Duitse Humanistische Partij: “Ngo’s zaaien angst”

Deze vertaling verscheen in het winternummer van Wonder en is gheen Wonder (2017), het ledenblad van SKEPP. De extra tekst is geschreven door Bart Coenen, hoofdredacteur van Backcover.be en mede-auteur van het boek Ecomodernise. Het nieuwe denken over groen en groei.

* * *

De heisa rond de beoordeling van de gevaren van het herbicide glyfosaat houdt burgers, politici en verschillende belangengroepen al jaren in de ban. “In deze controverse gaat het niet alleen om de effecten op mens, dier en milieu, maar zeker ook over de invloed van de industrie op de politiek”, schrijven Hans Ajiet Holkamp en zijn collega’s in een Positionspapier van de Duitse Partei der Humanisten.

Dat glyfosaat een relatief ongevaarlijk middel is, wordt ondertussen wetenschappelijk algemeen aanvaard. Er is voldoende aangetoond dat glyfosaat in vergelijking met andere onkruidverdelgers – ook degene die in de biolandbouw gebruikt worden – minder doorweegt op het milieu en de gezondheid én dat het veel effectiever is. Daardoor stijgt de productiviteit en de opbrengst van de landbouw. Als de wereldbevolking zoals verwacht aangroeit, dan zal ook de behoefte aan voedsel en dus de landbouwproductie stijgen. Een verhoging van de oogst gecombineerd met een minimalisering van de expansie van landbouwgronden heeft een positieve invloed op de biodiversiteit en de klimaatbescherming.

Vanuit wetenschappelijk oogpunt is het niet zinvol om glyfosaat te verbieden want dan moeten landbouwers naar middelen grijpen die schadelijker zijn voor mens en milieu, minder effectief zijn en de biodiversiteit sterker aantasten.

Dit hele debat gaat dus niet uitsluitend over de wetenschappelijke beoordeling van het middel, maar ook over de geloofwaardigheid en de onafhankelijkheid van de wetenschappers. Populisme of irrationele angst zou nochtans niemand mogen verleiden om wetenschappelijke bevindingen in de politieke besluitvorming te negeren. Voor ons vormen feiten, wetenschappelijke bevindingen en expertise de basis waarop wij onze politieke eisen ontwikkelen.

Glyfosaat is een herbicide dat inwerkt op de bebladering. Het wordt door alle groene delen van een plant geabsorbeerd en komt daarna terecht in de wortels. Daar blokkeert glyfosaat het enzym EPSPS, dat nodig is voor de groei van de plant. Het blokkeren van dit enzym onderbreekt de stofwisseling en veroorzaakt op die manier het afsterven van niet-resistente planten.

Effecten op planten en dieren

Deze specifieke stofwisseling (synthese en aanmaak van aminozuren door het enzym EPSPS) vindt alleen plaats in planten, schimmels en bacteriën. Het heeft geen betrekking op mensen, dieren of insecten. Glyfosaat onderscheidt zich door deze werkwijze van zo goed als alle andere onkruidverdelgers, die op dit gebied een aantoonbaar hogere toxiciteit vertonen.

Medische effecten

Glyfosaat wordt door de wetenschap overwegend geklasseerd als niet-kankerverwekkend en niet-genotoxisch. Tot deze evaluatie komt niet alleen het Bondsinstituut voor Risicoanalyse (BfR, als onafhankelijke, wetenschappelijke en partij-onafhankelijke instantie in 2002 door de rood-groene regering opgericht, meer bepaald op last van de Groene minister Renate Künast). Ook de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO), de Joint Meeting for Pesticide Residues (JMPR) en de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) zijn het na een evaluatie van de wetenschappelijke literatuur erover eens dat glyfosaat niet kankerverwekkend is.

Enkel het International Agency for Research on Cancer (IARC) klasseert glyfosaat als “waarschijnlijk kankerverwekkend”. Voor deze indeling hanteerde de organisatie een andere, naar onze mening onduidelijke schaal die een theoretisch eerder dan een reëel kankerrisico aangeeft. Volgens deze schaal betekent categorie 1 “kankerverwekkend”, categorie 2A “waarschijnlijk kankerverwekkend”, categorie 2B “mogelijk kankerverwekkend”, categorie 3 “niet in te delen” en categorie 4 “niet kankerverwekkend”.

Hieronder werden substanties samengebracht die in bepaalde gevallen kanker zouden kunnen veroorzaken, maar zonder dat de omstandigheden of de condities nader bepaald worden. Producten waaraan verschillende kankerrisico’s verbonden worden, kunnen daardoor in dezelfde categorie terecht komen. Tot groep 1 behoren onder andere bewerkt vlees, tabaksrook, asbest, uv-straling en alcoholische dranken. Glyfosaat wordt door het IARC in categorie 2A ondergebracht, samen met rood vlees, anabole steroïden en rook van een open haard. Deze inde ling is problematisch, omdat zij tot grote onzekerheid bij de consumenten leidt en geen wetenschappelijke informatie geeft omtrent werkelijke kankerrisico’s.

Gevolgen voor de bodem en het water

Na de behandeling met glyfosaat worden restanten door micro-organismen in het grondwater en de bodem afgebroken. In het grondwater is glyfosaat slechts in de kleinste hoeveelheden aantoonbaar, en zeker in vergelijking met andere bestrijdingsmiddelen tegen planten sneller in de bodem gebonden. Glyfosaat wordt in waterlopen binnen de maand afgebroken, net zoals in de akkerbodem. In bosgebieden gebeurt dat binnen het kwartaal.

Tijdens de behandeling met glyfosaat moet de akkerbodem minder geploegd worden. Dit zorgt voor minder bodemerosie, vermindert de CO2-uitstoot en verbetert de waterhuishouding. Het gaat ook een verlies van organisch materiaal en een verlies aan biodiversiteit tegen. Het drogen van geoogste granen wordt overbodig, waardoor het aantal werkuren sterk vermindert en minder machines nodig zijn. Door de verhoogde productiviteit kunnen landen onafhankelijker worden van import.

Verdamping van glyfosaat is door de geringe vluchtigheid te verwaarlozen. Ook de drift is zeer gering; uiteraard hangt dit af van het sproeigereedschap. Ondanks de in vergelijking geringere drift, moet er voor gezorgd worden dat het product precies wordt verspreid door middel van moderne sproeitechnieken. Dit om nabije velden te vrijwaren en het risico van schade aan niet-doelplanten te minimaliseren.

Effecten op de uitstoot van broeikasgassen

Hoe minder de bodem moet geploegd worden, hoe minder CO2 uit deze bodem vrijkomt. Bovendien kan de uitstoot van broeikasgassen aanzienlijk verminderen door de omzetting van gras- naar akkerland te elimineren en door het brandstofverbruik van het machinepark te verminderen. Bovendien leidt een verhoging van de opbrengst tot een vermindering van de kosten. Verder kan men er ook voor zorgen dat de bodem minder mechanisch bewerkt moet worden. Dat heeft dan weer als gevolg dat er minder brandstof, maar dus ook minder machines en minder arbeidskrachten moeten ingezet worden.

Productie en gebruik

In 2000 verliep het patent voor glyfosaat. Ondertussen zijn er meer dan 90 bedrijven die glyfosaat produceren, waarvan meer dan 50 in China, enkele in India en in de VSA. Wereldwijd wordt er meer dan 850.000 ton glyfosaat aangemaakt, waarvan meer dan 40% in China. In Duitsland wordt ongeveer 6000 ton op 40% van de landbouwgronden ingezet.

Natuurlijk moeten belangenconflicten onderzocht worden. Maar deze moeten niet alleen in onderzoeksinstituten, in de industrie of in ondernemingen gezocht worden, maar in de hele biobranche, onder anti-ggo-activisten en bij ngo’s. Wangedrag op grond van belangenconflicten kon aangewezen worden bij tegenstanders van het gebruik van genetische modificatie en glyfosaat. Zo waren er bij de studie van het IARC anti-ggoactivisten betrokken. Bij de heer Portier, een externe consulent voor het IARC die betrokken was bij de studie die glyfosaat categoriseerde als “waarschijnlijk kanker verwekkend”, werden overtuigende bewijzen gevonden van belangenverstrengeling. Het is bovendien nog maar de vraag of hij de nodige wetenschappelijke competenties had die nodig waren voor de opdracht. De studie van Gilles-Éric Séralini over het verband tussen glyfosaat en tumoren bij ratten die in 2012 openbaar werd gemaakt, werd teruggetrokken wegens methodologische gebreken.

Conclusie

Glyfosaat heeft een lagere toxiciteit voor mensen, insecten en andere dieren dan verschillende andere herbiciden. Het is zeer effectief, wordt sneller en gemakkelijker biologisch afgebroken dan traditionele onkruidverdelgers en beschermt de biodiversiteit omdat het slechts bij planten werkt, omdat de bodem niet omgeploegd moet worden en omdat theoretisch minder gebieden voor de landbouw moeten ingezet worden. Met glyfosaat kunnen velden het ganse jaar groenbemest worden zonder te ploegen en zonder dat het onkruid de overhand neemt. Daarom is het al bij al onverantwoord om een verbod tegen glyfosaat te eisen. Wij keuren politieke willekeur af. We mogen vooral niet toestaan dat wetenschappelijke gegevens en feiten genegeerd worden en vervangen worden door paniekzaaierij. Wetten kunnen we veranderen, natuurwetten niet.

De auteurs zijn actief in de Duitse Partei der Humanisten. Je vindt de originele tekst van dit standpunt op https://parteiderhumanisten.de.

* * *

Reacties op het EU-besluit (Bart Coenen)

>> “Hoewel velen dit zullen bestempelen als een overwinning voor de gewasbeschermingsindustrie, zijn wij toch teleurgesteld dat ondanks het overweldigende wetenschappelijk bewijs, de goedkeuring slechts verlengd wordt voor 5 jaar”, schreef de Belgische vereniging van de industrie vanewasbeschermingsmiddelen (Phytofar) in een mededeling. “Het wetenschappelijk procedé wordt ondermijnd door emotie en electorale overwegingen en dit is een verontrustende evolutie.”

>> Peter Jaeken, secretaris-generaal van Phytofar verduidelijkt: “Ontwikkelen van nieuwe producten om gewassen gezond te houden, vragen veel tijd en aanzienlijke investeringen. De Europese Unie en België hebben een zeer streng en uitgewerkt beleid om werkzame stoffen en producten op een onafhankelijke en wetenschappelijke basis te evalueren. Deze benadering is een basisvoorwaarde om een minimum aan rechtszekerheid te scheppen en vooruitgang te stimuleren. We roepen de diverse politieke overheden dan ook op om terug te keren naar een productbeleid dat hierop gebaseerd is. Dat is niet alleen in het belang van onze sector maar van de ganse agro-voedingsketen, inclusief de consument.”

>> Europees parlementslid Bart Staes (Groen) reageerde teleurgesteld: “Aan dit besluit zit een giftige angel. Ik vrees dat hier andere belangen dan de volksgezondheid en het leefmilieu worden verdedigd.” Staes beschuldigt het Duitse agentschap BfR van wetenschapsfraude: “De BfR kopieerde grote delen van het Glyphosate Task Force rapport zonder ernaar te verwijzen.” Volgens Staes spelen ook economische belangen mee: “Er is het belang van het Duitse chemiebedrijf Bayer, dat tientallen miljarden biedt om Monsanto over te nemen. Een verbod van glyfosaat zou dat bedrijf grotendeels waardeloos hebben gemaakt.”

>> Leo Neels, CEO van de denktank Itinera vroeg zich in een opiniestuk af waarom journalisten blijven schrijven dat glyfosaat mogelijk kankerverwekkend is: “Men valt nu de wetenschappers aan en haalt hun integriteit onderuit. Men maakt de procedure verdacht. Het verwijt wordt nu dat de beslissing rekening heeft gehouden met de door aanvrager Monsanto ingediende informatie die door wetenschappers is aangeleverd. Nochtans is het precies de taak van de EFSA en ECHA, om die studies en het hele aanvraagdossier net zo kritisch tegen het licht te houden als de studie die van een waarschijnlijk kankerrisico sprak. Nog meer bijzonder is dat niemand heeft aangetoond dat de analyses van Monsanto, EFSA en ECHA niet zouden beantwoorden aan de wetenschappelijke criteria. Het énige aanvaardbaar argument zou immers het bewijs zijn dat de studies waarop de beslissing rust niet aan de wetenschappelijke standaarden beantwoorden en de afweging niet correct verliep. Zulk bewijs is er niet, er zijn enkel  intentieprocessen, verdachtmakingen en insinuaties. Die kunnen geen deugdelijk antwoord zijn op wetenschappelijke evidentie. Milieubewegingen weten dat ook wel, maar de emotionele uitval bekt beter, doch dat is een zwaktebod. Journalisten horen zonder meer beter te weten, en zij zijn professioneel en deontologisch verplicht om dieper te graven dan deze emotionele bovenlaag.”

Een ecomodernistisch manifest

Samen met Bart Coenen, hoofdredacteur van BackCover.be en van Wonder en is gheen Wonder, vertaalde ik An Ecomodernist Manifesto, een manifest geschreven door het Breakthrough Institute. Onze vertaling verscheen op de website ecomodernism.org en later, in gewijzigde vorm, in het boek Ecomodernisme. Het nieuwe denken over groen en groei (Nieuw Amsterdam, 2017).

* * *

De uitspraak dat de Aarde een menselijke planeet is, wordt elke dag een beetje meer waar. Mensen zijn gemaakt van de Aarde en de Aarde is herschapen door mensenhanden. Wetenschappers stellen dat de Aarde een nieuw geologisch tijdvak heeft betreden: het Antropoceen, het Tijdperk van de Mens.

Wij academici, wetenschappers, campagnevoerders en burgers schrijven dit manifest in de overtuiging dat verstandig toegepaste kennis en technologie kunnen zorgen voor een goed en zelfs een groots Antropoceen. In een goed Antropoceen gebruikt de mens zijn groeiende sociale, economische en technologische vaardigheden om het leven beter te maken, het klimaat te stabiliseren en de natuur te beschermen.

Hierbij onderschrijven wij een oud ideaal, namelijk het idee dat de mensheid haar impact op het milieu moet verkleinen om plaats te maken voor natuur. Maar tegelijk verwerpen we het idee dat menselijke samenlevingen in harmonie moeten leven met de natuur om zo een economische en ecologische ineenstorting te vermijden.

Deze twee idealen zijn niet langer verzoenbaar. Natuurlijke systemen kunnen niet beschermd of verbeterd worden wanneer de mens er voor zijn levensonderhoud en welzijn in toenemende mate van afhangt.

Het intensiveren van tal van menselijke activiteiten (zoals landbouw, energiewinning, bosbouw en stadsontwikkeling) met als doel minder land te gebruiken en de impact op het milieu te verminderen, is de sleutel tot het loskoppelen van menselijke ontwikkeling en natuur. Deze socio-economische en technologische processen staan centraal in de economische modernisering en de milieubescherming. Samen zullen zij ons in staat stellen om de klimaatverandering binnen de perken te houden en armoede te verlichten.

Hoewel wij in het verleden onafhankelijk van elkaar schreven, worden onze visies en ideeën steeds meer als een geheel bediscussieerd. We noemen onszelf ecopragmatici en ecomodernisten. Wij schreven dit manifest om onze ideeën te verduidelijken en om toe te lichten hoe we de buitengewone krachten van de mensheid in dienst van een goed Antropoceen kunnen stellen.

1.

De laatste twee eeuwen floreert de mensheid. De gemiddelde levensverwachting steeg van 30 tot 70 jaar. Dat resulteerde in een grote en groeiende bevolking die kan overleven in zeer verschillende omgevingen. De mensheid heeft een buitengewone vooruitgang geboekt in het terugdringen van besmettelijke ziekten en hun gevolgen. Mensen zijn ook weerbaarder geworden tegenover extreme weersomstandigheden en natuurrampen.

Geweld nam in al haar vormen aanzienlijk af en is waarschijnlijk op haar laagste punt ooit, ondanks de verschrikkingen van de 20ste eeuw en het huidige terrorisme. Globaal gezien schoven mensen op van autocratische regeervormen naar de liberale democratie, gekenmerkt door de rechtsstaat en een groeiende vrijheid.

Persoonlijke, economische en politieke vrijheden verspreidden zich wereldwijd en worden vandaag ruim geaccepteerd als universele waarden. Modernisering bevrijdt vrouwen van traditionele rolpatronen, terwijl zij zelf steeds meer zeggenschap krijgen over de eigen vruchtbaarheid. Een historisch hoog aantal mensen – zowel in percentage als in absolute cijfers – is bevrijd van onzekerheid, schaarste en uitbuiting.

Tegelijkertijd heeft het menselijk succes een ernstige tol geëist van de natuurlijke, nietmenselijke omgeving en van de wilde dieren. Mensen hebben ongeveer de helft van het ijsvrije land in gebruik genomen. Vooral voor begrazing, het telen van gewassen en de productie van hout. 20 percent van het land dat ooit bebost was, is nu omgezet voor menselijk gebruik. Alleen al de laatste 40 jaar namen de populaties van vele zoogdieren, amfibieën en vogels met de helft af. Meer dan 100 soorten van deze klassen zijn uitgestorven in de 20ste eeuw en ongeveer 785 soorten sinds 1500. Terwijl we dit schrijven blijven nog maar vier noordelijke witte neushoorns over.

Omdat mensen volledig afhankelijk zijn van de levende biosfeer, moeten we ons afvragen hoe het mogelijk is dat ze zo veel schade aanrichten aan natuursystemen zonder zichzelf schade toe te brengen.

De rol van technologie in het reduceren van de menselijke afhankelijkheid van de natuur verklaart deze paradox. Menselijke technologieën – van degene die landbouw in staat stelden het jagen en verzamelen te vervangen tot de technologieën die de huidige geglobaliseerde economie voortstuwen – hebben ervoor gezorgd dat mensen minder afhankelijk zijn van de vele ecosystemen die hen ooit helemaal onderhielden, zelfs wanneer diezelfde ecosystemen daardoor zwaar beschadigd werden.

Ondanks de vaak gehoorde bewering sinds de jaren 1970 dat er fundamentele “grenzen aan de groei” zouden zijn, zijn er tot nu toe opvallend weinig bewijzen dat in de nabije toekomst de menselijke bevolking en de economische expansie de capaciteit om voedsel te verbouwen of om levensnoodzakelijke materialen te produceren zou overvleugelen.

Als er al fysieke grenzen aan menselijke consumptie zijn, dan zijn deze zo theoretisch dat ze functioneel irrelevant worden. De hoeveelheid zonnestralen die op de aarde botst bijvoorbeeld, is uiteindelijk wel eindig, maar op zich legt dit geen beperking op aan menselijke ondernemingen. De menselijke beschaving kan gedurende eeuwen en zelfs millennia draaien op energie die opgewekt wordt door kernsplitsing in uranium- of thoriumreactoren of door kernfusie (waterstof deuteriumfusie). Een goed beleid kan ervoor zorgen dat mensen niet het risico lopen op een gebrek aan landbouwgrond. Met genoeg land en ongelimiteerde energie is het mogelijk om alternatieven te zoeken voor andere materialen die nodig zijn voor het menselijk welzijn en die schaars en duur dreigen te worden.

Er zijn echter ernstige milieudreigingen die op de lange termijn het menselijk welzijn kunnen schaden, zoals antropogene klimaatverandering, de verarming van de ozonlaag in de stratosfeer en oceaanverzuring. Hoewel het moeilijk is om deze risico’s te becijferen, is er genoeg bewijs dat ze een wezenlijk risico op een globale catastrofale impact op leefgemeenschappen en ecosystemen inhouden. Zelfs graduele, niet-catastrofale gevolgen die geassocieerd kunnen worden met deze bedreigingen, zullen waarschijnlijk uitmonden in aanzienlijke menselijke en economische kosten en in stijgende ecologische verliezen.

Grote delen van de wereldbevolking lijden echter onder meer directe lokale milieu- en gezondheidsrisico’s. Luchtverontreiniging, zowel binnenshuis als buitenshuis, veroorzaakt jaarlijks nog steeds heel wat ziekte en de voortijdige dood van miljoenen mensen. Watervervuiling en ziekten die ontstaan in verontreinigde en gedegradeerde stroomgebieden veroorzaken gelijkaardig lijden.

2.

Hoewel de menselijke impact op het milieu in zijn totaal blijft stijgen, is er een waaier aan trends die op lange termijn voor een substantiële ontkoppeling van menselijk welzijn en milieu-impact kunnen zorgen.

Ontkoppeling manifesteert zich zowel in relatieve als in absolute termen. Relatieve ontkoppeling houdt in dat de menselijke impact op het milieu trager stijgt dan de gehele economische groei. Met andere woorden, voor elke eenheid van economische output is er minder impact op het milieu (bijvoorbeeld ontbossing, vervuiling of verlies aan dieren). De globale impact kan nog wel groter worden, maar verloopt trager dan anders het geval zou zijn. We spreken over absolute ontkoppeling wanneer de totale geaccumuleerde milieuimpact piekt en daarna afneemt, zelfs wanneer de economie verder blijft groeien.

Ontkoppeling kan gestimuleerd worden door technologische en demografische trends. Meestal is het een resultaat van een combinatie van beide.

De groeisnelheid van de menselijke bevolking heeft zijn hoogtepunt al bereikt. De huidige groei bedraagt één percent per jaar, lager dan de 2,1 percent in de jaren 1970. De vruchtbaarheidscijfers in landen die samen meer dan de helft van de wereldbevolking uitmaken, liggen lager dan het vervangingsniveau. De huidige bevolkingsgroei kan voornamelijk toegeschreven worden aan een langere levensduur en een daling van de kindersterfte; niet aan stijgende vruchtbaarheidscijfers. Gezien de huidige trends is het best mogelijk dat de omvang van de menselijke bevolking deze eeuw een hoogtepunt bereikt en dan begint af te nemen.

Trends in bevolkingsaantallen zijn onlosmakelijk verbonden met andere demografische en economische dynamieken. Het is de eerste keer in de geschiedenis van de mensheid dat meer dan de helft van de wereldbevolking in steden woont. Men verwacht dat tegen 2050 70 percent in steden zal wonen, een aantal dat waarschijnlijk stijgt tot 80 percent of meer tegen het einde van de eeuw. Steden kennen zowel een hoge bevolkingsdichtheid als lage vruchtbaarheidscijfers.

Steden beslaan slechts 1 à 3 percent van het aardoppervlak en toch bieden zij plaats aan bijna 4 miljard mensen. Zo stimuleren en symboliseren ze de menselijke loskoppeling van de natuur. Steden voorzien ook veel efficiënter dan plattelandseconomieën in onze materiële behoeften en ze verminderen onze impact op het milieu.

De groei van steden en de economische en ecologische voordelen die daar het gevolg van zijn, zijn onlosmakelijk verbonden aan verbeteringen in de landbouwproductiviteit. Omdat in de landbouw efficiënter gebruik wordt maakt van land en arbeid, ruilde landelijke bevolking het platteland in voor de stad. In 1880 werkte ruw genomen de helft van de bevolking van de Verenigde Staten op het land, vandaag is dat minder dan twee percent.

Verlost van hard labeur in de landbouw kwam een enorm menselijk potentieel vrij voor andere ondernemingen. De steden van vandaag zouden niet bestaan zonder de radicale vernieuwingen in delandbouw. Modernisering daarentegen, is niet mogelijk in een op zelfvoorziening gebaseerde landbouw.

Deze verbeteringen in de landbouwsector zorgden niet alleen voor een vermindering van de vereiste arbeid per eenheid geproduceerde output, maar ook voor een vermindering van het nodige land. Dit is geen nieuwe trend: stijgende opbrengsten zorgen al duizenden jaren voor een reductie van het land dat nodig is om de mens te voeden. Het gemiddelde landgebruik per hoofd ligt een pak lager dan 5000 jaar geleden, ondanks het feit dat de moderne mens een veel rijker dieet heeft. Dankzij technologische verbeteringen in de landbouw sinds 1960 halveerde de gemiddelde hoeveelheid land dat nodig is om gewassen te telen en om dieren te voederen.

Intensivering van de landbouw en het afnemend gebruik van hout als brandstof, heft gezorgd voor een netto herbebossing in vele delen van de wereld. Ongeveer 80 percent van New England is vandaag bebost, tegenover ongeveer 50 percent aan het einde van de 19de eeuw. Gedurende de laatste 20 jaar is de hoeveelheid land voor bosbouw en houtproductie met 50 miljoen hectare afgenomen, een gebied zo groot als Frankrijk. De “bostransitie” – van netto ontbossing tot netto bebossing – lijkt even kenmerkend voor ontwikkeling als de demografische transitie (waarbij het geboortecijfer vermindert) kenmerkend is voor de afname van armoede.

Ons gebruik van andere hulpbronnen kwam op een gelijkaardige manier tot een hoogtepunt. De hoeveelheid water nodig voor een gemiddeld dieet nam met bijna 25 percent af gedurende de laatste halve eeuw. Stikstofvervuiling blijft verantwoordelijk voor eutrofiëring en grote dode zones in bijvoorbeeld de Golf van Mexico. Terwijl de totale hoeveelheid vervuiling door stikstof toeneemt, neemt het gebruik per productie-eenheid aantoonbaar af in de ontwikkelde landen.

In tegenstelling tot de vaak geuite angst dat een eindeloze groei zal botsen met een eindige planeet, kan de vraag naar tal van goederen verzadigd geraken wanneer gemeenschappen rijker worden. Vleesconsumptie bijvoorbeeld, is over haar hoogtepunt heen in vele rijke landen en verschuift van rundvlees naar proteïnebronnen waarvoor minder land nodig is.

Eens aan de vraag naar goederen voldaan is, dan zien we in ontwikkelde economieën hogere uitgaven voor diensten en kennissectoren. Die vereisen minder materiaalgebruik en staan in voor een groeiend aandeel in de economische activiteit. Deze dynamiek is mogelijk nog sterker in de opkomende economieën. Zij kunnen hun voordeel doen bij het feit dat ze meteen kunnen gebruikmaken van grondstof-efficiënte technologieën.

Neemt men al deze trends samen, dan betekent dit dat de totale menselijke impact op de omgeving, inclusief het landgebruik, overexploitatie en vervuiling, deze eeuw kan pieken en vervolgens afnemen. Door deze opkomende processen te begrijpen en te bevorderen kunnen we de Aarde vergroenen en tal van wilde dieren herintroduceren. Zelfs wanneer de ontwikkelingslanden moderne levensstandaarden bereiken en wanneer er wereldwijd een einde komt aan materiële armoede.

3.

Het proces van ontkoppeling zoals we het hierboven beschreven, vecht het idee aan dat vroegere menselijke leefgemeenschappen minder wogen op het land dan moderne samenlevingen. Als oudere gemeenschappen al minder impact hadden op hun omgeving, dan was dat louter en alleen omdat deze gemeenschappen beduidend kleinere populaties moesten onderhouden.

Populaties met minder geavanceerde technologieën hadden zelfs een veel grotere individuele ecologische voetafdruk dan gemeenschappen nu. Laat ons niet vergeten dat een bevolking van niet meer dan een à twee miljoen Noord-Amerikanen in het late Pleistoceen de grote zoogdieren bejaagden en uitroeiden. Tegelijk kapten ze over heel het continent bossen of brandden deze plat. De mens bleef de omgeving ingrijpend veranderen doorheen het Holoceen, in die mate dat drie vierde van de ontbossing wereldwijd plaatsvond vóór de Industriële Revolutie.

De technologie die onze voorouders gebruikten om aan hun behoeften te voldoen, ondersteunde veel lagere levensstandaarden met een veel hogere impact op het milieu per hoofd. Wars van massale menselijk sterfte zou elke poging om menselijke gemeenschappen met behulp van deze technologieën terug te koppelen aan de natuur een regelrechte ecologische en menselijke catastrofe tot gevolg hebben.

Over heel de wereld worden ecosystemen bedreigd omdat mensen er overdreven veel op steunen. Mensen die afhangen van brandhout en houtskool als brandstof, kappen en vernielen bossen. Mensen die bushmeat eten, bejagen zoogdieren tot op de rand van uitsterven. Of het nu de inheemse bevolking is die ervan profiteert of een buitenlands bedrijf, de nog steeds voortdurende menselijke afhankelijkheid van de natuurlijke omgeving vormt het hoofdprobleem voor de natuurbescherming.

Anderzijds bieden moderne technologieën die efficiënter gebruik maken van natuurlijke ecosysteemdiensten een echte kans om onze impact op de biosfeer te reduceren. Het omarmen van deze technologieën is een weg die kan leiden naar een goed Antropoceen.

Uiteraard hebben de moderniseringsprocessen die de mensheid steeds meer losmaakten van de natuur een negatieve kant aangezien ze ook de natuurlijke omgeving aantastten. Fossiele brandstoffen, mechanisatie en fabricage, kunstmeststoffen en pesticiden, elektrificatie, modern transport en communicatietechnologieën hebben in de eerste plaats een grotere bevolkingsgroei en meer consumptie mogelijk gemaakt. Als de technologieënsinds de Donkere Middeleeuwen niet verbeterd waren, dan was de menselijke bevolking zonder twijfel ook niet sterk gegroeid.

Het is ook waar dat grote aantallen van steeds welvarender stedelingen een groter beroep doen op ver afgelegen ecosystemen. De ontginning van natuurlijke hulpbronnen is immers geglobaliseerd. Anderzijds kregen mensen toegang tot voedsel, beschutting, warmte, licht en mobiliteit via technologieën die veel efficiënter zijn qua bron- en landgebruik dan eender wanneer in de menselijke geschiedenis.

Het menselijk welzijn loskoppelen van de vernieling van de natuur vereist een bewuste versnelling van opkomende ontkoppelingsprocessen. In sommige gevallen is het doel de ontwikkeling van technologische substituten. Bijvoorbeeld: om de ontbossing en luchtvervuiling binnenshuis tegen te gaan is er een substitutie (vervanging) nodig van hout en houtskool door moderne energiebronnen.

In andere gevallen zou de mensheid hulpbronnen productiever moeten gebruiken. Zo kan verhoging van de oogst de omzetting van bos tot grasland en landbouwgrond tegengaan. Mensen moeten manieren vinden om de natuur los te maken van de economie.

Verstedelijking, intensivering van de landbouw, kernenergie, aquacultuur en ontzilting zijn allemaal processen met een aangetoond potentieel om de menselijke druk op het milieu te verkleinen en zo meer ruimte te creëren voor niet-menselijke soorten. De ontwikkeling van voorsteden, landbouw met een lage opbrengst en vele vormen van hernieuwbare energie vragen daarentegen over het algemeen meer land en hulpbronnen en laten minder ruimte over voor natuur.

Deze patronen suggereren dat mensen even geneigd zijn natuur te sparen omdat ze niet nodig is om hun noden te vervullen, als dat ze natuur willen sparen om esthetische en spirituele redenen. De delen van de planeet die mensen nog niet ingrijpend veranderden, bleven meestal gespaard omdat mensen er nog geen economisch nuttig gebruik voor vonden – namelijk bergen, woestijnen, boreale wouden en andere “marginale” regio’s.

Ontkoppeling verhoogt de mogelijkheid dat de impact van de mens een piek bereikt zonder dat hij nog meer relatief ongerepte gebieden binnendringt. Ongebruikte natuur is gespaarde natuur.

4.

Een ruime toegang tot moderne energiebronnen is een essentiële vereiste voor menselijke ontwikkeling en voor de loskoppeling van menselijke ontwikkeling en natuur. De beschikbaarheid van goedkope energie laat arme mensen in de hele wereld toe om te stoppen met bossen te gebruiken als energiebron. Het stelt mensen in staat om meer voedsel te verbouwen op minder land, dankzij energie-intensieve input van meststoffen en tractoren. Energie laat mensen toe afvalwater te recycleren en zeewater te ontzilten om zo rivieren en bronnen te sparen. Het laat mensen toe om metaal en plastic op een goedkopere manier te recycleren in plaats van nieuwe minerale bronnen te ontginnen, verwerken en raffineren. Als we vooruit kijken, dan kan moderne energie stikstof uit de atmosfeer capteren om zo de hoeveelheid geaccumuleerde stikstof (die de klimaatverandering aandrijft), te verminderen.

De laatste drie eeuwen loopt de groeiende energieproductie wereldwijd gelijk met stijgende CO2-concentraties in de atmosfeer. In diezelfde periode werkten verschillende landen aan het koolstofarmer maken van hun economieën. Maar het tempo waarop ze dat gedaan hebben, lag niet hoog genoeg om ervoor te zorgen dat de cumulatieve koolstofemissies laag genoeg blijven om onder het internationaal vastgestelde doel van minder dan 2°C opwarming uit te komen. Een noodzakelijke beperking van de gevolgen van de klimaatverandering vereist dan ook dat mensen de bestaande processen voor het koolstofarmer maken sterk moeten versnellen.

Er heerst echter nog veel verwarring over hoe we dit kunnen verwezenlijken. In ontwikkelingslanden is de stijgende energieconsumptie nauw verbonden aan stijgende inkomens en hogere levensstandaarden. Hoewel het gebruik van vele andere materialen zoals stikstof, hout en land naar een hoogtepunt groeit, suggereert het centrale belang van energie in de menselijke ontwikkeling en haar vele toepassingen als een substituut voor materiële en menselijke middelen dat de energieconsumptie zal blijven stijgen doorheen een groot stuk van de 21ste eeuw en waarschijnlijk zelfs tot het einde ervan.

Vandaar dat elk conflict tussen klimaatmitigatie en de ontwikkelingsprocessen (via dewelke miljarden mensen wereldwijd moderne levensstandaarden bereiken) zal beslecht worden in voordeel van die ontwikkeling.

Klimaatverandering en andere ecologische uitdagingen zijn niet de meest belangrijke of meest onmiddellijke zorg voor het merendeel van de wereldbevolking. Dat zouden ze ook niet mogen zijn. Een nieuwe kolencentrale in Bangladesh kan dan wel luchtvervuiling en stijgende co2-emissies met zich meebrengen, ze zal ook mensenlevens redden. Voor miljoenen mensen die leven zonder licht en die niet anders kunnen dan mest te verbranden om hun voedsel te bereiden, bieden elektriciteit en moderne brandstoffen een weg naar een beter leven. Wat de precieze oorsprong ervan ook moge zijn en zelfs als die energiebronnen tegelijkertijd nieuwe ecologische uitdagingen met zich meebrengen.

Een betekenisvolle beperking van de klimaatverandering is in de grond een technologische uitdaging. Hiermee bedoelen we dat zelfs drastische, wereldwijde consumptiebeperking onvoldoende zou zijn om tot een aanzienlijke klimaatmitigatie te komen. Zonder fundamentele technologische veranderingen is er geen geloofwaardige weg naar een klimaatmitigatie van betekenis. Men is het niet eens over welke technologiemix de beste is en wij hebben alleen weet van gekwantificeerde klimaatmitigatiescenario’s waarbij technologische veranderingen verantwoordelijk zijn voor het overgrote deel van de uitstootreducties.

De specifieke technologische keuzes die we kunnen maken met het oog op klimaatmitigatie, blijven het onderwerp van verhitte discussies. Theoretische scenario’s reflecteren gewoonlijk de technologische voorkeur en analytische aannames van hun bedenkers. Al te vaak vergeten deze om de kosten, de tijd en de schaal in te calculeren die nodig zijn om koolstofarme energietechnologieën te implementeren.

De geschiedenis van energietransities suggereert dat er altijd al consistente patronen waren in de wegen die samenlevingen namen richting schonere energiebronnen. Zowat alle gemeenschappen die hun koolstofuitstoot verminderden deden dat door brandstoffen van lagere kwaliteit (i.e. meer koolstofintensief en met een lagere energiedichtheid) te vervangen door brandstoffen met een hogere kwaliteit (i.e. minder koolstofintensief en met een hogere energiedichtheid). Dit toont de weg naar een versnelde vermindering in de toekomst. De transitie naar een wereld die aangedreven wordt door koolstofvrije energiebronnen vereist technologieën met een hoge energiedichtheid die opgeschaald kunnen worden tot in de tientallen terawatt om de groeiende economie te doen draaien.

Met de meeste vormen van hernieuwbare energie is dit helaas niet haalbaar. Biobrandstoffen en vele andere hernieuwbare energiebronnen zouden te veel land nodig hebben en een dusdanige milieu-impact dat wij betwijfelen of ze wel een weg kunnen vormen naar een koolstofvrije toekomst met een kleine voetafdruk.

Efficiënte zonnecellen gemaakt van veelvoorkomende materialen zijn hierop een uitzondering. Ze hebben de mogelijkheid om vele tientallen terawatts te produceren op een paar procent van het aardoppervlak. Hedendaagse technieken op het gebied van zonneenergie vereisen fundamentele innovaties om aan deze standaard te voldoen en vereisen de ontwikkeling van goedkope opslagtechnologieën die in staat zijn om op grote schaal een erg variabele energieproductie te ondervangen.

Kernsplijting is vandaag de dag de enige koolstofvrije technologie die effectief beantwoordt aan de meeste of zelfs aan alle energievereisten die een moderne economie stelt. En toch maakt een waaier aan sociale, economische en institutionele uitdagingen de inzet van hedendaagse nucleaire technologieën – op een schaal die nodig is om een significante beperking van de gevolgen van de klimaatverandering te verwezenlijken – onwaarschijnlijk. Een nieuwe generatie van nucleaire technologieën die veiliger en goedkoper zijn, blijkt nodig om kernenergie te brengen tot een punt waarop het zijn potentieel vervult als klimaatmatigende technologie.

Op lange termijn vertegenwoordigen zonne-energie (van de volgende generatie), geavanceerde kernsplijting en kernfusie de meest plausibele manieren om aan de gezamenlijke doelstellingen van klimaatstabilisatie en de radicale loskoppeling van mens en natuur te voldoen. Als de geschiedenis van energietransities een leidraad is, dan zal de overgang evenwel tijd vragen. Tijdens die transitie kunnen andere energiebronnen belangrijke sociale en ecologische voordelen bieden. Zo kunnen bijvoorbeeld waterkrachtcentrales een goedkope bron zijn van koolstofarme energie voor arme landen, zelfs als hun ecologische voetafdruk qua land- en watergebruik relatief groot is. Fossiele brandstoffen in combinatie met koolstofafvang en -opslag kunnen op een gelijkaardige manier voordelen bieden ten opzichte van fossiele brandstoffen of energie gewonnen uit biomassa.

Het ethische en pragmatische pad naar een eerlijke en duurzame globale energie-economie vraagt dat mensen zo snel mogelijk overschakelen op bronnen die goedkoop, proper, energiedicht en overvloedig aanwezig zijn. Zo’n weg heeft blijvende publieke steun nodig voor de ontwikkeling en toepassing van propere energietechnologieën. In een breder kader is deze publieke steun nodig voor wereldwijde modernisering en ontwikkeling.

5.

We schrijven dit document vanuit een warme liefde voor natuur en vanuit een nauwe emotionele band met de natuur. De natuur waarderen, ontdekken, proberen te begrijpen en te cultiveren is voor velen overweldigd. Zo leggen ze contact met hun diepere evolutionaire geschiedenis. Zelfs wanneer mensen de wilde natuur nooit direct ervaren, noemen ze het bestaan ervan belangrijk voor hun psychologisch en spiritueel welzijn.

Mensen zullen tot op zekere hoogte altijd materieel afhankelijk zijn van de natuur. Zelfs als een volledig synthetische wereld mogelijk zou blijken, dan nog zouden velen onder ons verkiezen om meer gekoppeld aan de natuur te leven dan dit technologich en voor hun levensonderhoud strikt noodzakelijk zou zijn. Ontkoppeling maakt echter wel mogelijk dat de menselijke materiële afhankelijkheid van de natuur minder destructief wordt.

Het pleidooi voor een actievere, bewustere en versnelde ontkoppeling is daarom meer gebaseerd op spirituele en esthetische motieven dan op materialistische of utilitaire. Huidige en toekomstige generaties zouden voorspoedig kunnen overleven met veel minder biodiversiteit en minder wilde natuur. Maar dat is niet een wereld die we willen, of een wereld die we moeten accepteren als mensen het ontkoppelingsproces omarmen.

Wat we hier natuur noemen, of zelfs wilde natuur, omvat landschappen, zeegezichten, biomen en ecosystemen die gedurende eeuwen en millennia regelmatig (en eerder wel dan niet) door menselijke invloeden veranderd werden. Wetenschappen gericht op natuurbehoud en de concepten van natuurbehoud, complexiteit en oorspronkelijkheid zijn nuttig, maar kunnen op zich niet bepalen welke landschappen te bewaren en hoe dit te doen.

In de meeste gevallen is er geen een enkel beginpunt van voor de periode van de menselijke veranderingen naar waar de natuur zou kunnen terugkeren. Pogingen om landschappen te herstellen naar een vroegere staat (van “oorspronkelijkheid”) kunnen de verwijdering inhouden van recent gearriveerde soorten (“invasieven”). Dat kan een netto reductie van de lokale biodiversiteit betekenen. In andere gevallen kunnen gemeenschappen beslissen om de oorspronkelijkheid op te offeren voor iets nieuws en voor biodiversiteit.

Uitdrukkelijke pogingen om landschappen te bewaren voor hun niet-utilitaire waarde zijn onvermijdelijk antropogene keuzes. En daarom zijn alle inspanningen tot instandhouding fundamenteel antropogeen. Het beschermen van de natuur is niet meer of minder een menselijke keuze in dienst van menselijke voorkeuren dan het platwalsen van die natuur. Mensen zullen wilde streken en landschappen beschermen door hun medeburgers ervan te overtuigen dat die plaatsen en de wezens die er rondwaren die bescherming waard zijn. Mensen kunnen kiezen voor enkele ecodiensten (zoals waterzuivering en bescherming tegen overstromingen) die voorzien worden door natuurlijke systemen (zoals bosrijke waterscheidingen, riffen, moerassen en watergebieden), zelfs wanneer die natuurlijke systemen duurder zijn dan de bouw van waterzuiveringsstations, zeeweringen en dijken. Maar eenvormige pasklare oplossingen zijn er niet.

Verschillende lokale, historische en culturele voorkeuren zullen de omgeving vormgeven. Terwijl we geloven dat het intensiveren van landbouw om land uit te sparen belangrijk is voor de natuurbescherming, erkennen we dat tal van gemeenschapen zullen blijven kiezen voor een “gedeeld” landgebruik om zo fauna en flora te beschermen binnen de landbouw eerder dan de gronden terug te geven aan de wilde natuur in de vorm van grasland, struikgewas of bos. Waar ontkoppeling de druk op landschappen en ecosystemen doet afnemen om tegemoet te komen aan menselijke basisbehoeften, moeten landeigenaars, gemeenschappen en regeringen nog steeds beslissen voor welke esthetisch of economisch doel ze het land willen gebruiken.

Versnelde ontkoppeling op zich zal niet genoeg zijn om voor meer wilde natuur te zorgen. Er moet nog steeds een beleid zijn voor de bescherming ervan en een natuurbeweging die meer wilde natuur eist om esthetische en spirituele redenen. Tegelijk met het ontkoppelen van de menselijke materiële behoeften vraagt een blijvend engagement om de wildernis, de biodiversiteit en een mozaïek aan mooie landschappen te beschermen de ontwikkeling van een diepere emotionele band ermee.

6.

Er is nood aan en een menselijke capaciteit voor een versnelde, actieve en bewuste ontkoppeling. Technologische vooruitgang is niet onvermijdelijk. De ontkoppeling van milieu-impact en economische output komt niet vanzelf tot stand uit marktgestuurde vernieuwing of een efficiënt antwoord op schaarste. De lange reeks menselijke aanpassingen aan de natuurlijke omgeving met behulp van technologie begon lang voor er iets bestond dat enige gelijkenis vertoonde met een markt of een prijssignaal. Door stijgende vraag, schaarste, inspiratie en serendipiteit zijn mensen de wereld al millennia lang aan het herschapen.

Technologische oplossingen voor milieuproblemen moeten ook binnen een bredere sociale, economische en politieke context beschouwd worden. We denken dat het onproductief is dat landen zoals Duitsland en Japan en staten zoals Californië installaties voor kernenergie sluiten. Zo maken ze hun energiesectoren terug koolstofrijker en koppelen ze hun economie opnieuw aan fossiele brandstoffen en biomassa. Anderzijds tonen deze voorbeelden duidelijk aan dat technologische keuzes niet bepaald worden door verre internationale organen, maar eerder door nationale en lokale instituten en cultuur.

Al te vaak wordt modernisering vereenzelvigd met kapitalisme, machtige bedrijven en laissez-faire-economie, zowel door de verdedigers als door de critici ervan. Wij verwerpen zulke vereenvoudigingen. Wat wij bedoelen met modernisering is de lange-termijnevolutie van sociale, economische, politieke en technologische maatregelen in menselijke gemeenschappen die het materiële welzijn, de volksgezondheid, de productiviteit van hulpbronnen, economische integratie, gedeelde infrastructuur en persoonlijke vrijheid fundamenteel verbeteren.

Modernisering bevrijdde steeds meer mensen van een leven vol armoede en harde labeur in de landbouw, bevrijdde vrouwen van een onderworpen positie, kinderen en etnische minderheden van onderdrukking en gemeenschappen van een grillig en willekeurig bestuur. Grotere productiviteit van hulpbronnen geassocieerd met moderne socio-technologische systemen bood leefgemeenschappen de mogelijkheid om aan menselijke noden tegemoet te komen met minder input van hulpbronnen en met minder impact op de natuur. Productievere economieën zijn rijkere economieën die beter in staat zijn om menselijke noden te ledigen. Grotere delen van hun economische surplus kunnen besteed worden aan niet-economische voorzieningen, zoals een betere menselijke gezondheid, grotere menselijke vrijheden en kansen, kunsten, cultuur en de bescherming van de natuur.

Moderniseringsprocessen zijn verre van volledig, zelfs in geavanceerde en hoogontwikkelde economieën. De consumptie van materiaal heeft nog maar net een hoogtepunt bereikt in de rijkste samenlevingen. Het ontkoppelen van menselijk welzijn en milieu-impact vereist een doorgedreven engagement voor technologische vooruitgang en de voortdurende evolutie van sociale, economische en politieke instituten.

Versnelde technologische vooruitgang vergt een actieve, assertieve en agressieve deelname van privéondernemers, de markten, de civiele samenleving en de staat. We verwerpen de misvatting van de planeconomie van de jaren 1950 maar geloven in een sterke rol voor de overheid voor de aanpak van milieuproblemen en voor de versnelling van technologische innovatie. Ook zien we een sterke overheidsrol bij onderzoek naar betere technologieën, subsidies en andere maatregelen om deze innovaties op de markt te krijgen en voor de ontwikkeling van regelgeving om gevaren voor het milieu te beperken. Verder is een internationale samenwerking bij technologische innovatie en technologieoverdracht essentieel in de landbouw- en energiesector.

7.

Wij bieden dit manifest aan in de overtuiging dat menselijke voorspoed én een ecologisch bruisende planeet niet alleen mogelijk zijn, maar dat ze ook onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Wij geloven dat zo’n toekomst mogelijk is door ons te verbinden aan reële processen die al gestart zijn met het loskoppelen van menselijk welzijn en de vernieling van het milieu. Wij omarmen dan ook een optimistische visie op het menselijk kunnen en de toekomst.

Wij hopen dat dit document zal bijdragen aan een verbetering van de kwaliteit en de teneur van de dialoog over milieubescherming in de 21ste eeuw. Al te vaak worden discussies over het milieu gedomineerd door extremen en geplaagd door dogmatisme. Zij werken onverdraagzaamheid in de hand. Wij hechten een grote waarde aan de liberale principes van democratie, verdraagzaamheid en pluralisme en beschouwen deze principes als sleutelelementen in het bereiken van een groots Antropoceen. We hopen dat deze verklaring een stap vooruit is in de dialoog over hoe we universele menselijke waardigheid kunnen bereiken op een biodiverse en bruisende planeet.

 

Vertaald door Frank Verhoft en Bart Coenen.

Spiegelbeeld

Met extra spanning heb ik uitgekeken naar het nieuwe nummer van het skeptische tijdschrift Wonder en is gheen Wonder, het eerste onder de nieuwe redacteur Bart Coenen. Hem ken ik vooral als de Redelijke Mens achter backcover.be, een online magazine voor milieu, ecologie en technologie.

De titel verwijst naar een uitspraak van Simon Stevin, de Brugse man van de prille wetenschap op de overgang van de 16de en 17de eeuw. Wat wonderlijk en verbazingwekkend lijkt, kan best wel eens een natuurlijke verklaring hebben.

De ondertitel luidt Tijdschrift voor wetenschap en rede, het colofon vermeldt SKEPP, Stichting voor Kritische Evaluatie van Pseudowetenschap en het Paranormale. Voor de taalliefhebbers: “Wonder en is gheen wonder” bevat de dubbele negatie ‘en’ en ‘gheen’.

Mijn aankoop van het magazine Spiegelbeeld was eerder een geval van serendipiteit dan van blijde verwachting. Als ondertitel voert het blad wetenschap, gezondheid, duurzaamheid – en dat klinkt goed – maar ook bewustwording, een woord als een koude douche. Ik ken het magazine al enkele jaren en mijn eerste indruk bij de vernieuwde kennismaking was dat het een beetje dikker geworden was. New Age speak verkoopt blijkbaar nog steeds.

Volledig onbevooroordeeld ben ik niet: een artikel dat op deze blog verschenen is, staat nu te pronken in Wonder, weliswaar een beetje gekortwiekt, maar toch bewaard voor de godganse eeuwigheid. Scripta manent, en zo.

Toch ga ik beide tijdschriften even naast elkaar leggen. In het voorwoord van Spiegelbeeld wordt heldere taal gesproken.

Albert De Louw, de uitgever en redacteur van het blad, spaart de grote woorden niet: De Louw weet en De Louw beseft. Zo beseft hij dat mensen soms krachtiger zijn dan ze vaak denken. “Het gaat erom wakker te zijn of te worden”. Verder weet hij bijvoorbeeld dat ons lichaam voor ruim 70% uit water bestaat en dat we ons dan “ook steeds weer opnieuw energetisch [kunnen] opladen”. Twijfel is aan Albert niet besteed.

Meer over water lezen we trouwens in het artikel “Water — een ontdekkingsreis” van Frank Silvis, ingenieur en oud-regiodirecteur van een Nederlands waterbedrijf. Het artikel krijgt de tag ‘bewustwording’ mee. Silvis houdt zich bezig met de levenskracht en vitaliteit van water. Dat zijn mededirecteuren niet echt geïnteresseerd waren in zijn onderzoek naar de vitaliteit van water verbaast me minder dan het feit dat hij in zijn vier pagina’s lange artikel niet uitlegt wat gevitaliseerd water eigenlijk is.

De effecten komen de lezers wél te weten. Het was bijzonder om te merken dat water dat door een vitaliser is beïnvloed andere belevingen geeft dan gewoon kraanwater. Gevitaliseerd water heeft een positief effect op mens, plant en dier. Sterker nog, het verhoogt je bewustzijn en maakt contact met wie je Zelf bent gemakkelijker.

Het edito van Wonder gaat een andere kant op. De redacteur speelt met de betekenissen en synoniemen van ‘sceptisch’ en komt uit bij “aarzelend, onderzoekend, gereserveerd, terughoudend, twijfelend en ongelovig”. Verder waarschuwt hij, middels het artikel van Johan Braeckman over kunstvervalsing, dat de uitmuntende kennis van experts hen kwetsbaar kan maken voor misleiding.

In de laatste paragraaf van Braeckmans artikel Hoe misleid je een kunstexpert, een recensie van het boek Kunstvervalsing door Noah Charney, lees ik:

Maar [het boek] illustreert vooral hoe ook verstandige mensen met bijzondere kennis relatief makkelijk te misleiden zijn, in het bijzonder in het eigen domein.

Terug naar Spiegelbeeld. Het artikel van onze wateringenieur wordt gescheiden van het artikel “Watervitalisering” van Ir. Gert Boontjes door reclame voor en een advertentie voor een watervitaliser. Opnieuw bekruipt mij dat gevoel van serendipiteit.

Het bedrijf dat schuil gaat achter de url oerwater.nu geeft ook aan dat artikelschrijver Ir. Boontjes verbonden is aan de adverterende firma. Hetzelfde gevoel krijg ik bij het artikel “Bloesemremedies”, geschreven door een medewerker van een webwinkel die, juist ja, bloessemremedies verkoopt. Ook de auteur van het zoveelste “Wonder elixer [sic] uit de natuur” verkoopt het “alchemistische middel APPELAZIJN” op haar website die prominent figureert op de pagina. En zo kan ik nog even doorgaan. De grens tussen artikel en reclame is zo vaag dat-ie enkel nog met een pendel gemeten kan worden.

Ook in Wonder vind ik alternatieve geneeskunde terug. Wietse Wiels, student geneeskunde, neemt de alternatieve oogheelkunde onder de loep, en meer bepaald de Batesmethode. Hij beschrijft de methode en weegt de voordelen af van de nadelen. Zijn conclusie:

Dat de ene alternatieve methode vaak een opstapje is naar een andere is voor de ervaren lezer van Wonder wellicht geen nieuws. Het mag dan ook niet verbazen dat er een bijna oneindig aantal combinaties van Batesiaanse technieken met andere alterneuterij bestaat, evenals een groot aantal scholen en schisma’s binnen de oorspronkelijke beweging. Dat daar ook minder onschuldige gedachten en technieken gepromoot kunnen worden stemt tot voorzichtigheid. Iemand die de controle van zijn suikerziekte of glaucoom verwaarloost ten gunste van een oogkwakzalver is enkele jaren later onomkeerbaar blind.

Wietse Wiels adverteert niet in het blad.

Wie evenmin reclame maakt is Tim Trachet, wandelende bibliotheek en erevoorzitter van SKEPP. Zijn bijdrage in Wonder gaat over de Marcel Petiot, Dokter Satan voor de vermoedelijk weinig overgebleven vrienden.

In het eerste deel beschrijft Trachet de exploten van deze Franse seriemoordenaar en kwakzalver. Het tweede deel gaat dan weer hoe deze moorddadige psychopaat, of beter zijn horoscoop, kritische denkers een dienst bewees. “Neiging tot orde, controle, maat … zin voor moraal, gevoeligheid voor universele liefde”, aldus een astroloog die niet wist wiens geboortegegevens hij gekregen had. Hij was trouwens niet de enige sterrenlezer die de bal kosmisch mis sloeg.

Joost van Kasteren, journalist gespecialiseerd in wetenschap, techniek en landbouw, interviewde dan weer David Zilberman, hoogleraar Landbouw- en grondstoffeneconomie aan de Universiteit van Berkeley, California. Opnieuw lees ik een artikel in Wonder waarin de pro’s tegen de cons worden gezet. Zin voor nuance is hen niet vreemd, ggo’s ≠ Monsanto. Nu ja, zoveel denkwerk komt bij dat eenvoudige inzicht niet kijken:

De denkfout die Greenpeace en anderen maken is dat ze ggo’s gelijkstellen met Monsanto en Syngenta en andere agromultinationals. Dat is niet zo: genetische modificatie is ontdekt aan de universiteiten. Het is een technologie van het volk, laten we hem dan ook gebruiken voor het volk.

In Spiegelbeeld maakt Guido Jonkers zich dan weer druk omtrent ggo’s (en veel, veel meer). Zijn cv vermeldt “studie marketing” en wanttoknow.nl, een website waar men de nieuwste complottheorieën omtrent 9/11, de aanslagen in Parijs en Brussel, de exploten van Big Pharma, de Illuminati, Skulls & Bones, de familie Rothschild kan terugvinden.

Omdat ik geen Braeckmansiaanse vloek over me wil afroepen door te impliceren dat experts steeds weten waarover ze praten, en leken nooit, laat ik graag Jonkers zelf aan het woord:

En weet je wat het zelden genoemde feit is..?
Een feit, dat in mijn ogen als een ‘waarheid-als-een-koe’ boven dit verhaal hangt. De genoemde ratten [in de beruchte studie van Séralini, zie lager] stierven als gevolg van toediening van maisvoedsel, afkomstig van met RoundUp gekweekte mais. Zogenaamd ‘genetisch gemanipuleerde’ mais (GMO), die barst van de RoundUp, want die gewassen worden er mee platgespoten. Het is namelijk mais, die zódanig is gemanipuleerd, dat ze immuun is voor RoundUp / glyfosaat. En ‘dus’ kunnen boeren lekker hun gang gaan en spuiten, spuiten en nog eens spuiten om ALLES te verdelgen, behalve het maisgewas, GMO-mais die bestand is tegen het giftige glyfosaat. En natuurlijk komt deze rotzooi vervolgens in de mais terecht, in de voedselketen en de niet-GMO-mensen. Waar de politiek is? Zegt het me maar!

Albert De Louw is een milde redacteur.

De illustratie bij dit artikel (foto links) verwijst naar de ondertussen beruchte studie van Séralini, die enkele jaren geleden teruggetrokken werd omdat onder andere de gebruikte statistische methodes te wensen overlieten. Hier vindt u een aardige analyse van de beruchte studie.

Spiegelbeeldauteur Door Frankema gaat dan weer op zoek naar de waarheid omtrent “Zika virus ziekte [sic]”:

Baby’s die geboren worden met vreselijke aandoeningen, een virus dat “om zich heen grijpt”, 3 tot 4 miljoen mensen die naar verwachting slachtoffer zullen zijn, een noodtoestand die over ons [sic] afgeroepen wordt… Kunnen zwangeren nog op vakantie naar een warm land?”

Ieder zijn prioriteiten.

Het WHO doet ze af als een horige van de farmaceutische industrie. In haar ingekorte versie van de WHO fact sheet wordt eigenaardig genoeg vrij cruciale informatie weggeknipt. De tekst die ze weergeeft is het lijstje met “key points”, aangevuld met parafrases uit de eigenlijke tekst.

Waar Frankema beweert dat het Zikavirus “jarenlang slechts sporadisch bij mensen aangetroffen is”, geeft de originele tekst “Outbreaks of Zika virus disease have been recorded in Africa, the Americas, Asia and the Pacific”. Verder vermeldt ze de milde symptomen die het WHO inderdaad geeft, maar laat ze wel “Potential complications of Zika virus disease” achterwege.

Vervolgens roept ze de hulp in van Jon Rappoport, volgens zichzelf een genie, een American loon volgens de andere. Wij houden het bij notoire complotdenker. Samen komen ze tot de conclusie dat o.a. het pesticidegebruik, bepaalde vaccins, genetisch gemanipuleerde muggen, de echte schuldigen… van wat is niet zo duidelijk, want zij beweert dat het Zikavirus “NIET in staat is om microcefalie te veroorzaken. U leest het goed, NIET”.

Ik wil hier niet benadrukken dat ongeveer alle aantijgingen van Frankema omtrent het Zikavirus ontkracht of enorm genuanceerd werden in de periode voor de publicatie van het tijdschrift. Maar mij valt op dat dit artikel en de meeste anderen weinig ruimte voor nuance, terughoudendheid of twijfel reserveren. Alle filters voor reflectie (en kennelijk ook zelfreflectie) lijken me met bruut geweld verwijderd te zijn. Het gelijk is steeds groot.

Spiegelbeeld is gelardeerd met reclameboodschappen, onder andere voor supplementen van “gefermenteerd papaja preparaat” (GMO-vrij, zo wordt me verzekerd) dat het immuunsysteem stimuleert. Er wordt niet aangegeven wat er mis is met de prepreparaatversie ofte gewone, volledige papaja. Verder lijkt er aldus de advertenties heel wat “geheald” te moeten worden, bijvoorbeeld met sieraden en via biodynamische massages. Meerdere advertenties bieden cursussen “healen” aan.

Ook mediums en paragnosten kennen de weg naar de reclamepagina’s van Spiegelbeeld, wat me eraan doet herinneren dat Wonder nog een verhelderend artikel van Jos Vanlangendonck heeft over het Amerikaanse onderzoek naar de oplichterspraktijken van helderziende Maria Duval, of beter, van de maffioze kliek die onder die naam opereert in Europa en de VS. Jan Vanlangendonck won trouwens in 2007 de Zesde Vijs voor zijn radioreeks omtrent Maria Duval.

Reclame ook in Wonder, en meer bepaald voor de laatste drie sessies van Skeptics in the Pub, gratis evenementen onder het motto ‘tomeloos denken en matig drinken’. Sebastien Valkenberg komt op 29 april, Johan Braeckman op 31 mei en Pepijn van Erp op 16 juni. De inkom is gratis, maar u kan Skeptics in the Pub wel steunen door eens langs te komen en of lid te worden van SKEPP, waarbij u zich automatisch abonneert op Wonder en is gheen Wonder.

27/10/2015: Skeptics in the Pub met Bart Coenen

Bart Coenen 2Bart Coenen neemt de tweede sessie van Skeptics in the Pub voor zijn rekening. Bart Coenen is de oprichter van Backcover.be, een e-magazine omtrent milieu, ecologie en technologie.

Lezing: “Weg met het groene traditionalisme, maak plaats voor de ecomodernisten!”

Het ecomodernistisch project is positief en pragmatisch en staat voor een bloeiende mensheid in een blakende natuur. Hét paardenmiddel tegen groen miserabilisme en apocalyptisch doemdenken.

LocatieDe Afkikker, Sint-Kwintensberg 52,
9000 Gent

Datum en uur: dinsdag 27 oktober 2015, om 20.30u (deuren 20.00u).

Bart Coenen (1976)  is oprichter en hoofdredacteur van het onafhankelijke journalistieke project BackCover.be waar hij nieuws brengt op het snijpunt van milieu, ecologie en technologie. Hij is ook mede-oprichter van Atheïsmecampagne. In een vorig leven was hij medewerker bij de groene partij Agalev, hoofdredacteur van het ecologisch magazine Seizoenen en actief in de groene denktanks Oikos en Terra Reversa. Vandaag noemt hij zich de eerste Vlaamse ecomodernist en keert hij zich tegen het traditionele groene doemdenken. Samen met Frank Verhoft vertaalde hij An Ecomodernist Manifesto naar het Nederlands.

Skeptics in the Pub is een initiatief van Skepp en Skepp Educatief.