Platte aarde revisited

Marleen Finoulst interviewde me voor het herfstnummer van 2020 van Wonder en is gheen Wonder, het ledenblad van SKEPP.

* * *

Ze bestaan echt. Mensen die geloven dat de aarde plat is. Meer nog, het geloof in een platte aarde lijkt dankzij sociale media op te flakkeren. Skepticus Frank Verhoft is gefascineerd door deze ‘flat earthers’ die met volle overtuiging een wel bijzondere theorie verspreiden. Hij verdiepte zich in hun denken, bezocht hun congres en schreef een interessant en amusant boekje met een spitsvondige titel De platte aarde, een rondleiding.

Marleen Finoulst: Frank, vanwaar jouw interesse in platte-aarders?

Frank Verhoft: Ik vermoed dat de algoritmes van de sociale media mijn belangstelling voor spirituele beurzen en esoterische internetforums begin 2016 opgepikt hebben. Ik bezoek die met passie én ik beschrijf graag op mijn blog hoe het er daar aan toe gaat. Eén advertentie op Facebook en voor ik het goed en wel besefte, zat ik twee dagen in Noord-Holland tussen een 60-tal platte-aarders te luisteren naar de lokale grossier in complotverhalen. Ook aanwezig was een welbespraakte holle-aarder en dat gaf vonken. Twee voor de prijs van één, plus vuurwerk. Een mens zou voor minder. Toegegeven, op dat moment wist ik heel weinig over dat platte-aardegedoe. Het echte lees- en kijkwerk is pas daarna gekomen. Urenlang naar YouTube-filmpjes gestaard. Geen pretje.

Wat me ook snel opviel, en ik hoop dat de lezers het mij vergeven: de onwetendheid omtrent de platte-aardebewegingen in ‘onze’ hoek is groot. Ik was maar wat blij toen Johan Braeckman mij de mogelijkheid gaf om er een boekje over te schrijven en om die onwetendheid te doen kenteren. Dat boekje is dus ondertussen gelukt.

Marleen Finoulst: Eeuwenlang geloofde de mensheid dat de Aarde plat was. Wanneer kwam de kentering en hoe werd die toen onthaald?

Frank Verhoft: Maak daar gerust millennia van. De oudste culturen lijken te zijn uitgegaan van een platte aarde. Pas na eeuwenlang Grieks gefilosofeer is men tot de conclusie gekomen dat de aarde een bol is. Denk aan de usual suspects: misschien Pythagoras, zeker Plato, vooral Aristoteles. De ideeën van Plato’s latere volgers zijn opgepikt door onder meer opper-kerkvader Sint-Augustinus en hebben zich verspreid in de christelijke wereld. Dus nee, de Kerk was geen promotor van de platte aarde. Nooit geweest. En ook tijdens de middeleeuwen gingen althans de geschoolden uit van een bol. De prille westerse academia kreeg daarbij een extra boost door zowel de introductie van Aristoteles’ geschriften als door de kennismaking met de rijke Arabische wetenschappelijke astronomische tradities.

Het heeft tot Copernicus geduurd voordat de mensheid besefte dat die bal ook nog eens rond de zon draaide. Waarom ik dat vermeld? Omdat afschuw ten opzichte van het heliocentrisme een wezenlijk onderdeel van elke platte-aardetheorie is. En omdat ik wil benadrukken dat wat wij nu vanzelfsprekend achten, pakweg bol rond zon, het resultaat is van een eeuwenlang gevecht van de slimste koppen in ons zonnestelsel tegen ondoordachte menselijke indrukken en dito intuïtie. Mijn overgrootvader was een platte-aarder aldus de familiekronieken. Ik denk niet hij de traditie van die enkele dissidente kerkvaders uit de vierde eeuw volgde. Eerder zijn al te menselijk buikgevoel.

Wie wel voor een kentering heeft gezorgd, is de Brit Samuel Rowbotham. Rond 1850 introduceerde hij opnieuw de platte aarde in het publieke debat. Als oud-leider van een utopisch-socialistische gemeenschap kende hij de verzuchtingen van de lagere, vaak misnoegde, steeds onderbetaalde arbeidersklassen. En de man had zelf ook geld nodig. Via lezingen en debatavonden wist hij aanvankelijk dat deel van de bevolking te bespelen dat steeds beter moest worden geschoold en opgeleid in de zich industrialiserende maatschappij, maar toch niet te veel. De media was aanvankelijk gefascineerd. Rowbotham sprak niet alleen over de platte aarde, maar ook over wetenschappers en hun entourage, die hoegenaamd geen geldzorgen hadden. We zouden nu zeggen de 1%, de elite. Hij wilde de wetenschap uit hun klauwen redden en teruggeven aan de gewone mensen.

Rowbotham kon goed overweg met mensen, gebruikte graag dure woorden en, heel belangrijk, hij kende zijn Bijbel! Pas wanneer hij aansluiting vond bij organisatoren van debatavonden en lezingen, en religieuzen uit de hogere echelons, ging zijn bal echt aan het rollen.

Marleen Finoulst: Platte-aarders blijken niet gevoelig voor bewijzen dat de Aarde rond is. Hoe verklaar je dat?

Frank Verhoft: Ik beschrijf en geef indrukken, verklaringen laat ik aan experts die interessante termen gebruiken als “epistemologische rebellie”. Maar als je aandringt…

Uiteraard past het platte-aardegebeuren in een ruimere tegencultuur die drijft op wantrouwen ten opzichte van elke vorm van autoriteit. Ook wetenschappelijke expertise en consensus beschouwen kennisrebellen vaak als onaanvaardbare en zelfs ondraaglijke uitingen van dat gezag. Onderschat het emotionele aspect niet.

Het alternatief is dan de eigen mening, die even gelijkwaardig moet beschouwd worden als de persoon die ze uitdraagt. Die eigen mening wordt veelal gevormd door het “eigen onderzoek”, wat tegenwoordig vaak een eufemisme is voor online gedab in pseudowetenschappelijke ideeën en de kritiekloze aanname ervan. Ver weg van betweterige wetenschappers of, godbetert, pedante schoolmeesters, dicht bij gelijkgestemden die elkaar overladen met accolades en virtuele hartjes. Een milde vorm van love bombing.

Verder is dat platte-aardegedoe als een hippe koffiebar. Zonder koffie weliswaar maar met een schier eindeloze lijst aan opties die in staat stellen om de eigen keuze, de eigen mening of theorie zo je wil, tot in het absurde te personaliseren. Enkele toetsenbordaanslagen later kan je de wereld kond doen van je waardevolle persoonlijke mening en als je het goed aanpakt, dan krijg je daar nog eens een hele hoop likes voor in de plaats. Ex-platte-aarders geven aan dat dit beloningsysteem (aantal likes, views, comments op de sociale media) hun overtuiging alleen maar sterkte. Evenals gehoon van smalende criticasters, tussen haakjes.

Een laatste aspect is het religieus-spirituele: de mens heeft een speciale plaats gekregen van God (of een spirituele vertaling daarvan) op een platte, onbeweegbare wereld in het centrum van het universum, dat voor hem geschapen is. Ga daar maar eens tegenaan staan met je theorietje dat we op een bol doelloos door het heelal zweven. Ook het idee dat wij mensen voor onszelf en elkaar zin en waarde kunnen creëren in een zinloos heelal, dringt zelden door.

Marleen Finoulst: Hangen platte-aarders ook andere onzin aan? Zijn ze gevoeliger voor complottheorieën?

Frank Verhoft: Platte-aarders zíjn complotdenkers en complotdenkers houden het zelden bij één complotverhaal. Noem een samenzweringstheorie en de kans is zeer groot dat een platte-aarder er rotsvast in gelooft. Zonder lang uitgesponnen clusters van complotverhalen kan het geloof in een platte aarde niet overeind blijven.

Eén uitzondering: complottheorieën over Amerikaanse militaire bases op Mars of andere complotverhalen die ruimtevaart veronderstellen, accepteren ze meestal niet. En dat is dan ook meteen het enige goede nieuws: platte-aarders geloven niet blindelings élke complottheorie.

Verder lezen: Frank Verhoft: De platte aarde, een rondleiding (Uitgeverij ASP, 2020)

Vrouwen praten meer dan mannen (en andere taalmythes)

Dit was mijn eerste artikeltje voor Wonder en is gheen Wonder, het ledentijdschrift van SKEPP. Het verscheen in het lentenummer 2016.

* * *

Zolang niet hetzelfde geldt voor een doorsnee boekenrek, kan een steeds uitdijend heelal me niet echt boeien. Wegens plaatsgebrek heb ik de laatste dagen drommen boeken afgevoerd naar 2dehands.be. Daar wordt een mens niet vrolijk van. Gelukkig stootte ik tijdens dit hartverscheurende werk op Language Myths, een van mijn meest geliefkoosde bundeltjes bedrukt papier.

Dat vrouwen veel meer praten dan mannen bijvoorbeeld. Of dat primitieve volkeren zoals Aboriginals of Bosjesmannen even primitieve – lees: kinderlijk eenvoudige – talen spreken. Mensen die taal- of spelfouten maken, zijn dom. En de media, ach meneer, die ruïneren onze taal. Dat soort mythes dus. De bijdragen werden geschreven door het kruim der Angelsaksische linguïstiek en uitgegeven door theoretisch taalkundige Laurie Bauer en sociolinguïst Peter Trudgill.

“The meaning of words should not be allowed to change”

Deze eerste mythe werd onlangs nog geïllustreerd toen Google Dictionary met het volgende kwam aanzetten:

lit·er·al·ly /´litərəlē/
1. In a literal manner or sense; exactly: “the driver took it literally when asked to go straight over the traffic circle”.
2. Used to acknowledge that something is not literally true but is used for emphasis or to express strong feeling.

De storm die hierdoor opstak was even voorspelbaar als hevig. “How language is literally losing its meaning”, fulmineerde John Sutherland in de Britse krant The Guardian. Maar als je anno 2016 iemand ‘nice’ noemt, dan bedoel je daar niet ‘dom’ of ‘onwetend’ mee, zoals het Latijnse etymon ‘ne-scius’ suggereert. Evenmin bedoel je ‘arm’, ‘behoeftig’, ‘zwak’ of ‘timide’. Nochtans heeft ‘nice’ in de loop der tijden al deze betekenissen gehad. Taal verandert. Betekenissen van woorden zijn niet in steen gebeiteld.

“English spelling is Kattastroffik”

Nog zo’n klassieker. En ach, dat valt wel mee. Enerzijds kiest men in het Engelse taalgebied nog steeds voor wat wij in het Nederlands het etymologische principe noemen, maar dan in overdrive: de geschiedenis van een woord bepaalt de schrijfwijze en verandering zit er momenteel niet in. Anderzijds heeft het Engels, net zomin als het Nederlands, geen paradijselijke spelling waarbij één unieke klank weergegeven wordt door één unieke letter.

“Italian is beautiful, German is ugly”

Deze mythe kennen we in de Lage Landen ook. “That’s amore”, zingt Dean Martin, eerder dan “that is Liebe”. Toegegeven, hij had Italiaanse roots, maar u begrijpt vast mijn punt. Het is niet moeilijk om een cultureel-historische reden te geven: de bijnaam van The History Channel is The Hitler Channel eerder dan TV Benito.

Hetzelfde geldt trouwens voor de perceptie van andere talen en regiolecten: er zijn geen inherente redenen waarom een bepaalde taal of regionale taalvariant mooier of verhevener zou zijn dan de andere. Het Atheense stadsdialect mag in Griekenland dan wel een hoger aanzien hebben dan één of ander Beotisch boerentaaltje, voor mensen die geen Grieks spreken en aan wie de culturele en historische achtergronden voorbij gaan, maakt het weinig verschil.

Van myth buster tot skepticus

In 2000 kwam Language Myths voor mij net op tijd. Het kleine beetje germanist dat toen nog in mij zat, was niet zozeer verbaasd door de taalmythes, maar wel door het feit dat ze nog steeds de ronde deden. Op de prille interwebs zorgden deze mythes er dan ook voor dat in tal van toenmalige Yahoo-groups taalkunde al snel verzandde in ergerlijke pseudotaalkunde.

In die periode begon ik, eveneens dankzij het internet, kennis te maken met enkele skeptische medemensen, die later mijn stepping stones werden naar skeptische organisaties. Vooral de Engelse taalkundige Mark Newbrook, die in de periode 1998-2006 artikelen schreef over pseudotaalkunde voor het Australische blad The Skeptic, speelde daarbij een hoofdrol. In 2013 schreef hij het boek Strange Linguistics. A skeptical linguist looks at non-mainstream ideas about language.

Zestien jaar later ben ik nog steeds kennis aan het maken, maar het verbaast me hoegenaamd niet meer dat diezelfde taal- en andere mythes nog altijd de kop opsteken.

De openingszin van Language Myths — en ook het afsluitend citaat — is er eentje om in te kaderen, ook door wetenschappers in andere disciplines. Dat de publieke opinie wel zal volgen eens een wetenschappelijke consensus onder specialisten bereikt is, is immers nog zo’n hardnekkige mythe.

The main reason for this book is that we believe that, on the whole, linguists have not been good about informing the general public about language.

Bauer, L. en Trudgill P. (red.), Language Myths. Londen, 1998.

Achter de schermen van ons denken

Dit artikel verscheen in het herstnummer 2016 van Wonder en is gheen Wonder.

* * *

Als een mens sterft, kan hij dan weer levend worden? Mocht Job het niet in boek 14 vers 14 aan God gevraagd hebben, maar in de vroege 20ste eeuw aan een spiritistisch medium, dan was het antwoord waarschijnlijk gematigd positief geweest. In die periode was het  spiritualisme en de idee dat de doden willen en kunnen communiceren met nabestaanden ongemeen populair.(1) Dat de overledenen er schijnbaar de voorkeur aan gaven om dat te doen via een te betalen tussenpersoon, heeft dan toch weer te maken met plat opportunisme, eerder dan met verheven gedachten.

De mediums professionaliseerden snel en om hun succes te garanderen bouwden
enkelen een geavanceerde trukendoos uit die vaak de vorm aannam van een donkere kamer met extra geheime luiken, elektronische en andere snufjes waarin de seances konden plaatsvinden. Gelukkig kregen ze tegengas van andere beroepsleugenaars. “Vanaf het moment dat het mediumschap een beroep werd, kregen de beoefenaars het aan de stok met goochelaars. Dit mag geen verrassing zijn, het is een al te natuurlijk duel”, aldus goochelaar en medium buster Joseph Dunninger, wiens boek Inside The Medium’s Cabinet uit 1935 aanschurkt tegen de beschrijving van een Dawkinsiaanse evolutionaire wapenwedloop.

Een van de meest tot de verbeelding sprekende goochelaars die zich heeft beziggehouden met het onderzoeken en debunken van mediums en spiritisten was Dunningers leermeester, de grote Harry Houdini. Maar over hem gaat het hier niet.(2) Wel over de Amerikaan David Abbott (1836-1934). Als amateurgoochelaar
ontwierp hij verschillende trucs die hij demonstreerde in zijn privétheater en doorverkocht aan professionele goochelaars. Eveneens in zijn vrije tijd schreef hij het nog steeds zeer leesbare Behind the scenes with the mediums (1907).

Zoals vele van zijn voorgangers en zijn navolgers ging Abbott incognito op bezoek bij tal van zelfverklaarde paranormaal begaafden om hun opvoeringen te bestuderen en te analyseren. In Behind the scenes with the mediums doet hij met verve hun trucs uit de doeken: van zogenaamde cold readings (suggestieve vraaggesprekken) en exploten met geschreven berichten in (dubbele) enveloppen van de rondzwervende mediums, tot spectaculaire seances met zwevende tafels, vliegende geesten en verborgen valluiken van de meer huiselijk ingestelde oplichters. Vaak bespreekt hij een alternatief, soms vermeldt hij met trots en plezier een verbetering. Met zijn technischer boek The spirit portrait mystery uit 1913 zou hij trouwens definitief een einde maken aan de carrière van de beruchte Bangs Sisters, die in de jaren van de sepiakleurige fotografie schatrijk werden met hun spectaculaire seances.

De waarde van Behind the scenes ligt niet zozeer in de uitleg van de achterhaalde
trucs, hoewel de basisprincipes interessant zijn en waarschijnlijk tijdloos. Het zijn vooral de alinea’s tussen de “mediumistische” exposities die boeien: de wereld van de Amerikaanse mediums van rond de eeuwwisseling, hun handlangers en hun slachtoffers. Met milde humor vertelt Abbott over de goedgelovige klanten, steevast gegoede burgers met grote besognes en nog grotere portemonnees. Interessant is dat
hij één van de bevriende mediums laat opmerken dat niet de gewone mensen de beste
klanten [zijn],

maar dokters, advocaten, zakenmannen, leraars, kortom, de intelligentere klasse van mensen. Hij zei dat wetenschappelijk denkende personen de beste zitters zijn, omdat zij ernstig zijn en de meeste aandacht schenken. En dat feit is zowat van het allergrootste belang voor het slagen van welke truc ook.

Hij is ook niet al te scherp voor de mediums, wiens drijfveer uiteraard geld is, steeds meer geld. Die beweegreden kon Abbott waarschijnlijk nog best pruimen ook; zelf was hij een professionele woekeraar. Trouwens, onder zijn afnemers van goocheltrucs waren verschillende praktiserende mediums.

Abbott beschrijft mooi een dubbele dynamiek die door de scene ging. Enerzijds werden door de jaren heen de sessies uitgebreider en spectaculairder. Anderzijds groeiden de verhalen over mediums door de mond-tot-mondreclame zo spectaculair dat de hoofdrolspelers zélf de feiten niet meer herkenden. Hij weet verder te melden dat de meeste mediums waar hij contacten mee onderhield, helemaal niet tuk waren op de immer groter wordende seances voor spiritistische clubjes van verveelde bourgeois, spektakel-journalisten en de occasionele medium buster die hen vaak gebruikten om zichzelf in de kijker te plaatsen. Ze vroegen te veel voorbereidend werk en dus een grote investering. Bovendien was de controle tijdens de seance vaak al te streng. Liever deden de meeste mediums privésessies met individuele klanten omdat zij zonder kritische of veeleisende bijzitters makkelijker te manipuleren waren. Het valt trouwens op dat de meeste mediums die in het boek ter sprake komen, geloofden in de eigen capaciteiten van het cold reading en dus in de goedgelovigheid van hun klanten, en vervolgens in die van de leveranciers van nieuwe trucs.

Maar ook over de wereld van de Abbotts en de Houdini’s en van de groots opgezette seances tjokvol spectaculaire trucs viel uiteindelijk het doek. De klopgeesten werden terug in de kast gezet en de ectoplasma’s gladgestreken. De mediums, die bleven, immer op zoek naar rouwenden die snakten naar duurbetaalde woordjes van een dierbare uit het Jenseits. Het onderzoek naar de strapatsen van mediums en andere paranormaal begaafden werd in de volgende decennia professioneler, maar in eerste instantie zeker niet wetenschappelijker, als ik Rob Nanninga’s boek Parariteiten. Een kritische blijk op het paranormale erop nasla.

Meer nog, het is schrijnend dat de kemels en problemen die Abbott en andere goochelende mediumjagers steeds opnieuw meldden, ruim een halve eeuw later dunnetjes werden overgedaan door de moderne onderzoekers. Zo lieten onderzoekers zich net als de klanten uit Abbotts verhaal inpakken door het uiterlijk van de vermeend paranormale, of het nu om een meelijwekkend halfblind, kreupel medium uit de belle époque ging of een charmante Israëli met kromme lepels uit de jaren 1970. In beide omstandigheden weigerden zij de zogenaamd paranormalen te beschouwen als potentiële bedriegers. Andere academici waagden zich aan een onderzoek maar wisten niet hoe of zelfs maar wat te observeren en gaven zo het goochelende testsubject de vrije hand. Vaak ontbrak hen het besef dat ze daarvoor helemaal niet opgeleid waren, een schoolvoorbeeld van het Kruger-Dunningeffect.

Zelfoverschatting was een ander euvel. Beroemd is het verhaal van James Randi’s Project Alpha, waarbij hij enerzijds twee jonge goochelaars en anderzijds een waslijst aan caveats naar een nietsvermoedende psi-onderzoeker stuurde. De zelfzekere academicus negeerde Randi’s waarschuwingen en liet zich wekenlang bedotten door de twee jonge snaken.

De idee dat hoogopgeleiden tot de groep van betere slachtoffers behoren, wordt ook aangehaald in W.L. Greshams biografie van Houdini uit 1959.(3) De auteur doet er nog een schepje cognitieve dissonantie bovenop, al dan niet geïnspireerd door het onderzoek van ene Leon Festinger(4) uit diezelfde periode. Bijna dezelfde verhaallijn vinden we meermaals terug bij Nanninga. Houdini beleefde er het grootste plezier aan, wanneer de een of andere hoge mijnheer met een serie titels achter zijn naam met zijn petje niet bij de wonderen van de ontsnappingskoning kon en tenslotte de uitleg ervan maar zocht in bovennatuurlijke krachten.

Waarschijnlijk is het schier onvermijdelijk dat mensen dezelfde fouten maken als onze voorgangers. En persoonlijk vind ik dat niet erg. Mijn foutgerichte aandacht en onnozele post-hocrationalisaties stellen mij telkens weer in staat om te genieten van de kunsten van een Gili en eenTayson Peeters, twee mentalisten die ik graag een illusie op mijn mouw laat spelden.

* * *

  1. Spiritualisme gebruik ik hier als een overkoepelende term voor tal van aanverwante levensbeschouwingen. Strikt genomen is spiritisme een van de vele bewegingen binnen het spiritualisme. Ik ga het hier niet te scherp slijpen en gebruik de termen op een lossere manier. Hoe dan ook, het artikel “THREE FORMS OF THOUGHT; M.M. Mangassarian Addresses the Society for Ethical Culture at Carnegie Music Hall” uit de New York Times van 29 november 1897 vermeldt dat het toen zo’n acht miljoen volgelingen zou hebben in de Verenigde Staten en Europa. Raadpleegbaar via http://query.nytimes.com/ mem/archive-free/pdf?res=9B05E0DF1638E433A2575AC2A9679D94669ED7CF.
  2. Pieter Peyskens, “Houdini, goochelaar onder de geesten. Over het leven en skepticisme van Harry Houdini.” Wonder en is gheen wonder, nr. 4, 2009. Raadpleegbaar via http://skepp.be/nl/levensbeschouwing-evolutie/skeptisch-kritischdenken/houdini-goochelaar-onder-de-geesten
  3. W.L. Gresham, Houdini, de man die door muren liep. Amsterdam, Elsevier, 1964. Het originele werk verscheen in 1959. Heel leuk en niet volledig naast de kwestie: in een van de eindnoten wordt de lof bezongen van een nieuw talent, namelijk de Wonderlijke James Randi, die later o.a. de pseudoparanormale kwast Uri Geller het leven zuur zou maken.
  4. Leon Festinger, A Theory of Cognitive Dissonance. Stanford, Stanford University Press, 1985.

I <3 spirituele beurzen (Earth & Beyond IV)

Dit artikel verscheen in Wonder en is gheen wonder (herfst 2017) en is een herwerking van enkele blogartikels die hier eerder verschenen.

* * *

Ik hartje spirituele beurzen. Je moet er kritisch nadenken en je kan er heel wat mensen ontmoeten, meer dan tijdens een skeptisch congres. En het is uiteraard een primaire bron van informatie voor een skepticus. Hoewel ik hen misschien iets te graag bekritiseer, ben ik nog niet zo goed thuis in de wereld van de kleinhandelaars in het esoterische en het paranormale. Anderzijds wil ik op de hoogte blijven van nieuwe alternatief-spiritueel-medische hulpmiddelen en van plotwendingen in het steeds uitdijende parallelle universum der samenzweringstheorieën, die onlosmakelijk met de esoterisch-paranormale belevingswereld verbonden lijken te zijn.

Het leek mij dan ook een goed idee om op zaterdag 17 juni heel vroeg de trein te nemen richting Houten, bij Utrecht, waar de spirituele beurs Earth & Beyond IV zou plaatsvinden. Het evenement gaat over “bewustzijn, buitenaards contact, wetenschap en spiritualiteit, transformatie, archeologische (on) waarheden, financiële zaken, dimensies en (inter)dimensioneel contact, ufo’s, het universum en over gezondheid en genezing. Aardse en hemelse zaken dus!”, aldus de website. De agenda van de beurs belooft tal van lezingen, seminars en standen waar het kruim van de Nederlandse alternatieve scène het beste van zichzelf zou geven.(1) Mijn agenda vermeldt daarnaast ook nog een ontmoeting met enkele zeer fijne heerschappen van de Nederlandse Stichting Skepsis.

Een drietal stationskoffies verder vraag ik me geeuwend af waarom zulke groots opgezette paranormale beurzen wel in Nederland gehouden worden en niet in Vlaanderen. De laatste jaren wordt ons landje overspoeld door kleinere beurzen voor liefhebbers van het paranormale en esoterische, steevast georganiseerd door het Vlaamse bedrijf Para-Astro. En hoe universeel en kosmisch de claims van sommige aanwezige mediums en standhouders ook zijn, deze beurzen blinken vooral uit in kleinschaligheid én benepenheid.

Van stargates tot spirituele happy endings

Mijn trein- en busrit eindigen nabij een weinig inspirerend congresgebouw in een grijze kmo-zone. Eenmaal de typische cafetariageuren voorbij, zijn het reukkaarsen en wierrookstokjes die mijn sinussen prikkelen. De eerste beursruimte staat tjokvol tafels en banners en overal liggen luxueuze folders in vierkleurendruk. Het publiek is ondanks het vroege uur vrij talrijk aanwezig en er heerst een gezellige drukte. Harpmuziek vult de zaal.

Onder de koopwaar zie ik zeer mooie kristallen, veel boeken en hier een daar een tafel waar druk op gereiki’d wordt. Ik merk ook een koperen constructie op. Het blijkt te gaan om een Stargate, “één van de meest geavanceerde technieken in deze tijd om een snelle en grote groei in het bewustzijn van de mensheid te bewerkstelligen”. Verder ook heel veel informatie over cursussen die zich vooral ergens beyond lijken te situeren, eerder dan op earth. De tweede, kleinere ruimte fungeert dan weer als paranormale peeskamer waarin klanten worden gelezen met pendel, tarotkaarten of stralende elektronica en naar een spirituele happy ending worden gevoerd.

De drijvende kracht achter Earth & Beyond is Frans Heslinga. Op enkele jaren tijd is hij erin geslaagd om zijn paranormale beurs uit te bouwen tot Nederlands grootste, met een zestigtal standhouders in de lobby’s en tientallen lezingen en workshops in vijf conferentiezalen. Heslinga heb ik vorig jaar uitgebreid geportretteerd naar aanleiding van de European Flat Earth Conference.(2) Ook deze keer haalde hij in zijn openingstoespraak aan dat alles wat ons is aangeleerd, fout en vals blijkt te zijn. De Nieuwe Wereldorde, geholpen door grootbankiers, reductionistische wetenschappers, schimmige vrijmetselaars en de onvermijdbare joden, heeft er baat bij ons te misleiden. Vandaar zijn oproep, nog maar eens, om vooral zelf op onderzoek uit te gaan en spiritueel te evolueren van lichtwerkers naar energiewezens.

“Dat zijn de feiten, als we ze even aannemen en zo”

De eerste lezing die ik bezoek, wordt verzorgd door Gerard Aartsen (1957). Hij stelt zichzelf voor als een onderzoeker en docent uit Amsterdam die al zijn hele leven de leringen van de Oude Wijsheid bestudeert. Met zijn sessie “Buitenaardsen. Wat doen ze hier?” wil Aartsen zijn toehoorders inzage bieden in hoe hij informatie over ufo’s en aliens kritisch benadert. Voor Aartsen zijn twee zaken echter niet bediscussieerbaar: (1) er zijn positieve contacten met buitenaardsen en (2) machtige organisaties proberen de aliens en hun bedoelingen in een kwaad daglicht te stellen. Meteen al een serieuze domper op die beloofde kritische houding.

Aartsen beschouwt de informatie over contacten met ufo’s en buitenaardsen uit de vroege jaren 1950 als de meest authentieke. Auteurs als Desmond Leslie en George Adamski worden door hem op handen gedragen omdat ze puur zijn nog niet bezoedeld door de sensatiepers of door de negatieve invloeden vanwege de regeringen die de ufo-verhalen proberen te verbergen of te manipuleren.(3,4) Tijdgenoten beschouwden Leslie en Adamski dan weer als bedriegers.(5) In hun boeken tekenden zij verhalen op van buitenaardsen die zich zorgen beginnen te maken over het menselijk gedrag op aarde. Niet alleen het gebruik van kernenergie en atoomwapens, maar ook de wereldwijde vervuiling, het menselijke egoïsme en de staatsinrichtingen gebaseerd op hebzucht houden de gemiddelde E.T. uit zijn kosmische slaap. “Dat zijn de feiten, als we ze even aannemen en zo”, aldus Aartsen.

“Bemint elkander”

Net als zijn grote voorbeelden uit de jaren 1950 lardeert Aartsen zijn discours met referenties naar (theosofische) “wijsheidsleringen” van onder andere H.P. Blavatsky en Alice Bailey. Hij vermeldt ook nog “rationele wetenschappers” à la Semyon Kirlian en Rupert Sheldrake. De eerste is gekend omwille van zijn pseudowetenschappelijke aurafotografie en Sheldrake is de annalen van de wetenschap uit- en die van de pseudowetenschap ingegaan als bedenker van morfogenetische velden.

Aartsen loopt onmiskenbaar over van de goede bedoelingen, maar helaas levert zijn lezing weinig meer op dan de kinderlijk naïeve boodschap op het einde van De Snorrende Snor, een album in de reeks Suske en Wiske, waarin een ufo en geheimzinnige robots de hoofdrol spelen: “Bemint elkander”. Zijn uitleg blijft steken bij een goedmenende E.T. en bij de dogmatische trekjes van een stel theosofen met vermeende kennis van het “fijnstoffige”. Hij beschrijft niet meer dan een vlucht in het etherische, ver weg van de dagdagelijkse politieke werkelijkheid met zijn scherpe randjes en pragmatische compromissen. En zijn hoop dat een spirituele evolutie de mensheid zou kunnen veranderen, lijkt mij louter een vorm van dilettantisch escapisme.

De vierde en vijfde dimensie

De tweede op het lijstje is medium Jaco Elken. Hij introduceert zichzelf als de oprichter van De Spirituele & Intuïtieve Academie en vertelt dat hij zich gespecialiseerd heeft in Paramedisch en Psychosociaal Mediumschap®. “Een hele mondvol”, zegt hij. “Ik heb het zelf verzonnen.” Zelf-relativerende humor, het is zeldzaam op een spirituele beurs.

Maak u evenwel geen illusies, veel ruimte voor optimisme is er niet. Al snel wordt duidelijk dat ook hier het komende uur de gebruikelijke paranormale en esoterische woordenbrij zal geserveerd worden. Maar het dient gezegd, Elken brengt het met een enthousiasmerende schwung.

Dankzij het mediumschap maakte hij kennis met een vierde en een vijfde dimensie, namelijk tijd en ruimte, en in die nieuwe dimensies ving hij raad, hulp en adviezen op van allerlei gidsen. Doorheen de lezing zal min of meer duidelijk worden dat de eerste drie dimensies (3D) voor hem gelijkstaan aan het gewone, materialistische, niet-spirituele leven van de doorsnee sheeple en non-believer.

We leven in een waanzinnige tijd waarin mensen steeds zieker worden, zeker in vergelijking met 100 jaar geleden, weet Elken. Dat mensen nu langer leven dan 100 jaar geleden, is een detail dat niet in het plaatje past en dat hij dus vrolijk negeert. Wat hij niet negeert is het lichaam, de geest en de ziel. De verbindingen daartussen zijn gebroken en we moeten ons deze drie-eenheid dringend weer eigen maken, opnieuw helen. Ons lichaam geeft signalen, maar we vangen ze niet altijd op. Verder bevat het aura of de geest restanten van een vorig leven en soms is het nuttig om ook die te raadplegen. Maar daarvoor is gespecialiseerde hulp nodig. Enter medium Jaco.

“Slijm is snot en snot is gestolde emotie”

De trilling is hoger dan vroeger, zodat er meer energieën vrijkomen. Over welke trilling of energie het precies gaat, is mij – als paranormale leek – niet meteen duidelijk. Maar energie betekent warmte, liefde, straling. Jaco Elken ziet het als zijn taak om die energieën aan te wenden om mensen te helpen genezen. Hij wil iedereen leren om de innerlijke zintuigen aan te wenden en zo ‘in-zicht’ te krijgen in de intuïties en in zowaar alle ziektes. Jawel, allemaal. Naast de energetische medische basiskennis van het lichaam is er ook zoiets als de psychosociale betekenis van de organen, gewrichten, klieren en andere lichaamsdelen, zo lees ik dan weer op de website. Elken voert een “[d]irecte communicatie met de ziel, het Hoger Zelf, het lichaamsbewustzijn en met ziektes en organen”, gebruikt “symbolistische taal […] van de betreffende ziektebeelden” en zet dat om in “bruikbare en begrijpbare taal”.

Elken vervolgt zijn sessie en put daarbij uit jarenlange ervaring. Astma, weet hij, is het gevolg van opgroeien in een te klein huis. De longen staan voor ruimte en die hebben dus danig geleden onder het plaatsgebrek. Een slijmbeursontsteking is, zoals de naam het al aangeeft, een probleem met slijm. Nu, slijm is snot en snot is gestolde emotie, en dus moeten de emotionele problemen eerst aangepakt worden. Problemen met de gal? Dan moet de patiënt gewoon zijn gal spuwen. Last van de schouders betekent, wel, u raadt het al – samen met de kirrende aanwezigen in de zaal die of zijn woordspelletjes doorhebben of enkele duurbetaalde lessen op zijn school hebben gevolgd – dat de patiënt een te grote last op zijn schouders draagt. Dit is dus het resultaat van “symbolistische taal” omzetten in “bruikbare en begrijpbare taal”. De germanist in mij wordt hier heel stil van.

De lijst van aandoeningen die hij claimt te kunnen genezen of bezweren, doet waarschijnlijk menig dokter met negen plus jaren opleiding achter de rug gillen: De diepere paramedische en psychosociale betekenis (te geven) van ziektebeelden, als: gewrichtspijnen, artritis en reuma. Astma en bronchitis. Gewrichtspijnen en de zin en onzin van chronische ziektebeelden. Hart, long, lever, gal en milt verstoringen [sic]. Kankers en tumoren. Huidziekten en andere allergieën. Hoofdpijnen en migraine. Ontstekingen, spierziekten, stress gerelateerde problematieken. Depressies en vermoeidheid. Stemmingswisselingen, borderline en schizofrenie. etcetra [sic].(6)

De ratelende Elken geeft een pracht van een show weg: hij is grappig en rad van tong. Ik kan hier niet weergeven hoe hij zijn publiek charmeert, hoe hij in cirkels rond het onderwerp lijkt te draaien, grollend en grappend, om dan op het juiste moment met ‘ernstige’ uitspraken tot de kern van de zaak te komen. Tot zover de verpakking. Wat de inhoud betreft: die stinkt. Zijn boodschap is – zoals die van de meeste kwakzalvers – rot, hufterig en antisociaal. Het is onbegrijpelijk dat zulk een woordenpatser zijn alternatief-medische praktijken kan uitvoeren én dat hij ze mag aanleren in een eigen school, met steun van de Nederlandse belastingbetaler. In het kaderstuk “Het paard zegt sorry” beschrijf ik enkele korte sessies waarin hij mensen met klachten en aandoeningen benaderde als medium.

Tussen deze sessies door, strooit Elken de obligate alt-med canards rond als waren het snoepjes: we worden vergiftigd door metalen in deodoranten, shampoos en vaccinaties, we krijgen huidkanker door zonnecrèmes, die dan weer gemaakt zijn door de kankerindustrie. De grens tussen alt-med en complotdenken is ook hier héél dun.

“Het gaat over mijn waarheid”

Over de lezing van Han Peeters (1959) kunnen we kort zijn. Peeters zegt dat hij geen literatuur schrijft, maar faction, fictie gebaseerd op speculaties gebaseerd op feiten. Tijdens Earth & Beyond presenteerde hij zijn dertiende boek in acht jaar tijd: Planet X. De boekvoorstelling begon met het eerste hoofdstuk van zijn audioversie en meteen verliet een kwart van het publiek de zaal. Neen, Han Peeters schrijft geen literatuur. Het eerste hoofdstuk is een aaneenrijging van houterige dialogen en pedante uitweidingen die evenveel literaire humpf hebben als een doorsnee tekst van de Druivelaar.

De man doet een amechtige poging om sprookjesverhalen à la Zecharia Sitchin over een destructieve Planeet X te verbinden met zowat elke complottheorie die we de laatste 10 jaar gehoord hebben. En dat stelt hem dan weer in staat om van apocalypspornografie over te schakelen naar saaie complotfantasieën.

Wél vermeldenswaardig was zijn uitleg over de ontsnapping van Marc Dutroux in 1998 en zijn vlucht naar een domein beheerd door chemiereus Solvay, die, geheel tussen haakjes, gigantische hoeveelheden zoutzuur produceren, “wat heel handig is als je vijanden wil laten verdwijnen”. Tot zover Han Peeters en zijn geheel overbodige waarheid.

“Wat daarboven gebeurt, weerspiegelt wat er in mijn hoofd gebeurt”

“Men wil tekorten creëren.” “Monsanto heeft zaden ontwikkeld voor aluminiumrijke grond.” “Ze trekken onze energie naar beneden.” Aan het woord zijn Miranda Slob en Kees van de Water van ilovechemtrails.org, reïncarnatietherapeut Cor van der Horst, maker van chembusters Monique Calis en Gijs Verbeek van wearechange.nl. We zitten in een conferentiezaal en kunnen aan dit panel van experten alle vragen en opmerkingen kwijt over chemtrails, de witte sporen achter een vliegtuig die volgens heel wat complotdenkers vol zitten met giftige metalen zoals barium, aluminium en cadmium. Ook organisch materiaal, vooral ziekteverwekkers, of actieve nanopartikels zouden ermee uitgestrooid worden over nietsvermoedende burgers.

De gevolgen van de chemtrails zijn volgens hen niet min: vergiftiging, dementie, alzheimer, sinusinfecties, verschillende kankers, metaalsmaak in de mond, brandende longen, brainfog, ph-verandering en morgellons. Dat laatste is een ingebeelde huidaandoening waarbij men ervan overtuigd is dat er zich (parasitaire) vezels nestelen in wonden. Het is verder ook niet toevallig dat de chemtrails op ons worden losgelaten bij zonsopgang en zonsondergang. Dat zijn namelijk de beste momenten om aan sun-gazing te doen, aldus Gijs Verbeek, die er duidelijk zin in heeft. In de spiritueel-alternatieve folklore is staren naar de zon heilzaam.

Van Gijs, ex-leraar biologie die momenteel onderwijzers opleidt aan een hogeschool, leer ik verder dat het sproeien ook gebeurt via additieven in de brandstof van gewone, civiele lijnvliegtuigen. En omdat luchtvaartmaatschappijen betaald worden om met zo’n gepimpte brandstof te vliegen, kunnen ze de prijzen voor hun klanten laag houden. Het begrip ‘moordende concurrentie’ krijgt zo plots een heel andere betekenis. Wat ik niet leer van hem is hoe hij weet dat ook ufo’s ingezet worden.

“De vijand is zo machtig en de middelen zo perfide, dat we ervoor gekozen hebben om dit alles met liefde te benaderen, de situatie met liefde te aanvaarden én met liefde te overwinnen.” Aan het woord zijn Miranda Slob en Kees van de Water van ilovechemtrails.org. Maar totdat het zover is, legt Kees strijdlustig uit dat HAARP mee in de cabal zit en dat de actieve nanobots in combinatie met de nog te implementeren 5G en het Internet of Things voor een volledige mindcontrol zullen zorgen. “Wat daarboven gebeurt”, zegt Kees van de Water gewichtig, “weerspiegelt wat er in mijn hoofd gebeurt.” Wie ben ik om dat tegen te spreken? Hun informatie is trouwens gebaseerd op het denkwerk van Peter Vereecke, Vlaanderens meest vooraanstaande complotdenker.

De farmaceutische industrie en het even machtige Monsanto scheppen bak-ken poen met de aanmaak en verspreiding van chemtrails, maar gelukkig kunnen wij ons ertegen beschermen met chembusters, aldus Monique Calis, ontwerpster en verkoopster van chembusters. Prompt tovert ze twee verschillende modellen tevoorschijn, eentje in zakformaat en een tafelmodel. Het kleintje is handig en “je kan hem altijd meenemen. Ik heb ‘em altijd bij me”. Met haar werktuigen gaat ze in het verweer tegen chemtrails. Soms met succes, soms zonder. Hoe het werkt, begrijpt ze niet helemaal, maar ze is wel een fan van Tesla en het heeft iets te maken met vrije energie. De vakterm ‘energietikkeling’ moet maar volstaan.

Ondertussen begint er ook damp uit mijn oren te komen. Gelukkig heb ik dan al de mensen van Stichting Skepsis gevonden. Zonder hen zou ik het congresgebouw verlaten hebben. Hun relativerende humor en hun geduld geven me terug zin om langer te blijven rondhangen en nog een lezing of wat te ondergaan. Ik vond het bewonderenswaardig hoe zij hun cool wél konden bewaren en af en toe leukweg aan de discussies deelnamen. Via hen verneem ik tal van details die ik als Belg ver van huis nooit zou kunnen achterhalen. Hun sappige verslagen van overlappende lezingen doen mij vermoeden dat ik behalve heel wat halfbakken spirituele en paranormale nonsens, niets belangrijks gemist heb.

De Blije B en de Lijpe J

Op naar het volgende dus, iets over geld en de haaien van de bankwereld. “We moeten een beweging vormen. We moeten elkaar weer durven te omarmen”, zegt de wervende stem in het reclamefilmpje. Ronald Bernard mocht tijdens de beurs zijn Blije B voorstellen, “een burgerinitiatief van professionals, die een duurzame coöperatieve fair-trade pro-life volreserve spaar- en investeringsbank oprichten”, en ik spiek hier even op de website. Het is een burgerbeweging, een bank “in oprichting”: Door mee te doen, realiseren wij een rechtvaardige samenleving gebaseerd op welvaart. Voor ons, voor onze kinderen en de toekomst van de aarde. Wij zijn zelf de verandering. Doe jij mee?

Voor u meedoet met deze beweging, toch nog even dit. Tijdens zijn lezing projecteerde Ronald B Blij, zoals hij zich voorstelt op Facebook, een dia waarin hij de precaire situatie in de (bank) wereld verklaart met een overduidelijke verwijzing naar De Protocollen van de Wijzen van Sion. Het zou ondertussen toch algemeen geweten mogen zijn dat dit een verachtelijk werkje is dat uit de koker komt van een bende Jodenhaters die het gebruikten om hun antisemitische ideeën te verantwoorden. Reeds in 1921 werd afdoende aangetoond dat dit schrijfsel, naast plagiaat, ook nog eens een verzinsel was, en nee, geen verslag van een samenkomst waarbij enkele Joodse Ouderen een nieuwe wereldorde bedisselden. Grootindustrieel en notoire antisemiet Henri Ford liet het boekje vertalen en verspreidde zo’n half miljoen kopieën van het gedrocht. In nazi-Duitsland werd het eveneens gebruikt als propagandamiddel vanaf 1933. Voor Adolf Hitler, die het al besprak in Mein Kampf, waren de Protocollen een deel van de rechtvaardiging voor de Jodenvervolging.

Dat het topos van de lijpe Joodse bankier in de Facebookgroep van de Blije B af en toe opgerakeld wordt, daar kan de Blije B strikt genomen niet veel aan doen. En ja, ik ben héél mild: uiteraard kan de paginabeheerder dat soort racistische idioterieën van de wall verwijderen. Maar dat de oprichter zélf nog wat antisemitische kolen op het vuur gooit tijdens een lezing op een spirituele beurs, maakt dat de Blije B een ranzig kantje krijgt. Een beweging vormen? Door ons en voor ons? Met deze antisemitische prietpraat als reden waarom het zo slecht gaat in de (bank)wereld? Of gaan we voor het Blije Bełżec? Ik ben trouwens benieuwd wat het kernbestuur en de Raad van Aanbeveling van de Blije B vinden van dit soort antisemitisch geraaskal.

En hier eindigde voor mij de vierde Earth & Beyond, het grootste bewustzijnsevenement boven de Grote Rivieren. Ik vraag aan de Nederlandse skeptici hoe het zou komen dat zulke groots opgezette beurzen in Nederland gehouden worden en niet in Vlaanderen. We verzinnen een paar ad-hocantwoorden, maar terug thuis lees ik dat het al bij al een kwestie van seizoenen blijkt te zijn. In september organiseert het Vlaamse Para-Astro namelijk een groots evenement in hartje Kempen. Mijn ticket is al besteld.

Met heel veel dank aan Jan, Rob, Ron en Maarten van de Stichting Skepsis. En aan Mathijs, misschien geen Skepsis-lid in hart en nieren, maar zeker wel in de lachspieren. Bedankt voor de leuke dag!

 

(1) Elders op mijn blog heb ik de verschillende lezingen in groter detail beschreven.

(2) Zie “Plat of hol? Een scepticus bezoekt een internationale platte-aardeconferentie” in Wonder en is gheen Wonder, herfstnummer 2016.

(3) Hun boek Flying Saucers Have Landed (1953) kan gedownload worden via http://www.universepeople.com/english/svetelna_knihovna/en_flying_saucers_have_landed.htm.

(4) In vorige Wonder en is gheen Wonder, zomernummer 2017, verscheen het artikel “Bizarre buitenaardse bezoekers Geschiedenis van de buitenaardse ufohypothese” van Tim Trachet waarin de aanname van Aartsen meteen neergehaald wordt.

(5) Stefan Ketelaar schreef het vermakelijke artikel “Gezant van Venus. Koninklijke ontvangt voor een fantast”, een verslag van Adamski’s bezoek aan koningin Juliana in 1959. In Skepter 17.3 (2003), elektronisch raadpleegbaar via https://skepsis.nl/adamski/.

(6) Paramedisch & Psychosociaal Mediumschap, http://www.despiritueleacademie.nl/index.php/2013-11-09-11-36-24/paramedisch-psychosociaalmediumschap.html. Geraadpleegd op 9 juli 2017.