiëren.

Na de lezing pak ik mijn boeltje samen waarin genoeg notities zitten voor een artikel of twee en vertrek. Het is echter dankzij de aanmoedigingen van Jan van Meerten van het Logos Instituut en de reclame die hij maakt voor mijn blog, dat ik naarmate de week vordert, toch beslis om er meerdere delen aan te wijden. Ik moet deze man écht wel bedanken voor het verkeer op mijn website dat hij gegenereerd heeft. Jan, merci, gast ;-). Hij heeft mij ondertussen ook bedacht met een tegenartikeltje en vraagt zich af wanneer ik daarop ga reageren. First things first, Jan, ik heb nog een lezing van een complotdenker in Breda te bespreken, en nee Jan, een moddergevecht met een varken dat zijn modderpoel kent, daarin heb ik geen zin. Er is ook weinig reden om mijn artikel te veranderen of te verantwoorden. Misschien later, Jan.

Als cultureel katholiek maar levenslang atheïst voldeed ik vrij goed aan beschrijving van Maarten Boudry van de moderne seculier die niet zo vertrouwd (meer) is met gelovigen die zeer weinig water in hun goddelijke wijn willen doen. Vóór het congres en enkel op basis van de teksten die ik ter voorbereiding had gelezen, kon ik me moeilijk inbeelden hoe fundamentalistisch fundamentalistische christenen zijn, hoe sterk zij vasthouden aan hun letterlijke lezing van de Bijbel (nu ja, zolang het hen uitkomt tenminste), hoe bereid zij zijn hun ideologie te laten primeren op eerlijkheid. Dat is bij deze bijgesteld.

Tot slot: de aanwezigheid van een ex-inspecteur van het protestants evangelisch onderwijs in Nederland en Vlaanderen en een lesgever uit Limburg, maakt mijn verbazing over deze dag enkel maar groter. Als ik terugdenk aan de hardcore anti-seculiere en dus anti-democratische nonsens die ik tijdens de lezingen heb mogen aanhoren, dan kan ik enkel vaststellen dat het verschil met de lieflijk opgestelde leerplannen van bijvoorbeeld het Protestants Evangelisch Godsdienstonderwijs in België zeer groot is. Ik hoop dat deze leerplannen niet louter de aardige façade zijn waarachter leugenachtige stukjes à la congres worden opgevoerd.

Creationisme en Wetenschap (3): Tips & tricks

Op zaterdag 7 april ging het eerste congres van het Logos Instituut in Vlaanderen door onder de naam “Bijbel en wetenschap. Scheppingsgeloof onder vuur”. Locatie: de kerk van de Vrije Evangelische Gemeente Antwerpen. In het derde deel van mijn verslag wil ik enkele tips & tricks geven omtrent het behandelen van al dan niet wetenschappelijke bronnen, artikelen en boeken tijdens een presentatie.

* * *

T&T 1: verwijs niet naar vaag “wetenschappelijk” of “archeologisch onderzoek”, geef referenties

Tijdens een lezing voor een lekenpubliek is het zelden een goed idee om vaagweg te verwijzen naar “wetenschappelijk onderzoek”, of naar onbestemde “onderzoekers” die misschien wel eens “hebben aangetoond dat…”. Dat is een beetje flauw. Het publiek heeft er weinig aan, maar al bij al gelooft men meestal de spreker op haar of zijn woord. De toehoorders gaan er mijn inziens van uit dat de spreker (1) eerlijk is en (2) zich terdege heeft voorbereid. Trouwens, niemand wil tijdens de lezing rap rap dat onbestemde onderzoek snel even googelen en nog minder mensen willen dat doen na de lezing.

Toch mag men rekening houden met mensen die wél geïnteresseerd zijn in het onderwerp, die wél verbaasd zijn door wat mogelijk nieuw en baanbrekend onderzoek zou kunnen zijn. Een referentie (al dan niet in de hand-out of op een dia) is dus meer dan welkom, al is de kans groot dat één artikel weinig zegt over de consensus.

Een voorbeeld: zowel Prof. dr. Sieberma als Dr. Arie Dirkzwager (“Uittocht, doortocht en intocht. De exodus van Israël en de archeologie”) vermeldden dat “archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat de Israëlieten die Egypte verlaten hebben tijdens de exodus, het alfabet hebben uitgevonden” en door hen hebben wij ons schrift verworven. Iemand die de vakliteratuur niet kent, gaat dit misschien nog voor waar aannemen. Het wordt per slot van rekening gezegd door twee geleerde specialisten. Iemand die de vakliteratuur een klein beetje volgt en de consensus kent, fronst hierbij de wenkbrauwen en gaat nieuwsgierig maar in dit geval tevergeefs op zoek naar wetenschappelijke literatuur die dat nieuwe idee ondersteunt.

De consensus luidt dat het Hebreeuws schrift een afgeleide is van het Fenicisch schrift. Een preciezere term voor deze schriftsoorten is abjad, waarbij in de pure vorm enkel de medeklinkers worden geschreven als een apart letterteken. Waarschijnlijk waren het de Grieken die op basis van het Fenicische schrift de stap hebben gezet om alle klanken, dus ook alle klinkers, te schrijven. Egypte komt niet voor in dit verhaal.

Een van de weinige correcte bronvermeldingen betrof de vertaling van de Bijbel die in deze gemeenschap gehanteerd wordt: de Nieuwe Bijbelvertaling uit 2004. En dat is mager in het kader van een lezingenreeks over creationisme en wetenschap.

T&T 2: als je verwijst naar een specifiek boek of artikel, stel de inhoud dan op een eerlijke manier voor

Van iemand die een lezing geeft, mag eerlijkheid en oprechtheid verwacht worden. Wat niet automatisch wil zeggen dat men akkoord hoeft te gaan met de inhoud, of beter, met de conclusies van de lezing. Wanneer de spreker een zeer specifieke bron aanhaalt en de inhoud daarvan bespreekt, dan mag men een zekere graad van correctheid verwachten bij het voorstellen van de inhoud van die bron.

Opnieuw, niemand in het publiek kan tijdens de lezing die bron controleren, weinig mensen doen dat achteraf. Al bij al is dat een kwestie van vertrouwen. Kritisch of niet, ik denk dat een toehoorder meestal in grote mate bereid is om de spreker te vertrouwen wanneer deze (controleerbare) feiten voorlegt.

Een voorbeeld: Jan van Meerten slaagde erin dat vertrouwen te beschamen bij zijn bespreking, of beter, bij zijn smalende opmerkingen over Stefan Blanckes boekje De Schepping na Darwin. Over modern creationisme en intelligent design. Sympathie heeft Van Meerten wel voor de auteur, maar hij kan het niet laten om een onooglijk detail te “corrigeren” en daarmee diens geloofwaardigheid als onderzoeker in twijfel te trekken. Want dat doe je natuurlijk ten opzichte van mensen voor wie je sympathie hebt.

Volgens de man van het Logos Instituut vermeldt Blancke dat het (georganiseerde) creationisme een relatief recente stroming is. Blancke zou verwijzen naar een (niet nader genoemd) boek uit 1923. Van Meerten zelf heeft zowaar ooit een (eveneens niet nader genoemd) boek op een rommelmarkt gevonden uit – hij kan zijn lach niet inhouden – 1910. Dertien jaar ernaast dus. Checkmate, atheists!

Of toch niet.

Eerste detail: Blancke kent de literatuur, kent de geschiedenis van de stroming. Enkel bij wijze van voorbeeld: één van de gezaghebbende auteurs over dit onderwerp, Ronald L. Numbers, heeft het voorwoord geschreven van Blanckes andere boek, Creationism in Europe. Trouwens, het boek van Numbers The Creationists. From Scientific Creationism to Intelligent Design is een aanrader (en wordt vermeld in de beperkte literatuurlijst achteraan Blanckes boek, een aanrader trouwens).

Tweede detail: het boekje De Schepping na Darwin pretendeert niet meer dan een inleiding te zijn (het telt zo’n 80 pagina’s tekst) en Blancke heeft ervoor gekozen om bepaalde uitspraken in zijn verhaal niet te overladen met details of datums. In het stuk “Het eerste verzet tegen evolutie” (p. 23) schrijft hij dat in het “eerste kwart van de 20e eeuw in de Verenigde Staten het verzet groeide tegen de evolutietheorie”. Eerste kwart, daaronder versta ik de periode 1900-1925. Vervolgens verwijst Blancke op diezelfde pagina naar de Fundamentals, en dat is een reeks van publicaties die liep van 1910 tot 1915 (p. 23 én 24). En laat 1910 nu net het jaartal zijn dat Van Meerten gebruikte als clou van zijn smalende opmerking. Blancke vermeldt 1923 als jaartal waarop Oklahoma een wet goedkeurde “die ervoor zorgde dat kinderen uit de lagere school gratis handboeken kregen, maar enkel als die niets over evolutie vermeldden.”

Met andere woorden, Van Meertens “correctie” van een “fout” die niet in het boek staat, bestaat uit de informatie die eigenlijk wél in het boek van Blancke te vinden is. Hoe zou u dit omschrijven, Jan? Als jokken? Het lijkt me iets te geëlaboreerd om dit af te doen als “oepsie, foutjeuh”.

Hoe dan ook, dit voorvalletje was een minuscuul detail in een al bij al vrij overbodige lezing van iemand die geld en leden kwam ronselen. De veel belangrijkere, tenenkrullende leugens, namelijk de schrijnende misrepresentatie van de Sokal-hoax door Johan Vanbrabant later die dag, zal ik in een ander artikel uit de deken doen.

T&T 3: woorden hebben een betekenis; idiosyncratische betekenissen toegekend aan woorden dienen verduidelijkt te worden

Er zijn tijdschriften, populair-wetenschappelijke tijdschriften en gepeerreviewd wetenschappelijke tijdschriften. Men moet al over heel veel fantasie beschikken om het tijdschrift WeetMagazine voor te stellen als een populair-wetenschappelijk tijdschrift:

Geïnteresseerd in de wereld om je heen? Verwonderd over Gods schepping? Nieuwsgierig hoe onverklaarbare, maar ook alledaagse dingen, in elkaar steken? Dan maken we Weet Magazine voor jou! We schrijven over opmerkelijk wetenschappelijk onderzoek, leuke weetjes, unieke invalshoeken en dat alles vanuit Bijbels perspectief. (mijn nadruk)

Het Logos Instituut was zo genereus om exemplaren van dit mooi en verzorgd uitgegeven magazine uit te delen. Een bespreking van het laatste nummer volgt.

Maar alles kan beter: ingenieur Stef. J. Heerema zal tijdens zij lezing “Geologie en de zondvloed” uitpakken met de verwijzing naar een eigen artikel verschenen in het gepeerreviewde tijdschrift Journal of Creation. In zijn lezing beweerde hij dat zoutgesteenten overal ter wereld worden aangetroffen, dat zoutgesteenten enkel kon verspreid worden in opgeloste vorm, dus in een waterige omgeving, ergo de (wereldwijde) zondvloed is hiermee voldoende aangetoond (én het staat ook nog eens in de Bijbel).

Eigenlijk is het heel bizar dat een groep mensen die zo’n afkeer hebben van alles waar wetenschap voor staat, toch de formele (maar niet meer dan de formele) kenmerken, waaronder de labels van die wetenschap, overnemen. Feynmaniaanse cargo cult science pur sang. Iemand als een Heerema gaat er blijkbaar vanuit dat het opplakken van de labels ‘peerreview’ en ‘wetenschappelijk tijdschrift’ een vodje zoals Journal of Creation effectief een gepeerreviewd tijdschrift is.

Gert-Jan van Heugten, scheikundig ingenieur en dino-fanaat, ging zelfs nóg een stap verder: zijn amechtige poging om wetenschap te definiëren hield in dat alle kennis begint bij ontzag voor de Heer. Met andere woorden, goede wetenschap begint bij de Bijbel. En we zitten weer bij het eerste artikel van deze reeks, bij de lezing van de eerste verzen van Genesis, en zijn we heel ver verwijderd van wat wetenschap nu precies voor academici, onderzoekers, leken en enthousiastelingen, of beter, voor niet-fundamentalisten die ene term kapen en parasiteren, betekent. Gert-Jan van Heugten probeer ik later te bespreken, en meer bepaald in een artikel over mijn verbazing hoe hopeloos achterhaalde en ontkrachte verhaaltjes à la von Däniken, Velikovsky c.s. geacapereerd lijken te worden door hedendaagse creationisten, waaronder ook het opperhoofd van CreaBel, Jos Philippaerts.

T&T 4: goede seculiere wetenschap: slecht; slechte seculiere wetenschap: goed

Verwerp de meeste vormen van wetenschap, wetenschappelijke inzichten zijn ook niet nodig aangezien er iets bestaat als de Bijbel. Als men dan toch wetenschappelijk onderzoek aanhaalt, dan zijn er twee mogelijkheden.

  1. Het is mij verschillende keren opgevallen dat van bepaalde onderzoekers wiens bevindingen wél in het fundamentalistisch kraampje passen, zéér expliciet gezegd worden dat ze atheïsten zijn, ongeacht de wetenschappelijke status van die onderzoeker. David Rohl, een blijkbaar ongelovige auteur die zich heeft laten beïnvloeden door o.a. Velikovsky, wordt op handen gedragen. De onderliggende boodschap is hier “als zelfs een atheïst het al zegt, dan moet het wel waar zijn”.
  2. David Rohl en Immanuel Velikovsky zijn twee een mooie voorbeelden van de tweede optie. Beider theorieën worden niet aanvaard (en zelfs genegeerd) door de wetenschappelijke gemeenschap. De theorieën zijn ondanks hun spektakelgehalte vrij banaal, makkelijk te ontkrachten en worden enkel nog verspreid via tweede- en derdehandsboekenwinkels waar de oude Ankh-Hermes-boekdelen uit de late jaren zestig en zevenentig vechten tegen schimmels en verzuring, en blijkbaar dus ook via creationistische lezingen.